Stribbelend ego

Peuter-aandacht-vragen

Het gebeurt helaas vaak, te vaak naar mijn zin. Rond 5 uur ’s ochtends word ik wakker, soms uit een droom. In sneltreinvaart vult het bewustzijn zich met gedachten, gevoelens en sensaties die ik niet bepaald als positief ervaar. Het heeft een paar jaar geduurd maar deze eigenwijze student heeft eindelijk enigszins geleerd waar hij met deze sensaties naar toe moet. Voorheen ging ik vechten waarbij ik me zuchtend van de ene op de andere zij wierp en de draken in mijn hoofd en lijf probeerde te doden. Helaas klopt het sprookje waarbij er voor elke afgehakte kop van de draak er twee nieuwe vuurspugende hoofden verschijnen. Dus nu staak ik dit gevecht vrijwel direct. Ik draai me op mijn rug, een houding waarvan ik weet dat ik hierin niet in slaap val.

Oké, wat lijkt er allemaal aan de hand te zijn? Het ego roept allerlei bedreigende boodschappen. Pijntjes in het lichaam worden gepresenteerd als het begin van een terminale aandoening. Kleine probleempjes worden vergroot tot bergen. Hier overheen wordt als sausje de angst gegoten dat door dit wakker liggen er een dag vol slaperigheid op me af zal komen. Ik kijk ernaar, zo rustig als ik kan. Inventariserend haast. Telkens vraag ik geduldig: “is er nog iets?”. Na een paar minuten is alles wel opgesomd. Ik bedank het ego voor dit hele relaas en doe dan aanspraak op mij recht en macht om naar de andere Partij te gaan luisteren.

Bij het enigszins tot rust brengen van de gedachtestroom helpt het me om nu niet langer de sensaties te labelen maar om te voelen. Natuurlijk kwebbelt het ego er telkens weer doorheen. Die lijkt zich niet veel aan te trekken van mijn voornemen. Ik zie het maar even als een klein kind dat niet wil dat mama een gesprek voert met de buurvrouw. Ik geef het kindje heel kort aandacht, een aai over het bolletje, maar luister dan toch naar de buurvrouw. Ik luister naar de geluiden, veraf en dichtbij. Ik open me voor gevoelens, zonder ervan af te willen.

Vanmorgen kreeg ik hierbij de associatie van het offeren uit de Bijbel. In het paradijs had Adam, als Zoon van God, eerst aan alle dieren en verschijnselen een naam gegeven. Uit een geheel van trillende energie had hij delen afgezonderd, geïsoleerd. Vervolgens had hij met zijn verworven kennis van goed en kwaad er een label opgeplakt; deze ervaring vind ik leuk en deze niet. Op gelijke wijze ben ik de maker van al mijn sensaties die mij nu lijken te overkomen. Ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie maar de maker. Het zijn mijn eigen projecties. Hoe gek het ook lijkt, ik kies ervoor om me nu even vervelend te voelen omdat het de illusie versterkt dat ik een machteloos ikje ben.

Ik glimlach nu en kijk nog eens naar die sensaties die zich lijken op te dringen maar waarvan ik nu weet dat ik ze over mezelf afroep. Ik hoef me hierover niet schuldig te voelen, de Zoon van God speelt slechts maar nu is het tijd dit kinderspeelgoed aan de kant te leggen. Het is tijd om de terugweg aan te vangen en mijn maaksels met vreugde aan te bieden aan God. Zoals de mensen uit het oude testament een dankoffer brachten aan God zo leg ik mijn gedachten, gevoelens en gewaarwordingen op zijn altaar. De terugweg is begonnen, van ogenschijnlijk echte vormen en gebeurtenissen naar de abstracte wereld van God. Terug naar de liefde. Mijn broeders uit de Bijbel lieten zien dat ze beseften dat ze het relatieve inzagen van de dingen die ze offerden. “Kijk Heer, in het spel van de schepping had ik hier waarde aan gehecht maar ik erken nu dat het niets voorstelt en met liefde geef ik het terug aan U”.

Zo geef ik met liefde het hele pakket van al mijn negatieve sensaties aan Hem. Terwijl ik ze laat verdampen op het altaar open ik me voor Zijn liefde. Ik leg ook mijn gevoelens jegens andere mensen op dit altaar. Gevoelens van angst, wrok en weerzin leg ik voor zijn aangezicht. Er valt op te merken dat ik met regelmaat weerzin ervaar om zelfs negatieve gevoelens los te laten. Wat blijft dit toch paradoxaal; op weg naar de liefde wil ik soms nog even vasthouden aan zaken die mij het zicht op Zijn liefde belemmeren.

Ik geef mezelf hierin de tijd. Laat ik een geduldige student zijn, vol van vertrouwen. God is trouw en Hij blijft eindeloos op me wachten. Als ik nog even wil spelen met oud speelgoed dan trekt Hij het niet wild uit mijn handen. Als geduldige Vader wacht Hij aan de rand van de zandbak totdat ik mijn schepje laat liggen en op Zijn schoot kruip. “Dag jongen, ben je daar?”, vraagt Hij liefdevol. Kom maar, dan gaan we naar Huis. Hij tilt me op Zijn sterke schouders en draagt me. En ik kijk om me heen in stille verwondering. Naar de schepping, Zijn schepping.

WB 151: Alle dingen zijn een weerklank van de Stem namens God.

