Zo’n stom tafeltje

download

Werkboeklessen moet je gewoon doen zodat je ze kunt ervaren. Dat is het belangrijkst. We mogen onszelf de ervaring gunnen wat er gebeurt als we tegen onszelf rustig herhalen: “ik wil niets liever dan deze tafel anders zien”. Het is een voorrecht om de lessen voor de eerste keer vanuit grote onbevangenheid te ondergaan en de eerste ervaringen te hebben van de aanvang van de deprogrammering van de onjuiste programmering van de denkgeest. Vooral voor wie al langer bezig is met de Cursus kan het echter ook fijn zijn om de klik te ervaren tussen de werkboekoefeningen en de metafysica van de Cursus. Dit kan een verdere verdieping geven en de mogelijkheid tot generaliseren. Dit woord heeft in ons dagelijks taalgebruik een wat negatieve klank gekregen maar is in het licht van de Cursus goud waard.

Neem het zien van zo’n stom tafeltje. Ergens lezen we in de Cursus dat we er uiteindelijk een soort lichtrandje omheen kunnen gaan leren zien en vanuit onze programmering vatten we dat heel letterlijk op en willen we wat special halo-effecten ontwaren. Een lichtgevend tafeltje, waarom ook niet. Maar Jezus’ oefening leidt uiteindelijk tot veel grotere effecten dan een lullig lichtflitsje in oververmoeide ogen. Hij is bezig om ons iets te leren over wat wij “kijken” (of waarnemen in het algemeen) noemen.

Het lijkt zo simpel: ik ben hier en zie daar een tafel. Stilzwijgend neem ik aan dat de tafel écht is en dat de info hierover terecht komt in een echt oog en dat een ikje, dat ook echt is, daardoor die tafel kan zien. Zo geldt dit voor alles wat we zogenaamd waarnemen buiten onszelf (NB: voor waar nemen). We zijn geprogrammeerd om ervan uit te gaan dat er een ikje leeft in een buitenwereld dat deze kan waarnemen. En dan verschijnt meester Jezus en begint het grote corrigeren. De tafel betekent niets (1), ik geef er zelf alle betekenis aan die hij voor me heeft (2), ik begrijp niets van die tafel (3), ik zie die tafel niet zoals hij nu is (9), die tafel is gewoon een beeld dat ik heb gemaakt (15), ik heb daar een verborgen bedoeling mee (16,17), zoals ik die tafel zie is het een vorm van wraak die voortkomt uit aanvalsgedachten (22, 23), ik weet niet waartoe die tafel dient (25); om maar eens een paar willekeurige lessen te herhalen.

Nu, voor de studenten die de Cursus al een tijdje doen, de metafysica. In de oneindige denkgeest, die liefde is en zich verbonden weet met het Geheel (met Vader en Broeders), ontstaat een experimentje om te willen ervaren hoe het zou zijn om afgescheiden te zijn. Dit is natuurlijk onmogelijk. Als Kind van God zijn we Zijn schepping en worden we voor eeuwig bewaard in Hem. Maar we zijn net Kinderen; we willen ons losmaken en ons een eenzaam ikje voelen. Eerst maar eens de Vader op afstand proberen te plaatsen want die echte eenheid met Hem helpt niet om ons afgescheiden te voelen. En, hopla, alle duale Godsdiensten zijn geboren. We beelden ons in dat onze truc gelukt is en dat we echt van huis zijn weggelopen. Nou, dan zal papa wel boos zijn. Hopla; het beeld van een wraaklustige God is geboren en daarmee de angst voor de herinnering van de eenheid (angst voor “de dood”).

En dan een briljante ingeving van het nog eeuwig en veilig verbonden Kind: ik bedenk een droomwereld zodat ik de illusie versterk dat ik als ikje ergens naar zit te loeren! Briljant! Want als ik bijvoorbeeld een tafel projecteer binnen mijn eeuwige denkgeest, dan lukt het me ook om me voor te stellen dat die er niet alleen een tafeltje op het filmdoek verschijnt, maar dat er tegelijkertijd een schijngevoel ontstaat dat er vanuit een ikje naar dat tafeltje wordt gekeken. Laat ik het maar een paar keer herhalen om me extra ik te voelen. Door de projectie van die lamp te maken geloof ik dat er een ikje bestaat dat er naar kijk. Wow, het werkt. Nog eens wat proberen: door een projectie te maken van een eng beest wat me aanvalt lukt het me om de rol te spelen van angstig en vluchtend ikje. Hé zeg; dat met aanvallen werkt extra goed. Ik projecteer nu eens een ander mens die mij beledigt en zegt dat ik er geen bal van snap. Yes, dit werkt goed; door die boosheid te koesteren heb ik me nog nooit zo’n afgescheiden “ik” gevoeld als nu.

Maar nu terug. Genoeg gespeeld. Ik heb geen ander materiaal voor handen voor m’n flauwekul- projecties dan mijn eigen denkgeest. Vanuit mijn denkgeest heb ik als het ware het beeld van een stoel, lamp, roofdier, vervelende broeder laten “stollen” zodat ik me afgescheiden kan voelen. Maar ik kijk dus slechts naar zelfgemaakte beelden. Naar gestold bewustzijn. Alles is slechts gestold bewustzijn: deze kleerhanger, dit tijdschrift, deze vinger, dat lichaam. Alles.

WB29: God is in alles wat ik zie

Jezus broeder, wat een keuze!

onkwetsbaar

Het is mogelijk besef te krijgen van je onkwetsbaarheid als Zoon van God. Wat komt er bij je op als je dit leest? Kan het zo zijn dat er weliswaar iets van hoop opgloeit maar dat dit direct gekoppeld is aan de gedachte “maar dat is voor mij nog wel een eindje weg hoor?”. Lees dan verder, misschien is het veel dichter bij dan je denkt.

