Ingehouden woede

image

Na jarenlang latten komt m’n vriendin bij me wonen. Super leuk maar een logistieke uitdaging want we hebben alles dubbel. Marktplaats biedt uitkomst. Er zijn wat ‘grote stukken’ waar ik vanaf wil zoals lange rails met lamellen en een kast. Ik hoef er geen geld voor en het mag gratis opgehaald worden. Liefst snel, want morgen is de verhuisdag en het ligt nu knap in de weg. De animo is groot en reacties stromen binnen. ‘Heb je ze nog?’ Jawel, ik heb ze nog. Ik mail wat heen en weer met mensen die het eerst reageren en maak een afspraak voor het moment van ophalen. Tot drie keer toe zit ondergetekende braaf thuis te wachten maar verschijnt er niemand. Ook geen bericht of afzegging.

Ik kan hier slecht tegen en raak geïrriteerd. Heb dan tenminste het fatsoen om áf te zeggen, ook al is het op het laatste moment. Ondertussen heb ik wel geleerd dat ik nu iets te leren heb. Ik begin excuses te bedenken voor de mensen die niet komen opdagen. Misschien konden ze het niet vinden? Mogelijk is er iets ergs gebeurd in hun persoonlijk leven? Ik probeer dus lief te doen. Natuurlijk werkt dit niet. Het is slechts ingehouden woede. Als ik eerlijk ben dan moet ik erkennen dat ik baal en ze het liefst verbaal of per mail min of meer fijntjes zou willen laten weten dat dit luizenstreken zijn. Zo ga je niet met elkaar om!

En dat mag gewoon, maar ondertussen heb ik nog steeds te maken met boosheid in mezelf, met veroordeling en daarmee ben ik het zicht op de vrede kwijt. Ik zelf kan hier niks aan doen. Recht praten wat krom is werkt niet. Ik moet de bekende Cursus-weg afleggen. Eerst erkennen dat ik ervoor kíes om te oordelen en om vast te houden aan het boze gevoel dat mijn denkbeeldige afgescheidenheid bevestigt. Interessant om te zien dat het ego erg rolvast is. Haast betrouwbaar in zijn reacties. ‘Ja maar, ja maar.. ZIJ zijn toch fout!’ Ik zie mijn bekende verslaving aan het spel van schuld en beschuldiging. Ik zie m’n weigering om liefde te laten binnen stromen. ‘Ik heb gelijk en sta in mijn recht!’ Maar daar gaat het niet om.

De wereld is door het ego geprojecteerd om de duistere illusie van afgescheidenheid in mijn denkgeest tegen het daglicht te beschermen. De vraag of de denkbeeldige ander verwijtbaar is of niet, is niet de kwestie. IK geloof dat mijn broeder, een Zoon van God, schuldig kan zijn en etaleer hiermee mijn geloof in de denkbeeldige afscheiding. Ik kies ervoor om ‘aanvalbaar’ te zijn omdat ik dit veiliger vind dan om liefde te zijn. Ik gebruik marktplaats-broeders en -zusters als valse getuigen om mijn eigen bijgeloof in stand te houden als afweer tegen de liefde. ZIJ zijn niet vals, ze zijn liefde, wat ze ook doen en met welke intenties ook. Ook ik ben niet vals. Ik vergis me slechts uit angst voor liefde. Ik laat me foppen door de vorm, door hun handelen. Mijn eigen angst voor de liefde mag ik ter vergeving aanbieden aan Hem die liefde is.

God is louter liefde, dus ben ik dat ook. In stilte merk ik de stroom van liefde weer op. Er schuilt geen wreedheid in God en evenmin in mij. Door genade leef ik, door genade word ik vrij (WB 180)

De gedachte aan- of van God?

image

Als ik een Werkboekles (178) voor de eerste keer lees spreekt het me niet altijd direct aan. Dat had ik ook met ‘Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen’. Nee, natuurlijk niet. Waarom zou ik de gedachte van God willen afwijzen? Ik wil toch juist dichter bij God komen? Ik heb helemaal niet de neiging om ‘de gedachte van God’ af te wijzen. En waarom staat er eigenlijk de gedachte ‘van’ God en niet de gedachte ‘aan’ God? Raar hoor.

Mijn reactie laat niet alleen zien dat ik een trage leerling ben maar een weerspannige leerling. Er is namelijk meer aan de hand dan het gewoon niet begrijpen. Mijn ego wíl deze zin niet begrijpen. Het wil niet zien dat het wel degelijk de gedachte van God afwijst. Want wat is die gedachte van God?

Wij menen dat we inderdaad áán God kunnen denken. Bij dit proces komen er wat beelden, wat concepten naar boven die we vervolgens voor waar aannemen. Zelfs gedachten als ‘God is liefde, waarheid en eenheid’ blijven min of meer concrete richtingsaanwijzers die naar iets verwijzen dat niet meer concreet is. Lekker veilig, een ikje dat rustig aan- of over God denkt.

