Geef me je zegen broeder!

doopEen niet onbelangrijke stap in het cursuswerk is om het fenomeen projectie een beetje in de smiezen te krijgen. Zo kan ik me irriteren aan eigenwijze mensen die het laatste woord willen hebben. Slik. In de spiegel kijken is niet altijd even leuk. Er is het ego veel aan gelegen om het mechanisme van projectie voor ons te verbergen. Het gebeurt dan ook niet zelfden dat ik niet in het moment zélf in de gaten heb dat ik er weer eens ingetuind ben. Voor het doen van de vergevingsoefening maakt dit overigens niet veel uit. Het ego zal, vanuit geloof in de echtheid van tijd, ons graag vertellen dat het nu te laat is. Dat het kwaad al geschied is. Dat is gelukkig onzin. Een bepaald voorval komt ook later weer makkelijk bovendrijven en dan blijken de bijbehorende gevoelens nog springlevend. We krijgen gewoon telkens de gelegenheid om een niet geleerde les alsnog te leren.

Dus vanmorgen kwam een discussie in m’n gedachten waarin ik het laatste woord had willen hebben. Het gebeurt me vaker dat de herinnering dan niet beperkt blijft tot één zo’n situatie maar dat er een serie soortgelijke voorvallen de revue passeert. Op het moment dat ik besef dat er eigenwijsheid nodig is om eigenwijsheid in een zogenaamde ander te herkennen treedt er eerst schuldgevoel op in den vorm van schaamte. Zo herinner ik me dan de tekst “wil je gelijk hebben of gelukkig zijn”. Ik heb de neiging om op de automatische piloot het gewenste antwoord te geven. Natuurlijk wil ik gelukkig zijn en vrede ervaren. Niemand, ook ik niet, wil de indruk wekken zo’n nare eigenschap als eigenwijsheid te koesteren. Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Ik herinner me dat ik opnieuw dien te kiezen. Deze keer mag ik kiezen voor de stem van de vredevorst in plaats van voor de stem van het ego. Hoe moeilijk kan dat zijn?

Dan komt de vervelende aap uit de mouw. Het is klip en klaar wat me te doen staat maar kennelijk wil ik toch ook weer niet zo graag vrede ervaren want ik blijk hardnekkig vast te houden aan mijn gelijk in bepaalde kwesties. De ja-maars zijn niet van de lucht. Verstandelijk weet ik dat het ego nu stuiptrekt. Het wil denkbeeldige grenzen verdedigen en versterken. Het meent dat zijn identiteit op het spel staat en probeert mij ervan te overtuigen dat dit ook voor mij geldt. Het eerste is waar, het tweede niet. Enige bekendheid met de cursus is nu behulpzaam. Ik besef dat “ik” dit niet ga redden omdat ik het ten diepste niet wil. Dit is de weerstand tegen leiding door de Heilige Geest, dit is de angst voor liefde. Ik probeer het eerst voorzichtig door gewoon maar zoiets te zeggen als “kom maar binnen Jezus, doet u het maar voor me”. Maar de Heer is zo zachtmoedig dat hij mijn kleine eigenwijze wil niet wenst te overweldigen. “Alleen als je echt wilt”, krijg ik als antwoord.

Ik kies weer en doe dit door mijn doop door onderdompeling in een Baptistengemeente in herinnering te brengen. Ik geef me hierin over aan Jezus en vraag of hij me wil schoonwassen van mijn aanvalsgedachten. Het helpt iets. Dan komt een schokkend beeld binnen. Genoemde doop werd destijds uitgevoerd door de voorganger en een lieve broeder. Jezus kijkt me aan met een glimlach en nu besef ik wat me te doen staat. Ik vraag aan twee notoire betweters, aan wie ik me flink kan irriteren om in het doopfond af te dalen en mij te dopen. Ik zie hun gezichten scherp voor me en voel me verward. Ze komen aan weerzijden naast me staan en ik geef me over aan hen terwijl ze me onderdompelen. “Geef me je zegen, heilige Zoon van God”, zeg ik. Als ik door hen weer op mijn voeten wordt gezet is er verwondering en grote vreugde en blijdschap. We vallen elkaar in de armen en zijn ontroerd. Ik hef mijn ogen op naar Jezus die naast ons staat met een milde glimlach. “Ja, zo dus”, is het enige wat Hij me woordloos toeknikt.

Onze verborgen agenda

verborgen agendaAfgelopen week mocht ik een mailwisseling hebben met een niet-cursus leraar die ik erg respecteer. Hij staat een leerweg voor die uitgaat van onze dagelijkse ervaringen en stelt dat de weg naar ontwaken bestaat uit het aangaan van al deze ervaringen inclusief de nare gevoelens waar we gewoonlijk van weg willen vluchten. Ik kan me hier erg in vinden. Deze leraar kan tamelijk fel van leer trekken tegen andere stromingen of leringen en in het schrijven met mij werd ook de Cursus niet gespaard. Het was voor mij een mooie oefeningen waarin ik me telkens mocht herinneren dat de waarheid mijn verdediging niet nodig heeft. Enige tijd probeerde ik deze leraar te laten zien dat zijn weg van het aanvaarden van gevoelens geenszins in tegenspraak is met de weg van vergeving zoals de Cursus deze voorstaat. Hij koos er echter voor om, op grond van de info die hij had, de Cursus af te doen als “te mentaal” en “teveel op het hoofd gericht”. Dit is een verwijt dat door meer leraren zo geuit wordt en wat ons mag helpen om dit aspect te onderzoeken om ervan te leren.

Want het klopt dat het relatieve gevaar bestaat dat we de Cursus beperken tot een mentale truc, tot een gedachtenconstructie. Wat hierbij gebeurt is dat we binnen de droom geconfronteerd worden met iets wat ons niet aanstaat en dat we daar direct een niveau-I wijsheid tegenaan gooien. Als voorbeeld het roepen van “ik ben niet dit lichaam” als manier om van lichamelijke pijn af te komen. Of het omschrijven van de beelden van oorlog op tv als onwerkelijk om ons er niet meer door te laten raken. Telkens wanneer we dit doen proberen we nare gevoelens te ontwijken en wel met mentale kracht. De critici van de Cursus merken dit terecht op en wijzen ons erop dat we juist ook de nare gevoelens moeten aangaan. Dit is trouwens wel degelijk ook het advies van de cursus die ons erop wijst dat het loochenen van onze lichamelijke sensaties “onwaardig” is. Niet onwaardig in de zin van zondig maar in de zin van onnodig en een onterechte ontkenning van de macht die onze denkgeest heeft om de droombeelden te maken.