De meeste van ons zijn vertrouwd met de Cursus-uitspraak: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie (WB31)”. De reikwijdte hiervan kan zich eindeloos verdiepen en is de bron van onze hoop. In eerste instantie spelen we een beetje verstandelijk met de uitspraak dat we geen slachtoffer zijn van omstandigheden en dan worden we direct geconfronteerd met een standaard truc van onze duale manier van kijken (ons ego) die ons dan natuurlijk wijsmaakt dat wanneer we geen slachtoffer zijn automatisch dus dader zijn. Wat hebben slachtoffer en dader met elkaar gemeen? Ze zijn allebei onlosmakelijk verbonden met het duale gedachtengoed waar we zo graag mee spelen. Ga maar na: zowel als slachtoffer maar ook als dader voel je afgescheiden van het grote geheel. Mogelijk zet je het duale slachtoffergevoel overboord maar vervang je het direct door het duale dader-gevoel: wat ben ik stom (schuldig) dat ik alles mezelf aandoe. Dit kan weer naadloos overgaan in een slachtoffer-gevoel: maar ik weet toch echt niet hoe ik hiermee moet stoppen..

Wat te doen? Laat ik het illustreren met een voorbeeldje. Ik heb te leren omgaan met NAH, niet aangeboren hersenletsel. Eén van de gevolgen ervan is dat ik me ongeveer één uur kan concentreren op ingewikkelde informatie. Binnenkort moet m’n jongste dochter haar natuurkunde (PWS-) werkstuk op de middelbare school presenteren en de ouders mogen als publiek aanwezig zijn. Ik vind dit super leuk maar het programma duurt 2 uur; er zijn natuurlijk verschillende presentaties. Voor mij is dit teveel dus, afhankelijk van de indeling van de sprekers, moet ik eerder weg of later komen. Dat vind ik naar en vervelend richting andere leerlingen en ouders. Zo van “nou, het gaat om de presentatie van mijn kind en de rest zakt er maar in!” Ik heb nu te maken met een vorm van anticipatie angst en zoek naar oplossingen. Zal ik de leraar die het begeleidt de situatie uitleggen? Moet ik me kort met redenen excuseren als ik eerder wegga of later binnenkom? Maar ik houd er niet van om met zo’n “zielig” verhaal te komen. Moet ik me er gewoon niks van aantrekken wat andere ervan vinden? Ook weer zo bot. Hé getver; dat snerthoofd ook!

Langs deze lijn gedacht zit ik nu dus al wat bezorgd te piekeren over een nare situatie die “me gaat overkomen” (slachtofferrol). Ik heb hier niet omgevraagd: noch om die NAH noch om deze vervelende gevolgen. Het ego wil, zoals uitgelegd, nu het traject inslaan van “kennelijk heb je hier toch allemaal om gevraagd, sukkel”. Maar die kennen we. Er is vergeving nodig. In m’n vorige blog (need to know!) beschreef ik de affirmatie-benadering. Zo zou ik mezelf eraan kunnen herinneren dat ik niet een gebrekkig lichaam ben met beperkingen maar een onbegrensde Zoon van God. Dat is zeker wáár en het voelt even lekker. Ook als ik nare reacties zou krijgen zou ik mezelf zo kunnen troosten. Laat ze maar kletsen joh; je bent geliefde door je Vader. Maar in genoemde blog gaf ik ook aan dat we verder mogen gaan dat een warm troostbadje. We hebben de gelegenheid om veel meer in onze kracht te gaan staan dan ons slechts even te laten vertroetelen door de liefde.

Als Zoon van God heb ik een machtige keuze te maken. Dat hele denkbeeldige scenario bestaat niet. Het is een bouwwerk van mijn aanvalsgedachten. Nu, anderhalve week voor de presentaties, kies ik als Zoon van God ervoor om een gedachtenconstruct te geloven van een zwak ventje met NAH dat bedreigd kan worden. Waartoe zou ik dit doen als onkwetsbare Zoon van God? Om het spel van afscheiding te spelen! Het is de door mij als Zoon van God gekozen truc om angst te ervaren in een illusoire duale droom. Ik kan ervoor kiezen deze droombeelden te geloven en ze te maken tot denkbeeldige oorzaak van gevolgen op zielige Simon. Of ik kan het mechanisme doorzien en me verbazen en verheugen. Wat een bizar spel verkies ik toch steeds weer om te spelen? Ik lijk er wel aan verslaafd zeg, want hoewel ik het nu zie gebeuren voelt het haast ongepast om me geen zorgen te maken en het gewoon los te laten. Mag dit wel zomaar? Het voelt een beetje eng en grenzeloos, alsof “ik” een beetje verdwijnt. Altijd heb ik mijn ervaringsdeskundige, mijn oudere broer, in de buurt. Hé Jezus, broer, jij hebt dit ook allemaal meegemaakt. Is dit wat je wilde laten zien toen je weigerde de soldaten als daders van je kruisiging te zien? Wij zijn toch het Zelfde? We zijn toch als Christus verbonden met elkaar? Wow hé, dan wil ik die liefdevolle Christus-blik met je delen in deze kwestie.  Laat me kijken door jouw Christus ogen. Jezus man, wat een mooie keuze bied je me!

