De azijnpisser en het feestbeest

waarheid en liefdeIk zie twee manieren waarop ik kan reageren op de non-duale visie zoals deze wordt verwoord in de Cursus maar ook in andere waardevolle boeken. Dezelfde manieren van reageren meen ik te zien bij andere broeders en zusters maar dat is niet zo gek als ik me herinner wat projectie met me kan doen. Hier komen ze:

  1. De azijnpisser. De azijnpisser in een slimme jongen die de boodschap van de Cursus snel verstandelijk begrijpt. Hij weet dat de non-duale visie gewoonweg klopt en hij is in staat om in elke situatie en in elk gesprek haarfijn aan te geven welke duale component hierin nog als verontreiniging aanwezig is. De azijnpisser is een ware vertegenwoordiger van het non-duale gedachtengoed en hij grijpt liefst terug op waarheden die zo direct mogelijk de non-duale Niveau-I werkelijkheid weergeven. “Alles is één, er is geen lichaam, er is geen ander, er is geen onderscheid, ik ben één met God”.
    De azijnpisser ervaart in zijn hoofd de helderheid van de Niveau-I waarheid en kan zich daar enkele jaren heerlijk in uitleven. Er valt nauwelijks met hem te praten want elke dwaling wordt direct in de kiem gesmoord. Een valkuil voor de azijnpisser is dat hij zich superieur gaat voelen aan anderen die het nog niet door hebben. Getergd ziet hij hun onware opvattingen en uitspraken aan en hij is niet te beroerd om deze haarfijn te fileren en naar het rijk van duale fabeltjes te verwijzen. Hij weet zo goed wat wáár en wat onwaar is. Maar nadat de azijnpisser al het onkruid heeft gewied en alle tegenspraak getackeld staat hij met rokende pistolen in een dorre vlakte waar alle leven en sjeu uit verdwenen lijkt te zijn. Maar dat geeft niet want er is toch geen ikje dat er enig plezier aan zou kunnen beleven.
  2. Het feestbeest. Het feestbeest is wellicht wat minder belezen dan de azijnpisser maar voelt al snel aan dat liefde zowel middel als doel is. Ze heeft weinig zin om haar inzicht te onderbouwen met Cursus-teksten en roept al snel dat iedereen liefde is en dat ze zelf het licht gezien heeft toen ze vanuit liefde ging leven. Haar optimisme is grenzeloos en ze bruist van energie. Ze staat te popelen om zich op niveau II helemaal te ontplooien. Ze twijfelt geen moment en ziet zichzelf nu als vreugdevolle leraar die andere met liefde wil leren hoe deze ook uit liefde kunnen gaan leven, in hun flow moeten gaan staan, alle knellende banden moeten afwerpen, voor zichzelf moeten beginnen en ga zo maar door. Ze grabbelt wat teksten uit de Cursus bij elkaar die haar blijde boodschap kracht kunnen bijzetten en ziet zichzelf, tot grote ergernis van de azijnpisser, als expert en leraar van de Cursus. Haar boodschap is gewoonlijk populairder dan die van de azijnpisser en ze trekt met haar enthousiasme en vrolijke koppie natuurlijk snel volgelingen aan die net zo happie de peppie en succesvol willen worden als zij is. Toch houdt deze vrolijke Fransje het niet eindeloos vol. Tegenslagen blijven helaas toch komen en haar volgelingen die zo euforisch waren tijdens de workshops, 10-daagsen, wandelsessies enzovoorts raken op haar uitgekeken en shoppen verder. Gelukkig zijn er genoeg nieuwe volgelingen die nu nog treurig zijn en even willen meeliften op haar optimisme en goed humeur. Alles is liefde en we gaan ervoor.

Ik zie beide neigingen in mezelf. Natuurlijk is de scheiding tussen deze twee reacties niet zo absoluut als bovenstaande beschrijving doet vermoeden. In een vorige blog schreef ik over twee boeken die mij inspireren; Een cursus in wonderen (ACIM van A course in mirracles) en een cursus in Liefde (ACOL van A course of Love) . De azijnpisser in me is vooral dol op ACIM en het feestbeest op ACOL. Iedereen reageert overigens anders op wat hij of zij leest en ik zie bijvoorbeeld op ACIM zowel reactie 1 als 2 als mengvormen hiervan. Dit zegt niks over deze boeken zelf! Onze ego-programmering leert ons dat we moeten kiezen. Het is óf ACIM óf ACOL, het moet kloppen voor je verstand of voor je hart, het is waarheid of liefde, het is goed of fout, het is authentiek en afkomstig van Jezus of het is plagiaat en mensenwerk.