De mailcorrespondentie hielp me om het unieke van de Cursus weer beter te zien en daarmee ook de, wederom relatieve, gevaren van wegen die zo exclusief gericht zijn op acceptatie van negatieve gevoelens. Het liet me weer zien waarom er binnen de cursus sprake is van een metafysica, een tekstboek, dat we niet hebben ontvangen als grappig theorietje voor wie iets meer wil weten over de achtergrond, maar als essentieel onderdeel van onze prachtige leerweg. Wat een grote verdienste is van de cursus is namelijk dat deze ons wijst op, in mijn eigen woorden, onze verborgen agenda. De leraar die ik noemde heeft zijn opvattingen over het ontstaan van egokrachten ook te boek gesteld. Ik heb niet de pretentie dat ik dit even snel kan samenvatten maar het viel me op dat het eindresultaat een gevangenschap van ons ware zelf door het ego leekt te zijn. Iets wat we natuurlijk ook dikwijls menen te lezen in de Cursus. Toch is er een belangrijk verschil: in veel spirituele zoeksystemen, als ik het even zo oneerbiedig mag zeggen, eindigen we als slachtoffer van ons ego. Hoewel dat lijkt te kloppen en we dat ook zo ervaren, leert de Cursus ons juist dat we geen slachtoffer zijn van de wereld die we menen te zien. Dit ogenschijnlijk kleine detail maakt groot verschil.

Als we de huidige droom slechts zien als een situatie waarin een ikje tegen zijn wil gevangen zit dan is dit het startschot voor een gevecht van dat ikje tegen deze gevangenschap. Dit is een beetje het instapniveau van veel stromingen. Mijn correspondentievriend verwerpt terecht deze aanpak omdat door dat vechten een averechts effect wordt verkregen namelijk het versterken van de illusie van dualiteit. Dan maar alles aanvaarden als leerweg? En nu wordt het subtiel. “Ja”, zeggen veel leraren, acceptatie is dé weg. Dan nu die verborgen agenda. Want waarom willen we accepteren? Juist ja, om van de ellende af te komen. Wij gebruiken acceptatie als truc om niet te accepteren maar omdat we de droombeelden als echt ervaren en hiervan verlost willen worden. Het equivalent hiervan binnen de cursus is het “vergeven om te doden”. We denken hierbij dat de zonde van de ander wel degelijk echt is, maar we willen dit door de vingers zien om onszelf beter te voelen. Ook bij het “accepteren om ervan af te komen” zien we de droom als echt en proberen we middels acceptatie ervan af te komen.

Er zijn binnen de acceptatiestroom genoeg leraren, zoals Jeff Foster, die dat mechanisme wel degelijk doorzien en prachtig beschrijven. De Cursus is, wat mij betreft, een leerweg die onze verborgen motieven elegant en meesterlijk blootlegt en onze diepste drijfveren ontmantelt. Ze wijst ons op onze keuze voor afscheiding en onze angst voor liefde. Zaken die ook voor ons cursusstudenten lastig te bevatten zijn. Toch zijn ze essentieel voor het begrijpen van onze drijfveren en motivatie. De cursus wijst op de “zoek en vind niet” strategie van het ego. We kunnen ons suf gaan accepteren maar zolang we menen dat we een droomwerkelijkheid moeten verslaan die ons overkomt zal deze strijd slechts doen wat het probeert te bestrijden; het versterken van de ego-illusie.

Pas als we zien dat wij zelf kiezen voor afscheiding en daarmee voor zonde, schuld, angst en projectie kunnen we de absolute noodzaak zien voor ware vergeving onder leiding van de Heilige Geest. Hierbij is het totaal onschuldig als we ook hier onze agenda meenemen en smachten naar een einde van de hel en naar de vrede van de hemel. Maar inzicht in onze duistere motieven opent de weg naar ware acceptatie van de leiding van Iemand die echte Kennis, Wijsheid en Liefde is. Dan kan Zijn Wil en niet onze kleine wil geschieden opdat we ons herinneren dat deze Heilige Wil nooit niet is geschied.

WB 118:              Gods vrede en vreugde behoren mij toe.
Laat ik stil zijn en naar de waarheid luisteren.

Hersenspoeling?

BrainBath_PPTWe zijn weer begonnen met een serie herhalingslessen. In de inleiding van deze lessen adviseert Jezus ons hoe we het beste deze lessen kunnen inzetten. Het zal jullie bekend zijn; niet alleen ’s ochtends en ’s avonds een paar minuten de inhoud van de les overwegen maar elk heel en half uur. Hij weet dat dit voor ons een pittige uitdaging is en de manier waarop we hier mee om mogen gaan is liefdevol en niet rigide. Vanmorgen kwam het woord ‘hersenspoeling’ in me naar boven. Dit heeft gewoonlijk een negatieve bijklank waarbij de associatie wordt gemaakt met hiërarchische sektes waar men uit is op absolute gehoorzaamheid, macht en gewoonlijk ook op geld. Sekteleden vervreemden van hun naasten en trekken zich soms terug in de besloten omgeving van hun groep.

Als we uitsluitend naar de vorm kijken kunnen we ook bij het cursus-onderricht zien dat dit zich concentreert rond enkele bekende leraren, dat er bijeenkomsten en retraites zijn en dat soms een geldelijke bijdrage wordt gevraagd. Ik denk dat het goed is als we zelfkritisch blijven en deze vormen blijven toetsen aan de inhoud, aan de boodschap. Krijgen we de neiging om ons terug te trekken en superieur te voelen aan niet-cursisten? Of worden we uitgenodigd om ons juist te verbinden met alles en iedereen? Zijn betalingen nodig en, zo ja, zijn deze nog proportioneel? Worden we uitgenodigd zelf te onderzoeken en ervaren wat voor ons werkt of moeten we de waarheid maar aannemen van iemand die beweert het allemaal beter te weten?

Dit gezegd hebbende besef ik me dat de cursus ook als ultiem radicaal gezien kan worden. Een IS-terrorist is er heilig van overtuigd dat hij zich zo totaal mogelijk op God afstemt en de goddelijke wil uitvoert als hij een aanslag pleegt om ongelovigen te doden. Ook wij, cursisten, willen ons totaal op God afstemmen. Onze functie is echter vergeven en niet aanvallen. Verbinden en niet kapotmaken. We kunnen de waarheid niet afleiden uit de vorm die we zien maar ik heb het hier dan ook niet over het plegen van goede daden maar over de gesteldheid die we in liefdevolle verbondenheid kunnen ervaren.