WB 26: Mijn aanvalsgedachten zijn een aanval op mijn onkwetsbaarheid

Need to know!

need to know

God kan jou niet helpen als jij dat stiekem zelf niet wilt. Zo, vanmorgen val ik even stevig met de deur in huis. Ik denk dat het nodig is, hard nodig, om een echte omkeer middels de Cursus te ervaren in je leven. Ik zal het proberen uit te leggen aan de hand van een situatie die terugkeert tijdens de meeste Cursus-bijeenkomsten.

Tineke (fictief voorbeeld) ervaart veel ellende en wil daar natuurlijk vanaf. Medecursisten of de leraar willen graag helpen en vertellen haar dat zij zich vergist in wie ze gelooft dat ze is. Tineke denkt dat ze een lichaam is met fysieke of psychische problemen maar ze is natuurlijk een geliefd Kind van God, één en al liefde en onschuld. Dit willen zij Tineke zo snel mogelijk laten weten. “Wees even stil Tineke en herinner je wie je bent; je bent liefde. God houdt van jou en wij ook. Wat gebeurt er nu met je?”. En jawel, dit helpt omdat het 100% wáár is en een lach breekt door bij Tineke en ze ervaart opluchting. “Dank jullie wel, ach ja, ik voel me nu zo ontspannen”, verzucht ze. Deze woorden voelen als een warm bad en Tineke voelt zich eventjes beter. Maar gek genoeg beklijft deze aantrekkelijke vrede niet lang, hoe kan dat nu?

Eerst het grote voordeel van bovengenoemd gebruik van positieve affirmaties. Ze laten je zien dat er iets te kiezen valt en dat dit direct je ervaring beïnvloedt. Dat is Cursus in optima forma; geen droge theoretische kennis maar een levende ervaring en je kunt jezelf trainen om dit steeds consequenter te doen. Helemaal oké. Maar je kunt nog beter en effectiever gebruik maken van de woorden van Jezus in de Cursus. Want, zoals gezegd, terugval is eerder regel dan uitzondering en dan gebeurt er weer iets naars waardoor je weer terug lijkt bij áf. Of diep in je blijft ongeloof bestaan over die ware Identiteit als Kind van God. Zo heeft Tineke een erg moeilijke jeugd gehad en zagen haar ouders haar niet staan. Dit blijft naar boven komen en telkens gaat Tineke weer in gevecht met haar negatieve zelfbeeld door te schermen met positievere affirmaties.

Een eenzijdig gebruik van positieve affirmaties werkt weliswaar, maar zonder kennis van de hele Cursus blijf je hangen. Punt is dat Tineke direct wil genieten van een warm bad en meent dat de metafysica van de Cursus slechts lastig is en ook niet helemaal nodig. Het is toch voldoende als ik mijn liefdevolle broeder Jezus , mijn Vader of de Heilige Geest om hulp vraag? Het ego is blij. Af en toe even badderen maar vervolgens kan de illusie van afscheiding voortgezet worden.

Wat is dan dat deel van de Cursus waarvan iedereen wel het bestaan kent maar wat toch zelden echt helemaal door lijkt te dringen? Laat ik niet alles voorkauwen maar slechts een paar vragen stellen.

  • Wat is het verschil tussen een speciale (warm-bad-) liefdesrelatie met God en een heilige relatie?
  • Is Tineke echt het slachtoffer van nare omstandigheden waartegen ze 24/7 moet worstelen?
  • Is genezing van de denkgeest hetzelfde als regelmatig in bad gaan?
  • Of, een paar willekeurige Tekstboek-termen: Wat zijn afgoden van ziekte en waartoe aanbid ik deze?
  • Waartoe voer ik oorlog tegen mezelf?
  • Waarom koester ik het doel van speciaalheid?

We blijken weerstand te koesteren tegen het inzicht dat we verslaafd zijn aan zonde-schuld-angst. Wapnick noemde deze zo mooi “de onheilige drie-eenheid”. Stiekem blijven we dit trio aanbidden om onze illusie van afscheiding te eren. Zolang we dat niet totaal doorzien blijven we God naar onze illusie van ellende brengen om ons even te koesteren. Maar in feite roept onze buitenkant: “verwarm mij met Uw Liefde” terwijl vanuit het diepst van onze denkgeest hierop direct volgt “maar laat me blijven geloven in de illusie van een afgescheiden Tineke”. En onze Vader is zo liefdevol dat Hij onze wens respecteert. Liefde dwingt ons niet als we eigenlijk de illusie van afscheiding willen.

Wij zijn een almachtig Kind van God dat er voor kiest afscheiding te ervaren. Affirmaties kunnen ons helpen om even vrede te ervaren en ik bid dat dit leidt tot kennis van wat we als Kind van God dan op zo’n moment even anders doen dan gewoonlijk. De fijne ervaring mag voor ons geen tijdelijke opkikker zijn maar een ingang tot verdieping, genezing en ontwaken. Niet door ons af te vragen: “waarom gaat het hierna toch weer verkeerd en overkomt me weer ellende?”. Maar door met kennis van de hele Cursus op te merken: “Hé, als almachtig Kind van God kies ik toch weer voor het ervaren van ellende. Kennelijk ben ik nog niet uitgespeeld met het bizarre spel van geloven in afscheiding. Laat ik de Liefde, mijn ware Identiteit, vragen om voor mij te kiezen want het is welletjes geweest”.

WB24: Ik zie niet wat mijn hoogste belang is.

 

 

Jij ergert je toch ook?

ergernis

Ik kan me ergeren aan bepaalde uitingen op Facebook. Twee voorbeelden: Profielfoto’s die niet bestaan uit een afbeelding van de eigenaar van het account en eindeloze series van gelukkige selfies.

