In de wereld van Een Cursus in Wonderen is geloof veel meer dan een abstract religieus concept of een passieve overtuiging. Het wordt gepresenteerd als een dynamische en fundamentele kracht van de menselijke geest. Vaak denken we dat we het vermogen tot geloven zijn kwijtgeraakt, of dat we sceptisch en nuchter in het leven staan. De Cursus stelt echter dat het onmogelijk is voor de mens om géén geloof te hebben. De vraag is nooit óf we geloven, maar waar we onze kracht van geloof in investeren.
Op dit moment hebben we ons geloof bijna volledig geschonken aan de illusies van de wereld: aan het lichaam, aan pijn, aan het verleden en aan de vele beperkingen die we om ons heen zien. We zijn zelfs uiterst getrouw in onze toewijding aan deze beperkingen. We geloven zo rotsvast in onze eigen zwakte en in de schuld die we bij anderen waarnemen, dat dit voor ons de enige werkelijkheid is geworden. Wat we ‘ongeloof’ noemen, is in feite niets anders dan een krachtig geloof in het niets, een investering in wat niet waar is. De weg naar innerlijke vrede begint dan ook niet bij het vergaren van nieuw geloof, maar bij het zorgvuldig terugtrekken van onze investeringen uit de illusies van het ego.
Dit proces van verandering vraagt om een verschuiving van de blik. Waar het ego ons vertelt dat we pas moeten geloven als we de bewijzen met onze eigen ogen zien, draait de Cursus dit principe om. Wat we geloven, bepaalt namelijk wat we waarnemen. Als we ervoor kiezen om ons geloof te schenken aan de heiligheid van onze medemens, in plaats van aan hun fouten, zal onze waarneming van de wereld transformeren. Dit is de kern van de relatie met de ander. Door voorbij het fysieke lichaam en de uiterlijke verschijning van een broeder of zuster te kijken, herkennen we een gedeelde essentie die de fysieke wetten overstijgt.
Geloof fungeert hierbij als de motor achter het wonder. Er wordt wel gezegd dat geloof bergen kan verzetten, en binnen de context van de Cursus is dit geen metafoor maar een spirituele wetmatigheid. De ‘bergen’ die verzet worden, zijn de massieve blokkades van angst en schuld die we in onze eigen geest hebben opgeworpen. Wanneer we zelfs maar een klein beetje van ons geloof aan de visie van de Heilige Geest schenken, bieden we de ruimte waarin genezing kan plaatsvinden. Dit kleine beetje bereidheid is voldoende om een proces in gang te zetten dat ons terugvoert naar de herinnering aan onze oorsprong.
Een troostrijke gedachte in dit proces is dat we er niet alleen voor staan. Juist op momenten dat ons eigen vertrouwen wankelt en we overmand worden door zelftwijfel, mogen we leunen op een kracht die groter is dan die van onszelf. Jezus en de Heilige Geest worden beschreven als degenen die een onwankelbaar en volmaakt geloof in ons blijven houden, ook als wij dat geloof in onszelf al lang verloren zijn. Hun vertrouwen in onze goddelijke natuur dient als een brug voor de momenten dat wij de weg even niet meer zien. Het is alsof zij ons geloof tijdelijk voor ons bewaren, totdat we weer in staat zijn het zelf op te eisen.
Uiteindelijk is geloof echter een tijdelijk hulpmiddel. Het is de gids die ons door de mist van perceptie en interpretatie leidt. In de werkelijke wereld, de staat van zijn die de Cursus ‘Kennis’ noemt, is geloof niet langer nodig. Je hoeft immers niet te geloven in wat direct en onomstotelijk aanwezig is. Zodra de waarheid volledig is geaccepteerd en de illusies van afscheiding zijn opgelost, maakt geloof plaats voor een diep en stil weten. Tot die tijd is het onze krachtigste bondgenoot: een bewuste keuze om elke dag opnieuw te vertrouwen op de liefde, in plaats van op de angst die de wereld ons spiegelt.
