Ik rust in God, hoe dan?

hand boven water

Waarschijnlijk herken je het wel. Het lijkt een beetje het wrange lot te zijn van iedere spirituele zoeker. Je hebt lucht gekregen van de mogelijkheid tot verlichting, of “verlossing” zoals de Cursus het noemt. Er volgt een fase van flink je best doen om die aantrekkelijk klinkende staat te bereiken. Je kijkt op naar leraren die mild lachend en met een serene uitstraling hun best doen om jou de gouden tip aan te reiken. Hierna daagt het begrip dat het juist die inspanning van jou is die de illusie van afgescheidenheid alleen maar sterker lijkt te maken.

Momenteel doe ik voor de tweede keer een cursus mindfulness. Ook hierin gaat een drukke doener aan de slag om eens goed de ademhaling te voelen of om tijdens de bodyscan met de aandacht bij het lichaam te blijven. Het klinkt zo simpel. Gewoon eens een twintig minuten “voelen” in plaats van dat koortsachtige doen. De aandacht floept echter alle kanten op behalve de kant van het rustige voelen wat zich voortdoet. En ook in mindfulness zoek ik naar “verlichting”. De rust en vrede waarvan ik ten diepste weet (herinner?) hoe weldadig deze is.

Zowel bij het beoefenen van de Cursus als bij mindfulness kijkt over de schouder van de doener ook de beoordelaar mee. Deze meent een duidelijk beeld te hebben van de staat die hij wil bereiken en hij is onvermoeibaar bezig om te evalueren of deze staat nu eindelijk bereikt is. Als zijn oordeel negatief is, vrijwel altijd dus, dan spoort hij de doener aan om er nog een schepje bovenop te doen of tenminste nog wat langer door te gaan met de oefening. Het effect is natuurlijk averechts: nog meer spanning.

Het valt mij dus niet mee, dat “rusten in God” of in de ademhaling. Ik doe zo mijn best om te rusten dat ik zelden zoveel spanning heb ervaren als nu. Met jaloezie kijk ik naar broeders en zusters die, ogenschijnlijk althans, helemaal niet bezig zijn met spirituele groei en verlichting. Ze doen zo heerlijk tevreden hun ding. Opstaan, ontbijten, werken, beetje lezen, beetje buizen, lekkere vakantie, zonnetje, ouder worden en rustig dood gaan. Wat voegt dat gespartel van mij hieraan toe? Niks! Ik ben minder dan genoemde niet-zoekers aanwezig in het nu en meer met geworstel om een staat van verlichting te bereiken. Net als voor klassieke Christenen plaats ik deze denkbeeldige hemel in de toekomst en ben ik per saldo nu bezig met het verrichten van goede werken met als hoop ooit deze zalige staat te bereiken. Confronterend..

Stop er dan mee! Dat zou een welgemeende tip kunnen zijn. Gooi de Cursus in het haardvuur, en laat die aandacht en de mindfulness oefeningen maar de rambam krijgen. Schroef de versterker open en brul lekker mee met keiharde muziek. Omarm het hedonisme, verrijk jezelf materieel, lach, eet vrij en kijk met een uitgeputte glimlach en een te dikke buik nog een keer om je heen als je je laatste adem uitblaast.

Maar dat kan ik niet. Dat wil ik niet. Het zoekers-virus heeft me hopeloos besmet en er is geen vaccin voor me. Of toch? Jawel, er is hoop. Meer dan dat, er is, Goddank Hulp. Deze is te vinden in het vervolg van werkboekles 120:

Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

Eerst een statement dat ik nergens naar toe hoef, niks hoef te bereiken: “Ik ben Gods Zoon”. Het is allang volbracht. Ik hoef niks te bereiken, slechts te herinneren. “Vandaag leg ik alle ziekelijke illusies over mijzelf opzij,…” Als die gedachten van hoe ik nu zou zijn en wat ik zou moeten worden. Weg ermee. Niet de Cursus maar mijn ziekelijke illusies mogen het vuur in. En dan komt het: “..en laat ik mijn Vader mij vertellen Wie ik werkelijk ben”.