Natuurlijk ben ik niet trots op deze ergernis en vind ik dit een ECIW-coach onwaardig. Dus ga ik mijn best doen om mijn broeders en zusters te verontschuldigen. Mensen die kinderfoto’s plaatsen zitten dan in een fase waarin de verbondenheid en liefde voor hun kinderen centraal staat. Niks mis mee. Hetzelfde geldt voor de echtparen-foto’s: onhandig (wie is er nu jarig?) maar mogelijk zijn ze op weg van een speciale liefdesrelatie naar een heilige relatie. De mensen die kiezen voor huisdieren? Verbondenheid met dieren, misschien wat angst voor afwijzing van eigen uiterlijk. Alle begrip. De sterretjes, voorwerpen, natuurfoto’s? Wellicht goede stappen op weg naar “ik ben niet dit lichaam”. Tenslotte de tientallen foto’s met gelukzalige glimlach op eigen tijdlijn? Wellicht eerst last van zelfveroordeling en nu een beetje doorgeschoten in het genezingsproces. Helpt deze ogenschijnlijk milde benadering mij een beetje? Eerlijk gezegd niet. Ik leg slechts een dun laagje Cursus-vernis over wat ik diep van binnen nog steeds veroordeel.

Het is vanuit geloof in afgescheidenheid heel fijn als je bijval krijgt van anderen die zich aan dezelfde kwesties ergeren. Zie je wel, je had dus toch een punt, het is gewoon irritant. Laatst sprak ik iemand die zich ergerde aan een gemeenschappelijke kennis. “Jij ergert je toch ook aan haar?”, vroeg ze. Maar hoewel ik zag dat het gedrag van deze kennis niet erg handig was ervoer ik geen boosheid richting haar dus gaf ik ontkennend antwoord. De ergernis van mijn gesprekspartner leek zich nu direct op mij te richten. “Je doet nu net of ik gek ben, maar haar gedrag is toch niet normaal?” Ik gaf aan dat ik gewoonweg niet wilde kiezen voor op de persoon gerichte boosheid. Ook vanuit liefde kun je gedrag van iemand uiterst onhandig vinden maar er hoeven geen aanvalsgedachten gekoesterd te worden, zelfs niet in afgezwakte vorm zoals bij ergernis.

Maar wat vind ik als iemand mij zegt dat hij zich helemaal niet druk maakt over die Facebook-uitingen waar ik me dan aan erger? In eerste instantie wil ik ook mijn gesprekspartner overtuigen; het is toch gewoon niet oké? Maar als die ander volhardt in die irritante milde visie dan wordt mij één ding pijnlijk duidelijk: de situatie zelf is niet de aanleiding voor mijn ergernis maar ik kies ervoor om me meer afgescheiden te voelen door aanvalsgedachten te koesteren. Ai, ai; dit is confronterend en helemaal niet fijn voor mijn ego. Typisch gevalletje van blinde vlek, splinter in het oog en verborgen agenda. Zelfs mijn oordeel over de ergernis van een ander is het heimelijk koesteren van mijn eigen vermeende speciaalheid en superioriteit.

Het is verfrissend om zo even figuurlijk in je blote kont te komen staan. Voilá, ik kies voor het veroordelen van uitingen van broeders en zusters op Facebook om mijn “feestje” van afscheiding wat extra cachet te geven. Werkboekles 21 dan nog maar even: ik ben vastbesloten de dingen anders te zien. Direct begint het ego tegen te stribbelen. Maar het is toch ook raar? Maar nu herken ik dit als een laatste stuiptrekking en glimlach ik als ik de liefde binnenlaat. Kom maar liefde, ik kies voor verbinding in plaats van voor aanval. Ik kies voor vrede in plaats van voor gelijk hebben.

Ik zou liegen als ik zou beweren dat de ergernis in één keer totaal verdwenen is. Maar de ijsberg van haat groeit niet langer aan maar begint te smelten. Misschien wel het enige positieve effect van de opwarming van mijn wereld door liefde. Het gaat weer stromen.

Homohaat

god hate fags

Gisteravond bekeek ik nogmaals een documentaire door Louis Theroux over de Westboro Baptist Church. Het betreft een kleine groep fanatieke Amerikaanse gelovigen die met de Bijbel in hun hand wachten op de wederkomst van Christus en ondertussen proberen anderen te overtuigen dat hun zondige levensstijl hen zal doen belanden in de hel. Een favoriete doelgroep voor hun waarschuwingen vormen “fags”, flikkers. Deze wat oudere documentaire blijft actueel, zeker nu Nederland wordt opgeschrikt door die Nashville verklaring. Ook dit is een statement waarin in feite gesteld wordt dat God niet gediend is van een gender- of seksuele geaardheid die afwijkt van wat we als norm beschouwen. Natuurlijk is de Nederlandse vorm niet zo grof als de uitingen door de Amerikaanse Phelps-familie. Maar toch.

De reacties van de omstanders op de uitingen van, laat ik het maar even kort aanduiden als, homohaat zijn ook niet misselijk. In de documentaire zag ik dat Amerikanen tegendemonstraties hielden waarbij verbaal geweld en opgestoken middelvingers als tegenwapen werden gebruikt. In de Nashville-discussie in Nederland wordt ook gesproken over een achterlijk standpunt en de belijders hiervan worden weggezet als onverdraagzame geloofsfanatici.

Eén ding moet ik de Amerikaanse en Nederlandse groeperingen nageven; ze zijn bloedserieus en vol overtuiging bezig met het zoeken naar de wil van God. Ik stelde me vanmorgen de vraag wat we hier nu tegen zouden moeten doen? Aanvankelijk zocht ik naar minder heftige pogingen om extreme standpunten ter discussie te stellen en te corrigeren. Kunnen we het gesprek niet aangaan? Moeten we er wel aandacht aan besteden door er zo fanatiek op te reageren? Bied je dan niet juist een podium aan mensen die dit soort nare standpunten koesteren?