De gedachte ván God is (sorry, ik moet toch woorden gebruiken) de onbegrensde Liefde zelf. Deze onbegrensdheid gaat ons bevattingsvermogen verre te boven en is de ultieme bedreiging voor ons ego. Ons ego is een verkramping waarbij we vastklampen aan ons begrensde lichaam, aan plannen, aan ruimte, tijd, relaties, ik en jij. Zo menen we dat we ons uit de eenheid losgedacht hebben. Maar binnen de gedachte van God zijn er geen grenzen meer en lost dus het ego op.

De gedachte van God betekent dus dat we weer gaan lachen om het nietig dwaze idee van de afscheiding. Zeer bedreigend voor het ego. Het ego wil veilig áán God denken maar niet vervuld worden door- en oplossen in de gedachte van God; in onbegrensde Liefde. God is louter Liefde, dus ben ik dat ook. Moeten we hiervoor iets doen? Moeten we ons voorbereiden? Binnen de illusie moeten we iets afleren. We mogen met vergevingsoefeningen leren dat we niet dood gaan als we ons openstellen voor de Heilige Geest en voor de contacten met de Zoon van God, onze broeders. We mogen samen met Hem naar onze angst kijken. Naar de angst voor de Liefde die we zijn.

Meer niet. Het is ten diepste schuldeloze arrogantie als we denken dat de allerhoogste onze voorbereiding nodig heeft om te zijn Wie Hij is. Waarheid is. Nu en tot in eeuwigheid. En dit ís ons reeds gegeven, nu en in eeuwigheid. Wat een zegen, wat een ontspanning. Heer zie mijn bange afwijzing van uw liefde. Ik breng deze angst bij u en leg deze voor uw voeten. Hier ben ik Heer. Dank dat Uw gaven aan mij zijn toevertrouwd.

Valse getuigen.

image

De bank met aanklagers en valse getuigen zat vanmorgen overvol. Meneer A verklaarde dat ik lijd aan slapeloosheid. Meneer B vertelde dat ik overspannen ben door te grote drukte op het werk. Meneer C haakte daarop in door te vertellen dat het werk niet af zou komen, de omzet niet gehaald zou worden en de bonus niet zou worden uitgekeerd. Mevrouw D mengde zich in het gesprek en gaf aan dat er nog zo veel moest gebeuren voor de verhuizing. Ze had haar vriendin E meegenomen die me wees op mijn malende gedachten en een opspelende maagzweer.

Wat een drukte, wat een beschuldigingen. Ik nam ze allemaal heel serieus. Tjonge, jonge; wat een ellende, wat een stress en wat een droefenis. Maar wacht eens even.. De Cursus beweert dat ik er voor kies om dit allemaal serieus te nemen. Ik zet ze in de bank om mij te overtuigen dat ik een kwetsbaar ikje ben. Het ego protesteert direct heftig. NEE, dit overkomt je. Je bent een machteloos slachtoffer van een heleboel narigheid!

Ben ik dat? WB 173; ‘God is louter Liefde, dus ben ik dat ook’. Huh? Louter Liefde? Met maagpijn en en kop vol zorgen? Hier klopt iets niet. De les gaat verder. ‘Ik doe een stap terug en laat Hem de weg wijzen’ ik merk dat ik hier helemaal niks voor voel. Er moet van alles gebeuren en IK moet het allemaal fiksen en in goede banen leiden. Hoezo een stap terug doen? Dat kan niet, dat mag niet, dat voelt haast ongepast.

Ik merk dat ik verslaafd ben aan het luisteren naar de valse getuigen A, B, C, D, E en hun kornuiten. Ik wil helemaal niet naar een andere, een mildere Stem luisteren. Ik herhaal zachtjes: ‘God is Liefde, dus ben ik dat ook’. Er ontstaat een klein beetje ruimte. Een klein beetje licht. Te weinig naar m’n zin. Het is even niet anders. Ik kies voor vertrouwen. Zijn Wil is reeds geschied. Dus ik ga douchen. Ik hoef deze dag niet zelf door te worstelen. Dit geeft hoop en kracht.

Ik ga met God in volmaakte heiligheid.

De andere wang toekeren?

image

De Werkboekles van vandaag vertelt dat onze veiligheid ligt in onze verdedigingsloosheid. Deze verdedigingsloosheid klinkt nobel, iets om na te streven. We kunnen het zelfs zien als een opdracht, een soort heilige missie. Leert de Bijbel ons ook niet om onze aanvaller de andere wang toe te keren? Dus besluit ik om de volgende keer als iemand een rot opmerking maakt om mijn woede in te slikken en zo vriendelijk mogelijk te blijven. De wereld zou er inderdaad een stukje vriendelijker uit zien als we ons als gedragsregel zouden opleggen om tenminste eerst eens tot tien te tellen voordat we defensief of aanvallend reageren.