Maar ik dwaal af. Terug naar de hersenspoeling. De werkboeklessen zijn wel degelijk een training en ook nog eens een tamelijk intensieve training. Zoals woorden als God, vergeving en verzoening een liefdevolle betekenis krijgen binnen de cursus mag dit wat mij betreft ook gelden voor het woord hersenspoeling. Ik laat die grijze massa van mij graag schoon spoelen door de Heilige Geest. In de Bijbel waste Jezus de voeten van de discipelen Samen met de aanvankelijk aarzelende Petrus roep ik nu ook: “was me maar helemaal Jezus!”. En ik denk hierbij terug aan de doop die ik mocht ondergaan in een Baptistengemeente.
Kennelijk hebben wij te maken met tamelijk hardnekkig vuil in onze denkgeest. Ik kan het beter anders zeggen; het vuil is niet zozeer hardnekkig maar onze bereidheid om onszelf te laten wassen is gering. Daarbij komt, ik spreek ook voor mezelf, nog een soort luiheid. Waarom dat hele dikke blauwe boek? Waarom 365 werkboeklessen en elk uur twee maal proberen hieraan te denken? Wat ik ook bespeur, ik vorm weer geen uitzondering, is de neiging om de cursus alleen te pakken als dingen echt tegen zitten. Zolang het zonnetje schijnt en ik geen onzekerheden ervaar is de bereidheid om de hersenen te laten spoelen niet zo groot. Bij conflicten, angst, pijn enzovoorts groeit de bereidheid. Maar over welke bereidheid heb ik het dan? De bereidheid om te ontwaken of de bereidheid om weer zo snel mogelijk terug te keren naar een gelukkige droomtoestand zonder ellende? Dikwijls geldt gewoon dat laatste. Ik zoek een quick-fix.

De cursus laat zich niet makkelijk voor onze instant-geluk-behoefte karretje spannen. Het tekstboek is niet echt een pageturner en over dat werkboek heb ik het net gehad. De neiging bestaat om terug te vallen op een eenvoudig stappenplan. Er zijn verschillende 6 of 7 stappenplannen beschikbaar en onlangs deed ik nog een 40-daags programma van Lisa Natoli. Dit zijn heerlijke hulpmiddelen die ons ter beschikking gesteld worden door liefdevolle leraren die ons oprecht willen helpen. Laten we hier vooral dankbaar gebruik van maken. Maar, en dit is mijn persoonlijke overweging, in aanvulling op en niet in plaats van de Cursus. Mogelijk zijn er cursisten die aan een soort samenvatting van de cursus genoeg hebben. Mogelijk zijn anderen voorlopig geholpen met de quick-fix en zoeken ze vooral niet meer dan dat. Ook totaal prima en schuldeloos. Ik merk echter dat er ook sprake kan zijn van een soort luiheid die het resultaat is van een diepere weerstand tegen een echte mind-training zoals de cursus deze voorstaat. Ik wil me dan gewoon snel wat beter voelen en, als dat met zo min mogelijk moeite gelukt is, dan ga ik weer verder waar ik gebleven was.

Onderzoek gewoon je eigen drijfveren, zou ik willen zeggen. Ze kunnen nooit fout of zondig zijn maar wellicht kun je in de weerstand tegen het intensief doen van de 365 werkboeklessen ook iets gaan herkennen van de weerstand om je hersenpan eens echt fundamenteel te laten schoonspoelen. Ik heb de intensiteit en herhaling van de werkboeklessen in elk geval wél nodig om steeds meer ruimte te maken voor Hem. Hoe zit dat met jou?

In de kelders van de geest..

spookhuisEen jaar of twintig geleden bezocht ik trouw een Baptistengemeente. Uit deze periode herinner ik me een preek waarin de voorganger onze geestelijke gezondheid vergeleek met een groot huis. Hij wees erop dat we God gastvrij ontvangen in de hal, de woonkamer en de keuken maar dat we hem de toegang tot vertrekken als de kelder, de slaapkamer en de zolder dikwijls ontzeggen. In deze duistere ruimtes vinden nogal eens zaken plaats die het daglicht niet echt kunnen verdragen en waar we ons voor schamen. De voorganger nodigde ons van harte uit om de gordijnen opzij te schuiven en de ramen te openen.

Ik voelde me niet echt op mijn gemak. Natuurlijk deed ik mijn uiterste best om een net en braaf leven te leiden maar ik wist ook dat in de uithoeken van mijn denkgeest donkere spoken als hebzucht en het zoeken naar genot de gordijnen het liefst gesloten hielden. Dat waren zaken die niemand hoefde te weten. Ik gaf tenslotte gul aan de kerk en mijn zichtbare gedrag was redelijk onberispelijk. Mijn diepste angsten en verlangens waren geheim en daar had niemand iets mee te maken. Deze preek kwam in mijn gedachten toen ik in de Cursus de volgende zin las (T15, IV, 9):

“De noodzakelijke voorwaarde voor het heilig ogenblik vereist niet dat je geen gedachten hebt die niet zuiver zijn. Maar ze vereist wel dat je er geen hebt die je wilt vasthouden”.

Toch is er sinds m’n klassiek Christelijke episode wel degelijk wat veranderd in mijn reacties. Toen ik nog het beeld koesterde van een wraaklustige God reageerde ik met angst. Ik vreesde zowel het oordeel van God als van de andere gemeenteleden. Ze zouden zich van mij afkeren als ze mijn duistere kant zouden zien! Tegenwoordig kan ik teksten met deze strekking echt als een cursist zien en niet als een angstige gelovige. Hierin bevestigt Jezus in de Cursus me liefdevol:

“De Verzoening zou niet bestaan als er geen behoefte aan was”.

Nu mag ik weten dat verzoening niets te maken heeft met schuldgevoel en boetedoening. De waarheid is totaal omgekeerd. Mijn geloof in schuld en mijn geloof in straf zijn de barrières die ik verkies op te werpen om de onbegrensde liefde buiten de deur te houden.

Je zult niet in staat zijn volmaakte communicatie te aanvaarden zolang je die voor jezelf verborgen wilt houden”.

Ik ben gaan geloven dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden en dat ik grenzen moet bewaken en verdedigen om niet overweldigd te worden door de liefde. Ik kies er voor om de gordijnen stevig dicht te trekken en beelden te blijven dromen waarin ik in een boze wereld moet vechten om te overleven. De gevolgen hiervan zijn duidelijk:

Want wat jij wilt verbergen is voor jou verborgen”.

Mijn perceptie van het Goddelijke aanbod is gelukkig totaal veranderd. Eerst vreesde ik kritiek en straf en nu verwacht ik Hulp in het loslaten van mijn overtuiging van schuld. Ook kijk ik nu anders aan tegen schuld. Voorheen had het een morele betekenis waarbij ik meende bepaalde door god opgelegde gedragsnormen had overschreden. De cursus maakt duidelijk dat schuld het gevolg is van ons geloof in afscheiding. Wij menen dat het mogelijk is om ons los te denken van God en een lichamelijke grens te koesteren. God is hier niet boos over. Deze afscheiding heeft namelijk niet plaats gevonden, God is geen boze oude man en er is bovendien ook niets om boos op te worden. Het geloof in schuld heeft ons als de Zoon van God echter wel een vervelende droom bezorgd. Dat schuldgevoel over de vermeende afscheiding van de liefde was te heftig en te onzinnig om te ervaren dus zochten we ons heil in dissociatie waarbij we in de illusie terecht kwamen dat er een ikje was versus de rest van de wereld. Onder de rest van de wereld verstaan we zelfs het lichaam en de gedachten en emoties.