Ik merkte dat ik gedragsregels zocht. “Hoe om te gaan met rare standpunten?”. Ik bedacht dat de Cursus nooit gedragsregels geeft. Ze gaat dieper dan het aanreiken van de “juiste” oplossing voor ons handelen. Juist de neiging om te zoeken naar het juiste gedrag in een bron buiten mijn liefdevolle hart veroorzaakt de verwarring. De Phelps proberen het verschil tussen goed en kwaad te vinden in de Bijbel. En voilà, net als de Nederlandse Christenen (en ook de Moslims overigens) vinden ze tekstfragmenten die beschrijven hoe groot de hekel van God voor homo’s is. Het is een gruwel in zijn ogen en ze mogen blij zijn dat we ze tegenwoordig gewoon rustig discrimineren en niet doodgooien met stenen zoals in het oude Israël en nog steeds in sommige landen waar fundamentele vormen van de Islam worden aangehangen.

De bron van de oeroude haat komt in beeld. Oude zogenaamd Heilige boeken vormen slechts een alibi voor ons hongerige ego. We willen argumenten vinden om te doen wat we nodig menen te hebben om ons maximaal afgescheiden te voelen: oordelen. Want oh ja, dat is ons grootste liefhebberij, een belangrijke methode om ons het ultieme ik-gevoel te geven: oordelen, yesss! Maar wat verdient ons oordeel? Het grappige, maar niet heus, is dat dit er in feite niet toe doet. Haat tegen homo’s werkt prima maar haat tegen homo-haters evenzo. Sociale onrechtvaardigheid is ook een fijne maar als we ons gele hesje aan hebben en de boel lekker kort en klein slaan dan kunnen anderen ons weer haten en hun gevoel van afscheiding een extra boost geven. God is met ons wordt een “God-van-de -haat is met beide partijen die tegenover elkaar staan”.

De kernvraag is wat er nodig is wanneer we geconfronteerd worden met haat en oordeel. Tegen-haat en tegen-oordeel houden het ego-spel in stand. Toen Jezus gearresteerd dreigde te worden trok een discipel zijn zwaard en hakte een oor af bij een soldaat. Maar “wie met het zwaard doodt zal door het zwaard sterven”. Haat is altijd tegen ons zelf gericht en zal ons bevestigen in onze angst en onze boosheid. Want wat we zien gebeuren is slechts een uiting van angst en een roep om liefde. De Phelps-familie en onze Christelijke broeders en zusters zijn bang om het verkeerd te doen en daardoor de liefde van God te missen en te worden gestraft. Ik zie zoveel angst.

En kunnen wij naar een boos lid van de Phelps-familie of naar een afbeelding van Van der Staaij kijken en hun angst zien in plaats van hun vijandigheid respectievelijk zijn stelligheid. Kunnen we een bang mens zien die vreest het verkeerd te doen? En kunnen we dan ons hart openen en hen/hem de liefde van onze Vader toewensen. Kunnen we bloemen leggen voor de voeten van de mensen met spandoeken?

Maar wat moeten we dan doen? Alles maar goed vinden? Nogmaals, hier zijn geen standaardoplossingen voor te bedenken vanuit de Cursus maar wel een standaard wijze om advies hierover te krijgen: wend je tot de liefde van je hart (of Heilige Geest, Jezus) en niet tot wat ergens geschreven staat of wat een autoritaire figuur je probeert wijs te maken. En die openheid naar de liefde laat deze liefde stromen en met het genezen van je eigen angst bied je de ander de grootste kans om hierin te delen. Wellicht kiest hij of zij er nog even voor om het spel van angst en oordeel te spelen. Maar het is geen fijn spel, dat ontdekken we vroeg of laat allemaal.

Moet ik de Cursus begrijpen?

ik begrijp je

Als we aan de slag gaan met de Cursus dan doen we dit zoals we gewend zijn met elke cursus. We lezen de studiestof door, proberen het te begrijpen en kijken of we er iets aan hebben, of het ons verder brengt. Of we iets een goede cursus vinden of niet hangt af van het studiemateriaal (is het helder geschreven en goed ingedeeld), van de bekwaamheid van de docent en of we er snel en kundig mee aan de slag kunnen. Onze verworven vaardigheid wordt getoetst met vragen en oefenopgaven die we goed moeten proberen te beantwoorden.

Als ik met deze ogen naar ECIW kijk dan is het, op z’n zachts gezegd, allemaal niet direct zo duidelijk. Dat Tekstboek lijkt soms niet om door te komen met z’n lange en onduidelijke zinnen. De gebruikte Christelijke terminologie is ons niet meer zo bekend en áls we al een Christelijke achtergrond hebben dan blijkt dat de Cursus een nieuwe invulling geeft aan zaken als bijvoorbeeld vergeving en het laatste oordeel. De Cursus geeft ook oefeningen in het Werkboek. Maar in de instructies hierbij staat gelijk al zoiets geks: “mogelijk snap je niets van deze oefeningen en vind je ze ook helemaal niet leuk maar doe ze nu maar gewoon”. Wie denkt de docent dat ik ben? Gekke Henkie? Ik wil natuurlijk wel begrijpen waar ik mee bezig ben en of het al een beetje opschiet. Heb ik hier wat aan?