Er wordt ons een mooie uitnodig gedaan en dat is om te kijken wat de vruchten zijn van je gedachten, van je stellige geloof. Natuurlijk mogen alle gevoelens er zijn en hoeven we hierin niet te sturen of te streven naar een plastic glimlach die niet van onze lippen wijkt. Wellicht is het beter om ook geen momentopnames te willen maken maar, lekker duaal, te doorvoelen welke “kant” het met “je” opgaat. Ben je een verbeten gevecht aan het voeren tegen illusies? Raak je moedeloos en gedeprimeerd? Lees je anderen met een glimlach maar innerlijk verbeten de les? Voelt de weg als een zware verantwoordelijkheid en wil je het perse tot een goed einde brengen?

Of groeit er vrede, mededogen, zachtheid, geduld en bovenal vrede in je? Zie je dat je zachter wordt, dat je durft los te laten en te vertrouwen, dat je minder geneigd bent om wel eventjes uit te leggen hoe het zogenaamd écht zit? Kun je genieten van hoe de nachtmerrie eerst verandert in een gelukkige droom? Kun je hiervan genieten terwijl je toch beseft dat het nog steeds een droom is omdat je weet dat deze droom steeds meer een liefde en werkelijkheid weerspiegelt die steeds meer alles doordringt en doorschijnt wat er in de droom lijkt te gebeuren? Geniet dan zonder moeite samen met mij van de wijsheid in de werkboekles van vandaag:

LES 211

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

(191) Ik ben de heilige Zoon van God Zelf. In stilte en in ware nederigheid zoek ik Gods glorie, om die te aanschouwen in de Zoon die Hij geschapen heeft als mijn Zelf

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

Advertenties

Verstand en gevoel, ACIM en ACOL

verstand en gevoel

Afgelopen maanden herlas ik A Course of Love (ACOL), opgeschreven door Mari Perron. Net als Helen Schucman met A Course in Miracles (ACIM) geeft Mari aan dat ze in ACOL de woorden van Jezus doorgeeft. ACOL wordt weleens gezien als het vervolg op ACIM maar dit geeft onnodig verwarring. Als je spreekt over een “vervolg” dan wek je de suggestie dat ACIM nog niet helemaal “af” was of, met andere woorden, dat het onvolledig is. In feite kunnen we in de houding die we aannemen ten opzichte van ACOL onze klassieke ego-trekjes herkennen. Zoals gebeurd is met alle zogenaamd heilige geschriften kunnen we menen dat we ACIM als enige waarheid moeten verdedigen. Dit zou het ultieme woord van Jezus zijn en dus is alles wat erna komt onnodig en onecht. Een ander trekje van het ego is dat het eindeloos wil blijven leren. Dit wordt overigens haarfijn uitgelegd in ACOL. Via die ego-route kom je bij de “on-af-theorie” terecht. ACIM zou ons een stukje op weg hebben geholpen maar we zijn er nog niet en moeten nog wat verder studeren. Voilà ACOL.

Zo is het echter niet. In ACOL wordt aangegeven dat het ons wil helpen om via “the mind” te komen tot “the heart” in een verbinding die wordt aangegeven als “wholeheartedness”. Slechts het eerste deel van ACOL is vertaald in het Nederlands en ik ben geen gekwalificeerd vertaler maar ik neem de vrijheid om het in eigen woorden uit te proberen te drukken. In de kritiek die men uit op ACIM stelt men dat deze cursus te mentaal is en je naar het hoofd trekt. Vanuit deze invalshoek lijkt ACOL een soort correctie die meer recht doet aan de taal van het hart. Toch doet deze kritiek de cursus (ACIM) zwaar tekort. Dat laat zich simpel illustreren met de werkboekles van vandaag (209-189): Ik voel de Liefde van God nu in mij. Hoezo verstandelijk en liefdeloos? Door een duaal brilletje bekeken zou dan ACOL vooral heel gevoelsmatig en liefdevol zijn. Hiervoor geldt echter dat het ook bijna 700 bladzijden dik is en ook niet bepaald een pageturner is die je even onnadenkend kunt doorbladeren.

In mijn beleving vullen ACIM en ACOL elkaar prachtig aan. Ik sta mezelf toe om hier niet-wetenschappelijk maar intuïtief over te schrijven. Ik merk en voel dat degene die in ACOL aan het woord is dezelfde is als onze broeder in ACIM. Ook hier spreekt Jezus met een zachte autoriteit. Hoe moet ik dan ACOL duiden naast ACIM? Het beeld dat dan naar boven komt is dat van Yin en Yang voor respectievelijk ACOL en ACIM. ACIM is vol van liefde maar werkt op mij vooral corrigerend. ACIM verricht sloopwerk bij me; mentale concepten en vooroordelen worden ontmanteld en ontmaskerd. Er wordt hiermee ruimte gemaakt voor iets dat niet van ego-makelij is. Er wordt een openheid gecreëerd waarin van alles kan gaan gebeuren. Dit gebeurt grotendeels via de “niet-dit-niet-dit” route. Al mijn eigen bedenksels (maaksels) worden gesloopt zodat er ruimte ontstaat voor de ervaring van Gods schepping. ACIM komt haast mannelijk over maar bevat reeds het zaad van het vrouwelijke, als het zwarte bolletje in het witte vlak van het yin-yang symbool.