We verhouden ons binnen die droom tot al die droombeelden middels onze kleine wil die is gebaseerd op onzinnig oordelen. We beoordelen alles en iedereen en willen van alles en nog wat, maar dit ontstijgt nooit de kaders van de droomwereld. Het oerschuldgevoel, dat begon bij die eerste zogenaamde zonde, het geloof in de afscheiding, wordt binnen onze droom weerspiegeld in oneindig veel nare vormen. We zien schuldige personen op de tv en om ons heen en we worden gekweld door gevoelens van spijt, schuld en schaamte over ons eigen gedrag en onze eigen gedachten. Het vreemde nieuws is dus dat we dit onszelf aandoen. Het goede nieuws is dat er geen God bestaat die dit serieus neemt maar wel een Goddelijke liefde en eenheid die we ons kunnen leren herinneren. Kunnen we dit uit eigen kracht? Nee, want er is geen “ik” die iets zou kunnen, laat staan een eigen kracht. Hoe dan wel? Dat wordt gelukkig uitgelegd in de rest van de paragraaf (T15, IV 9-9). We hoeven slechts de bereidheid te hebben de gordijnen te openen; welkom Goddelijk Licht!

9Laat de zuiverheid van de Heilige Geest ze wegschijnen en breng heel je bewustzijn in gereedheid voor de zuiverheid die Hij jou biedt.

 

Veel problemen, één Oplossing

One_Reason_Podcast_LogoAanvankelijk lijken we in de droom met een veelheid aan problemen geconfronteerd te worden. We onderscheiden bijvoorbeeld relatie-, gezondheids- en financiële problemen, om er maar eens een paar te noemen. Iedereen van ons lijkt z’n specifieke portie ellende te krijgen. We spannen ons in om zo vaak en langdurig mogelijk perioden te creëren waarin we geen of weinig last hebben van deze specifieke problemen en juist overvloed ervaren op deze levensgebieden. In deze tijden van overvloed zakt onze interesse in ontwaken makkelijk weg in vergetelheid. We geloven weliswaar dat aan het einde van de rit die gevreesde dood het laatste woord zal hebben maar wat heeft het voor zin om ons geluk hier nu al door te laten bederven? Het is vroeg genoeg om daar mee bezig te zijn als het zover is; toch? Zo blijft ons leven een kwestie van rekken en er zo lang mogelijk bijblijven hoewel het met die terugkerende ongemakken ook wel een beetje dweilen met de kraan open blijft.

We kunnen dit jaren, een heel leven en, als je in reïncarnatie gelooft, vele levens volhouden. Is dit zondig of verkeerd? Nee hoor, het is wat het is: dromen. Er bestaat geen God die hier boos over zou zijn en die ons wel eens even zal confronteren met wat narigheid om ons uit de droom te wekken. De waarheid is veel bijzonderder. God is de bron van liefde, onze Vader. Wij zijn Zijn schepping, Zijn Zoon en onze kernkwaliteit, om het zo maar even aan te duiden, is van dezelfde aard als die van de Vader: oneindige liefde, eenheid en vrede. Onze Goddelijke bron hoeft niet te kiezen om ons wakker te maken. Wij hebben daarentegen wél zelf gekozen om te dromen. We hebben namelijk gekozen om te geloven in de afgescheidenheid van onze Vader, onze eigen Bron. Dit is een daad van verzet, een keuze om grenzen te ervaren. Binnen die Goddelijke bron van eenheid is dat niet mogelijk dus hebben we besloten om onszelf als het ware in stukken te denken. We hebben ons gescheiden gedacht van onze Schepper en we hebben ons gescheiden gedacht van droombeelden van een wereld. We hebben er voor gekozen een onmogelijk spel te spelen. Het spel: laat ik vergeten wie ik ben en me afgescheiden voelen. Dat is ons goed gelukt, gezien de problemen die ik noemde in het begin en de zelf-gekozen vergetelheid om hier aan vast te houden.

Maar nu, voor degene die het spelen zat zijn, de terugweg. Wij zijn gaan geloven in afscheiding maar ons eigenlijke Zelf herinnert er ons constant aan dat dit gekkigheid is. We ervaren dit als de Stem van de Heilige Geest. In onze droom hebben we gekozen voor een soort big bang waarna er een droomwereld lijkt te zijn ontstaan die uit ontelbare vormen bestaat. Vandaar ook die oneindigheid aan problemen waar we tegen aan lijken te lopen. Wij denken dat al deze problemen van elkaar verschillen qua grootte en inhoud maar het is altijd maar één probleem: ik geloof dat ik besta als afgescheiden van het Geheel. Bij vergeven en verzoenen wordt de terugweg ingezet. Aanvankelijk kan dat op een verstandelijk niveau gebeuren omdat we bijvoorbeeld de metafysica steeds beter gaan begrijpen. De Cursus probeert ons echter richting een universele ervaring te helpen. Ik noem dit maar ‘gevoel proberen te krijgen voor de waarheid’. Misschien is het behulpzaam als ik uitleg hoe ik dat ervaar.

Ook ik meen tegen een veelheid aan problemen aan te lopen. Het wordt me echter steeds duidelijker dat bij elk probleem ik me afgescheiden voel. Ik versus een ander, ik versus de pijn en ik met een onzekere financiële toekomst. Dit “me afgescheiden voelen” kan nog erg abstract overkomen maar het helpt me om hier meer helderheid over te krijgen door telkens de waarheid in gedachten te roepen en dan te kijken wat dit gevoelsmatig met me doet. Dit dient wél met een zogenaamd specifiek probleem te gebeuren maar de insteek is steeds hetzelfde. Stel dat ik bijvoorbeeld weerzin ervaar tegenover een persoon. De waarheid is dat deze persoon niet als afgescheiden bedreiging van mij bestaat maar één is met mij als Zoon van God. Deze persoon is een liefdevolle schepping van de Vader. Als ik dit herinner dan ervaar ik hier weerstand tegen. Een dergelijke weerstand is ook te ervaren als ik tegen mezelf zeg dat ik geen lichaam heb terwijl ik pijn ervaar of dat liefde niets nodig heeft als ik geldzorgen heb. De weerstand tegen de waarheid is een teken van mijn verslaving aan het geloof in afgescheidenheid. Nu pas blijkt dat ik aan het kiezen ben tegen de waarheid, tegen liefde. Het voelt in eerste instantie niet fijn om dit te zien, laat staan om het naar de Heilige Geest te brengen ter genezing. Als ik hier toch voor kies dan geldt (T13, XI, 4-4):

“De Heilige Geest wijst rustig op het contrast, wetend dat je Hem uiteindelijk voor jou het verschil zult laten beoordelen, en Hem toelaat jou te tonen wat daarvan waar moet zijn.”