Oooh Yesss! Met liefde houd ik mijn mond dicht en kijk ik naar Hem. En omdat het voor mij niet meevalt om te kijken naar pure en onbegrensde liefde kijk ik naar Zijn Zoon, mijn oudste Broer; Jezus. Op Hem richt ik mijn hoop, mijn verwachting en alles wat ik in me heb. Ik zie het beeld van mijn naamgenoot Simon Petrus die na een paar succesvolle stappen op het water toch weer verdwijnt in de golven van het bestaan. Dan deze woorden van Petrus:

Here, red mij!

En dank met me mee (Mattheus 14:31):

Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?”

Weet je wat er niet staat? “Jezus keek naar het gespartel en besloot de kleingelovige maar te laten zinken”. Nee! Ze komen samen in het veilige schip en de wind ging liggen. De drukke gedachten komen tot rust. Slechts één zin hoeven we te onthouden: Here, red mij! We kunnen het niet zelf doen maar we hoeven het dan ook niet zelf te doen. In hetzelfde moment dat wij besloten te geloven in de afscheiding en verbeten te gaan spartelen om de weg terug te vinden, is in ons hart de oplossing geboren. Onze onschuld ligt daar nog steeds in de kribbe. Ogenschijnlijk machteloos. Maar dit kleine vonkje blijkt onze verlosser, onze redder. We hoeven slechts in zekere hoop te knielen en onze hand naar Hem uit te strekken. En Hij redt ons uit de golven. Dankbaar.

Triviaal?

Geluk

Er zijn van die werkboeklessen die een hoog open-deur-gehalte lijken te hebben. Zo ook die van vandaag (116): “Gods Wil voor mij is volmaakt geluk / Ik deel Gods Wil dat ik gelukkig ben”. Nogal wiedes en triviaal, appeltje-eitje; zou je zeggen. De neiging bestaat om deze plezierige opsteker in je zak te stoppen, tevreden te glimlachen en er de rest van de dag niet meer aan te denken. Morgen weer zo’n fijn tekstje. Een soort dagelijkse horoscoop met goed nieuws.

Als dit de impact is die de Cursus op ons heeft dan kunnen we ervan uitgaan dat we met ego-oortjes hebben geluisterd. Niet fout of zondig en zelfs een goed begin. Vanuit ons ego denken we echter altijd in termen van afgescheidenheid. We geloven dat er een ikje bestaat dat redelijk tevreden kan zijn of een tekort aan iets kan hebben. We kunnen meer geld, vrije tijd, gezondheid, mooie ervaringen enzovoorts willen hebben. Dán zijn we pas echt- of nog meer gelukkig. Nogmaals, dit is niet zondig en als het je ten deel valt: geniet ervan!

Dit aards geluk is echter nogal vergankelijk. Nu eens hebben we het, dan weer ontglipt het ons en zijn we het kwijt. Als we het hebben dan moeten we het koesteren en verdedigen en als we het missen moeten we knokken om het weer te bemachtigen. We beoordelen anderen naar de mate waarin ze ons kunnen geven wat we denken nodig te hebben of naar mate ze een bedreiging vormen voor ons “geluk”. Dit is de basis van de speciale liefdes- en speciale haatrelaties waar de Cursus over spreekt.

Zoals zo vaak is de waarheid van de Cursus hieraan diametraal tegenovergesteld. En zelfs deze uitspraak dekt de lading niet. Alleen in onze duale denkbeeldige wereld heb je “tegenovergestelden”. Het is beter om te zeggen dat de waarheid van de Cursus onze ideeën over geluk totaal overstijgt. Jezus leert ons in de Cursus dat juist ons geloof in afgescheidenheid en in een ikje dat geluk kan hebben of geluk kan kwijtraken het denkbeeldige probleem voor ons is. Hij legt uit dat dit ons nooit het geluk en de vrede gaat opleveren waar we zo op hopen en die we ons ergens vaag herinneren. Niet in dit leven, niet in de hemel, noch in een volgende incarnatie, voor wie in deze concepten gelooft. Het zogenaamde ego-geluk is broos, het fluctueert in de tijd en kan nooit volledig zijn omdat ons ego niet volledig is.