Maar dit is geen gewone cursus. Onze Cursus in Wonderen richt zich op iets heel bijzonders. Ze richt zich op de volgende kwestie: “wie of wat is dat zelf (dat ikje) dat iets probeert te begrijpen en wat betekent het hele fenomeen “begrijpen” überhaupt?”
Wij brengen deze existentiële vraag en kwestie onmiddellijk terug tot ons bekende alledaagse niveau II droom-niveau: “goede vraag, dat wil ik proberen te begrijpen!”. Maar, helaas, mispoes. Je bent al direct van de kwestie afgesprongen en deze gereduceerd tot de jou enig bekend manier van kijken en doen: “ik zal dit varkentje wel eens wassen met mijn slimheid en mijn werklust”.

Onze alledaagse aanpak heeft een verborgen agenda. Het hele mechanisme van zwoegen, afkeuren van de huidige staat, een beeld vormen van het doel, tijd nodig hebben enzovoorts wordt door ons als Zonen van God gebruikt met het rare doel om ons afgescheiden te voelen van de liefde en eenheid die we zijn. Het is dus omgekeerde wereld. Wij (als Zonen van God die al geloven in afscheiding) denken door iets te begrijpen iets te kunnen bereiken (verlossing of verlichting). Maar het is 180 graden andersom. Wij zijn al vrij als Zonen van God en door te geloven in de noodzaak van oordelen, vechten, inspannen enzovoorts kiezen wij er (onbewust) voor om ons juist afgescheiden te blijven voelen.

In bovenstaande uitleg zie je gedemonstreerd waartoe de Cursus woorden gebruikt namelijk om hun eigen beperktheid te illustreren. Zo ook de werkboekles van vandaag (10): “Mijn gedachten betekenen niets”. Woorden en zinnen vormen de bouwstenen van de gedachten zoals wij die kennen. Wij proberen er betekenis aan te ontlenen om te komen tot dat ultieme begrijpen. Het paradoxale is dus nu juist dat dezelfde woorden door Jezus gebruikt worden om duidelijk te maken dat er geen ikje bestaat dat de ultieme werkelijkheid op zijn kleine wijze zou kunnen begrijpen maar dat dit ikje onderdeel is van de illusie die middels het fenomeen “het-proberen-te begrijpen” in stand gehouden wordt.

Het ego spreekt eerst: “Hé, wat zegt ie nou? Dit begrijp ik niet”. Gelukkig neemt het spiritueel ego het nu soepel over: “Oh, ik mag alles weglachen, ik hoef me alleen maar over te geven aan Jezus, Heilige Geest, Liefde enzovoorts”. Hoe slim is vooral dit spirituele ego. Want ja, overgave aan de liefde die je zult blijken te zijn is inderdaad het antwoord. Maar woorden zijn nodig om duidelijk te maken dat je nu juist die ultieme waarheid aan het blokkeren bent met je begrijp-pogingen. Iemand vergeleek het met een splinter die verwijderd moet worden. Je gebruikt als het ware twee andere splinters (denk aan een pincet) om de storende splinter uit je huid te trekken.

Heeft liefde uitleg en begrijpen nodig? Nee dus. Hebben wij in onze vermeende afgescheiden toestand woorden nodig? Jazeker. Anders zou Jezus ons niet zo’n dikke Cursus hebben moeten geven. Maar is het dan geen hopeloze onderneming? Ik word gek!

Maar relax en luister naar je docent Jezus. Vertrouw op de innerlijke leraar terwijl je Zijn Tekstboek leest. Ga niet worstelen en piekeren maar wees stil en vertrouw dat het duidelijk zal worden. Niet door je gezwoeg maar door je bereidheid te luisteren naar zijn (ook geschreven) woorden en hem te vertrouwen. Maar zit mijn denken, mijn hersenen, dan niet in de weg? Jawel; maar daar is het werkboek voor. Dit werkboek is een training voor de denkgeest. Dit trainen betekent niet dat je hard moet denken. Het betekent dat je het instrument “denken / verstand” blootstelt aan oefeningen die je juist niet begrijpt. “Deze tafel betekent niets, ik geef alles de betekenis die het voor mij heeft, ik begrijp niets” etc. Zie je het? Dit is geen leren zoals wij gewend zijn maar ont-leren onder leiding van Jezus.

Ga niet overmatig zitten piekeren over de werkboeklessen. Stel je hebt je opgegeven voor een conditietraining. De trainer stelt voor om 3 x 2 minuten rustig te dribbelen. Wat doe je? Blijf je zitten en roep je: “beste trainer, alvorens we verder gaan wil ik weten wat de fysiologische basis is van deze oefening; hoe gaat dit mijn zuurstofsaturatie niveau op termijn verhogen en hoe bla bla??” Om daadwerkelijk een betere conditie te krijgen moet je gewoon de oefeningen trouw doen.

“Ik” kan mezelf niet middels “begrijpen” laten oplossen. Integendeel. Maar in liefde kan gezien worden dat deze “ik” niet meer is dan een verkramping en de vrede van ontspanning wordt duidelijk door te leren zien en voelen hoe mijn gespartel de boel erger maakt en door gewoon de training te volgen. Dus lees, vertrouw, en oefen. En als je wel gefrustreerd aan het spartelen bent? Dan glimlach je hier over en je leest, vertrouwt en oefent. Het einde is zo zeker als God.