Het besef van mijn verlorenheid in de duale droom dringt steeds dieper door. Zelfs ruimte en tijd worden herkend als kunstmatige fabricaten om de oneindigheid (de liefde) op een afstand te houden. Zelf de zogenaamd neutrale waarneming wordt ontmaskerd als het geloof in een ikje dat iets ziet, ruikt, voelt enzovoorts. Het wordt echter ook duidelijk dat de Vader trouw is en rustig wacht tot ik besluit om naar huis te komen. Hij roept me constant en liefdevol, maar ik kies er voor om nog wat te dralen. Laat me afsluiten met T13XI:7-1:

“Heb slechts vertrouwen in dit ene en dat zal voldoende zijn: God wil dat jij in de Hemel bent, en niets kan jou daarvan afhouden, of die weghouden van jou.”

Schuldig?

trum poetin assadTrump beschuldigt Assad van het gebruik van gifgas. Poetin beschuldigt de rebellen die het geënsceneerd zouden hebben. De VN wil onderzoek om de schuldige te vinden. Rusland wil een ander onderzoek. Europa beschuldigt Poetin niet mee te willen werken. Trump c.s. besluiten al vast te straffen. Nu zou hij weer schuldig zijn aan optreden zonder mandaat van de VN. Enzovoort.
M’n jongste dochter vertelt me het onderwerp dat ze bedacht heeft voor haar profielwerkstuk. Ik maak me zorgen dat het niet uitvoerbaar is en probeer zo mild mogelijk mijn bedenkingen uit te leggen. Ze reageert defensief en nukkig. Nu voel ik me schuldig dat ik niet onverdeeld enthousiast gereageerd heb op haar verhaal. Maar ik vind haar ook wel schuldig dat ze zo snel, en in mijn optiek onnodig, op haar teentjes is getrapt. Ik bedoel het toch goed?
Zo gaat het maar door, onze zoektocht naar schuld in anderen en in onszelf. Wie doet het goed en wie doet het fout? Dat vinden we belangrijk. We proberen onze boosheid en woede te rechtvaardigen. Die ander is fout en wij zijn het onschuldige slachtoffer.

Het is een verslaving. We hunkeren er naar om de wereld te bezien door de bril van de schuldvraag. Soms hoor ik van medestudenten dat ze niet zo veel hebben met de begrippen zonde en schuld. Hoewel ik dat iedereen van harte toewens vraag ik me toch af of er dan wel goed gekeken is. De thematiek van de schuldvraag lijkt als kanker te woekeren in onze denkgeest. Er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren of het circus van aanval en verdediging begint weer.

Los van de vraag wat we binnen onze droom moeten doen, hoe we moeten reageren, kunnen we leren zien wat het geloof in een schuldige ander met ons doet. We kunnen dit oefenen aan de hand van het wereldnieuws en aan de hand van dagelijkse voorvallen; het maakt niet uit. Als we goed kijken zien we steeds dat we een schuldige vinden (hetzij een ander, hetzij onszelf) en dat we dit proberen te bewijzen met een verhaal. We proberen een balans op te maken van de beschikbare bewijzen. Naar welke kant slaat de balans uiteindelijk door? Wat is de eindconclusie, de zogenaamde waarheid van wie nu de echte schuldige is?

Zodra we in de gaten krijgen dat we het schuld-spel spelen kunnen we een boeiend experiment doen. Hierbij parachuteren we de waarheid in onze droomwereld en vervolgens onderzoeken we wat dat met ons doet. Neem eens het rijtje verdachten in gedachten: Trump, Poetin, Assad, dat lastige familielid of jezelf. Zeg vervolgens iets met als strekking: lieve broeder (of zuster), je bent één Zelf met mij, verenigd met onze Schepper in dit Zelf. Jij bent totale liefde en ik ook. We zijn beide totaal schuldeloos. Ik eer jou om Wat ik ben, om Wat Hij is, die ons beiden liefheeft als Eén (vrij naar WB 95). Vervolgens kunnen we onze weerstand hiertegen opmerken. Deze weerstand is het duidelijke symbool van onze verslaving aan het schuldspel. We willen ten diepste geen onschuld zien. Waarom niet?

We blijken een verborgen agenda te hebben. Dit is ons geloof in afgescheidenheid waarbij we kiezen voor een gevoel van ik versus de rest. Voel maar eens wat een beschuldiging met je doet. Voel je de verharding, de bevestiging van de denkbeeldige grens tussen die ander en jezelf? Hoewel het schuldspel ons absoluut niet gelukkig maakt willen we de boosheid op die ander niet loslaten. Dit is wat de Cursus het koesteren van grieven noemt. Die neiging komt dus vooral aan het licht als we onszelf eens opleggen om de ander op wie we boos zijn te bezien als onschuldige en liefdevolle broeder. Kunnen we onszelf overhalen om liefdevoller te zijn?

Het is voor ons dikwijls al heel wat om te proberen liefdevoller te doen. Hier komt een woord als verdraagzaamheid om de hoek kijken. Ergens vinden we die ander zo fout als maar kan maar we zoeken naar een compromis om elkaar niet helemaal de tent uit te vechten. Kunnen we ook echter liefdevoller worden? Dan is er uiteindelijk toch goed nieuws. We hoeven niet liefdevoller te worden omdat we al vol liefde zijn. We hebben alleen onze verslaving aan schuld, het koesteren van de boosheid, in de baan van het Licht geplaatst om te genieten van onze duistere schaduw. Dit is onze neiging vanuit ons kleine illusoire zelf. Laten we kijken naar de tweede alinea van de werkboekles van vandaag (104):

  1. Vandaag halen we alle zinloze en eigengemaakte gaven weg die we legden op het heilig altaar waar Gods gaven horen. 2 Van Hem zijn de gaven die in waarheid de onze zijn. 3 Van Hem zijn de gaven die wij erfden voor er sprake was van tijd, en die nog steeds de onze zullen zijn wanneer tijd tot eeuwigheid is vergaan. 4 Van Hem zijn de gaven die nu in ons zijn, want ze zijn tijdloos. 5En we hoeven niet te wachten om erover te beschikken. 6Vandaag al behoren ze ons toe.

Gaaf hé? Als we onze verslaving hebben gezien mogen we die weghalen van het altaar in onze denkgeest. We mogen vragen herinnerd te worden aan die enige waarheid:

3Ik zoek slechts wat mij in waarheid toebehoort, en vrede en vreugde zijn mijn erfgoed.