Volledigheid is een eigenschap van God. Hij is de complete paradox van Volle Ledigheid. Hij is Alles en Hij is Niets. Grenzeloze Liefde, hoewel ook slechts woorden met symboolwaarde, komt er nog het dichtste bij, om het maar eens duaal uit te drukken. Als Zijn schepping, als Zonen van God, hebben we reeds dezelfde “eigenschappen”. Nee, meer dan dat, wij zijn reeds deze volledigheid, net als onze Vader, maar we zijn het vergeten. We hebben onze eigen compleetheid verdrongen uit onze denkgeest omdat we wilde kiezen voor de illusie van afgescheidenheid en daarmee voor de illusie van armoede.

Tegelijkertijd met het ontstaan van deze onzinnige wil van ons, ontstond direct de roep terug naar de vrede die we verkozen te verliezen. Dit is die herinnering waar ik eerder over sprak. Dit is die Stem van de Heilige Geest waar de Cursus ons op wijst. Deze liefdevolle Stem spreekt altijd tot ons, van moment tot moment. We hoeven maar één ding te doen om onze Bron weer te herinneren en echt geluk, echte vrede te ervaren en dat is ernaar luisteren en ons eraan overgeven. Hieraan refereert het tweede deel van de werkboekles: “ik deel mijn vaders Wil voor mij..” Wij menen een klein willetje te hebben, ons ego-willetje dat afgescheiden wil zijn en daarna meer wil hebben om ooit gelukkig te zijn. Maar onze echte Wil, met hoofdletter W, delen we met God en deze Wil zijn we nooit kwijt geweest.

We mogen een stapje terugdoen en toezien op het gespartel van het ego. We mogen zijn afkerend oordeel over wat er is of wat er ontbreekt opmerken en dit vergeven door het naar het Licht te brengen.

“Heer, ik ervaar mezelf als ongelukkig, als gespannen klein ikje. Dit is niet fout, niet zondig. Dit kleine dorstige lammetje hoort nu de Stem van U, van de Herder. Ik luister en laat me vinden door U. Ik laat me optillen door U en me terugbrengen naar de groene weide, naar het ware geluk, de ware vrede. Dank U Heer, dank U Liefde”.

De Cursus als sterk medicijn

leve het geneesmiddel

We neigen er naar om wat neerbuigend te kijken naar broeders en zusters met psychosomatische klachten. “Ach, het zit tussen haar oren”, zeggen we bijvoorbeeld en we nemen nog net niet het woord “aanstellerij” in de mond. Het zijn vooral de wat vage klachten die door dit negatieve etiket achtervolgd worden: hoofdpijn, buikpijn, stress en ga maar door. Naast deze psychosomatische aandoeningen hebben we de “echte ziektes en aandoeningen”; een gebroken been, een hartaanval, kanker enzovoorts. Patiënten die aan deze echte ziektes lijden verdienen ons medelijden, onze zorg en een vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraars. Natuurlijk schets ik hiermee de situatie iets te zwart-wit, maar toch. Bottom-line is dat we een aandoening die “van buiten” lijkt te komen serieuzer nemen dan eentje die zijn oorsprong vindt in onze zielenroerselen.

De Cursus voert een pleidooi voor een totaal tegenovergestelde richting. Ons wereldse denken over ziekte wordt in de Cursus gezien als op-zijn-kop-denken. Er wordt uitgelegd dat ons helemaal niets kan overkomen vanuit een boze buitenwereld. We kunnen op geen enkele wijze slachtoffer zijn, zelfs niet van de genoemde harde somatische aandoeningen als een hartaanval, kanker en uiteindelijk zelfs niet van de dood. Alles wat we aan ziektes aan ons lichaam opmerken vindt zijn oorsprong in de denkgeest. Nu ligt de “spirituele” versie op de loer van het veroordelen van psychosomatische aandoeningen. Binnen onze wereldse illusie vinden we mensen met psychosomatische klachten aanstellers, op spiritueel niveau hebben we de neiging om de woorden van de Cursus te verdraaien en te beweren dat onze broeders en zusters zelf schuldig zijn aan hun leed. Dat lijkt geheel in lijn met het idee van projectie vanuit de denkgeest maar ik meen dat iedere lezer wel aanvoelt dat een dergelijke harteloze visie niet echt geboren wordt vanuit liefde. Het veroordelen van onze broeders tot aanstellers of tot zondaren is meer van hetzelfde; ego-taal.

