Heikele kwesties?

waar of onwaar

Over fysieke genezing, reïncarnatie en zo.

Dit zijn kwesties waar nogal eens verhitte discussies over gevoerd worden. We vragen ons af of deze zaken waar of onwaar zijn. Zoals zo vaak gaan we aan de slag met vragen zoals deze, zonder dat we in de gaten hebben dat we reeds begonnen zijn met het geloven in het antwoord op de vraag. Onbewust geloven we namelijk dat we een afgescheiden zelf in een lichaam zijn. Dit zelf kan vervolgens een ziek lichaam hebben of een gezond lichaam en het kan sterven en daarna, in een wat andere vorm, weer levend worden. Dit geloof is ons startpunt, ons uitgangspunt.

In het handboek voor leraren wordt in H24 “Is reïncarnatie het geval?” geen enkele ruimte gelaten voor twijfel over de juistheid van onze aanvankelijke aanname dat we een lichaam zijn.

In uiteindelijke zin is reïncarnatie onmogelijk. 2Er is geen verleden of toekomst, en het idee van geboorte in een lichaam heeft geen betekenis, noch één keer, noch meerdere keren. 3Reincarnatie kan dan ook in geen enkele werkelijke zin waar zijn.

In feite is hiermee de kous af. We zijn geen lichaam, noch ziek noch gezond, we kunnen niet als fysiek lichaam sterven en zoiets als een fysieke (her-) geboorte is onzin. Dan gaat de Cursus in het Handboek op wijze en liefdevolle wijze verder:

4Onze enige vraag zou moeten luiden: ‘Is het begrip ons behulpzaam?’

 Hetzelfde geldt voor wat we aanduiden als ons fysieke lichaam en voor de wereld die we menen te zien. Alles wat wij in ruimte en tijd als afgescheiden vorm menen te zien bestaat niet echt. Het is een niet bestaande droom. Bij het kijken naar deze droombeelden, die op zichzelf geen betekenis hebben, kunnen wij ons door twee adviseurs laten influisteren. Degene die het eerst spreekt is het ego. Deze zegt zaken als:

  • Deze droom is belangrijk en bestaat echt
  • Je fysieke pijn is weliswaar echt maar de Cursus beweert dat je deze moet negeren. Het is dus oké als deze echte pijn je blijft kwellen.
  • Of juist: je fysieke pijn is echt en pas als deze door vergeving verdwijnt laat je zien dat je de Cursus goed begrepen en gedaan hebt.
  • Een ziek lichaam, van mijzelf of anderen, is een indicatie dat er nog iets flink mis is.
  • Je huidig lijden komt door ellende uit een vorig leven maar gelukkig mogen we hopen op een volgend leven waarin we het beter zullen hebben.

Het doel van het ego is dus dat we blijven uitgaan van de echtheid van de (fysieke) afscheiding en dat we de focus houden op verbeteringen hiervan.

De Heilige Geest heeft slechts één doel; ons helpen herinneren dat we niet afgescheiden zijn, één zijn met elkaar, geest, liefde. Daartoe spreekt Hij ons met zachte Stem toe op het niveau waar we ons menen te bevinden. Hij gebruikt de droombeelden en geeft ze een nieuwe betekenis. Dit kan ongeveer als volgt klinken:

  • Breng de beelden uit de droom naar mij en laten we eens samen kijken
  • Ach mijn kind, ik zie dat je gelooft in deze nachtmerrie van pijn. Het lijkt of je strijd moet leveren tegen een ziek lichaam. Kijk samen met mij naar dit geloof. Durf je de strijd los te laten en je over te geven aan mijn liefde?
  • Ach mijn kind, je lijkt te schrikken als de pijn, die je zo belangrijk en echt vindt, oplost. Je weet niet wat er met je gebeurt als je je niet langer slachtoffer voelt van een ellendig lichaam of een boze buitenwereld. Ontspan je in mij en laat maar gebeuren wat gebeuren moet. Je bent geen lichaam, je bent vrij.
  • Ach mijn kind, waarom ben je gevangen in de beelden van de nachtmerrie. Wat je ziet is niet echt maar de projectie van je eigen angst. Je meent een zieke broeder te zien maar je kijkt naar de heilige Zoon van God. Zegen hem en ontvang deze zegen zelf. Geef je blik van liefde en onschuld en besef dat je zelf liefde en onschuld bent.
  • Nogmaals lief kind, er is geen dood. De dood hoeft zelfs niet overwonnen te worden maar slechts terzijde gelegd als illusie. Laat je versmelten in mijn armen, laat je schild zakken en ontspan. Er is geen oorlog, alleen vrede.

Ik laat het laatste woord aan de Cursus (H24,6):

  1. Deze cursus blijft steeds hetzelfde benadrukken: op dit moment wordt jou volledige verlossinggeboden en op dit moment kun jij die aanvaarden. 2Dit is nog steeds je enige verantwoordelijkheid.3De Verzoening kan gelijkgesteld worden aan een totaal ontsnappen aan het verleden en een totaalgebrek aan belangstelling voor de toekomst. 4De Hemel is hier. 5Er is geen ergens anders. 6De Hemel is nu. 7Er is geen andere tijd. 8Geen enkel onderricht dat niet hiertoe leidt, is voor Gods leraren van belang. 9Alle overtuigingen zullen hierop gericht zijn als ze juist worden geïnterpreteerd. 10In deze zin kan worden gezegd dat hun waarheid in hun bruikbaarheid ligt. 11Alle overtuigingen die tot vooruitgang leiden, dienen gerespecteerd. 12Dit is het enige criterium dat deze cursus vereist. 13Meer is niet noodzakelijk.

 Les 149:

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God

(137) Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen
(138): De Hemel is de beslissing die ik moet nemen

Advertenties

Genoegdoening en gerechtigheid

Image: UKRAINE-RUSSIA-CRISIS-MALAYSIA-ACCIDENT-CRASH

MH17 is neergeschoten en hierbij zijn bijna 300 mensen om het leven gekomen. De beelden van het repatriëren van de stoffelijke overschotten en het hartverscheurende verdriet van de nabestaanden staan op m’n netvlies gegrift. Het is goedkoop om dit vanuit m’n luie stoel gemakkelijk af te doen als niveau-II gebeurtenissen binnen een droom. Ik worstel met deze gebeurtenis, ook al is het maar een droom.

Ik zie dat Rutte de aanvoerder is van het collectief dat genoegdoening zoekt voor de groep nabestaanden. Wat is dit eigenlijk; genoegdoening? Ik wil dan dat de Russen bij monde van Poetin verantwoording afleggen voor hun daden. Dit is hierbij ongeveer mijn ideaalbeeld:

Poetin zegt: “ik zal nu maar eerlijk zijn. Het klopt dat Rusland betrokken was bij deze oorlog en dat we manschappen en materieel geleverd hebben. Soldaat x heeft een inschattingsfout gemaakt toen hij die Buk-raket afschoot want hij dacht dat hij een oorlogsvliegtuig zag. Volgende keer zal hij beter uitkijken en hij heeft een flinke gevangenisstraf gekregen. Ik vind het ook persoonlijk allemaal heel erg <Poetin kijkt duidelijk aangedaan naar de camera> Rusland zal 100.000 euro per slachtoffer betalen aan de nabestaanden”

Nou, hé hé, het ei is gelegd. Het blijft tragisch maar nu is er toch sprake van een zekere afsluiting ondanks het feit dat het verdriet maar heel langzaam wat scherpe kantjes zal verliezen. Maar helaas. Dit gebeurt niet en vermoedelijk volgt nog een jarenlang spel waarbij de bewijzen zich opstapelen en Poetin glashard zal blijven ontkennen. Dan zal er een vorm van wraak in de vorm van sancties moeten plaatsvinden. Het gaat wat ver om een Russisch passagiersvliegtuig uit de lucht te schieten maar we moeten vriendschappelijke betrekkingen verbreken en sancties instellen die de Russen in de portemonnee zullen voelen.