ACOL voelt haast vrouwelijk, intiemer en meer gericht op directe ontvankelijkheid. Jezus legt uit dat we uitgeleerd zijn en dat ons mentale werk prima was en een plaats verdiende maar dat het accent mag verplaatsen naar het hart. We gaan van correctie via ontvangen naar directe en onmiddellijke expressie. ACOL gaat over inspiratie, over de verandering van het “self” in de “elevated form of Self”. Dat klinkt duaal, als een proces en als het verheerlijken van een droombeeld. Maar dan kijken we toch weer door een ego-bril die denkt in termen van of-of. Het is echter en-en. Ook in ACOL draait het in feite om vergeven hoewel er meer gesproken wordt over verbinding en relatie. “Vergeving” heeft meer dat accent van correctie en “verbinding en relatie” het accent van zegenen en liefdevol omarmen. Maar ook dit is een waterscheiding die niet hard en absoluut is.

Het wonder bestaat eruit dat in die vervloeiing van mannelijk en vrouwelijk het nieuwe leven geboren wordt. Na correctie en echte verbinding (in en door liefde) is daar die heilige relatie van ACIM en die elevated form of Self van ACOL. Het zal lastig voor me worden om woorden te vinden in toekomstige stukjes. Het leren zoals we dat kennen heeft zijn rol vervuld en daarmee zal ook het spiegelbeeld van leren (uitleggen, onderwijzen) moeten transformeren. Ik ben verwachtingsvol. Een oud patroon echoot in mijn hoofd en vraagt “hoe dan?”. Maar een nieuw vertrouwen glimlacht slechts en durft dit open te laten. Ik kan dit niet bedenken, ik hoef dit niet te plannen en mag vertrouwen dat de bevruchting vanzelf zal leiden tot nieuw leven. Samen met jou.

Een ingang!

ingang_2De frustratie van elke waarheidszoeker is om erachter te komen dat er niets te zoeken of vinden valt en dat alles wat je als ikje denkt te moeten ondernemen om die zogenaamde verlichting te bereiken je verder verwikkelt in de illusie. Het plaatst ons als student telkens weer voor een dilemma. De absolute waarheid is dat er niks is wat we kunnen doen maar toch hebben we de indruk dat het nu niet oké is omdat we niet gelukkig zijn en geen vrede ervaren.

Dát we niks kunnen doen snappen we met ons beperkte leervermogen nog eerder dan dat we het werkelijk realiseren. Dat kan nog meer verwarring geven. Vooral als we verstandelijk begrip verwarren met echte realisatie. Na het schrijven van het boekje “Een Christen op Satsang” ervoer ik een soort mentale verlichting en toegenomen helderheid. Het is een soort helderheid en een verstandelijk weten hoe het zit. Deze helderheid in het hoofd zie ik terug bij talloze broeders en zusters. Het is fijn als deze helderheid optreedt maar het is geen realisatie of ontwaken. Met je hoofd weten we hoe het theoretisch zit en kunnen we kunt ook haarfijn uitleggen dat we niets kunnen doen met als gevolg dat we alles wat we anderen zien doen afserveren als zinloos en onwaar. Daarin hebben we helemaal gelijk maar we zijn niet verder gekomen dan een theoretisch kloppend maar niet echt doorleefd geloof laat staan ervaring.

Dit is allemaal niet zondig en helemaal niks om ons schuldig over te voelen. Maar deze vorm van helderheid in het hoofd en zogenaamd weten hoe het zit bevrijd ons niet van onze neiging tot oordelen van anderen en daarmee automatisch van onszelf. We blijven denken in termen van goed en fout, we blijven pedant anderen corrigeren, we blijven menen dat we als leraar boven de student staan, we blijven denken dat we het wel even kunnen uitleggen zodat anderen snappen hoe het zit en bewonderend naar ons opzien. Ondertussen voelen we ons ten diepste onvrij en gevangen, gebonden aan de tijd en aangevallen door gebeurtenissen en anderen. Aan de vruchten herkent men de boom en angst en aanval zijn niet de vruchten van liefde.