Maar herhalingsles 172 heeft het niet over ingehouden woede. Niet over opgelegd gedrag. Als we denken ergens boos van te worden is het zaak om de bekende omkeerslag van de Cursus te maken die ons zo moeilijk valt. Het is niet waar dat iets buiten ons de macht heeft om ons bang en boos te maken. We hebben eerst een keuze gemaakt. Een keuze die we liever niet onder ogen willen zien en verdrongen hebben. Het voelt veilig voor ons om er van uit te gaan dat we een afgescheiden ikje zijn dat aangevallen kan worden. Sterker nog; het feit dát we denken aangevallen te kunnen worden gebruiken we als bewijs dat we een afgescheiden ikje zijn. Dat we op onszelf staan. We willen bizar genoeg het spel spelen van aanval en verdediging. Het is dé manier om ons flink ‘ik’ te kunnen voelen.

Waarom helpt het dan niet als we onszelf opleggen om dit niet langer te doen? Om ons gedrag te beteren? Let maar eens op wat dat gevecht tegen je eigen boosheid met je doet. Je denkt nog steeds dat jouw tegenaanval gerechtvaardigd is. Je voelt je nog steeds een slachtoffer dat afziet van zijn recht zich te verdedigen. En je ziet nog steeds niet dat deze denkbeeldige JIJ ervoor kiest om deze rol te spelen. De ‘ik besta want ik kan slachtoffer zijn’-rol. Maar hoe moeten we dan aan de slag met de werkboekles?

Dat sleutel wordt ons direct aangereikt. ‘Ik ben een van de dienaren van God’. Wat doet een dienaar? Een dienaar luistert. Hij luistert naar zijn Heer. Maar wie is zijn Heer? Hoe verhoudt de dienaar zich tot zijn Heer? Als we deze opdrachtgever buiten ons zien dan zijn we weer terug bij af. Dan wordt de verdedigingsloosheid weer een opgelegde wet. En Jezus is nu juist gekomen om de wet te vervullen. Wij kunnen ons niet aan de wet houden. Sterker nog, het frustreert ons als het niet lukt en vult ons met hoogmoed als we denken dat we het goed doen.

Wie is onze Heer? En weer spreekt de les van vandaag. God is louter Liefde. Klopt, zo denken veel mensen over God. En deze lieve God vertelt ons dat wij ook wat liever moeten DOEN? Nee. We hoeven niet liever te doen. Lees verder. ‘God is louter Liefde, dus ben ik dat ook’. Wow. Ik ben niet een ventje dat zijn frustratie moet inslikken terwijl hij zich aangevallen voelt. Ik ben Liefde. Maar geen Liefde op eigen kracht. Ik besef pas dat ik Liefde ben als ik m’n mond houd, mijn pogingen om het zelf goed te doen opgeef en als dienaar luister naar Hem.

‘Heer, hier ben ik. Ik kan niet op eigen kracht een fijn liefdevol mannetje zijn. Laat Uw Liefde stromen door mij. Laat andere stemmen in mij zwijgen. Heer Uw wil is Liefde. Zie mijn angst tegen deze liefde. Zie de angst van waaruit ik denk te moeten vechten tegen denkbeeldige anderen. Zie mijn angst voor U, voor Liefde. Ik geef me aan U, ik open me voor wie ik werkelijk ben. Dank U God, dank U Liefde. ‘

Groeien in liefde

image

Ik was altijd een ‘hondenman’. Mijn ouders hadden honden. Het zijn lekker ongecompliceerde wezens. What you see is what you get. M’n vrouw komt uit de katten hoek. Een paar jaar geleden kwam Mies bij ons wonen. We haalden haar op uit het asiel. Mijn verzoek was om een zo honds mogelijke kat te krijgen. Geen afstandelijke nurks maar een kat die contact wilde met mensen. Mies is zo’n hondse kat.

Als ik op zondagochtend als eerste de woonkamer binnenkom dan staat ze me al op te wachten achter de matglazen deur. Soms is ze buiten maar zodra ze doorheeft dat ik beneden ben, stormt ze door het kattenluik naar binnen. Er volgen wat hartverscheurende mauwen en het kopjes geven begint. Ik ga gezellig op de grond zitten. Het houdt maar niet op. M’n handen, de stoelpoot, mijn sloffen; alles wordt afgekopt. Eerst dacht ik dat ze gewoon brokjes van me wilde, net als de vorige kat van m’n vrouw; Jet. Maar nee; zelfs als ik brokjes neerzet is ze na 10 seconden weer terug.

Vanmorgen hield het niet op. Ze ging vrolijk nét buiten m’n bereik op haar rug liggen zodat ik me even moest verplaatsen om door te kunnen gaan met kroelen. Uiteindelijk ging ik op de bank zitten. Mies op de leuning, over mijn schoot heen, van links naar rechts. En dan gebeurt het. Mies lijkt gek te worden van liefde. De blik in haar ogen verandert. Ze bijt zachtjes en deelt een tikje uit. Ik ben nog niet kattenman genoeg om dit helemaal te begrijpen en schrik er wat van.