Dit klinkt ironisch, dat besef ik. Binnen onze droom weet ik ook niet goed welke houding ik (Nederland) moet aannemen. Het voelt te gemakkelijk om de schouders op te halen, te zeggen dat het jammer is dat de Russen de verantwoordelijk niet accepteren en over te gaan tot de orde van de dag. Het lijkt of mijn klassieke vorm van ‘vergeven’ ten minste de schuldbekentenis van die ander nodig heeft. Hoe kan ik nu zeggen dat ik de Russen vergeef als ze zelf zeggen dat ze niks gedaan hebben? Dit geeft kortsluiting in mijn hele systeem van rechtvaardigheid. Ze moeten toch echt eerst “sorry” zeggen want anders blijf ik ze als schuldig zien en moet ik boos blijven. Voor hoelang? 10 jaar? 50 jaar? Dat weet ik niet goed. Vermoedelijk moeten eerst 2 of 3 generaties nabestaanden voorbij gaan voordat Nederland weer met goed fatsoen normaal kan doen tegen de Russen. Anders zal het voelen als verraad jegens deze nabestaanden.

En dan die verrekte Cursus. Want deze is toch van een andere orde, of ik dat nu fatsoenlijk en gepast vind jegens nabestaanden of niet. Want deze Cursus zegt me naar binnen te kijken en wijst me erop dat ik de lichamelijke dood van de slachtoffers zie als een echte dood. Dat ik geloof dat lichamen, en daarmee dat mijn broeders en zusters, uiteengereten zijn door andere mensen. Dat deze anderen, de Russen, hiermee schuldig zijn aan aanval en moord. Het zou ze gelukt zijn de Zoon van God te kruisigen en daarmee zouden ze schuldig zijn geworden en straf verdienen. Of ze het nu toegeven of niet. Maar alles wat ik hiermee zeg is dat ik geloof dat Jezus een afgescheiden mensje was van vlees en bloed die aangevallen kon worden en uiteindelijk zelfs gedood kon worden.

De hele boodschap van Bijbel en Cursus is deze: NEE, DIT IS NIET WAAR. Mij wordt gevraagd om de soldaten te vergeven voor wat ze nooit hebben kunnen doen. Ze hebben Jezus niet kunnen kruisigen en ze hebben de MH17 niet kunnen neerschieten. De nabestaanden van Jezus huilden toen, wij huilen nu. Maar toch. Hierin ligt de gerechtigheid van God; niet dat de soldaten gestraft dienden te worden maar dat het doek in de tempel scheurde en de grens tussen de droom-wereld en het echte heiligdom verbroken werd. Vanuit ons afgescheiden zelf kunnen we slechts huilen en boos worden. Maar samen met Jezus mogen we roepen: in Uw handen leggen wij onze denkgeest. Dan kan zijn Licht ons vanuit het gescheurde wolkendek beschijnen en ons verlossen van de strijd, de oorlog en de schreeuw om wraak. Hij kan leven geven,  zelfs in het donkerste verdriet en de zwartste nacht. Alleen bij Hem kan ik mijn toevlucht nemen en echte vergeving vinden. Heer, laat me toch Uw gedachten denken en niet de mijne.

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.

Wat verlang ik?

verlanglijstToen ik de Cursus voor de tweede keer las kreeg ik de indruk dat ik er bij de eerste keer lezen weinig van begrepen had. Bij een derde herlezing overviel me hetzelfde gevoel. En zo ging het maar door. Dit is geen oproep om een Cursus-verslaafde te worden. Als het gezien wordt dan wordt het gezien maar de lezers die dat betreft zullen deze “waarschuwing” niet nodig hebben. Het langzaam duidelijker worden van de Cursus bij het telkens herlezen ervan illustreert slechts mijn aarzeling om de waarheid binnen te laten komen. Deze bereidwilligheid groeit bij mij kennelijk maar langzaam.

Hieraan moest ik denken toen ik die korte tweedelige herhalingsles van vandaag las (145). Het begint met WB 129: Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang. M’n eerste reactie is er een van mooi naïef verlangen. Oh, wat zou het toch heerlijk zijn als er eens wat minder ellende in de wereld was. Kunnen we niet gewoon wat liever tegen elkaar doen? Ik verlang naar vrede, gezondheid, veel ontspanning en lekker weer. Het is fijn dat iedereen bij Jezus mag komen. Niet alleen de Schriftgeleerden met theologische vragen. Nee, ook de zieken die beter willen worden, de tollenaars die zich schuldig voelen en wij als we gewoon wat minder ellende willen.

De les gaat verder (130): Het is onmogelijk twee werelden te zien. Mmm, ik meen toch duidelijk leuke dingen en minder fraaie zaken te zien. Oorlog en vrede, ziekte en gezondheid, ruzie en gezelligheid. Dit lijkt zich wel degelijk allemaal naast elkaar af te spelen. Als ik ’s avond wat zap op de tv dan ga ik van een gezellig kookprogramma naar een gewelddadige actiefilm. Ik meen dus wel degelijk een nare kant van de wereld te zien en een leukere kant.

Nu kan verdieping plaats vinden. Het verlangen dat genoemd wordt in 129 is niet zomaar een verlangen naar een verbetering van de fysieke wereld die ik meen te zien. Het is een oerverlangen, een herinnering aan diepe kennis betreffende mijn ware identiteit. Al mijn beperkte verlangens hier zijn reflecties van de herinnering aan eenheid en liefde. Omdat ik echter droom van een beperkt zelf ga ik op zoek naar de vervulling van dat oerverlangen op het verkeerde niveau. Ik zoek het in zekerheid, sensaties en macht. Dit zoeken op de verkeerde plek noemt de Cursus het aanbidden van afgoden. In de Bijbel zegt God: ge zult geen andere goden voor mijn aangezicht plaatsen. Is God dan echt jaloers in de betekenis die wij hieraan toekennen? Allerminst. We worden slechts aangemoedigd om onszelf niet tekort te doen, om verder te kijken. In T26 VII lezen we: 7Hier vraagt de Zoon van God niet te veel, maar veel te weinig. 8Hij zou zijn eigen identiteit en alles willen offeren om een kleine schat voor zichzelf te vinden. 9En dit kan hij niet doen zonder een gevoel van afzondering, verlies en eenzaamheid.

We richten ons verlangen op alle zaken die ons gevoel van afgescheidenheid niet bedreigen en liefst zelfs versterken. We willen ons bange, arme en zieke zelf vervangen door een dapper, rijk en gezond zelf. Dít zien wij als de wereld die we verlangen, als de wereld die we willen zien. Dit is waarvoor wij de felbegeerde wonderen van de Cursus wensen. Als we eerlijk naar binnen kijken zien we vooral egocentrische drijfveren. Dit is in de ogen van de Cursus slechts een kleine schat en in feite is het helemaal geen schat. Die kleine verlangens kunnen een weerspiegeling zijn van dat grote verlangen maar door ze op objecten binnen de droom te richten versterken we deze droom slechts. Dit is stiekem ook onze bedoeling van het aanbidden van afgoden.