Het klopt dat de Cursus enorm radicaal is. Niet alleen onze lichamelijke ziektes maar de hele wereld die we menen te zien kunnen we beschouwen als een spiritueel-somatische aandoening. Alles is een vorm van projectie; gezonde en zieke lichamen. En direct hierover heen: niks is zondig, noch gezonde- noch zieke lichamen. Beide zijn totaal neutraal en wij geven beiden de betekenis die ze voor ons hebben. Als we kiezen voor de ego-variant dan eindigen we bij aanstellers en zondaren. Als we echter kiezen voor de kant van de Heilige Geest dan zien we altijd slechts een roep om liefde. Zogenaamd gezonde mensen menen hier op een wereld rond te lopen omdat ze zijn vergeten te lachen om het nietig dwaze idee van de afscheiding. Hetzelfde geldt voor wat we binnen de illusie “zieke mensen” noemen. Gezonde- en zieke mensen worden allemaal opgeroepen om hun illusies te doorzien; die van een gezond- en die van een ziek lichaam. We weten niet waarom de één een wat sterker signaal in de vorm van een ziekte lijkt te krijgen dan zijn broeder in een gezond lichaam. Misschien is de zieke wat hardhorend en heeft hij of zij een sterkere (pijn-)prikker nodig dan de gebruikelijke ellende die we hier in de illusie meemaken. Een positievere interpretatie is makkelijk te bedenken; wellicht zijn de zieken de frontsoldaten binnen de illusie en kunnen zij de vergevingsoefening aan die een ogenschijnlijk ziek lichaam vergt. Zo worden de aanstellers en zieken niet langer gezien als achterblijvers en aanstellers maar als heldhaftige pioniers.

Dit laatste is natuurlijk niets meer dan speculeren maar als het enige ruimte kweekt binnen onze vooroordelen dan heb ik m’n punt gemaakt. Met liefde wil ik positief afsluiten door te wijzen op een sterk medicijn, de Cursus. Overal herinnert de Cursus ons eraan dat we meer zijn dan een gezond- of een ziek lichaam. Sterker nog; dat we geen lichaam zijn. En dat is goed nieuws, buitengewoon goed nieuws. Als we met onbevangen ogen de werkboekles van vandaag lezen dan mag de vlag uit. We mogen allemaal even koning zijn vandaag als onze Heraut voor ons roept (WB112):

Ik ben zoals God mij geschapen heeft, er woont licht en vreugde en vrede in mij!

The Passion

thepassion

Gisteravond keek ik naar het muziekspektakel ‘The Passion’. Hoewel ik onder de indruk was van de omvang van deze productie, merkte ik toch dat er irritatie in me opborrelde. Dit is een signaal dat er iets ‘bij mij zit’. De wrevel heeft te maken met de mainstream interpretatie van de dood van Jezus. God zou onze welverdiende straf op zijn onschuldige en eniggeboren Zoon hebben gelegd waardoor wij van onze zonden bevrijd zouden zijn. Dit druist in tegen zo’n beetje alles wat Jezus ons in de Cursus probeert duidelijk te maken. Waar gaat deze klassiek Christelijke versie namelijk van uit?

  • God is een macht buiten ons
  • Onze zonden zijn echt
  • Onze zonden dienen bestraft te worden
  • Jezus was de enige echt zondeloze mens; los van- en anders dan wij
  • Als we dit verhaal voor waar aannemen dan komen we na onze dood in een soort verheerlijkte lichamen in de hemel

Eerst probeerde ik m’n irritatie nog een beetje weg te redeneren langs de volgende lijnen: “kennelijk zit dat zondebesef zo diep in veel mensen dat we niet zondermeer kunnen aanvaarden dat het niet juist is. Wellicht is het dan een aardig hulpmiddel om, bijvoorbeeld, voorlopig dan maar, aan te nemen dat we deze zondeloze staat nu eindelijk bereikt hebben door de kruisiging van Jezus”. Ik zag ook mensen in het publiek die duidelijk geëmotioneerd leken en gelukzalig om zich heen keken. Eindelijk vergeven, eindelijk van zonden vrij.