Het lijkt wel of het haar te veel wordt. Mies en ik lijken teveel één te worden en ze valt me een beetje aan. Ik projecteer wat Cursus inzichten op haar. Bang voor liefde. Bang voor eenheid. Stapje voor stapje doen we onze vergevingsoefeningen. We geven ons voorzichtig over aan de liefde. We merken dat de liefde gaat stromen als we onze oordelen achterwege laten. We komen dichter bij die ander, dichter bij God. Het voelt haast eng en dan ‘bijten we weer van ons af’. Van speciale liefdeselatie even terug naar de speciale haatrelatie. Samen op weg naar de heilige relatie. Samen groeien in liefde.

Overgave

image

Moet je deze zin eens lezen uit WB 170:
6Jij maakt zelf datgene waartegen jij je verdedigt, en door je eigen verdediging ertegen is het werkelijk en onontkoombaar. 7Leg je wapens neer, en dan pas zie je dat het niet echt is.

Hoe kernachtig willen we de waarheid van de Cursus hebben? We menen dat we ons los van God gedacht hebben. Onmogelijk en voorwaar een dwaas idee, maar toch denken we dat dit ons gelukt is. We zien dit als een aanval waar we ons schuldig over voelen. Direct ontstaat de angst dat we weer zullen oplossen in die eenheid. We geloven nu dat liefde gevaarlijk is en dat God er op uit is om ons terug te pakken. Dit alles gebeurt in de denkgeest en binnen deze geest is het lastig muren bouwen. Daarom houden we onszelf voor de gek en denken we dat het mogelijk is een wereld te bedenken met echte grenzen en echte muren. Ik en jij lijken nu werkelijkheid te zijn. Maar ook in onze duale en geprojecteerde nep wereld voelen we ons niet veilig. Ik moet me zogenaamd verdedigen tegen jou, zoals ik me meende te moeten verdedigen tegen God.

Zoveel relaties, zoveel andere mensen. Jou mag ik wel, jou mag ik niet. Ik sloof me voor je uit, ik weer je af. Ik houd van je, ik haat je. Eindeloos herhalen we ons spel van veroordeling. We verwelkomen de denkbeeldige tijd en ruimte waarbinnen we ons menen te kunnen bewegen. Van verleden naar toekomst, van links naar rechts en van boven naar beneden. Wat een fop-paradijs, wat een hel; tijd, ruimte, vrienden en vijanden. Een snoepwinkel voor ons ego. Lekker druk bezig zijn. Rennen, vliegen vallen en weer doorgaan. Beweging, druk, druk, druk. Ik. Ik besta, ik ben.

In het heilige ogenblik wordt het stiller. We zien hoe ons spartelen de illusie van afgescheidenheid versterkt. Wie ben ik zonder oordeel over jou? De afstand tussen mijn oordeel en het besef van haar gevolg wordt kleiner. Ik wil me niet losdenken van jou en leg mijn wapens neer. Ik wil niet vechten. Ik wil één zijn.

Ik geloof die valse getuigen niet langer. Jij bent niet dik, dun, man, vrouw, stom of lief. Ik doe dit oordeel mezelf niet langer aan. Want jij bent mij. Zo dichtbij. Jij bent liefde, jij bent God. Ik hoef jou niet te vrezen, ik hoef God niet te vrezen. Ik kijk je aan en laat me omarmen door de liefde die je bent. Wat jouw uiterlijk en gedrag me ook willen laten geloven. Ik trap er niet in en luister naar een andere Stem. Die zachte Stem die nooit opgehouden heeft om te spreken over Liefde. Over God, over Jou en over Mezelf.

Een tweede gesprek (vervolg op 17 mei)