Wat mogen we dan wel willen? Dat brengt me bij de titel van de werkboekles: Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God. Hier staat nogal wat. Al onze droomgedachten worden hier gediskwalificeerd. Niet slechts als “nare en negatieve gedachten” maar veel fundamenteler. Wat wij onze gedachten noemen zijn geen echte, scheppende gedachten. Herinner je les 4 maar eens: Deze gedachten betekenen niets. Hoe zouden gedachten over een niet bestaande droomwereld zelf wel betekenis kunnen hebben? Ze zijn van exact dezelfde orde; mismaaksels om onze illusie van afgescheidenheid in stand te kunnen houden. En hiermee willen wij ons naar de waarheid denken?

Er is uit deze situatie maar één uitweg. We moeten ons geloof in wat we menen te zien loslaten: ik bevrijd de wereld van al wat ik haar heb toegedacht (132). Ik zal geen waarde geven aan wat geen enkele waarde heeft (133). Er is afstemming nodig op een Kracht buiten ons. Overgave aan de God der liefde zodat ons ware Zelf ontsluierd kan worden. We dienen verlost te worden, niet door ons denken maar vanuit de scheppende kracht die ons erfgoed is. We mogen de verlossing voor onszelf aanvaarden (zie 140). Wat een opluchting. We mogen ontslag nemen als onze eigen leraar en stoppen met worstelen en vechten. Voor mij vergt dat tijd en herlezen van de Cursus. Niet omdat het zo moeilijk is of ingewikkeld. Maar omdat de majestueuze eenvoud, kracht en grenzeloze liefde me wat afschrikt. Gelukkig hoef ik niet te twijfelen omdat de uitkomst zo zeker is als God:

(131) Niemand kan falen die tot de waarheid tracht te komen.

Ontschuldigen

onschuldig

Tijdens een gezellige bijeenkomst met wat vrienden maakte op een gegeven moment iemand een grappig bedoelde opmerking die, in mijn beleving, ten koste ging van mij. Ik probeerde hierboven te staan en lachte een beetje mee als een boer met kiespijn. Dit voorval schoot me vanmorgen in gedachten en gewoonlijk betekent dit dat ik een les ben vergeten te leren. Zo’n les komt dan gewoon telkens weer voorbij, hetzij in ons zogenaamd echte leven hetzij als herinnering.

Bij de herinnering aan het voorval kreeg ik de Cursus weer in notendop voorgeschoteld. Er is geen rangorde in illusies en ik ervaarde die grappig bedoelde opmerking als een aanval. Dat voelde niet fijn en mijn eerste reactie was het doen van een vergevingsoefening om van dat nare gevoel van gekwetstheid af te komen. Hierbij lijkt het alsof ik al besefte dat die vriend van me weinig met het nare gevoel te maken had, maar deze conclusie is voorbarig. In feite was ik egocentrisch bezig om een gekwetstheid van mijn gevoelens te “genezen”. Terwijl ik zo op mezelf gericht was dacht ik niet direct meer aan de vriend. “Ik” meende pijn te hebben en “ik” wilde hiervan af.

Na enige tijd besefte ik dat ik me nog steeds slachtoffer voelde van de opmerking van de ander en slechts bezig was de vermeende schade te herstellen. Vervolgens richtte ik de aandacht op het ontschuldigen van deze broeder. Verstandelijk besefte ik dat hij me slechts een spiegel voorhield. Dit voorval vond plaats om mij een les te leren. Hierop volgde de klassieke ego-reactie. Tjonge Simon, wat een beginnersfout, natuurlijk betreft je vriend geen schuld, je bent zélf schuldig aan het ontstaan van dit nare gevoel! Het zwartepieten met schuld gevoelens was begonnen. Eerst voelde ik me dus slachtoffer van een denkbeeldige buitenwereld in de vorm van een ander en vervolgens keerde de geprojecteerde schuld naar me terug en vond ik mezelf een kluns. Hierbij kwam het “ik doe dit mezelf aan” in gedachten. Ook deze prachtige cursus-waarheid wordt door het ego echter aangevuld met een mismaaksel: “dus nu ben je zelf schuldig”.

Dit is zo’n geniepige versie van de ego-wet van behoud van schuld. Het maakt het ego niet uit of deze schuld “buiten” of “binnen” ligt; als deze maar fier overeind gehouden wordt. Iemand moet schuldig zijn; een ander of desnoods ikzelf. Maar het “ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie” gaat niet over echte schuld. De kerngedachte is juist dat er een vergissing is gemaakt door mij door in termen van schuld te gaan denken. Er is nooit sprake van schuld. Ik wil schuld hoe dan ook introduceren in de droom juist om….. me een afgescheiden ikje te kunnen blijven voelen. Het ultieme instrument hierbij is een misplaatst schuldgevoel. Bij de eerste nepgedachte die opkwam in de denkgeest (hé, er is sprake van een afgescheiden ikje dat zich los heeft weten te maken van God) ontstond een schuldgevoel. Een diep gevoel van gezondigd te hebben tegen de Eenheid, tegen God, tegen de Liefde. Het was te heftig om dit schuldgevoel in de denkgeest onder ogen te zien en dit vormde de oerknal waarin de schuld naar buiten gekotst werd in de vorm van een lichaam dat zich in het zichtbare universum bevindt.

Deze geprojecteerde schuld nam ik weliswaar eerst terug, niet mijn vriend maar ik zou schuldig zijn, maar daarmee ontkrachtte ik nog niet het geloof in de echtheid van deze schuld. Mijn geheime agenda is immers om de vermeende echtheid van schuld juist niet te willen kwijtraken. Dit terugnemen biedt echter wel de mogelijkheid om de sleutel uit les 141 te gebruiken (121): Vergeving is de sleutel tot geluk. Een luide vreugdekreet klinkt op als ik de schuld naar het licht breng en samen met Hem ernaar durf te kijken. Nu herinner ik me om weer te lachen: kijk Heer, ik geloofde zojuist in schuld! DIT IS NIET WAAR! Ik speel verstoppertje voor U in het paradijs maar het is niet nodig. U zoekt mij niet boos maar als een liefdevolle vader. In mijn spel ben ik weggekropen achter een donkere steen en bang geworden voor mijn eigen gedachten en verzinsels. Ik hoef echter slechts te stoppen met dit spelletje en dan biedt vergeving me alles wat ik wens (122).

Heer slechts uw gedachten van verbinding, eenheid en uiteindelijk die ene stralende gedachte van Liefde zijn echt. Heer spoel me schoon van verbeelde gedachten van aanval, zonde en schuld. Alles is in U en van U.

Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.

Totale vergeving

totale vergevingVergeving is volgens de Cursus het antwoord op alle conflict zoals we dat hier in onze droomwereld ervaren. Als we gewoon eens onbevangen naar dat woord “vergeven” kijken dan roept dat direct de volgende vragen op: wie of wat moeten we vergeven en hoe moeten we dat doen? Herkenbaar? We leren al snel dat het vergeven van de Cursus niet hetzelfde is als het vergeven zoals we dat gewend waren in de droom. Bij het klassieke vergeven vinden we dat iemand de fout is ingegaan en daardoor schuldig is maar we besluiten om dit zo goed en kwaad als het kan door de vingers te zien. Als dat min of meer lukt zijn we stiekem een beetje trots op onszelf en voelen we ons moreel verheven.