Voor mij werkt dit echter niet. Als ik goed kijk roept het een wonderlijke mix bij me op van afkeer en zelfs een mate van arrogantie en superioriteitsgevoel. Natuurlijk vind ik “mijn” Cursus-interpretatie beter en meer waarheidsgetrouw. Direct krijg ik hier mijn huiswerk voor de komende Paasdagen aangereikt. De ingrediënten liggen voor me op tafel: aanvalsgedachten, gevoel van speciaalheid, projectie van schuld. Kennelijk denk ik dat het belangrijk is om een juist beeld van de kruisdood en opstanding van Jezus te koesteren. Daarmee creëer ik mijn eigen afgod. Want wat zou er gebeuren als ik me niet zou concentreren op meningen van anderen en mezelf? Kan ik zien dat deze beelden nooit de waarheid kunnen zijn? Durf ik te erkennen dat ik de metafysica van de Cursus tot een nieuw geloof probeer te verheffen wat ik bereid ben te verdedigen tegen andersdenkenden. Ai, ai; wat pijnlijk om dit te moeten typen. Ik zou haast overwegen om het maar niet op m’n blog te plaatsen. Maar ook dit schaamrood hoort erbij en behelst geen morele schuld maar een vergissing.

Alle mensen zijn één, wat ze ook denken, geloven of doen. Ook mijn Cursus-verhaal mag gewoon vergeven worden, net zoals alle andere verhalen en geloven. Vanuit dat dapper schrijvende ikje krijg ik dat niet voor elkaar. Ik leg m’n opvattingen en schrijfsels op Zijn altaar. Alstublieft Heer, de fik erin. En laat me nu maar met onbevangen ogen kijken naar mijn broeders en zusters en me mezelf herkennen in hun zoeken, praten en geloven. Maar help me bovenal om door Uw ogen te zien en Uzelf te herkennen in hen. Mag ik daadwerkelijk hun- en mijn zondenloosheid ervaren en beseffen dat we één zijn in Uw liefde? Hier ben ik Heer, met lege handen, een leeg hoofd en een hart dat U mag vullen met Uw Liefde.

Onze opstanding

Hij-is-opgestaan

Er is alleen maar grenzeloze liefde zonder eigenschappen. Hierover valt dus per definitie niets te zeggen. We kunnen niet meer doen dan een richtingaanwijzer schetsen. Bijvoorbeeld door te zeggen dat deze liefde haar scheppende kracht kent door zichzelf weg te geven en, hoewel onvoorstelbaar, uit te breiden. Zo kent deze Liefde, God de Vader, Zichzelf door de Zoon te scheppen, zich in deze Zoon uit te gieten in liefde. In haar eenheid kent deze liefde geen ander en dus geen aanval. Er is immers niemand om aan te vallen.

Deze liefde zijn wijzelf. We zijn als licht, afkomstig van de Zon, dat door de lege ruimte reist. Onzichtbaar. Als lichtstraal willen we iets waarnemen maar er is niets om ons te reflecteren. In eenheid is immers geen waarneming. Dus dromen we ruimte, tijd en vormen. Iets om te reflecteren hoewel we geen ander materiaal hebben om iets uit te maken dan uit ons eigen wezen, uit onze oneindige denkgeest.

De aarde en de hemel lichten nu op in onze denkgeest. We menen onszelf aan te treffen in een lichaam. We hebben ruimte om te spelen en alles wat we om ons heen menen te zien een naam te geven. Vanuit onze ene denkgeest projecteren we als Adam ook onze Eva en Abel en Kain. Verbonden in eenheid, in geluk in vrede. Allemaal verbonden met de Vader, allemaal verwarmd door de zon. Totdat we in een dwaas moment vergeten dat we één zijn. We vergeten dat we dat lichaam zelf bedacht hebben voor ons spel. We menen nu echt los te staan, naakt en kwetsbaar en willen ons bedekken. We wandelen niet meer met God door het paradijs maar zijn plotseling bang voor Hem die onze Vader is.