Zolang we de nare vruchten plukken is het handiger om simpel te constateren dat we nog geloven in afgescheidenheid en dankbaar een boek lezen dat ons tegemoet komt op het niveau waarop we ons menen te bevinden. De Cursus is zo’n boek. Ze biedt ons een instrument aan waarvan ze zelf zegt dat het ook een illusie is en eigenlijk niet nodig; het instrument van vergeving. Dit wordt prachtig uitgelegd in Werkboekles 198: Alleen mijn veroordeling verwondt me. Direct in de eerste regel van deze les staat zo’n zinnetje die ultieme (Niveau I) kennis laat zien: “verwonding is onmogelijk”. Verderop in de les staat dat oordelen onmogelijk is en vergeving daarom helemaal niet nodig is. Als we echter te snel menen dat we het allemaal nu wel snappen en begrijpen dan vliegen we uit de denkbeeldige bocht. We gaan dan goedbedoeld en in kortdurende triomfalistische vreugde roepen dat er niks valt te doen, anderen echter toch dingen fout doen, vragenstellen nergens toe leidt, je anderen kunt laten creperen omdat er geen anderen zijn enzovoorts. De lijst van harteloze verwarring is eindeloos.

Zo’n mentale “verlichting” houdt geen stand, kan ik u uit eigen ervaring melden. Toch heb ik deze ervaring nodig gehad. Door het niet als zondig of fout te zien maar als onderdeel van een leerproces (terwijl ik snap dat er niks te leren valt) open ik mezelf voor een liefde die niks met mijn verstand te maken heeft. Telkens als ik een wrange vlucht van angst of boosheid pluk weet ik dat ik zogenaamd gevangen zit in mijn hoofd en dat ik op één of andere manier zo bang ben dat ik de liefde de deur wijs. Anders gezegd; ik heb vergevingswerk te doen.

Wat ben ik dankbaar voor de Cursus en afgelopen jaar ook voor het boek “A Course of Love” dat me steeds meer bepaalt bij de liefde die we zijn. Vergeven is een sleutel voor een probleem dat niet bestaat en waarvoor dus geen sleutel nodig is. De Cursus weet dat en legt dat helder uit. Het is een mooi moment als we met ons hoofd vol met zogenaamde wijsheid onze knie dankbaar buigen en deze sleutel aannemen.

Och Heer, niet mijn wil maar Uw Wil geschiede. Ik ontsla mezelf als leraar en kom met lege handen bij U. Ik zie mijn gespartel en mijn eigenwijsheid. Leer me lachen Heer, leer me ontspannen in Uw liefde, de liefde die we zijn.

Wat moet ik toch met dat begrip “kruisigen”?

kruisigingPittige taal vandaag over het kruisigen van jezelf (WB 196): Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen. Toch ligt hierin de kerngedachte van de Cursus besloten. Ik zal een voorbeeldje uitwerken van mijn ervaring maar ik nodig je uit om dit niet van een afstandje door te lezen maar om een eigen situatie in gedachten te nemen en mee te gaan in het doorvoelen hiervan. Anders is het effect echt niet meer dan het ene oor in en het andere oor uit.

Ik was onlangs wat teleurgesteld in iemand. Ik meende dat we iets samen zouden aanpakken en toen het puntje bij het paaltje kwam vertrok ze met stille trom op vakantie en liet mij met de nare situatie achter. Ik werd boos op haar en vond haar schuldig aan laf en egoïstisch gedrag. Kun jezelf iemand in gedachten krijgen waar je boos op bent? De kleinste irritatie is genoeg want de principes zijn altijd gelijk.

De eerste neiging is om met allerlei argumenten te komen waarom zij iets stoms gedaan heeft en hartstikke fout is. Ik stel me dit altijd voor als het zwartepietenspel van vroeger waarbij ik wil dat die ander de enige is die aan het einde van de discussie met de zwartepiet, het schuldgevoel dus, blijft zitten. Als dat lukt, zo meen ik, dan ben ik aan het einde van de rit onschuldig en schoon en zij is schuldig en moet zich ook als zodanig voelen. Een excuus zou op z’n plaats zijn en in feite zou ze alles op alles moeten zetten om “haar fout” te herstellen. Gechargeerd: direct terug van vakantie, een flesje wijn voor mij met een “sorry-kaart” eraan en dubbel en dwars aan de bak om haar achterstallige activiteiten te compenseren.

Een andere neiging kan zijn om je woede in te slikken en maar weer eens de wijste te zijn. Je kunt zelfs vilein aangeven dat ze maar moet genieten van haar vakantie en dat het geen probleem is dat jij er een schepje bovenop doet. Een heimelijke poging om haar schuldgevoel nog wat op te porren. Het vergt eerlijkheid om dit trekje bij jezelf onder ogen te zien. Of je zou, op basis van bijvoorbeeld een Christelijke opvoeding of omdat je gewoon graag gezien wordt als een vriendelijk persoon, kunnen besluiten te vergeven volgens het principe “zand erover”. Ook hier vergt het eerlijkheid om te erkennen dat dit niet echt werkt en, ondanks de goede intentie, hetzelfde effect heeft als de wat arrogantere “laat ik maar de wijste zijn” aanpak.