Het vergeven in de Cursus komt neer op het niet langer geloof hechten aan afgescheidenheid. Er is geen afgescheiden ander en een droomfiguur kan ons niets aandoen want er is ook geen afgescheiden “ons” en niets dat “gedaan” kan worden. De Cursus zegt het nog op een voor ons begrijpelijke duale wijze: je vergeeft de ander voor wat hij niet gedaan heeft. Dit is een prima manier om ons vastgeroeste klassieke denken alvast een beetje op te schudden.

Om stappen te maken in dat vergevingsproces moeten we wel beginnen waar we ons menen te bevinden. Dat kan een actuele situatie zijn met iemand die ons ogenschijnlijk dwarszit. Schoonmoeder die zich overal mee bemoeit, de partner die zijn rommel laat slingeren, de buurman die jouw mooie heg te ver heeft afgesnoeid en ga zo maar door. We hebben hierbij een duidelijke situatie hetgeen een prima gelegenheid is om de Heilige Geest uit te nodigen er samen met ons anders naar te kijken. Op een gegeven moment merken we dat er een bepaald patroon kan zijn waar we telkens tegen aanlopen. Aan de hand van zoiets als het stappenplan van Diederik Wolsak kunnen we op zoek gaan naar een kernovertuiging die we over onszelf koesteren. Sinds moeder ons vergeten was op te halen van school zijn we gaan geloven dat we niet de moeite waard waren en dat zelfbeeld achtervolgt ons de rest van ons droomleven. Voor menigeen werkt dit krachtig en worden doorbraken bereikt als dit negatieve zelfbeeld gecorrigeerd wordt door zoiets als “we zijn liefde”. Voor mij is dit niet echt de handigste weg. Ik verzand in een krampachtig zoeken naar oud zeer waarbij ik me afvraag of ik wel precies de meest krachtige kwestie te pakken heb en een vervelende bijwerking is dat ik onbedoeld een opvoeder of een ander uit het verleden ga beschuldigen. En áls ik dan het leidende negatieve zelfbeeld te pakken heb dan geeft vergeven hiervan zeker opluchting maar er blijven talloze momenten en situaties over waarbij het verband met de negatieve kernovertuiging niet direct evident is.

Zo werd ik vroeg in de ochtend wakker met een vaag gevoel van onbehagen. Niet dramatisch maar een beetje een vage cocktail van spijt, schuld en me zorgen maken over iets wat ik ook niet helemaal helder had. Wat nu? Een stappenplan? Wanneer voelde ik me ook precies zo toen ik een kind was? Langs deze lijn kan ik op zo’n moment helemaal niks.

Mij helpt het om steeds meer de algemene deler van al onze ingebeelde ellende te ontdekken: het geloof in afgescheidenheid. Het stellige geloof dat er een ikje is dat ergens mee worstelt en het moet overwinnen. Dat kan een actuele ruzie zijn, een opgediept negatief zelfbeeld of de vage negatieve stemming van dit moment. Wat we hierbij makkelijk over het hoofd zien is dat we geloven in een afgescheiden ikje die iets naars overkomt en aan de slag moet. Dáár ligt de kern van de kwestie van waar uit we ons afvragen wat we moeten doen. In alinea 1 van WB 139 wordt dit mooi omschreven:

3En wat is keuze anders dan onzekerheid omtrent wat we zijn? 4Er is geen twijfel die hierin niet geworteld is. 5Er is geen vraag die deze ene niet weerspiegelt. 6Er is geen conflict dat niet de ene, eenvoudige vraag behelst: ‘Wat ben ik?’

 In alinea 9 staat vervolgens:

We hebben een opdracht hier. 2We zijn niet gekomen om de dwaasheid te versterken waarin we ooit hebben geloofd. 3Laten we niet het doel vergeten dat we hebben aanvaard. 4Het is meer dan alleen ons geluk dat we zijn komen verwerven. 5Wat wij aanvaarden dat wij zijn, verkondigt wat iedereen, samen met ons, moet zijn.

De kwestie is dat we onbewust ons geloof in afgescheidenheid in de meest diepe en algemene zin wensen te blijven koesteren. Hiertoe hechten we geloof aan projecties zoals een boze buurman, een negatieve zelfovertuiging en aan de echtheid van vage gevoelens gebaseerd op schuld en angst. We kiezen ervoor om in de hel van de nachtmerrie te blijven. In les 138 werd de mogelijkheid om anders te kiezen krachtig geformuleerd:

5De Hemel is de beslissing die ik moet nemen. 6Ik neem die nu, en zal niet van gedachten veranderen, want het is het enige wat ik verlang.

 Het vergt eerlijkheid om te erkennen dat we heel raar bezig zijn als we volharden in het geloof van negatieve donkere gevoelens. Waartoe blijf ik roeren in een donkere soep als ik gewoon veilig in mijn bed lig? Dat is omdat ik schuldgevoelens onbewust koester om me maar “zondig” , afgescheiden, te kunnen blijven voelen. Dát is de reden dat ik niet uit eigen kracht welgemeend voor eenheid kies: ik wil geen eenheid, ik ben er bang voor en heb dan nog liever een boze droom.

Maar nu ik m’n verborgen agenda zie begrijp ik dat het raam open moet, dat het licht naar binnen mag stromen, dat ik niet bang hoef te zijn voor de liefde die ik ben. Ik laat me onderdompelen in deze liefde met de woorden van WB 139:

4Ik aanvaard de Verzoening voor mijzelf want ik blijf zoals God mij geschapen heeft.

Totale genezing

genezingKenmerkend voor onze verwarde toestand is dat we de neiging hebben om discussies te voeren over van alles en nog wat terwijl we hierbij ons uitgangspunt als vanzelfsprekend beschouwen. Bekend voorbeeld is de vraag hoe de afscheiding kon optreden ofwel hoe het ego kon ontstaan. Vanuit ons perspectief, dat we normaal en vanzelfsprekend vinden, is dit een heel normale en legitieme vraag. De werkelijkheid is echter radicaal en verpletterend. Ons ikje, dat zo nadenkend kijkt bij het stellen van deze vraag en zijn best doet een bevredigend antwoord te vinden, is onderdeel van de illusie. “Wij” zien dit over het hoofd en menen dat ons zo vertrouwde denken iets gaat verhelderen over dit ikje, ons ego. Maar de afscheiding heeft niet plaats gevonden, er bestaat geen afgescheiden ikje in een buitenwereld, tijd en ruimte bestaan niet, onze concepten hebben geen betekenis en het bouwen van een theorie over een ikje met behulp van deze concepten, die beperkt zijn door hun vorm, is een droom binnen de droom.

Iets dergelijks doen we ook als we vanuit onze identificatie met ons lichaam gaan nadenken over de vraag of het wonder zal leiden tot lichamelijke genezing. Vanuit ons droomperspectief is dit een erg belangrijke en échte vraag. Worden we lichamelijk echt beter als we de cursus goed doen? Als we iets beter kijken dan zien we dat het geen vraag is maar een stiekeme stelling. De stelling is namelijk als volgt:

Ik geloof dat ik een afgescheiden lichaam ben dat ziek of gezond kan zijn.