We zien Hem als een bedreiging. Wat wil Hij van ons? Wil Hij onze droom afpakken, ons lichaam doden? Als Kain zien we hoe Abel nog verbonden is met God. In zijn onschuld herkennen we onze Vader, onze eigen onschuld. We zien het als bedreigende onbegrensdheid en willen uit angst onszelf verdedigen. We slaan, we doden, we brullen als wilden. We willen geen liefde, we willen grenzen, haat. Het bloed van Abel bevestigt onze waanzinnige droom. Ja, denken we, zie je wel; we kunnen doodslaan dus leven we als afgescheiden ikje! God is dood en wij leven.

We betalen echter de prijs. Jawel, we kunnen spelen. We spelen het spel van begeerte, van kracht en van genot. Maar de keerzijde is er ook altijd. Het spel van angst, vechten, verdedigen, pijn en tenslotte de dood van het lichaam. Ons eigen ultieme bewijs dat we echt bestaan, als afgescheiden ikje.

Toch kunnen we ons Zelf nooit 100% verloochenen. Bij de geboorte van onze misvatting, van onze droom, ontstaat direct het Stemmetje dat ons vertelt dat het allemaal niet waar is en dat we één zijn, onbegrensd, liefde; de Heilige Geest. Door onze oren dicht te stoppen en druk te doen in onze droom lukt het ons om te blijven slapen. Maar met Abel slaan we ook Jezus dood. Dat denken we althans. Ook Jezus vinden we vreemd omdat ook hij leeft vanuit de eenheid die we ook zelf zijn. Hij speelt ons spel van haat- en- vechten niet mee. Hij toont dat hij verbonden is met hoeren, tollenaars en met de Romeinse vijand. Hij toont ons hoe we wakker kunnen worden uit onze droom. Zijn toverwoord is “naastenliefde”. Zijn wijsheid is zo eenvoudig. Als we onze projecties, onze broeders, aanvallen dan ervaren we onszelf als kwetsbaar en afgescheiden. Als we ze echter accepteren en liefhebben dan daagt er licht in de droom en ervaren we onszelf als de liefde die we zijn. Onze zelf bedachte grenzen, onze zogenaamde wetten van tijd en ruimte, blijken niet te bestaan. Water wordt wijn, zieken genezen.

Hij geeft ons het ultieme bewijs. Hij vergeeft de handen die hem lijken te martelen en kruisigen. En als we deze Abel dan gedood denken te hebben dan is hij daar weer. Hij projecteert voor ons uit de denkgeest de opgestane Heer om ons te laten zien dat we niet kunnen doden. Daarmee toont hij onze ultieme zondeloosheid. We zijn nooit echt afgescheiden van de Vader. We zijn nog steeds in de hemel, de denkgeest, en dromen nog even van de hel. Het is niet nodig. We mogen zelfs vanuit onze droom aanhaken bij de Goddelijke vergevingskracht. Door elke vorm te vergeven, door de aanval van onszelf en onze broeders te doorzien als een onschuldig spel mogen we het wonder ervaren van de donkere hemel die boven ons gekruisigde lichaam openschuift. Vader, in uw handen bevelen we onze denkgeest. Het doek in de tempel scheurt in tweeën. Denkbeeldige grenzen verdwijnen als sneeuw voor de zon. We koesteren onszelf weer in de warme voorjaarszon. Een nieuwe lente. We zijn thuis, onveranderd in het paradijs.

Gezegend Pasen.