Nu naar de Cursus waarbij we ons ware intentie gaan onderzoeken middels WB 34: Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien. Kijk wat er van binnen gebeurt als je bezig bent een ander schuldig te maken en jezelf te zien als onschuldig slachtoffer. Voel je die spanning, die tweedeling in je binnenste? Doorvoel die spanning van ik-versus-de-ander en laat dan WB34 klinken: “ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien”. Op zo’n moment merk ik fikse weerstand tegen deze uitspraak. Je legt namelijk op deze wijze een sterke ego-neiging bloot: de neiging te oordelen en de ander als schuldig te zien; kruisigen dus, in Cursus-taal. Merk je ook die weerstand? Je goede fatsoen kan weliswaar zeggen dat je de wijste moet zijn of moet vergeven maar alles in je roept dat je toch echt gelijk hebt en je vraagt je af waarom jij toch weer de wijste moet zijn en het onderspit delven. Voel je het?

Door te blijven luisteren naar de stem van het ego handhaaf je de ogenschijnlijke splitsing tussen jezelf en anderen en zul je geen vrede ervaren. Het lijkt of je hier niks aan kunt doen en dat het je overkomt maar hier treedt WB 196 op: Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen. Als je echt vrede wilt zien in deze situatie dan moet je de verantwoordelijkheid voor je vasthouden aan het schuldspel nemen. Je kunt doorvoelen dat het beschuldigen (kruisigen) van een ander je nare geloof in afgescheidenheid bekrachtigt; je slaat een spijker in je eigen hand en je kruisigt hiermee jezelf.

Maar dan tenslotte de vraag waarom we dit vastspijkeren van anderen aan hun schuld en daarmee van onszelf aan de illusie van afscheiding niet gewoon opgeven. Op dat moment vertelt de Cursus ons iets wonderlijks. We zijn bang. We zijn bang om dat gevoel van tweedeling op te geven door ons oordeel over die ander op te geven. We denken dan dat we kwetsbaar zijn en beschadigd zullen worden. Het klopt dat met het opgeven van ons oordeel de denkbeeldige ego-grens afbrokkelt maar dit betekent allerminst dat we schade lijden of onze ondergang tegemoet gaan. Omdat “ik” dit echter geloof lukt dit “mij” niet. Die ik wil niet meewerken aan eigen denkbeeldige ondergang. Dan is er die uitnodiging van de Liefde, van Hem, van Jezus van de Heilige Geest als symbolen voor je diepste onbegrensde Zelf: geef het maar aan Mij. Aan Hem is gegeven alle macht. Je beseft het niet maar zijn heilige Wil is jouw echte wil. Bid het Uw Wil geschiede; niet als onderdanige bange gelovige maar als iemand die hierin de weg naar Liefde en Vrijheid leert ontdekken. Een beetje bereidwilligheid om je oordeel, strijd en angst los te laten en je te scharen aan de kant van Zijn Wil is voldoende. Het wonder zal zeker gebeuren: Liefde zal deze keuze krachtig ondersteunen, je zult vrede ervaren en de ander zien als je broeder, verbonden en één met jou.

De toekomst (maar dan anders..)

futureDe werkboekles van vandaag gaat over de toekomst (194): Ik leg de toekomst in Gods Handen. De neiging bestaat om hier lichtvaardig en vooral mentaal mee in te stemmen. Voorbeeld: gisteren onderging mijn moeder een zware openhartoperatie. Dit brengt onzekerheid met zich mee en gevoelens van angst. Op zo’n moment kan het ons enige rust geven als we de besluiten de toekomst in Gods Handen te leggen waarbij we onbewust het woord “toekomst” als synoniem gebruiken voor “uitkomst”. Onder die uitkomst verstaan we dan een meetbare kwaliteit in tijd en ruimte; in mijn voorbeeld, een herstel van de gezondheid van mijn moeder in de komende periode.

We kunnen de werkboekles echter dieper laten doordringen dan genoemd mentaal niveau. Ook hiervan een voorbeeld. Ik werd wakker en lijk al snel in beslag genomen te worden door de eerste voorstellingen en fysieke- en emotionele indrukken die zich voordoen. Zo lijkt het alsof ik wat zorgelijke gedachten heb, daardoor een beetje angstig en zorgelijk ben, en me fysiek wat onuitgeslapen voel. Zo’n eerste indruk lijkt vanzelf en van buitenaf op me neer te dalen. Herken je die vanzelfsprekendheid waarmee zo’n heel beeld van wie je bent en wat je voelt je in beslag lijkt te nemen? Ik noem dit wel eens dat ik ongemerkt een conclusie trek over mezelf. “Zó ben ik, meen ik, en zó voel ik me”. Hetzelfde gebeurt in interactie met anderen. De automobilist die me snijdt is een vervelend testosteronbommetje in een aso-bak en ik ben een verontwaardigd slachtoffer van zijn gedrag.