Zie je dat dit de aanname is? Dat je dit eerst moet geloven wil de vraag überhaupt belangrijk voor je zijn? Uitgaande van deze niet uitgesproken stelling gaan we vervolgens fantaseren met als verborgen hoop de genezing van dit niet bestaande droomlichaam. Vanuit de identificatie met het fysieke droomlichaam willen we iets met onze denkgeest doen zodat automatisch dit fysieke droomlichaam beter wordt en we gelukkig verder kunnen dromen. Voorstanders hiervan beweren dat genezing in de denkgeest namelijk altijd en automatisch tot (fysieke) genezing moet leiden. Dus wordt er bij lichamelijk lijden zwaar ingezet op allerlei cursusoefeningen, zoals vergeven, om een gezond lichaam te kunnen ervaren.

Is dit dan fout of zondig? Zeker niet, maar het is een verwarrende mix waarbij een poging wordt gedaan om God te laten optreden binnen de droom zodat de droom naar onze zin wordt. Direct schiet het ego dan door naar het tegenovergestelde; moet ik dan maar berusten in lichamelijk leed en mag ik niet verwachten dat de klachten verdwijnen als ik de cursus goed toepas?

Dit is een andere kant van dezelfde medaille. Nog steeds wordt er van uitgegaan dat we samenvallen met een afgescheiden lichaam met klachten en gevoelens maar deze keer vrezen we dat we maar moeten berusten in het lijden in deze toestand.

Samenvattend kunnen we zeggen dat we vanuit onze illusoire toestand ziekte en genezing zien als gebeurtenissen in ons fysieke droomlichaam. Dit blijft ons uitgangspunt, onze realiteit van waar uit we alles beoordelen.

De cursus spreekt over zaken als lichamelijkheid, ziekte en genezing op verschillende niveaus. Als we de kwestie aanvliegen vanuit de onbewuste overtuiging van de echtheid van onze afscheiding dan gaan we van de ene vergissing over op de andere. Wellicht helpt het om een iets abstracter, dus wezenlijker, standpunt in te nemen. Er is alleen eenheid. Hierin lijkt een vergissing ontstaan te zijn waarbij de Zoon van God (geschapen door- en één met de Vader) vergat te lachen, namelijk het idee dat de afscheiding heeft plaatsgevonden. “Lichamelijkheid” is elk geloof in een ikje met eigen waarnemingen, gedachten en gevoelens. “Ziekte” is de narigheid die we dan ervaren doordat we denken schuldig te zijn en gestraft te moeten worden door een droomwereld en een droomlichaam. “Genezing” is de bereidheid hebben om het geloof in afscheiding (in lichamelijkheid en ziekte) los te laten zodat op geheel natuurlijke wijze de Waarheid de plaats van ons bijgeloof kan innemen en genezing (van het geloof in afgescheidenheid) kan plaatsvinden.

In hoofdstuk 28 VII:5 staat het zo prachtig omschreven:

“Alleen zijn moet betekenen dat jij gescheiden bent, en als dat zo is, kun je niet anders dan ziek zijn”

Dit gaat veel verder dan ziekte in engere zin binnen de fysieke betekenis van onze droom. Hoe zouden we binnen onze droom genezing in engere zin, dus van onze maagzweer, kunnen verlangen als we nog volop geloven in de afscheiding van onze broeders? Als we menen afgescheiden te zijn van onze naasten dan vragen we onbewust om aangevallen te worden, zowel door onze broeders als door ons lichaam. Binnen de droom mogen we genezing stapje voor stapje leren. Zolang deze niet compleet is zullen we slechts inconsequente flarden van genezing zien als beelden in onze droom. Als ons vertrouwen-nu in de Heilige Geest toeneemt zullen de droombeelden van aanval en ziekte vervangen worden door droombeelden van vrede en genezing in afwachting van ontwaken door de laatste stap die gezet wordt door God. Heerlijk, niks mis mee en laten we ons verheugen. Maar de focus ligt niet op het fiksen van droombeelden maar op het vergeven van ons geloof in afscheiding. Wat wij ervaren als aanvallen van broeders of aanval van een zieklichaam kunnen we zien als wake-up-calls. Hé, ik geloof nog in lichamelijkheid! Heer, hier ben ik, ik ben niet in vrede dus ik vergis me. Ik wens deze valse getuigen niet te geloven en wil luisteren naar getuigen van Uw Stem. Ik wil niet langer geloven vanuit een beperkt standpunt van een ikje dat ziek is en genezen wenst te worden terwijl ik onverschillig of zelfs vijandig verkies te blijven tegenover denkbeeldige anderen. Ik kies voor U, voor totale genezing van alle droombeelden opdat de eenheid van het Zoonschap weer herinnerd mag worden. Heer, hier ben ik, doe Uw Wil door- en in mij!

WB 137: Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen.

Het ego en ik

the devil made me do itIn de stukjes die ik schrijf spreek ik met regelmaat over het “ikje”. Dit is een term die nergens in de Cursus voorkomt. Het betreft het geloof in het nietig en dwaas idee van afscheiding, het geloof in een illusoire nepidentiteit die zich beweegt in denkbeeldige tijd en ruimte en hierbij in gevecht is met nare ervaringen en zogenaamde andere personen. In mijn beleving sluit de term “ikje” strak aan bij mijn ervaring in de droomwereld, zowel op gevoels- als op gedachten- en gedragsniveau. Zo kan ik schrijven dat dit ikje worstelt om terug naar huis te gaan, om eenheid te ervaren of dat dit ikje in feite bang is voor het binnen laten van de liefde die we in werkelijkheid zijn.

De cursus spreekt ons aan als “jij” (“you”, in het Engels). Bijvoorbeeld in de volgende zin: “Jij en je broeder staan nu voor Hem, om Hem de sluier weg te laten trekken die jullie van elkaar gescheiden lijkt te houden” (T25, I,4-6). Hier is dus duidelijk sprake van dat ikje met zijn geloof in afgescheidenheid. Iets hiervoor (4-1) wordt diezelfde “jij” geadresseerd in zijn volledige allure als de Zoon van God; “Jij bent voor God het middel, niet afgescheiden, en evenmin met een leven afzonderlijk van het Zijne”.

Ken Wapnick, een interpreet van de Cursus, stelt deze “jij” min of meer gelijk aan de term decision-maker (beslissing-nemer). Hoewel dit, net zomin als ikje, geen cursus-term is, blijkt deze term enorm behulpzaam in het binnen laten komen van de cursus. Toch zijn er andere cursusleraren die Ken het introduceren van deze term verwijten, juist omdat deze niet expliciet genoemd wordt in de cursus. Zij vinden het fijner om slechts te spreken over de Zoon van God in zijn glorie versus de Zoon van God (na de “zondeval”) die is gaan geloven in een nietig dwaas idee van afscheiding. In bovenstaande citaten blijkt echter hoe bruikbaar de term “beslissing-nemer”is. De jij die meent als afgescheiden ikje naast een broeder te staan kan gezien worden als de keuze om naar het idee van afgescheidenheid (het ego) te luisteren en je daarmee gelijk te stellen. Die tweede “jij” in de allure van Gods Zoon is de situatie waarbij de beslissing-nemer luistert naar de Stem van de Heilige Geest.

Soms krijg ik als reactie op mijn stukjes de opmerking dat de nare zaken als projectie en identificatie niet door mij toegeschreven dienen te worden aan het ikje (de “jij” van de cursus) maar juist aan het ego zodat we die keuzemaker (een term die dus dicht bij “Zoon van God “komt) mooi vrij en zondeloos houden. Zo wordt er gesteld dat een Zoon van God niet projecteert maar dat het ego dit doet. Volgt u het nog?