Two Men Enjoying Coffee

Het tweede gesprek.
S: En, heb je afgelopen weken nog tijd gehad om een paar Werkboek lessen door te nemen?
V: Niet elke dag maar ik heb afgelopen weekend wat zitten lezen omdat ik je vandaag weer zou zien.
S: Wat vond je er van?
V: Raar.
S: Wat vond je raar?
V: In de eerste lessen herkende ik wel waar jij het vorige keer over had. Dat volgens de Cursus alles wat we zien een illusie zou zijn. Er werd gevraagd om rond te kijken en tegen mezelf te zeggen dat wat ik zag geen betekenis had. Dat ik zelf overal betekenis aan heb toegekend.
S: En wat bracht je dat?
V: Het heeft een beetje een bevreemdend effect op me. In feite is het niets nieuws maar het is iets waar je meestal niet bij stil staat. Ik vraag me alleen af waar het goed voor is om er zo naar te kijken.
S: De Werkboeklessen zijn bedoeld als oefening. Er wordt gezegd dat je er niet te veel over hoeft na te denken. Als je ze alleen maar doorleest en niet toepast dan gebeurt er inderdaad niet veel. Je vormt je er gewoon een mening over en meer niet. Maar als je ze dagelijks een paar keer probeert te doen zoals wordt aangegeven dan kun je merken dat ze effect hebben.
V: Wat voor effect dan?
S: Ik kan wel vertellen wat het mij brengt maar daar heb jij niet veel aan. Het enige wat dan gebeurt, is dat je er een mening over vormt. Lijkt het je niet aardig om het eens uit te proberen?
V: Tja; ik weet het niet zo. Toen ik wat verder bladerde in dat Werkboek liep ik er toch vrij snel in vast.
S: Wat bedoel je dat je vast liep?
V: Heb je de Cursus bij de hand?
S: Wacht even, ik pak hem erbij.
V: Nou, hier bijvoorbeeld. Bij les 23 hebben ze het over het ontsnappen aan de wereld door aanvalsgedachten op te geven. Ik heb geen idee waar ze het over hebben.
S: Ik moest zelf ook wennen aan de terminologie van de Cursus. Als je er echter een tijdje mee bezig bent dan vallen de woorden steeds meer op hun plaats en gaat het meer voor je leven.
V: Maar waarom wordt er dan zo moeilijk gedaan? Het moet toch mogelijk zijn om het op een simpelere manier uit te leggen? Waarom wordt er bijvoorbeeld gebruik gemaakt van al die Christelijke termen als God en Heilige Geest? Dat is toch niet meer van deze tijd?
S: Ik besef dat niet iedereen door dit taalgebruik wordt aangesproken. Wat ik wel heb gemerkt is dat de Cursus zich heel precies weet uit te drukken door gebruik te maken van wat ongebruikelijke termen. Het vergt zeker in het begin wat inspanning en doorzettingsvermogen om te begrijpen wat de Cursus bedoelt met termen als God, Heilige Geest en zonde. Zelf had ik daar ideeën over gevormd in de periode dat ik naar die Baptisten gemeente ging waar ik je over vertelde. Het duurde even voor ik het taalgebruik van de Cursus een beetje kon plaatsen.
V: Ik herinner me inderdaad van de vorige keer dat er binnen de Cursus anders gedacht wordt over God.
S: Klopt. Ik was gewend aan een beeld van God met nogal menselijke trekjes. In de Cursus wordt God gezien als eenheid en Liefde. Het woord ‘zonde’ speelt een hoofdrol in de Cursus maar met een andere betekenis dan in het klassiek Christelijke geloof.
V: De betekenis van zonde lijkt me duidelijk. Dat is gewoon het doen van foute dingen. Stelen, liegen, geweld; dat soort zaken.
S: In de Cursus heeft de term zonde veel eerder de betekenis van een vergissing.
V: Wat voor vergissing?
S: De vergissing waarbij wij denken dat we los staan van God.
V: Maar we staan toch ook los van God?
S: Dat denken we slechts.
V: Wil je beweren dat jij God bent?
S: Alles is God en ik geloof in de illusie dat ik een afgescheiden wezentje ben die lekker zijn eigen gang gaat.
V: Jezus, wat een grootheidswaan! De Goddelijke Simon. Laat me niet lachen!
S: Het omgekeerde is het geval. Het is grootheidswaan als je meent afgescheiden te kunnen zijn van God. Je denkt dat je een lange neus naar de eenheid kunt maken en als poppetje van vlees en bloed met een eigen wil rond te kunnen lopen. Dat is niet meer dan een droom waar je zelf in bent gaan geloven.
V: En ben ik dan ook God?
S: Er is geen ik en alles is God. De denkbeeldige poppetjes Victor en Simon zijn het echter vergeten. Ze realiseren het zich niet meer en voelen zich afgescheiden van elkaar en van de wereld. Dat idee van afgescheiden te zijn noemt de Cursus zonde. Maar het is geen zonde in de morele zin van het woord. Het is dus niet slecht in de zin van verwerpelijk maar slechts een vergissing.
V: Je zei toch dat de Cursus jou gelukkiger maakt?
S: Ja, hoezo?
V: Word je er gelukkige van als je denkt dat je één bent met God?
S: Nee, van dat geloof op zich word ik niet gelukkig. Daar word ik net zo min gelukkig door als het geloof in een hiernamaals met engeltjes en trompetgeschal.
V: Waar word je dan wel gelukkig van?
S: Door de Werkboeklessen te doen kun je oog krijgen voor de vergissing die je maakt. Voor je geloof in de illusie. Daarmee bedoel ik niet dat je verstandelijk begrijpt of aanneemt dat wat je leest waar is maar dat er een soort woordloos zien plaatsvindt. Dat zou je een klein wondertje kunnen noemen.
V: Ik zie nog niet in hoe die Werkboek lessen daarbij zouden kunnen helpen.
S: Mag ik als voorbeeld de aanvalsgedachten nemen waar we het net over hadden?
V: Ga je gang.
S: Er staat dus in het Werkboek dat je aan de wereld kunt ontsnappen door aanvalsgedachten op te geven.
V: Ik heb helemaal geen aanvalsgedachten. Waarom zou ik iemand aan willen vallen? En waar slaat dat ontsnappen aan de wereld op? Ik kan er echt niets van maken.
S: Met aanvalsgedachten worden niet alleen gedachten bedoeld aan een fysieke aanval zoals je misschien zou denken. Het gaat over iedere irritatie die je jegens een ander mens hebt. Als iemand zich niet gedraagt zoals jij zou willen dan is dit al een aanvalsgedachte. Die andere persoon hoeft niet eens aanwezig te zijn of zelfs niet in leven te zijn.
V: Dat gaat wel heel ver dan.
S: Dat klopt. Als je dit soort gedachten hebt over een andere persoon dan kun je opmerken dat ze gepaard gaan met een gevoel van afgescheidenheid. Je voelt je duidelijk los staan van die ander en meestal zal je je ook superieur voelen. Je voelt je op dat moment niet bepaald verbonden met die ander laat staan dat je beseft dat je in feite één bent.