Als je dit herkent, dus hoe gedachten / lichamelijke sensaties/gevoelens op je neer te lijken dalen, vraag ik je om dit totaalpakket te zien als een stempel dat je zelf drukt op de liefdevolle onbepaalde eenheid die je bent. Je kiest er dus voor de eenheid te bestempelen en daarmee er een stuk uit te hakken met alle betreffende sensaties. Met dit bestempelde stukje identificeer je jezelf vervolgens. Dit is een keuze om jezelf als beperkt en afgescheiden te zien.

Een andere metafoor die mij helpt is dat ik me voorstel als zat ik in een bol van warm licht. Niks aan de hand. Vervolgens kijk ik naar de binnenkant van de bol en besluit dit denkbeeldige plafond te beschilderen met allerlei sombere kleuren en met afbeeldingen van bedreigende anderen of met een fel rode kleur van een pijnlijk lichaam. Als ik dit stempel op mijn binnenste plafond gezet heb kijk ik ernaar en beeld me in dat het écht is. Daardoor voel ik me naar, duf, angstig, gespannen enzovoort. Het bevalt me niet hoe ik middels een conclusie of middels een verfkwast mezelf bestempeld en klein gemaakt heb. Ik neem het serieus en besluit vervolgens dat ik ervan af wil maar daar wel tijd voor nodig heb. Nu voel ik me rot en ik moet zogenaamd aan de slag om me straks weer wat beter, verlichter zo u wilt, te voelen. Maar in feite ben ik al te laat. Want eerst heb ik m’n eigen maaksels en conclusies écht verklaard en nu moet ik met veel moeite die echtheid weer gaan ontkennen. Wat is handiger?

Zodra ik de eerste neigingen zie om de eenheid te gaan bestempelen neem ik hiervoor de verantwoordelijkheid. Ik erken dat ik het zelf ben die ervoor dreigt te gaan kiezen me te beperken door een hele sfeer te gaan opbouwen. Dan bied ik al m’n intenties aan de Heilige Geest aan. Heer, ik neig ernaar een conclusie te trekken over wie ik ben, wie die ander is of hoe ik de situatie moet zien. Ik zie dat ik hiermee gelijk aan de slag wil gaan om alles te fixen om een fijnere conclusie te kunnen trekken en een rooskleuriger plaatje te kunnen schetsen. Ik zie dat ik eerst een klein ego-zelf wil maken en dan vanuit dit kleine-ego zelf meen te weten wat ik vervolgens moet doen en in actie te komen. Dit wil ik niet langer.

Onder dat kleine zelf, dat denkbeeldig kleine doenertje dat we in ons hoofd lokaliseren en die we ongemerkt als “ik” zien, ligt het grote Zelf dat we echt zijn. De Goddelijke liefde en eenheid. Dit grote Zelf kan zich ook manifesteren in de droom maar doet dat niet om de illusie van afscheiding te versterken. De grote Schilder werkt om onze verbinding met alles en iedereen te illustreren. Zijn Creatie geeft beelden van zachtheid, verbondenheid en liefde. Dat kleine ikje van ons hoeft alleen maar te erkennen dat het meent iets zelf te moeten doen om vervolgens de penseel los te laten en te geven aan de grote Schilder. Slechts deze kleine bereidheid is nodig om niet te geloven wat we zelf willen verven of net geverfd hebben maar te zeggen: Heer, hier is de kwast; verras, verbaas en verblijd me!

WB 194: Ik leg de toekomst in Gods Handen.

Je ervaart wat je gelooft; van geloof naar liefde.

geloof hoop en liefde

De waarheid is dat alles reeds volbracht is. Er is slechts eenheid en liefde en dat zijn wij als Zoon van God. Toch is dit niet onze perceptie. We ervaren onszelf als afgescheiden wezentjes in een wereld van tijd en ruimte. Wezentjes die hun best doen om genoemde liefde en eenheid weer te herinneren. De Cursus is een boek dat ons vanuit ons eigen wezen van eenheid en liefde gegeven is om ons rustig wakker te maken. Ze komt ons tegemoet op het niveau waarop wij ons menen te bevinden dus krijgen we oefeningen (zoals vergeving) zodat we leren dat grenzen denkbeeldig zijn, tijd en ruimte niet bestaan en oefeningen nooit nodig waren.

Over het ontstaan van de vergissing kunnen we nadenken maar dan vergeten we dat de “we” die gaat nadenken niet bestaat, dat nadenken als instrument reeds tot het domein van de vergissing behoort en dat we de vergissing dan überhaupt reeds als écht hebben aangenomen. Toch ontkomen we niet aan het gebruik van woorden, symbolen, taal en voorstellingen zoals het blauwe boek ons laat zien. Middels deze woorden kan er iets met ons geloof in afscheiding gebeuren. Het kan aan het wankelen worden gebracht. De bereidheid kan groeien om die “we” (en de hele vergissing) iets minder serieus te nemen en te gaan luisteren naar de Stem van de Heilige Geest die dan even symbool os voor de eenheid en liefde die we werkelijk zijn.