Hierover zijn een aantal dingen te zeggen. Eerst in algemene zin. Zelfs onze geliefde Cursus kan niet anders dan zich van woorden bedienen. Woorden zijn symbolen van symbolen, indirecte verwijzingen die we binnen de droom gebruiken om te verwijzen naar een waarheid die niet in tijd, ruimte, concepten is uit te drukken. Dit neemt niet weg dat we niet moeten streven naar zorgvuldigheid en moeten proberen verwarring door slordig woordgebruik te vermijden. Zelfde Ken Wapnick wijst er op dat de Cursus zelf niet 100% consequent is in het gebruik van termen en begrippen en dat Jezus het doel (ons helpen) stelt boven een zogenaamd consequent gebruik van termen. Ergens in de cursus staat ook dat wie de intentie heeft om gaten te schieten in de Cursus daar altijd wel passages bij kan vinden.

Dan voor wat betreft het onderscheid dat sommige gewaardeerde broeders in de Facebook groep graag willen maken tussen het ego en de “jij” die al dan niet kan kiezen om te luisteren naar dat ego of naar de Heilige Geest. Het kan zuiver lijken om te kiezen voor die neutrale versie van “jij” die dan erg dicht vin de buurt komt van de neutrale beslissing-nemer. Het wordt dan bijvoorbeeld het ego dat projecteert en niet jij. De suggestie dat we als Zoon van God zouden kunnen projecteren is dan helemaal uit den boze. Maar lees eens in T27 VIII:6): “Laten we de droom hij heeft weggegeven teruggeven aan de dromer, die de droom ziet als iets los van hem dat hem is aangedaan. In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon vergat te lachen”.

Dit is exact de moeite die ik heb om nare zaken als projectie en identificatie toe te schrijven aan het ego. Want wat gebeurt er dan o zo makkelijk? We lijken het ego op te splitsen in twee delen; één deel is het slechte ego dat ons erin probeert te luizen. Een soort equivalent van “the devil made me do it”. Het tweede deel van het ego is dan een zinnig en slim deel dat kan beoordelen wanneer het eerste deel in de fout gaat of niet. Te gemakkelijk denken “we” dan dat wij, zoals we hier gezellig zitten te denken en te doorvoelen, die zogenaamde beslissing-nemer zijn, de “jij” uit de Cursus, de Zoon van God. Helaas, nee dus. Er heeft niet meer dan een schijnbare afsplitsing plaats waarbij een goed ikje een slecht ikje “ego” noemt en zich hiermee vrij probeert te pleiten.

We zien dit te vaak gebeuren waarbij we besluiten om van ons nare ego af te komen en menen te kunnen beoordelen hoe ver we hierin gevorderd zijn. Maar onze gedachten en conclusies betekenen niets. Als wij menen met ons verstand te kunnen onderscheiden wat ego is en wat niet dan foppen we ons volledig duale droom-zelf.

We kunnen niet vechten tegen een ego buiten ons. Het is een nietig dwaas idee waarom wij, als Zoon van God, vergaten te lachen. Wij hebben het gemaakt, niet geschapen, dus is het niet echt. Maar het is wél ons (nep-)maaksel, met ons verbonden en van ons afhankelijk. Het is niet iets buiten ons, een duiveltje waar we slachtoffer van zouden zijn. We moeten 100% verantwoordelijkheid nemen voor ons geloof in ego, projectie, identificatie en alle droomellende die hiermee samenhangt. Het ego zien als iets wat los van “ons” staat is de zoveelste poging tot dissociatie en afscheiding. We worden constant uitgenodigd door een deel van onze denkgeest waarin de waarheid levend wordt gehouden, de Heilige Geest. Laten we hier al onze projecties naar toe brengen ter vergeving. Als illustratie van deze eenheid volgend citaat uit T25-I

  1. Omdat jij gelooft dat je afgescheiden bent, doet de Hemel zich eveneens als afgescheiden aan jou voor. 2Niet dat dit in waarheid zo is, maar opdat de schakel die jou is gegeven om je met de waarheid te verbinden jou bereiken kan door middel van wat jij begrijpt. 3Vader, Zoon en Heilige Geest zijn Eén, zoals al jouw broeders zich als één in de waarheid verbinden. 4Christus en Zijn Vader zijn nooit afgescheiden geweest, en Christus verblijft in jouw inzicht, in dat deel van jou dat Zijn Vaders Wil deelt. 5De Heilige Geest verbindt het andere deel – het nietig, dwaas verlangen om afgescheiden, verschillend en speciaal te zijn – met de Christus, om de eenheid duidelijk te maken aan wat in werkelijkheid één is. 6In deze wereld wordt dit niet begrepen, maar kan het wel worden onderwezen.
  2. De Heilige Geest dient het doel van Christus in jouw denkgeest, zodat het doel van speciaalheid dáár kan worden gecorrigeerd waar de vergissing ligt. 2Doordat Zijn doel nog steeds één is met zowel de Vader als de Zoon, kent Hij de Wil van God en wat jij werkelijk wilt. 3Dit wordt slechts begrepen door een denkgeest die als één wordt gezien, beseft dat hij één is, en ook zo wordt ervaren.4Het is de functie van de Heilige Geest jou te leren hoe deze eenheid ervaren wordt, wat jou te doen staat om dit te kunnen ervaren, en waarheen je moet gaan om dat te doen.
  3. Dit alles neemt notitie van tijd en plaats alsof dat losstaande zaken waren, want zolang jij denkt dat een deel van jou afgescheiden is, heeft het denkbeeld van een Eenheid die als Eén verbonden is, geen betekenis. 2Het is duidelijk dat een denkgeest die zo gespleten is, nooit als Leraar een Eenheid kan onderwijzen die alle dingen verenigt in Zichzelf. 3En dus moet Wat in deze denkgeest aanwezig is, en alle dingen daadwerkelijk met elkaar verenigt, wel zijn Leraar zijn. 4Maar Het moet wel gebruikmaken van de taal die deze denkgeest begrijpen kan, in de toestand waarin die denkt te verkeren. 5En Het moet al het leren gebruiken om illusies naar de waarheid over te brengen, door alle valse ideeën omtrent wat jij bent weg te nemen, en je eraan voorbij te leiden naar de waarheid die daar achter aanwezig is. 6Dit alles kan heel eenvoudig tot het volgende worden herleid:

7Wat hetzelfde is kan niet verschillend zijn, en wat één is kan geen gescheiden delen hebben.

Mijn geheime mindfulness-agenda

meditatie kaars“Gewoon rustig zitten en kijken wat er in bewustzijn verschijnt’. Klinkt dit bekend? Veel spirituele stromingen geven dit advies. Een variant hiervan is in het westen populair geworden in de vorm van mindfulness. Ik heb ook menigmaal tijdens retraites glazig zitten kijken naar een kaarsje of een mooie bos bloemen en ook ik heb met veel aandacht tijdens de eerste mindfulness-les op een rozijn zitten kauwen zodat ik alle sensaties onbevooroordeeld binnen kon laten komen. Het is fijn om zo met aandacht gewaar te zijn van alles wat zich aandient en hier is helemaal niks mis mee. Maar het ego zou het ego niet zijn als het deze fijne oefening zou gebruiken om ons wijs te maken dat deze ons een soort uiteindelijke climax gaat bieden, een duurzame ervaring van de hemel.