 

Een onmogelijke vraag

Wat is een goede vraagZodra we het geloof in afscheiding serieus nemen ontstaat er een gevoel van gemis. Geloven in de dualiteit van ik versus de rest gaat kennelijk niet samen met een duurzame ervaring van vrede. We menen dat we iets tekort komen en dat we iets moeten zien te vinden dat dit tekort weer kan opheffen. Na zinloze omzwervingen en zoektochten in de droom wordt de vraag geboren met de volgende strekking: “hoe kan ik ontwaken?” Binnen de droomwereld zijn we gewend aan het stellen van vragen om kwesties helder te krijgen. We zoeken dan naar het juiste antwoord en we verwachten dat er ook zo’n antwoord te geven is op de vraag hoe we weer thuis kunnen komen. Na het stellen van de vraag schieten we uit de startblokken om de kwestie van het ontwaken op te lossen. Zo kunnen we de vraag voorleggen aan iemand waarvan we vermoeden dat hij of zij het wat beter begrijpt dan wijzelf. We verwachten vervolgens een logische uitleg die ons aanspreekt en waarin we onszelf kunnen vinden. Er is echter één ding wat we gewoonlijk vergeten te doen voordat we op jacht gaan naar dat ultieme antwoord. Dat is het onderzoeken van de vraag zelf. In de illusoire wereld vinden we het volkomen logisch dat we niet naar de route naar Amsterdam moeten vragen als we eigenlijk naar Rotterdam willen. We weten wat we willen en onze vraag is hiermee in overeenstemming. Waar het om dromen en ontwaken gaat ligt het wat anders. Bij het stellen van de vraag hoe we moeten ontwaken gaan we namelijk uit van een verkeerde aanname. We veronderstellen dat het bestaan van een verdwaalde persoon écht aan de orde is en dat er tevens écht een andere situatie is die deze persoon moet zien te bereiken. Wat we dus eigenlijk doen is de zogenaamde wetmatigheden uit onze droomwereld klakkeloos transplanteren op de kwestie van ontwaken.

In feite stellen we helemaal geen vraag als we ons afvragen hoe we weer in de hemel terecht kunnen komen. Wat we doen is dat we een stevige stelling poneren. We uiten iets wat we geloven. We geloven namelijk dat de afscheiding werkelijk heeft plaats gevonden, dat er een lichamelijk wezen is ontstaan en dat dit wezentje de weg kwijt is. Anders gezegd: met de vraag “hoe kom ik thuis” illustreren we ons geloof in de afscheiding en stellen we dus ook geen juiste vraag. De Cursus illustreert dit aan de hand van deze vraag met de volgende formulering: hoe heeft de afscheiding plaatsgevonden? Ook dit is geen vraag maar een statement. We verklaren eerst dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden, wat niet waar is, en willen dan een uitleg voor iets wat niet bestaat en dus ook geen oorzaak heeft.

Terug naar dezelfde kwestie maar dan gesteld als “persoonlijke” vraag: hoe kan ik ontwaken? Deze keer schieten we niet direct uit de startblokken maar blijven we rustig stil staan bij de uitgangssituatie. Hé, ik ervaar mezelf als niet compleet en ik bespeur een leegte en een drang om hier iets aan te gaan doen. Deze leegte en drang sporen je aan om aan de slag te gaan. Dat doen we deze keer niet, we volgen niet die kleine wil. We blijven midden in die oncomfortabele aandrang stilstaan. Sterker nog, we laten het gevoel diep doordringen en rusten erin. Ongetwijfeld komen er dan gedachten naar boven. Doe ik het zo goed? Merk ik al iets? Wat gaat er dan nu gebeuren? Ook deze onrust en gretigheid kunnen we laten voor wat het is.

De Cursus vertelt ons over zaken als vergeving, verlossing, leiding van de Heilige Geest en het wonder. Hiermee komt ze ons tegemoet in onze droom. Het zijn stuk voor stuk termen die een duale ondertoon hebben. Uiteindelijk valt er niks te vergeven, is er niemand die verlost hoeft te worden, bén je al de Heilige Zoon van God en zijn wonderen niet nodig in de Hemel. Het, letterlijk, wonderbaarlijke van deze begrippen bestaat eruit dat ze weliswaar het domein van het duale niet ontstijgen maar de illusie ook niet versterken. Als we zo stilstaan bij onze honger om iets aan een situatie te fiksen dan mogen we deze kleine wil onderkennen en vervolgens ten dienste stellen van de Wil van het Geheel, God, de Liefde of hoe we het maar willen aanduiden. Noem het vertrouwen, overgave. Non-duale puristen zullen er terecht op wijzen dat er dan weer sprake is van een illusoire persoontje dat zich gaat overgeven aan een God buiten hem, maar daar mogen we mild mee omgaan.

Door te leren om die onrust en onvrede over te geven aan het Geheel, door onze eisen voor een bepaalde uitkomst te zien en te vergeven zal er vrede ervaarbaar worden. Breek je hoofd maar niet over de vraag wie er dan wat ervaart en durf maar gewoon een duaal “zachter worden” te laten gebeuren. Wij hoeven niets te doen. Het Geheel openbaart Zichzelf als we dit niet met onze kleine wil blokkeren. En die laatste denkbeeldige stap? Die zet God want er is geen wij die kunnen stappen.

 

Van die dagelijkse probleempjes

grrrIk zie mezelf als een zoeker naar de waarheid. Wie een beetje bekend is met het non-duale gedachtengoed zal opmerken dat hierin direct de kern van het denkbeeldige probleem zit, maar voor nu sta ik mezelf toe om dit op het zogenaamde niveau II maar even te accepteren. Binnen de droom denk ik dat ik iets moet doen om blijvende vrede te kunnen ervaren. Gelukkig is dit het niveau waarop de Cursus mij tegemoet komt. De huidige serie 90 werkboeklessen wijzen me elke dag op de non-duale, niveau I werkelijkheid. Ze zijn van een hoog abstractieniveau en soms hoop ik dat stiekem dat “ik” die WAARHEID in één keer zou kunnen vinden en omarmen. Het klinkt zo mooi: “Ik ben niet het lichaam, ik ben licht, kracht, vreugde, zondeloos, zoals God mij geschapen heeft, één Zelf en geest”.

Als ik slechts met mijn hoofd naar dit soort definities zoek en deze zie als die waarheid waar ik naar zoek dan mis ik echter het punt van deze lessen. Al deze lessen wijzen namelijk naar een heel andere mogelijkheid dan die van een zoekend en worstelend ikje in een droomwereld. De lessen zijn weerspiegelingen van de non-duale niveau I werkelijkheid waarin we ons elke dag met regelmaat mogen koesteren zoals we nu vanuit onze winterperiode mogen doen in de frisse en warme lentezon. We mogen ons gepieker laten voor wat het is. In het Engels klinkt het zo mooi: lay down and relax.