Doordat ons geloof verandert gaan we anders in onze droomwereld staan en leven. Eén van de dingen die we leren is dat de Cursus zaken aardig op z’n kop zet. Binnen de droom zeggen we “eerst zien en dan geloven” maar de Cursus leert ons dat we juist zien wat we geloven. Doordat we in afscheiding geloven zien we een ego-zelf in een buitenwereld. Als we in liefde geloven dan vervagen de denkbeeldige grenzen en gaat liefde meer stromen.

Dit gezegd hebbende merk ik dat er in het omgaan met de symbolen uit de Cursus twee geloven lijken te ontstaan met elk een iets andere uitwerking op hoe ik me binnen de droom voel. Hier komen de versies met hun gevolgen:

Geloofsversie I: Alles wat ik meen te zien en te ervaren (de hele fysieke wereld) is nep, een droom. Het is een onzinnig maaksel waarom de Zoon van God vergat te lachen. Anders gezegd: het was niet de bedoeling.

Gevolgen van geloofsversie I: Er ontstaat een gevoel van afstand en van onthechting. Ik besef dat ik geloof dat vervelende anderen of pijn me kunnen raken maar dat dit gevoel bedoeld is om de illusie van afgescheidenheid te vergroten. Om de droom echt te maken.  Negatief effect van deze geloofsversie (in de betekenis van “denkbeeldig risico”) hierbij is dat het ego-zelf juist sterker wordt en alles als vanachter een glazen wand zit te bestuderen. Onthechting leidt tot liefdeloosheid en afstandelijkheid.

Geloofsversie II: Alles wat ik meen te zien en te ervaren (de hele fysieke wereld) is weliswaar nep maar oorspronkelijk bedoeld als een onschuldig spel van de Zoon van God waar vreugde aan te beleven is maar wat een beetje ontspoord is. We zijn gewoon wat te fanatiek geworden door het te serieus te nemen.

Gevolgen van geloofsversie II: Er ontstaat een gevoel van hoop en verbondenheid. Ik hoef niet te onthechten van de droom maar mag juist binnen de droom op zoek gaan naar verbinding en er zodoende weer een vreugdevol spel van maken. Ik mag leren dat ik een keuze heb om middels geloof in afscheiding nare ervaringen te krijgen binnen de droom of juist door te geloven in verbinding positieve ervaringen te krijgen binnen dezelfde droom. Ik mag de oneindige eenheid en liefde uitdrukken in tijdelijke vormen. Ook hier is een mogelijk “negatief” aspect: doordat ik de droom te serieus neem vervaagt de herinnering aan de waarheid van eenheid en liefde. Als ik bijvoorbeeld fanatiek ga streven naar een gezond lichaam dan vergeet ik dat het lichaam slechts een droombeeld is en dan neem ik het spel toch weer serieus. Toch mag ik het spel van genezing spelen en daar van genieten, zolang ik het maar zie zoals het is; een spel.

In waarheid speelt geloof geen rol en is alles liefde.  Op de denkbeeldige weg naar ontwaken ontkomen we er niet aan om te geloven. Wát we geloven kan het midden houden tussen genoemde geloofsversies. Dat geeft niet en is totaal onschuldig. Er is geen wáár geloof dat we aan zouden moeten hangen. Laten we die terugval niet toelaten. Maar laten we zien wat geloof met ons doet en dan dat geloof geloven dat ons helpt liefdevoller en vreugdevoller te worden. Ik heb geleerd dat geloof in onthechting me bitter, somber en eenzaam kan laten voelen. Ook heb ik geleerd dat geloven in de echtheid van de droom en eisen dat hierin positieve wendingen plaatsvinden me onvrij en daarmee ook ongelukkig maken.

Steeds meer leer ik dat het te serieus nemen van een beperkt geloof kan leiden tot verwarring en dat leven vanuit liefde in de droom leidt tot mededogen, zachtheid, vriendelijkheid, geduld en geluk. Nu gaat het denken over “wat waar is” over in een ervaren dat liefde waar is. Eenheid van hoofd en hart, van leren naar zien. Wonderlijk zacht en mooi.

Geniet of je bent fout!

mies op tafelIk kan me erover verbazen dat mijn lieve 16-jarige dochter met dit mooie weer gewoon binnen kan blijven zitten. In het weekend kan ze lekker ongegeneerd uitslapen en vervolgens in haar donkere slaapkamer nog een uurtje rommelen met haar iPAD. Ook ’s middags ligt ze graag binnen op de bank wat appjes te versturen en dingen te doen waar ik geen weet van heb maar die ze, gezien haar glimlach, wel leuk vindt. Ik gun haar graag haar vrijheid in hoe ze haar dag besteedt maar kan het soms niet laten om een hint te geven, zoals: “zo, ik ga nog even van het lekkere weer genieten”, of een andere oubollige opmerking. In het beste geval hoor ik “joe” of “oké” maar zie ik ze verder geen aanstalten maken om dat goede voorbeeld van me te volgen.