Wat laat je van jezelf zien op Facebook?

privacy facebook

Deze vraag houd me bezig na het oprichten van een Facebook-groep voor geïnteresseerden in Een Cursus in Liefde (ECIL). Direct bij het oprichten van een nieuwe groep moet je aangeven of de groep openbaar, besloten of geheim zal zijn. Laat ik het onderwerp is op twee niveaus aanvliegen:

Niveau II: Ik zie de Facebook-groep die ik in gedachten heb als een virtuele huiskamer waarin ik broeders en zusters wil ontvangen voor wie ik de gelegenheid wil bieden om te gaan delen wat hun ervaringen zijn met ECIL. Ik ben visueel ingesteld en zie echt het beeld van mijn eigen huiskamer hier in Hoofddorp voor me. Er verschijnen een paar enthousiaste oude bekenden met het boek onder hun arm. Ze zijn, net als ik, benieuwd wat de avond gaat brengen. Vervolgens vragen twee mensen aan me of ze ook naar binnen mogen. Ik zal hen beschrijven:

  1. Een sympathieke mevrouw wil graag weten wat we gaan doen. Ze wil meekijken maar ze heeft ECIL niet aangeschaft noch besteld. Ik heb hier wat moeite mee en vergelijk het met een gewone leesclub waarin afgesproken wordt dat er een boek besproken gaat worden. Iemand wil op de avond van de club naar binnen maar heeft het boek niet gelezen. Ze wil een beetje weten waar het over gaat. Ik vind het “normaal” om haar te vertellen dat ze dat beter even kan Googelen voor info over het boek en, pas als ze besluit mee te doen,  aan te schuiven op de avond met mensen die het boek ook aan het lezen zijn.
  2. Er staat vervolgens iemand voor de deur waarvan het Facebook-account mijn verbazing wekt. Nergens is een afbeelding te vinden van de persoon in kwestie maar soms weet ik wel hoe haar hond, kat, kind of kleinkind eruit ziet.  Het lijntje met de persoon in kwestie is soms nog dunner en beperkt tot een pseudoniem en een abstracte afbeelding van een sterretje of zo. Weer zie ik de huiskamer voor me. Er staat een persoon (man of vrouw, jong of oud, ik weet het niet) onder een soort zwarte boerka voor de deur. Ze is heel zwijgzaam en wil gewoon zonder iets te zeggen in de hoek van de kamer gaan zitten. Hoe is dit voor mijn andere gasten?

Er zijn meer types en mengvormen te bedenken maar de kwestie is of het handig is als je in deze setting mensen uitnodigt die het boek niet hebben of mensen die alleen willen kijken vanaf een soort virtuele tribune maar niks willen zeggen, met de boerka-persoon als extreem voorbeeld.

Niveau I: Ik geef er met bovenstaande blijk van me te identificeren met het lichaam van mensen of dat nu hun fysieke lichaam betreft of hun karakter-lichaam (te bang om mee te praten). Tevens staar ik me blind op de vorm, het boek ECIL: het is toch slechts een aanleiding en instrument om te praten over zaken die niks met de vorm te maken hebben? Mijn aarzeling zegt niks over hen maar over mijzelf; ik heb vergevingslessen te doen. Liefde kan niet bedreigd worden en veroordeelt niet. De deuren van de huiskamer moeten wijd open en iedereen (in boerka of niet) moet welkom zijn en naar believen in- en uit kunnen lopen en bepalen of hij of zij wat zegt of niet.

Tja; waar kiezen we voor? Voor defensief en angstig ogende beslotenheid of voor metafysisch correcte en liefdevolle openheid?

Lezers die m’n stukjes kennen weten dat ik nogal aan de expressieve kant van het spectrum zit. Toch maak ik wel een beetje onderscheid tussen welk stukje ik wáár plaats. De meeste stukjes (90% of zo) plaats ik in het publieke domein; op de website of in de openbare groep van ECIW. Dan is er 10% die ik plaats op de besloten Facebook pagina van ECIW-coach hoewel hier ook reeds zo’n 200 mensen aan meedoen; best veel voor een huiskamer. Ik kan als beheerder zien dat ongeveer 160 mensen deze groep daadwerkelijk langere tijd bezoekt maar het aantal mensen dat meedoet is veel kleiner en het aantal broeders en zusters die zelf iets delen of vragen is nóg kleiner. Wat dat betreft is het onderscheid tussen de besloten en openbare ECIW Facebook-groep een waterscheiding. Waarom maak ik dan toch dit onderscheid? Hierin zit hem de crux. Ik ervaar weinig gene bij het laten zien wat zich in m’n denkgeest afspeelt. Maar de meest bruikbare lessen maak ik mee met de mensen die dichtbij me staan. Meestal anonimiseer ik uit respect voor hen mijn stukjes maar als dit de strekking teniet doe en ik het toch wil delen met vrienden zonder dat de betrokkenen hiermee geconfronteerd worden dan plaats ik het liever in de besloten groep.

Wie ben ik om te bepalen dat mijn dierbaren ook maar het inzicht moeten hebben dat “niets werkelijks bedreigd kan worden”? Het is niet liefdevol om de hele wereld zo mee te laten kijken naar hen, zelfs ondanks het feit dat ik weet dat er geen rangorde bestaat in problemen (1 enkele of 1 miljard potentiele toeschouwers). Ik vind het liefdevol jegens hen om hen niet te confronteren met mijn visie dat ik niet mijn lichaam ben en dat ik daarom bereid ben me voor de camera’s “uit te kleden”.

Ik vind het bevrijdend om wat betreft de besloten ECIL-groep de kwestie ook vanuit die invalshoek te bezien, ook al is dit een niveau-II kwestie: ik wil een veilige huiskamer sfeer omdat ik weet dat er in de intimiteit van een huiskamer meer kan gebeuren dan op een podium voor de camera. We mogen “normaal” doen, zelfs als onze norm illusoir is.