Ontspanning en verlossing

piekeren-mindfulness

Momenteel doe ik een cursus mindfulness. Dit had ik een jaar of acht geleden ook al eens gedaan maar daarna niet echt consequent volgehouden. Mijn voornaamste doel is om wat meer ontspannen te raken en wat minder “in mijn hoofd” te leven. De aanpak bij mindfulness is opvallend. Er wordt vooral gewerkt met aandacht in het hier-en-nu. Oefeningen verlopen dikwijls volgens het volgende stramien:

  • Probeer te landen in het hier-en-nu door aandacht te schenken aan wat zich voordoet.
  • Bijvoorbeeld: aandacht naar geluiden, gedachten, gevoelens, lichamelijke sensaties
  • Hierbij deze niet proberen te veranderen, maar slechts aandacht schenken zolang ze aandacht vragen
  • Deze aandacht kan ondersteund worden door richting het onaangename gevoel (bijvoorbeeld spanning in nek, buik of borst) te ademen
  • Gewoon “zijn met wat is” zonder dit proberen weg te werken
  • Oefening weer afsluiten en verder gaan met de dag

De manier waarop ik hier mee om blijk te gaan vertoont verrassende parallellen met de manier waarop ik neig de Cursus te misbruiken. Ik omschrijf iets (bijvoorbeeld spanning) als een probleem en wil een oefening doen om zo snel mogelijk van het probleem af te komen (en dus te ontspannen). Werkt dit? Nee, natuurlijk niet. Als bij de eerste keer oefenen de gewenste ontspanning niet direct optreedt ben ik wat teleurgesteld en vermoed ik dat dit allemaal niks voor me is en niet werkt.

Herkenbaar voor ons als Cursus-studenten? Voor mij wel, in ieder geval. Als ik bijvoorbeeld angstig of boos ben wil ik deze, in mijn ogen negatieve sensatie, zo snel mogelijk fixen met een werkboekoefening. Oogjes dicht, even herinneren dat “Verlossing is mijn enige functie hier” is, en…..? Niks. Jammer.

Weer even terug naar mindfulness want hierin ligt een les voor me besloten. Wat is namelijk de kern van de mindfulness-aanpak? Voor zover ik deze zie, althans:

  • Bewustwording van het probleem
  • Hier aandacht aan geven door er naartoe te ademen
  • Geen einddoel zelf bedenken maar vertrouwen
  • En, de oefeningen dag in dag uit gewoon doen en herhalen.

De neiging is heel sterk om ook bij mindfulness te blijven hangen op cognitief niveau. “Wat is de truc? Oh, dat snap ik wel. Wat gek, ik heb het door maar het werkt niet”. Het Cursus-equivalent is: hoe zit het metafysisch in elkaar? Oh, dat snap ik wel. Gewoon anderen en mezelf als schuldeloos zien. Dat weet ik nu wel. Wat gek, ik voel niks”. En jawel, hierbij blijf ik in feite hangen op hetzelfde cognitief-arrogante niveau van een eigenwijs en gespannen ikje. Want wat is wel nodig?

  • Onderkennen (belijden, zegt de Bijbel) van ons zondegevoel (ik voel me schuldig, ben bang, wil verdedigen en aanvallen)
  • Erkennen dat we onszelf hier niet goed raad mee weten. Als we direct gaan vechten om er vanaf te komen dan draaien we verder de denkbeeldige problemen in
  • De deur openen voor de Klusjesman die wel weet wat te doen en wat voor ons het beste resultaat is; de Heilige Geest. Naar ons zondegevoel “ademen” door Hem te brengen naar onze pijnpunten en daarna te geloven en vertrouwen dat Hij weet wat goed voor ons is.
  • En, jawel, oefenen, oefenen en herhalen. Niet omdat het voor de Heilge Geest zo’n grote klus zou zijn. Alleen omdat het ons nu eenmaal tijd kost om een hardnekkige gewoonte (zoals piekeren bij het mindfulness-voorbeeld of geloof en projectie in/van schuld bij een Cursus-voorbeeld) af te leren. Het hoeft niet lang te duren, cold turkey afkicken is mogelijk, maar we doen het zelf onbewust toch liever wat rustiger aan.

M’n mindfulness-leraar zei dat de nieuwe hier-en-nu-zijn gewoonte door herhaling ingesleten moet worden in de hersenen. Dat gebeurt niet door een keer te zeggen: “Aha, zit het zo!”. Evenzo met de Cursus. Het wonder van de verandering heeft geen tijd nodig. Wij bedenken tijd juist om ons te verdedigen, uit angst, tegen het wonder, tegen de liefde. Maar als we dan toch geloven in tijd, laten we deze dan tenminste aanwenden als instrument waarmee we oefenen om de Heilige Geest voor ons te laten vergeven. Keer op keer. Zo gaan we verder als gelukkige studenten. Van wondertje naar wondertje totdat we het Wonder door Hem durven toelaten.