Gewoon stilstaan bij wat zich aandient helpt om de storm in ons hoofd wat tot bedaren te brengen. De windstilte die zich aandient is weldadig en helpt ons tot rust te komen binnen de turbulente droom die we leven. Mogelijk is dit voor sommigen genoeg om, zoals de Cursus zegt en zelf ook doet, ons af te leveren tot vlak vóór de hemelpoort van waaruit God die laatste denkbeeldige stap zet. Er zijn geen stappen, er is geen pad en geen ladder maar het lijkt op een soort voorsorteren binnen de droom waardoor de kans lijkt toe te nemen dat we doorkrijgen dat dit allemaal nergens op slaat en dat we al lang wakker zijn.

Laat ik voor mezelf spreken als ik erken dat deze “methode” mij een droom oplevert waarin een ikje zit te loeren naar wat het allemaal kan zien gebeuren met de stiekeme hoop op een soort uiteindelijke climax. Alle duale kenmerken van proberen, wachten, hopen, een betere toekomst, oefenen, proberen, speciale ervaring, tijd enzovoort zijn undercover gegaan maar wel degelijk aanwezig. Deze overwegingen kwamen naar boven bij het lezen van de werkboeklessen van gisteren en vandaag. Gisteren las ik (128) De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang. Daarin las ik bijvoorbeeld: Alle dingen die jij zoekt om je waarde in je eigen ogen groter te maken, beperken jou verder, verbergen je waarde voor je en voegen nog een grendel toe aan de deur die tot bewustzijn van jouw Zelf leidt. Ai, ai ,ai. Dat is nog steeds wat ik heimelijk doe met dat loeren naar alles wat in bewustzijn verschijnt. Het is m’n geheime agenda. Nog steeds is er sprake van een ikje dat binnen de droomwereld zoekt naar een speciale ervaring. Dit is niet waar ontwaken over gaat.

Mij helpt het om me te herinneren dat de wereld niet een toevallig gegeven is waarin we ons aantreffen als wezentjes die geloven in afscheiding. Dit lijkt namelijk de aanname te zijn die de basis vormt voor de blijf-maar-rustig-kijken methode. Op een geven moment zou je je eenheid realiseren met wat je ziet. Nogmaals, hieraan is niks fout of stoms maar voor mij houdt het op subtiele wijze de illusie in stand dat ik een slachtoffer ben van de wereld die ik zie. Ik voel me gevangen in een illusie waar ik niet om gevraagd heb en waar ik van af wil.

De Cursus opent ons de ogen en legt uit dat wij ons niet als door God geschapen mensjes bevinden in een wereld die eveneens door God geschapen is en waarin wij onze weg terug naar het paradijs moeten zoeken en kunnen vinden. Ze wijst ons op iets bijzonders dat ons wereldbeeld danig kan verstoren en ook de manier waarop we naar de wereld kijken. God heeft geen begrensde en zichtbare wereld geschapen. De Zoon van God, wij dus, droomt van een zichtbare wereld. Hier zit een intentie achter; we dromen de wereld die we zien juist met als doel om de illusie van afgescheidenheid te koesteren. Dit is een radicaal inzicht dat invloed heeft op de manier waarop ik die mindfulness-achtige oefeningen beleef.

Zoals gezegd was er eerst het geloof dat een ikje zonder oordeel moet gaan kijken naar de wereld die zich aandient om zichzelf op te lossen. Maar nu wordt duidelijk dat het ikje voor zijn illusoire bestaan juist afhangt van het geloof in eigen projectie. Anders gezegd: er zit een intentie achter het projecteren van allerlei nepbeelden van een afgescheiden wereld met allerlei vormpjes, namelijk het doel om de illusie van een loerend en afgescheiden ikje in stand te houden.

Nu kan een glimlach doorbreken bij elke sensatie die we waarnemen. Nu zijn we niet langer slachtoffer van de wereld die we zien maar nemen we 100% verantwoordelijkheid voor onze projecties en doorzien we de intentie om deze te geloven omdat we onze afgescheidenheid willen vasthouden en koesteren. Dit geeft mij rust en een liefdevolle respons op m’n gespartel waarbij ik ook deze oefening ter vergeving mag aanbieden. Ook biedt het me de bereidheid om Hulp te vragen en me over te geven aan Hem. En zo eindig ik bij les 129: Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang:

4. Communicatie, ondubbelzinnig en kristalhelder, blijft voor alle eeuwigheid onbegrensd. 2En God Zelf spreekt tot Zijn Zoon, zoals Zijn Zoon tot Hem spreekt. 3Hun taal heeft geen woorden, want wat Zij zeggen kan niet in symbolen worden uitgedrukt. 4Hun kennis is direct en volledig gedeeld en volledig één. 5Hoe ver ben jij, die aan deze wereld gebonden blijft, hiervan verwijderd. 6En toch, hoe dicht ben jij erbij, wanneer je die ruilt voor de wereld die je verlangt.

 

 

Echte liefde

real loveVandaag nog zo’n les (127) die het predicaat ‘totaal anders’ verdient: Er is geen liefde dan die van God. Gewoonlijk zijn we bereid ons eigen begrip van wat liefde is een beetje op te rekken bij het lezen van deze les. Zo van: oh ja, we moeten ons best doen om iedereen lief te gaan hebben en we moeten wat minder voorwaarden verbinden aan onze liefde. Dit is zeker een goed begin maar we mogen dieper duiken, veel dieper. Reeds in de eerste werkboeklessen leren we dat we zelf alle betekenis hebben gegeven aan de dingen die we buiten onszelf menen te zien en ook aan onze gedachten. Daarin worden we ook zo stevig gecorrigeerd als we lezen dat niets wat we menen te zien of te denken iets betekent. Onbewust houden we vast dat we wel degelijk allerlei verschillende zaken zien en dat het toch nog wel íets zal betekenen.

Als we naar andere mensen kijken dan beginnen we een beetje te leren dat we ze niet moeten verdelen in leuke en slechte mensen. De Cursus haalt echter het hele beeld van “anderen” omver. Er zijn geen anderen. Er is één Zoon van God die zichzelf opdeelt, op-denkt zou ik willen zeggen, in stukjes. Hetzelfde geldt voor situaties die ons lijken te overkomen. We denken dat we moeten leren omgaan met slechte situaties. Er is echter geen sprake van een ikje dat iets meemaakt. Er zijn geen situaties maar er is alleen een droom over situaties. Als laatste voorbeeld een bijzondere situatie; ons lichaam. In onze optiek kan dit gezond zijn of ziek. Deze begrippen verwijzen echter naar het geloof in afgescheidenheid binnen de denkgeest versus het besef van heelheid. Er zijn helemaal geen lichamen; noch ziek noch gezond.

Hierboven wordt een poging gedaan iets te duiden van de niveau-I werkelijkheid. Wij hechten nu echter geloof aan de afscheiding en nemen de droom, niveau-II, serieus. Als we op eigen illusoire kracht dingen gaan proberen te verbeteren (situatie veranderen, liefdevoller proberen te doen, onze lichamelijke ziekte aanpakken) dan is dat schuldeloos, maar wel een vergissing die wordt geduid als een magische poging. De kwaliteit van dit alles verandert dramatisch als we ons vanuit niveau-II durven over te geven aan de leiding van ons innerlijke Zelf, het luisteren naar de Stem van de Heilige Geest. Dan kunnen we binnen niveau-II afspiegelingen van de hemel gaan waarnemen: ware waarneming, de heilige relatie, een probleemloos lichaam als communicatiemiddel. Hoewel er in werkelijkheid geen gradaties in vergissingen en wonderen zijn voelt het binnen onze illusie als een “afgeleverd worden tot vlak voor de hemelpoort”. Meer dan dit kan de Cursus niet doen en God zet de laatste stap. Anders gezegd; vanuit onze ware Zelf herinneren we dan onze ware Identiteit. Hier kunnen we ons geen voorstelling van maken.