Naast dat warme bad waarvan we van de werkboeklessen elke 5 minuten van het uur mogen genieten ter herinnering aan de liefde die we zijn, is het ook leerzaam om me deze les te herinneren als er iets lijkt tegen te zitten in mijn droom. Afgelopen week had ik zo’n typische droomdag. Ik voelde me eerst nog heel erg “’één Zelf, verenigd met mijn Schepper” totdat ik de bibliotheekpas niet meer kon vinden. Ik zal hierin niet de enige zijn maar ik kan mezelf flink opwinden als ik iets kwijt ben. De bibliotheekpas leg ik altijd op dezelfde plek maar in dat ene laatje lag hij niet. Dan begin ik met een op voorhand al vergeefse zoektocht waarbij ik andere laatjes opentrek, al mijn broek- en jaszakken en fietstassen doorzoek en een Appje stuur aan vrouw en dochter of zij een idee hebben wat er met de pas is gebeurd, terwijl ik weet dat ik de bibliotheekpas toch echt zelf de laatste keer gebruikt heb. “Ik ben één Zelf en het idee dat mij iets kan ontberen bevestigt slechts mijn geloof in lichamelijkheid, afgescheidenheid en de illusie dat ik iets nodig heb voor mijn geluk”. Nice try. Licht opgefokt besluit ik dan maar de boeken te gaan inleveren zonder nieuwe te halen. Dat moet dan maar later als de pas weer ergens opduikt. Vanuit de bieb besluit ik mezelf dan maar te trakteren op zo’n slecht maar lekker Hema-mosterd-broodje. Mij krijgen ze er vandaag niet onder. Terwijl ik zo vredig loop te eten blijkt er iets hards in het broodje te zitten. Met mijn tong manoeuvreer ik een stuk wit bot naar buiten. Nou ja zeg, wat een slechte zaak! Je zal het maar doorslikken. Zal ik teruglopen? Ach nee, ik gooi het botfragment maar in de struiken en loop verder. In de auto merk ik dat een kies links onder een beetje raar aanvoelt. Ik kijk in de binnenspiegel en zie dat er een groot stuk vulling is afgebroken. Er was dus niks mis met dat broodje maar des te meer met m’n gebit. Snetverderrie, dat wordt tandarts bellen en boren. Maar… “Ik ben geen lichaam, ik ben geest en laat me door dit soort valse getuigen niet opfokken”. Thuis maar even ontspannen en de tandarts bellen. Er zijn nog vier wachtende voor me. Rustig blijven nu. Misschien fijn om even een muziekje op te zetten. Maar de Bluetooth verbinding met de versterker heeft er vandaag geen zin in, wat ik ook probeer.

Nu moet ik glimlachen. Ik zie de irritatie en ik zie ook wat ik mezelf wijsmaak, namelijk dat ik een slachtoffer ben. Dit alles om mijn geloof te handhaven dat ik een afgescheiden lichaam ben dat dingen, probleemloos functioneren en plezierige sensaties nodig zou hebben om gelukkig te zijn. Dat lichaam is echter geen doel maar een leermiddel. Ik ben het zelf die kan bepalen of ik op niveau II wil worstelen of dat ik mijn geloof in dat ikje en zijn denkbeeldige oplossingen opgeef. Ik kies voor dit laatste en geef het moment aan Hem. Neemt U deze situatie in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft (zie werkboekles 361-365). Rustig herhaal ik een aantal keer deze les waarbij ik de betekenis diep in me laat doordringen. Ik hoef niks te doen dan me overgeven aan de liefde die ik ben. Er volgt ontspanning en ik lees nog wat in de Cursus. Wat een mooie dag is het toch.

 

Samen één

'samen 1Kijk eens wat je motiveert om met de Cursus of andere vormen van zijnsontwikkeling bezig te zijn. Het laat zich samenvatten door te stellen dat je niet tevreden bent over hoe het nu gaat en dat je hoopt op verbetering. Het voelt alsof er een gat van binnen zit dat gevuld moet worden. Je snapt ondertussen ook wel dat de zogenaamde geneugten van het leven (geld, lichamelijke gezondheid, carrière, lichamelijk genot- en sensaties etc) het gat niet duurzaam kunnen vullen. Als ik tijdens Cursus-meetingen om me heen kijk (of ’s ochtends in de spiegel) dan zie ik veel grijze en kale koppies en misschien hebben de meeste van ons dan ook een deel van het leven nodig gehad om te ontdekken dat droomoplossingen niet werken. Je wilt wat anders. Je wilt vrede en liefde ervaren.

Je hebt dan een nieuw doel in het vizier en je hoopt dat dit doel wél duurzaam zal blijken. Op tal van manieren probeer je die rustige en vredige geest te pakken te krijgen. Ook ik heb, met een sereen achtergrondmuziekje, zitten staren naar een kaarsje of naar een mooie bos met bloemen. En echt, daar kun je heel rustig van worden en daar is niks mis mee.

Wat me opvalt is dat er steeds sprake is van een heimelijk egoïsme bij al deze pogingen. Je wilt iets krijgen wat je de moeite waard lijkt. Je kunt ook met enige jaloezie kijken naar mensen die al wat verder lijken te zijn dan jij. Mogelijk vind je het zelfs stiekem plezierig als ze af en toe eens van hun voetstuk vallen en toch ergens boos over worden of zo. Gelukkig, ze zijn toch niet beter dan jij.

En dan de Cursus. De Cursus is ook niet gek wat onze egoïstische motieven betreft. Deze zijn namelijk inherent aan ons geloof in afgescheidenheid. Tegelijk met ons geloof in een afgescheiden identiteit kwam het gevoel van verlies. We weten niet langer dat we eigenlijk liefde zijn en dus niks tekort kunnen komen. Daarom willen we nu iets hebben om ons weer compleet te voelen. Onbewust voelen we ons hier schuldig over maar gelukkig leert de Cursus ons dat dit niet nodig is. We hebben ons immers niet echt afgescheiden en er is dan ook niet echts iets gebeurd. Het vasthouden aan een schuldgevoel, bijvoorbeeld als we zo duidelijk zien dat we iets willen hebben en ons hiermee egoïstisch gedragen, draagt slechts bij aan het in stand houden van de vergissing; het geloof dat de afscheiding echt heeft plaats gevonden.

Liefde is echter wat je bent, er is niks gebeurd. Maar je bent gaan geloven dat er een wereld bestaat met daarin een afgescheiden ikje dat iets tekort komt, iets voor elkaar moet boksen en iets moet hebben wat hij nu niet heeft. Je bent vergeten dat er in feite geen verschil bestaat tussen ‘hebben’ en ‘zijn’. Om te genezen van dit waandenkbeeld traint de Cursus je door denkbeelden die je vanzelfsprekend vindt op hun kop te zetten. Wat denk je van ‘wil je hebben, geef alles aan allen’ (T6VA5:13). Of die erna: ‘wil je vrede, onderwijs vrede om vrede te leren’. ((T6VB7:5). Dit zijn tips die lijnrecht staan tegenover wat je in je droom gelooft. Je denkt immers dat je om iets te hebben het ergens moeten halen en dat het dan pech is als een ander er niet meer bij kan. En je onderwijst dat je jou maar beter met rust kunt laten omdat je anders wel weten hoe je je moet verdedigen.