Het is sowieso wel grappig als ervaren studenten van de Cursus stellen dat ze moeite hebben met het besloten karakter van een groep. Door te stellen dat je geen grenzen mag stellen neem je deze grenzen, paradoxaal genoeg, weer erg serieus. We zijn weer terug bij af en zien schuld in een gekozen vorm. Een gekozen vorm is niet meer dan dat: een onschuldige vorm die op een bepaald moment voor een bepaalde broeder of zuster waarlijk behulpzaam kan zijn.

 

Voorbij het bekende

vergezicht

We benaderen in eerste instantie de Cursus zoals we elke klus aanpakken: we stellen vast wat het probleem is, denken eens goed na en gaan vervolgens aan de slag om het gewenste resultaat te behalen. Kort gezegd: we gaan er eens lekker tegen aan! Dit is niet fout of dom en Jezus weet dat we zo als droomfiguur werken en houdt daar rekening mee in zijn opbouw van de Cursus.

Dat begint al met het Tekstboek met daarin de metafysica van de Cursus, oftewel: hoe het allemaal in elkaar steekt in onze droomwereld. Is begrip hiervan nuttig? Natuurlijk, anders zou Jezus er niet zoveel werk van gemaakt hebben. Eén van de belangrijkste dingen die ik geleerd heb van de Cursus betreft onze verborgen agenda om te zoeken en ten diepste niet te willen vinden. Onze gekke keuze voor afgescheidenheid en slachtofferschap. Dit komt ons heel vreemd voor. We menen dat we van de narigheid af willen en dat we liefde willen. Van die kreten als “we willen onze grieven koesteren” of “we zijn bang voor liefde” vinden we al snel vergezocht en parkeren we in een ver hoekje van onze denkgeest. Vervolgens gaan we gewoon flink ons best doen om meer liefde te ervaren. Even de mouwen opstropen en als we narigheid ervaren gewoon de hulp in roepen van de Heilige Geest (of innerlijke leraar) om de klus voor ons te klaren.

Zonder zicht op onze verborgen motieven wordt dit letterlijk een gebed zonder einde. Het is alsof je een groot bord om je nek hangt met daarop de tekst “LAAT ME MET RUST, OOK AL VRAAG IK JE OM HULP” en vervolgens voorbijgangers vraagt je te helpen. Je bent constant bezig met brandjes blussen en lapwerk. Je kan naar bijeenkomsten gaan met lieve broeders en zusters en je even flink laten doorknuffelen maar daarna is het ego-business as usual.

In Cursus-land is ook het rare idee binnengeslopen bij sommigen dat de Cursus een zelfcursus betreft en dat leraren niet nodig zijn. Het klopt dat je uiteindelijk zélf aan de bak moet met vergevingsoefeningen maar zoiets als die blinde vlek van je verborgen agenda is lastig te ontdekken zonder iemand die bekwaam kan spiegelen. We hebben iemand nodig die ons kan helpen om onszelf te diskwalificeren als leraar. Voor zelf-doe-types zoals wij is dat een regelrechte belediging.

Het is waar dat de hoofddocent direct tot ons spreekt in de Cursus. Maar Jezus stuurde 2000 jaar geleden ook discipelen de wereld in om in zijn geest anderen te helpen. We zijn geroepen om wonderen aan te bieden aan onze broeders en zusters. De Heilige Geest werkt door ons en kan ons daarbij laten zien dat we kunnen ervaren dat we liefde zijn doordat we liefde in relatie met elkaar (door-)geven.

Dit voor wat betreft het “begrijpen” van de Cursus en het Tekstboek. Maar dan het echte werk. Dat staat niet voor niks in het Werkboek. Al in de eerste lessen ontmoeten we de leraar die ons met een glimlach welkom heet in het practicumlokaal. We zijn dol enthousiast en stropen de mouwen vast op. We gaan lekker klussen aan onszelf en Jezus gaat uitleggen hoe we dit gaan aanvliegen. Even aandachtig opletten dat we het direct goed begrijpen. We brengen onszelf mee als tool en ons meest verfijnde instrument waar we ongelofelijk trots op zijn, onze hersenen, staat klaar om te gaan begrijpen en werken. En dan?

Jezus begint te spreken. Onze dierbare hersenen worden gediskwalificeerd in de eerste werkboeklessen. Je denkt dat je snapt wat je ziet en denkt? NEE, je snapt er geen bal van. We schrikken van die luide en besliste stem. Dit willen we niet. We willen handige tips waar we wat mee kunnen en een sympathieke leraar die ons zegt dat we al aardig op weg zijn en het al in de vingers beginnen te krijgen. We willen een bemoedigende aai over de bol. Maar nee.

Lees en vooral DOE de werkboeklessen. Sta toe dat de leraar jouw slimme inzichten van je afpakt en vertrouw hem. Oké, ik dacht dat ik het gewoon moest snappen maar mijn gedachten betekenen niets. Ik dacht dat ik wist waarom ik ongelukkig was maar oké; ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk.

Vertrouw hem en zijn aanpak. Stap de klas in met lege handen en een lege denkgeest. Laat je afbreken in de werkboeklessen, laat je denken op z’n kop zetten door het Tekstboek en leer door hem te vertrouwen wat je echte Wil is. Eén ding is zeker: het is niet de wil van dat kleine alledaagse zelf dat het allemaal al zo goed weet en die zo goed zijn best doet. Je bent zoveel meer en anders dan dat zelf. Je bent geen bekwaam zelf, geen aardig zelf, geen gevorderd zelf. Je bent de liefde waarin dat kleine krampje gezien wordt en waarin het door liefde kan ontspannen en oplossen. Zo ruim, zo grenzeloos, zo moeiteloos en zo zacht en teder. Broeder wat ben je mooi.