Terug naar waar de vergissing, die nooit werkelijk is geweest, is begonnen. Vanuit onze paradijselijke eenheid vatten we het rare idee op dat die ene vrucht waar we niet aan mochten komen mooier was dan alle anderen. We gingen de nepwereld beoordelen en kregen een voorkeur. Na het eten was de illusie van afgescheidenheid ons bewustzijn binnengeslopen en voelden we ons naakt en kwetsbaar, lees: afgescheiden. De Cursus leert ons niet alleen om te stoppen met het maken van onderscheid tussen verschillende “vormen”. Ze leert ons dat lichamelijkheid in de breedste zin van het woord, dat betekent dus elk geloof in grenzen, onzin is. Ze nodigt ons uit om het aangezicht van God weer te zoeken en ons niet langer in het paradijs te verstoppen.

De neiging kan ontstaan om alles wat we menen te zien en mee te maken te ontkennen door ons in een nog kleiner bunkertje van afgescheidenheid en onverschilligheid terug te trekken. Dit werkt averechts en vergroot de angst. De uitnodiging is om de liefdevolle weg van zegenen, omarmen en verbinden te volgen. Niet vanuit een betweterig klein en teruggetrokken zelfje. Maar vanuit vertrouwen en het openen van de armen in een omarming van alles en iedereen.

Ik zegen jou, broeder, met de Liefde van God, die ik met jou delen wil. Want ik wil de vreugdevolle les leren dat er geen liefde is dan die van God, van jou, van mij, van iedereen.

Het is zó anders..

De-Wijsheid-van-het-Hart-spreukJezus richt zich in de Cursus tot ons terwijl we dromen. Hij is wakker en wij slapen. We kunnen ons dat verschil tussen de werkelijkheid die Hij ziet en de droom die wij menen te zien niet voorstellen. Het is zó anders.. Dit neemt niet weg dat we dit toch constant proberen te doen. Een paar voorbeelden uit les 126. Het schijnt ons toe dat andere mensen los van ons staan. Aan dit beeld hechten wij in onze droomtoestand erg veel geloof. Vanuit de veilige omgeving van mijn eigen huis ervaar ik soms momenten waarin ik iets van de innige verbondenheid met anderen ervaar. Maar als ik er dan op uit ga en zogenaamde vreemden ontmoet dan lijkt er een automatisme op te treden dat de afstand tussen mezelf en denkbeeldige anderen groter en vanzelfsprekend maakt. Ik geloof dat ik die ander niet ken en dat gereserveerdheid en zelfs preventieve achterdocht op hun plaats zijn. Dat is toch normaal? Je weet toch nooit wat die ander van plan is? Verder met les 126: wij denken dat zij kunnen zondigen zonder onze waarneming van onszelf te beïnvloeden, terwijl wij hun zonde kunnen beoordelen en toch buiten veroordeling en in vrede kunnen blijven.

In onze droomwereld stappen we vrolijk rond en zien de zogenaamde anderen op afstand van ons. Natuurlijk zijn we zelfs in onze droomtoestand niet helemaal doof voor de woorden uit de Cursus dus sleutelen we goedbedoeld aan onze al te heftige aanvalsgedachten. Vanuit een algemeen geaccepteerd moreel gevoel willen we niet te agressief zijn, geen ruzie ervaren en leren we dat roddelen niet netjes is. We proberen de duale interpretatie van Jezus’s woorden “heb uw naasten lief” zo goed en kwaad als het kan te benaderen. Meer kunnen we toch niet doen? Het is opvallend dat reeds in de Bijbel nog iets toegevoegd wordt aan dat liefhebben van onze naasten. Er staat in Marcus 12:30 (voor de volledigheid geef ik even de hele prachtige passage):

En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.

Gewoonlijk lezen we het “als uzelven” met onze dualistische droomhersenen. We maken er dan van dat we vanzelfsprekend goed voor onszelf zorgen en het beste met onszelf voorhebben en dat we ernaar moeten streven anderen ook deze fijne privileges te gunnen. Zoals Jezus het vanuit ontwaakte toestand ziet, gaat het echter zoveel verder dan dat. Het is zo enorm anders dan onze duale versie.

Alles wat we menen waar te nemen zoals ruimte, tijd en een wereld “buiten” ons met andere mensen, is niet waar. Het is er gewoon niet. Het is een droombeeld binnen de denkgeest die we zijn. Vanuit de oneindige grenzeloze liefde die we wel zijn, en die Jezus samen met ons is, maken we hemel, aarde en denkbeeldige anderen. De cursus maakt onderscheid tussen de woorden “maken” en ”scheppen”. God (liefde) schept en wat Hij schept is écht. Dit scheppen is een onvoorstelbaar non-duaal uitbreiden waarbij wij als Zijn Zonen zijn ontstaan en tóch één blijven met Hem. Dat was ons echter niet genoeg en wij gingen maken. Wij maakten dus een nepwereld in ruimte en tijd en met dingen die ons lijken te overkomen zoals andere mensen. Dit maaksel van ons is een hel waarin denkbeeldig lijden en een denkbeeldige dood echt lijken. Het geeft ons de illusie van afgescheidenheid en hier zijn we, ondanks alle ellende, dol op.

Al ons duale gespartel, zelfs als we proberen lief te doen tegen anderen, gaat uit van de echtheid van deze droom. Vanuit wakkere toestand herhaalt Jezus met eindeloos geduld en liefde dat we slechts kijken naar de beelden die we zelf hebben bedacht. Er overkomt ons helemaal niks want we dromen maar dat we een afgescheiden lichaam zijn dat iets kan overkomen. We kijkt slechts naar maaksels van onszelf. Hoe dan “terug”? Wij als illusoire poppetjes durven vanuit ons denkbeeldige zelf het geloof in nepgrenzen tussen onszelf en anderen niet meer los te laten. We geven denkbeeldige anderen macht om ons geloof in slachtofferschap te versterken. We willen ons onbewust afgescheiden voelen. Dit proces kan omgekeerd worden. Maar hoe? Door oog te krijgen, gevoel te krijgen voor het “Al wat ik geef, is aan mezelf gegeven”. Voel hoe het oordeel dat je over een denkbeeldige ander je denkbeeldige grens versterkt en je vrede verstoort, zelfs als je meent je gelijk te halen. Want zodra je dit leert zien en voelen kun je gaan experimenteren met overgave aan de Eenheid. Dat zal je namelijk weer visie bieden, ware waarneming, en het gevoel van diepe vrede dat hieruit oprijst leert je dat dit de enige echte “weg” is. Het is ten diepste geen weg maar een ware herinnering. Je bent niet afgescheiden en de Stem die ons middels droombroeder Jezus bereikt is de Stem die we met Hem delen, met de Vader aan wie alles mag worden terug gegeven.

Al wat ik geef, is aan mijzelf gegeven. De Hulp die ik nodig heb om te leren dat dit waar is, vergezelt mij nu. En in Hem zal ik mijn vertrouwen stellen.