V: Oh, nu begin je weer over die eenheid.
S: Ja, maar daar hoef je niet eens ideeën over te hebben om toch te kunnen ervaren dat wat ik zei over dat gevoel van afgescheidenheid klopt. Toch?
V: Ja, dat is niet zo ingewikkeld.
S: Kun je er een voorstelling van maken hoe het voelt als die zogenaamde aanvalsgedachte plotseling zou wegvallen. Hoe kijk je dan op dat moment aan tegen die ander?
V: Volgens mij kan dat niet. Als ik kwaad ben heb ik daar meestal een goede reden voor en dan is het niet mogelijk dat die boosheid plotseling als sneeuw voor de zon verdwijnt.
S: We denken dat we precies weten waarom we boos zijn. Die ander heeft iets gezegd wat ons niet bevalt of hij heeft zich anders gedragen dan we zouden willen. Toch is de werkelijke reden anders.
V: Wat dan?
S: We kiezen ervoor boos te zijn op die ander omdat we ons afgescheiden willen voelen van die ander. Ons ego vindt het heerlijk om die afgescheidenheid te ervaren. We willen ons helemaal niet één voelen met die ander.
V: Dat herken ik helemaal niet. Ik word gewoon boos als die ander stom doet of zo.
S: We denken inderdaad dat dit de reden is maar de van de werkelijke reden zijn we ons niet bewust omdat we bang zijn.
V: Bang?
S: Ja, bang. We zijn bang voor de eenheid die we zouden ervaren als we geen aanvalsgedachten zouden koesteren. We hebben dan onbewust het geloof dat we als afgescheiden individu verdwijnen. Dat we als het ware oplossen. Daarom willen we dat andere mensen ons het gevoel geven dat we bestaan, zelfs als dat betekent dat we daarvoor aanvalsgedachten moeten hebben.
V: Dat lijkt me ver gezocht.
S: Laat me er dan nog maar een schepje bovenop doen.
V: Nou, kom maar op!
S: In de Cursus wordt het fenomeen waarbij we onbewust aanvalsgedachten koesteren de speciale haat relatie genoemd. Er kan echter ook sprake zijn van de speciale liefdesrelatie die die er op het oog heel anders uitziet maar die toch precies hetzelfde doel heeft namelijk het ervaren van een gevoel van afgescheidenheid en het voorkomen van een diepe ervaring van eenheid.
V: Ik kan me nog enigszins voorstellen dat bij een haatrelatie, zoals jij dat noemt, een gevoel van afgescheidenheid ontstaat maar bij een liefdesrelatie draait alles juist om verbondenheid! Het gaat dan om liefde waarbij je bij de ander wilt zijn. Als ik denk aan mijn vrouw dan wil ik zelfs fysiek met haar één worden en seks met haar hebben.
S: En als ze seks met een ander wil hebben?
V: Hoe bedoel je?
S: Hoe voel je je dan?
V: Ja, dan word ik natuurlijk kwaad. Dat is toch normaal? Zoiets flik je niet binnen een relatie.
S: Mag ik zeggen dat je wilt dat ze van je houdt en dat uit door aardig tegen je te doen en met je te vrijen?
V: Is dat zo gek dan?
S: Nee, het is heel herkenbaar. Maar er is wel sprake van een ikje dat bevestigd wil worden door die ander. Het is een vorm van voorwaardelijke liefde die heel snel kan omslaan in het tegendeel als de ander niet doet wat je wilt. Dan verandert de speciale liefdesrelatie in een speciale haatrelatie. Zie je dat?
V: Je stelt het wel allemaal heel zwart-wit voor. Het is haat of liefde en het is kennelijk allebei weer niet goed. We hebben het hier toch over de normale manier waarop mensen met elkaar omgaan?
S: Wij zijn dit inderdaad heel normaal gaan vinden. We weten niet beter en gaan met deze manier van leven onder de wol. Dit is de wereld die we kennen. En les 23 zegt dat we aan deze wereld kunnen ontsnappen door aanvalsgedachten op te geven.
V: Ik wil best proberen mensen aan wie ik een hekel heb te vermijden maar ik ga toch niet mijn vriendschappen verbreken om aan de wereld te ontsnappen?
S: Dat is ook absoluut niet de bedoeling. We hoeven helemaal niks te veranderen in de wereld die we menen te zien. Maar er wordt beweerd dat er een andere manier van kijken mogelijk is waarbij we een eenheid en vrede kunnen ervaren die we nauwelijks kennen. We kunnen dit gewoon ervaren binnen de relaties die we nu hebben.
V: Hoe dan?
S: Door goed op te letten kunnen we als het ware een heel precies besef ontwikkelen voor het gevoel van afgescheidenheid dat we zelf creëren in onze relaties. Iedere verstoring van ons geluk of innerlijke vrede kan worden opgemerkt en ook onze afhankelijkheid van de ander om bijvoorbeeld zijn goedkeuring te krijgen.
V: En dat is dus fout.
S: Nee, dat is wat gebeurt. Als je het “fout” noemt en je gaat jezelf stom vinden dat je dit doet dan maak je er weer meer van hetzelfde van. Namelijk een truc om je zelf te ervaren als stommerd die afgescheiden is van de eenheid. Iedere vorm van oordeel veroorzaakt een denkbeeldige afscheiding. Of dat oordeel nu een ander of jezelf betreft dat doet er niet toe.
V: Maar dat oordelen gaat vanzelf. Dat kun je niet tegenhouden.
S: Op dit moment komt God, of preciezer gezegd, de Heilige Geest in beeld.
V: Leg uit.
S: Op het moment dat je zo eerlijk mogelijk constateert dat je iemand anders of jezelf veroordeelt dan mag je deze Heilige Geest vragen om jou een andere wereld te laten zien. De werkelijke wereld. Er wordt gezegd dat een klein beetje bereidwilligheid voldoende is. Je hoeft jezelf dus niet in allerlei bochten te wringen om bijvoorbeeld je denken te veranderen. Sterker nog, het lukt je niet en het werkt averechts. Vertrouwen en overgave aan de Heilige Geest om met Zijn ogen te mogen kijken is al wat er nodig is.
V: Dus dan wordt het toch weer een kwestie van geloof, want ik geloof niet in de Heilige Geest.
S: Dan noem je het voorlopig Bewustzijn of Liefde.
V: En wat moet ik me dan voorstellen bij het kijken door de ogen van de Heilige Geest.
S: Je hoeft je van mij niks voor te stellen. Het is veel interessanter door het te proberen. Neem als het ware een stap terug en wees stil in vertrouwen dat het goed is. Kijk maar wat er gebeurt. Vind je het een idee om dat de komende weken is te proberen?
V: Ik ben nog niet overtuigd.
S: Heel goed, dat was ook niet de bedoeling. Maar ben je geïnteresseerd?
V: Jawel.
S: Je hebt een wetenschappelijke opleiding gehad dus dan moet een empirische aanpak je toch aanspreken. Gewoon een paar keer proberen en kijken wat het je brengt. Doen?
V: Oké.