Het bijzondere van de Cursus vind ik dat een belangrijk leermiddel bestaat uit onze relatie met onze broeders. Je kunt vergevingsoefeningen ook doen met de waarneming van een kaars of een bos bloemen maar het leerproces wordt binnen de illusie van tijd flink versneld door te oefenen met je waarneming van anderen. In het contact met hen loop je om de haverklap aan tegen je geloof in afgescheidenheid. Jij maakt mij boos of verdrietig en als jij je op een bepaalde manier gedraagt maak je mij gelukkig. Dat is je bijgeloof. In contact met anderen kun je voelen wat dit doet met je vrede. Zodra gevoelens van boosheid of angst optreden kun je gevoeglijk aannemen dat je gelooft in afscheiding. Dat zijn de signalen die je kunt gebruiken om te luisteren naar de Stem van de liefde.

Lees bijvoorbeeld dan eens werkboekles 95. Deze volgt een terugkerend stramien. Eerst mag je jezelf even centraal stellen met ‘Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper’. Maar om te leren dat er geen ikje bestaat dat centraal gesteld kan worden gaat de les verder en snijdt daarmee dwars door onze illusie van afgescheidenheid heen: ‘Jij ben één Zelf met mij, verenigd met onze Schepper in dit Zelf. Ik eer jou om Wat ik ben, om Wat Hij is, die ons beiden liefheeft als Eén.

 

Ik val mezelf tegen

zelfverwijt

Twee voorvallen. Tijdens m’n vakantie ben ik zo vrij om in een restaurant een ontbrekende vork van een andere tafel te pakken. De nukkige ober vraagt of ik misschien zijn baan wil overnemen. Ik schiet direct terug vanaf de heup en zeg hem dat ik voor hem dan wel een andere baan heb. Met een glimlach, maar wel degelijk gemeen bedoeld. Of dan tijdens Eerste Paasdag. Details zal ik u besparen maar familiebijeenkomsten zijn de beste gelegenheid om het slechtste in een mens boven te halen. Ook hier reageer ik op een gegeven moment ronduit nukkig op iets wat gezegd wordt.

Vlak na momenten waarop ik zo razendsnel uit mijn slof schiet heb ik spijt dat ik me zo heb laten gaan. Mijn reactie was duidelijk alles behalve liefdevol, ondanks eventuele uiterlijke kalmte of mogelijk zelfs een bedrieglijke glimlach. Ik werd gewoon even heel boos en gaf daar ook uiting aan. Dan volgt de zelfveroordeling. ‘Snetver Simon, je zou toch beter moeten weten dan je zo op te vreten”. Ik vind, anders gezegd, dat deze boosheid niet oké is en dat deze zo snel mogelijk vervangen moet worden door een liefdevolle uiting. Toch lukt dat niet zo makkelijk als gezegd. De boosheid lijkt wel kleefkracht te hebben en is lastig door me los te trekken. Ik ben ontevreden over mezelf en mijn spirituele ontwikkeling. Het helpt me om de volgorde deze keer eens om te keren. In gedachten zie ik de ober of het betreffende familielid en ik merk dat ik tegenover hen nu milder ben dan tegen mezelf. Ook hier is nog enige tijd nodig maar het valt me makkelijker om hen het maken van een, in mijn ogen, ongelukkige opmerking toe te staan dan mezelf. “Ik” hoor beter te weten, meen ik.

Maar dat is nu juist het hele paaseieren eten. Ik weet niet beter. Ik ben degene die meent gedrag van anderen of van mezelf te moeten beoordelen. Hierbij kan ik lange tijd tevreden dromen, in slaap gezongen door mijn ego. “Goed zo Simon, dat gaat lekker nu. Oh ja, prima gezegd. Jawel, je voelt je rustig en vredig, dus je bent op de goede weg”. Tot op een kwade dag het ego besluit om te pesten en te beweren dat ik het deze keer totaal fout heb gedaan en me zou moeten schamen na zoveel jaren studie van de Cursus. En wat doet de beslissingsmaker? Die gelooft dat het wáár is wat het ego zegt. Die gelooft dat ik een afgescheiden mensje ben die het goed of juist helemaal verkeerd kan doen. En áls ik het dan zogenaamd verkeerd heb gedaan ben ik fout en schuldig. Zo simpel is het volgens het ego. Ik geloof dat ik met de ogen van mijn lichaam kan zien wat er gebeurt en dat ik met mijn hersenen, mijn beoordelingsvermogen, kan bepalen wat goed en wat slecht is. Ik zie mezelf als een afgescheiden persoon die in staat is te beoordelen en te zondigen.

Maar zo is het niet. Met enige moeite zie ik dat het beoordelen van “iemand anders” of van “mezelf” op hetzelfde neerkomt.  Ik mag dit gebeuren leren zien door de ogen van de Heilige Geest, in het Licht. Dan pas begint enigszins het besef te dagen dat ik mezelf een autoriteit heb toebedacht die ik niet heb. De boosheid, op mezelf of op anderen, is niets anders dan een indicatie dat ik wens vast te houden aan geloof in een gevoel van afscheiding waarbij ik me superieur of juist inferieur kan voelen aan anderen of aan een zelfbeeld dat ik koester. Vanuit mijn kleine wilskracht kan ik dat niet 1-2-3 loslaten, juist omdat de boosheid en zelfveroordeling mij als afgescheiden ikje (dat kan worstelen en schuldig kan zijn) lijken te bevestigen. Ik heb, anders gezegd, het fenomeen “veroordeling” nodig om me binnen de droom sterk en afgescheiden te voelen.

Dit is echter geen ware kracht. De werkboekles van vandaag (92) steekt er de draak mee. Ik ontsteek een lucifer en denk daarmee zonnekracht te hebben of ik denk dat ik de almachtige ben die de wereld in zijn hand heeft. Met tegenzin geef ik de nep-teugels uit handen. Ik heb totaal geen idee hoe ik zou moeten reageren. Wat ik als gedrag van anderen of mezelf meen te zien zijn beelden uit een droom die ik serieus ben gaan nemen. Wat ik als boosheid en schaamte ervaar zijn symptomen van mijn geloof in afgescheidenheid. Vader, zie dit geloof in afscheiding. Ik erken dat ik er geen bal van snap en geen benul heb hoe ik echt kan zien en wat mijn echte wil is. Ik heb ook geen idee wat er moet gebeuren en wat er gezegd of gedaan moet worden. Ik sluit nu mijn ogen en vraag U me te tonen wat verlossing is. Uw kracht zal het licht zijn waarin me de gave van het zien wordt geschonken.

Wonderen worden gezien in het licht, en licht en kracht zijn één.