Dat verlangen van mij om te genieten van het mooie weer en buiten-zijn is echter wat dwangmatig geworden zoals blijkt uit mijn bemoeizucht. Vermoedelijk herhaal ik een onbewuste programmering van mijn eigen ouders die ons iets minder subtiel naar buiten schopten met de instructie om maar lekker buiten te gaan spelen. Vandaag merkte ik dat dit genieten van het mooie weer wat is doorgeslagen bij me. Op een dag als vandaag heb ik de tijd aan mezelf. Ik word gewoonlijk voor zessen wakker en keer me dan tot zeven uur nog maar een paar keer om want anders is die ochtend wel heel erg lang. Maar dan nog. Rustig ontbijten, beetje bladeren in de krant, douchen en het eerste kopje koffie en het is nog steeds pas half negen.

Menig werkende zal dit wegwuiven als een luxeprobleem maar ik mis toch wel de vanzelfsprekendheid waarmee een dag werd ingevuld toen ik nog een baan had. Iets dergelijks herinner ik me van wintersport. Een ideale vakantie voor wie weinig idee heeft hoe je een vrije dag moet doorbrengen. Je gaat immers gewoon skiën en daarna ben je moe en ga je douchen, eten etc. Terug naar mijn buiten-moeten-zijn-obsessie. Hier geef ik gewoonlijk gedachteloos gehoor aan door buiten te gaan lezen, wandelen, fietsen, zwemmen, motorrijden en andere leuke dingen. Vanmorgen werd ik echter snel uit de tuin verjaagd door de herrie door werkzaamheden aan de dakkapel van de overburen. Naar binnen dus en raam en deur maar even sluiten. Maar dan? Met een sluimerend schuldgevoel binnen iets gaan doen of buiten zoeken naar een rustiger oord? Pas op dit moment merkte ik de onvrijheid op. De programmering kwam helderder in beeld:

“Ik geloof dat ik een fout kan maken bij het besteden van een vrije dag. Dat ik een stomme keuze kan maken waardoor ik niet uit de dag haal wat erin zit. Dat ik kansen om te genieten mis. Binnen zitten kun je in de winter nog volop, je moet nu naar buiten en genieten!”.

Zoiets. Het helpt om eerst te relativeren op niveau II. Dan kan ik vaststellen dat ik vanuit m’n hoofd zit te bedenken wat ik leuk zou moeten vinden, hierbij vermoedelijk beïnvloed door oude programmeringen. Als ik m’n gevoel laat spreken en ik bijvoorbeeld gewoon de tv zou aanzetten dan spreekt de geest van mijn ouders mij toe zoals ik liefst ook mijn dochter zou toespreken. “Zonde” om zo’n mooie dag binnen te zitten als je de kans hebt om naar buiten te gaan.

Dan niveau II. Er is niks mis met genieten en zoeken naar genot maar uiteindelijk heeft het vinden hiervan me nooit duurzaam vrede geschonken. Het is heerlijk om op te warmen in de zon en af te koelen in de zee, om de witte hellingen af te glijden of om te genieten van versnelling van m’n motor. Hetzelfde geldt voor de geluiden en geuren van de natuur en voor de nieuwe indrukken die je kunt opdoen tijdens exotische vakanties. Vooral blijven doen en van genieten. Het is echter een illusie als ik meen dat ik hierin foute keuzes kan maken en dat ik daardoor ongelukkig zou kunnen worden. Zelfs in iets heerlijks als het vorm geven aan vrije tijd lukt het me om schuldgevoelens te laten binnensijpelen. Het is een mooie oefening voor me. Geen planning maken voor de dag om deze optimaal te benutten en er zoveel mogelijk genot uit te peuren. Maar gewoon van moment tot moment zien wat zich aandient en opkomende schuldgevoelens te zien voor wat ze zijn; mijn keuze. Ik kies ervoor om een raster van schuld te leggen over onschuldig “zijn”. Ik meen dat binnen dit onschuldige en eenvoudige “zijn” daden mogelijk zijn die verkeerd of juist goed zijn. Binnen blijven zitten zou fout zijn en degene die dit doet, dochter maar vooral ikzelf, stom en schuldig. Dus zit ik even binnen en laat de gevoelens opkomen. En dan is er de keuze. Neem ik dat schuldgevoel serieus om zo mijn geloof in afgescheidenheid te koesteren of durf ik ongegeneerd te laten gebeuren wat gebeurt, zelfs als ik daarbij kansen op fantastisch buiten-genot rustig voorbij laat gaan? Nu komt er wat ruimte. Ik zit wat binnen en als ik naar buiten loop tref ik daar mijn wijze lerares aan. Boven op tafel. Buiten, dat dan weer wel..