Hulp vragen aan Jezus

image

Toen ik mezelf nog (klassiek) christen noemde, geloofde ik in een God buiten mij. God, de Almachtige, die mij geschapen had. Na het lezen van boeken over Advaita en het bijwonen van Satsangs liet ik dit duale-denksysteem los. Er is geen God buiten mij, geen twee-heid. Er is alleen maar eenheid, liefde.

Een tijd lang had ik binnen de Cursus moeite met het hulp vragen aan Jezus of aan de Heilige Geest. Die optie had ik nu juist laten varen! Maar wat gebeurde er? Ik meende te begrijpen dat ik liefde ben en dat ik me niet kan richten tot God buiten mij. Ik dacht het dus zelf te moeten doen. En hiermee ontstond een patstelling. Want die ik die besluit dat er geen God buiten hem bestaat is het ego; mijn ikje. Deze keer een ikje dat het helemaal zelf moet doen omdat er immers geen hulp buiten hem bestaat. En dat lukt nu eenmaal niet. Het ikje voelt zich afgescheiden, beseft dat dit geen vrede is en kan niets anders doen dan zich inspannen. Hulp vragen heeft immers geen zin. Maar een ikje dat zich inspant is als een man die vastzit in drijfzand. Iedere poging zichzelf te bevrijden werkt slechts averechts. Hij zakt verder weg.

Ik kan niet over mijn eigen schaduw heen springen, zelfs als ik mentaal begrijp dat er geen ik en geen schaduw zijn. Het gevoel van afgescheidenheid neemt alleen maar toe. Daarom ben ik zo dankbaar dat de Cursus zich niet beperkt tot de absolute waarheid. Zolang er sprake is van geloof in afgescheidenheid, schuld en angst helpt het mij niet echt om mezelf of anderen te geselen met non-duale, absolute waarheden. Het klinkt zo mooi: er is geen doener, er is geen ik, er valt niks te bereiken, ik,kan niet verlicht worden, er is alleen maar liefde etcetera. Natuurlijk, we mogen genieten van deze poëtische waarheden en het kan ons ook zeker inspireren.