Bad guys

millennium-3-gerechtigheid.20170228030352

Gisteravond bekeek ik een stukje van de film Millennium 3. Een scala aan bad guys passeerde de revue; een gewetenloze beul, een pedofiele psychiater en een egoïstische vrouwenhandelaar. M’n ego smult van zoveel slechteriken want het is fijn om zogenaamd overduidelijke foute mensen te veroordelen. Op deze manier koestert m’n ego zijn stralende en smetteloze speciaalheid. Die anderen zijn zondig en verdienen de straf die ze natuurlijk in de loop van de film ook ondergaan. Het is aantrekkelijk om zo’n film te bekijken omdat ik langs deze weg mijn eigen denkbeeldige foute neigingen probeer kwijt te raken door ze op anderen te projecteren. Ik geloof nu werkelijk dat het me gelukt is deze slechtheid kwijt te raken en superieur en zondeloos te genieten van mezelf.

Een eerste stapje naar vergeving is het erkennen van de ego-gerichte impulsen die ik bij de boeven veroordeel in mezelf. Het ego verschuilt zich hierbij achter een illusoire rangorde in zonden. “Ik sla toch niemand de hersenen in, vergrijp me toch niet aan kinderen en buit toch geen vrouwen uit?’. Dit is een handige manoeuvre waarmee ik probeer de projectie te rechtvaardigen. Ik weiger te zien hoe ik dezelfde neigingen (bijvoorbeeld aanvallen van onschuld, waarde toekennen aan geld) in andere vormen koester.

Vervolgens kan ik zien wat het me lijkt op te leveren om mijn “boeven-broeders” te veroordelen. Ik kan de zelfgenoegzame afgescheidenheid bij mezelf opmerken waarmee ik de illusie van een ikje in een boze buitenwereld overeind houd. Wat zou er gebeuren als ik zou weigeren mezelf als superieur te beschouwen aan m’n broeders? Ik heb het nu niet over een gedeeltelijk vergoelijken van hun misstappen. Niet een “ach, ze kunnen er misschien niets aan doen dat ze zo geworden zijn” en een “ik herken het eigenlijk ook wel een beetje bij mezelf”. Nee, in plaats hiervan een totaal liefhebben van de agressieve, op geldbeluste kinderverkrachter. Kan ik de totale eenheid zien van mezelf en die ander? Kan ik dat wonder toelaten?

Hier komt die prachtige werkboekles 91 om de hoek kijken:

“Wonderen worden gezien in het licht”.

Hierin staat: “Je twijfelt er niet aan dat de ogen van het lichaam kunnen zien. Je twijfelt er niet aan dat de beelden die ze jou vertonen werkelijkheid zijn”. Vervolgens worden we opgeroepen om ons geloof in wat we zien, met als krachtige symbool ons eigen lichaam, wat los te laten. Het is immers onze fixatie op afgescheiden vormen die ons blind maakt voor de waarheid. Wij veroordelen anderen om de eenheid juist niet te ervaren. Gelukkig is er hoop voor ons. We hoeven niet zelf te zoeken naar liefdevolle gedachten. Die zijn ons in onze denkbeeldige afgescheidenheid per definitie vreemd. We hoeven slechts de teugels van ons geloof in de slechtheid van anderen wat te laten vieren en ons in vertrouwen te richten op God en al Zijn Gedachten. Het licht en de ervaring van Zijn vrede zijn er altijd al, maar we houden deze buiten de deur omdat we bang zijn voor de liefde en eenheid die we ervaren als we ons oordelen wat loslaten. WB91 is een uitnodiging voor een (hernieuwde) kennismaking met het wonder van vergeving dat plaatsvindt als we het duister niet geloven. Er is al licht en we zien de wonderlijke werking als we Zijn visie vertrouwen en niet de veroordelende ogen van ons lichaam. Wat een genade.