Maar ondertussen belijd ik mijn onwetendheid, mijn worsteling en strijd en reik vervolgens uit naar de hand van Jezus. Of ik luister naar de Stem van de Heilige Geest. Laat het maar duaal zijn, laat het maar orthodox Christelijk zijn, laat het maar niet helemaal kloppen. Ik merk dat mezelf Goddelijk verklaren terwijl de illusie nog niet doorzien is slechts leidt tot het verder opzwellen van mijn denkbeeldige ego. Het voelt pompeus, niet vredig. Dus hoewel ik met mijn verstand weet dat ik zelf liefde ben, richt mijn hart zich in totale overgave op Hem. Mijn Heer. En dan blijkt er liefde te stromen.

Knagend schuldgevoel

image

Gisteren verkocht ik een bed via Marktplaats. Het was een groot ding van hout met ombouw, kastjes en laatjes. Tijdens de onderhandelingen over de vraagprijs had ik aangegeven dat de koper het bed zelf diende te demonteren. Er verscheen gisterochtend een aardige man aan de deur, Ali. Ali had niet veel tijd en begon snel met het uit elkaar schroeven van het bed. Hij bleek hierin niet echt handig, op z’n zachtst gezegd, dus hielp ik hem zo goed mogelijk mee. Tijdens dit hele gebeuren raakte een laatje beschadigd. Ali deed er nogal luchtig over maar ik vroeg me stilzwijgend af of het laatje nog te gebruiken was. Bij zijn auto blijkt het bed er nauwelijks in te passen. Uiteindelijk krijgen we het erin gewurmd. Een deel steekt nog uit de achterklep. Ik bind er een gekleurd doekje aan vast en wens hem een goede reis. ‘Zo is het toch goed’, vraagt Ali? ‘Ziet er prima uit’, antwoord ik terwijl ik besef dat zijn nummerbord niet meer zichtbaar is. Nou ja, laat maar gaan, ik heb ook nog wat anders te doen.

Mijn ego laat het hier niet bij zitten. ‘Wiens schuld was het nou dat het laatje kapot ging?’ Het wordt zo’n knagend gesprek ergens achter in mijn hoofd. ‘Ali had bepaalde schroeven vergeten los te draaien’. ‘Ik had me er meer mee moeten bemoeien en hem moeten waarschuwen’. Zo’n zelfde interne discussie over het nummerbord. ‘Straks krijgt die lieve man een bekeuring en wordt het bed voor z’n zoontje plotseling twee of drie keer zo duur. Waarom heb ik hem zo weg laten rijden? ‘

Een groot deel van de dag is de vraag in mijn hoofd wie er nu schuldig is; Ali of ik? De lijst met voor- en tegenargumenten groeit gestaag. Ik zal u hier niet verder mee vermoeien. Want wat is de essentie? Er moet een schuldige aangewezen worden van mijn ego. Hij of ik. Meer opties lijken er niet te zijn. Of toch wel?

Vannacht werd ik wakker en schiet het voorval mij weer te binnen. Ik moet denken aan mijn naamgenoot uit de Bijbel, Simon-Petrus. Hij schaamde zich kapot toen hij Jezus verraden meende te hebben. Ook ik schaam me dat ik mijn broeder ‘verraden heb’. Maar dan de reactie van Jezus. Hij kijkt slechts liefdevol naar Simon en ziet geen schuldige verrader die zich moet schamen maat een Heilige, zondeloze Broeder. Kan ik zo naar Ali kijken? Kan ik zo naar mezelf kijken? Het lukt me niet. Telkens komen verwijten en zelfverwijten naar boven. Gelukkig komt er een tweede tafereeltje uit de Bijbel naar boven. Jezus laat zien dat de discipelen zonder zonden zijn door hen de voeten te wassen. Simon-Petrus weigert aanvankelijk. Hij wil het omkeren en de voeten van Jezus wassen. Hij wil het zelf doen. Zo wil ik het ‘vergeven’ van Ali en mezelf ‘zelf doen’, op eigen kracht. Maar dat kan niet. Een ikje dat denkt te kunnen vergeven versterkt slechts zichzelf. Het ikje kan dit niet.

Ik vraag Jezus of Hij mijn voeten wil wassen. Ik voel ook de weerstand om Zijn liefde door me heen te laten stromen, net als Petrus. Wat gek! Nu weet ik waar ik het zoeken moet en toch is daar die weerstand, die weigering om los te laten en over te geven. Het is de kern van de zaak. Het loslaten van het schuldgevoel blijkt spannend. Hoewel het een rot gevoel is, denk ik toch dat het me iets oplevert. Ik ben liever een denkbeeldig schuldig en afgescheiden ikje dan dat ik me ontspan in Zijn Liefde. Heer zie mijn weerstand en angst tegen Uw liefde. Leer me dat het oké is om mijn geloof in schuld los te laten! Ik herhaal dit zachtjes en richt me hierbij op Hem. Pas nu kan het stromen. Het spel van het zoeken naar de zondebok wordt doorzien. Niemand is de bok. Er hoeft geen lam geslacht te worden. Het Lam Gods leeft. Wij leven schuldeloos, in genade als Kinderen van de allerhoogste. Wat een liefde!

Wb 157: Nu wil ik ingaan tot Zijn Tegenwoordigheid