Advertenties

Aanvallen?

dit-is-de-man-achter-de-aanslag-in-manchester

Aan de ontbijttafel blader ik wat door de krant. In een ingezonden stukje schrijft iemand dat we niet moeten investeren in het begrijpen van zelfmoordterroristen. Er zou maar één gepast antwoord zijn; we moeten ze aanvallen en de oorlog verklaren. M’n ego gromt instemmend. Ik blader verder. De PVDA probeert zich weer te profileren door te fulmineren tegen de farmaceutische industrie. Zoals altijd een gemakkelijke prooi waartegen we ons met graagte verenigen in gezamenlijke verontwaardiging. Gelukkig hebben we altijd terroristen, farma, het bankwezen, Shell, Trump, Noord-Korea en ga zo maar door als doelwit voor onze zogenaamd gerechtvaardigde morele aanvallen.

De Cursus heeft een mooi woord voor dit fenomeen waarbij we de schuldigen buiten ons zien en waarbij we een verbale of fysieke aanval gerechtvaardigd vinden: projectie. Ze wijst ons erop dat er een reden is waarom wij zo geneigd zijn een schuldige buiten ons aan te wijzen waartegen we onze giftige pijlen van veroordeling en aanval kunnen richten. Die neiging gaat helemaal terug tot ons geloof in onze afscheiding van God, het ontstaan van ons ik-gevoel door dit nietig dwaze ik-besef serieus te nemen. Zodra we menen dat dit gelukt is, voelen we ons schuldig over deze denkbeeldige rebellie. De omvang van dit schuldgevoel realiseren we ons niet. Dat komt omdat we dit zo onverdraaglijk vinden dat we het weg willen stoppen. We willen het onderdrukken. De meest effectieve manier die we konden bedenken was genoemde projectie. Hierbij geloven we dat we de rottigheid weg kunnen projecteren uit die ene denkgeest die we ten diepste zijn en ook altijd zullen blijven. Het hele universum, ruimte en tijd is het gevolg van deze projectie. Wij hebben ons een buitenwereld gemaakt om ons afgescheiden te kunnen blijven voelen. Een klein onschuldig slachtoffer-ikje in een grote boze buitenwereld.

Ik wil niet pedant alle eerder genoemde denkbeeldige sentimenten tegen denkbeeldig onrecht-buiten-ons veroordelen en wegzetten als een stomme reactie van naïeve broeders en zusters. Daarmee zou ik in exact dezelfde valkuil stappen en me afkeren tegen denkbeeldige stupiditeit buiten me. Natuurlijk huil ook ik mee met slachtoffers van geweld en voel ik de machteloosheid die zo makkelijk omslaat in gevoelens van wraak. Maar toch;  we hebben uiteindelijk allemaal maar één weg te gaan, één les te leren. Uiteindelijk dienen we de projecties terug te nemen en te ontmaskeren als een dynamiek die we gebruiken om ons lekker “ik” en afgescheiden te voelen. Als je mij recht op mijn ego af vraagt wat we dan moeten doen tegen terroristen en zelfverrijking dan kan ik vanuit mijn kleine ikje natuurlijk ook geen enkel antwoord geven dat rekening houdt met de complexiteit van onze illusie.

Ik kan dan ook niet meer doen dan wijzen op de Goddelijke weg die ons gewezen wordt in de Cursus. De weg van vergeving door hulp te vragen aan onze innerlijke Gids. Vanuit ons kleine zelf weten we niet wat we kunnen- of moeten doen. Al onze acties blijven doorspekt met beperkte oordelen, standpunten en aanvallen. We worden echter uitgenodigd om te doorzien, nee, te doorvoelen welke verharding dit oplevert in ons binnenste, in onze denkgeest, en te besluiten dat we dit niet langer willen. Dit is het moment om opnieuw te kiezen: (138): De Hemel is een beslissing die ik moet nemen. En als we er dan voor kiezen om naar de Stem van vrede te luisteren en de oorlogstaal van het ego te negeren is er dat wonder. Onze veroordeling maakt plaats voor Zijn zegening van onze broeders en zusters die zo verdwaasd zijn dat ze menen anderen te moeten beroven of vermoorden om gelukkig te zijn. We kunnen hun geloof, wellicht in minder dramatische vormen maar van dezelfde essentie, ook in onszelf herkennen en vergeven. We worden altijd samen vergeven, samen schoongespoeld. (137) Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen.

Hoe zullen we dan reageren? Dit kunnen we vanuit ons beperkte ikje niet voorspellen. Hier komt vertrouwen om de hoek kijken. Het vertrouwen dat onze overgave aan de Liefde altijd tot iets moois leidt waarbij iedereen het beste af zal blijken te zijn. Vuisten zullen zich uiteindelijk otspannen, armen zullen gespreid worden om elkaar te omarmen. En wellicht zal dan de terrorist zijn bommen ontmantelen en zullen we elkaar met betraande ogen bezien en de Hemel zien. In elkaar, in Liefde, in Hem.

Niets aan de hand, niks te vergeven?

Niets aan de hand

Lekker, zo’n dag die je gewoon toelacht. Een pril zonnetje schijnt al door de gordijnen van de slaapkamer. Als eerste pak ik na het wakker worden mijn iPhone waarop ik de werkboekles van de dag lees (141): Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God. Dat is mooi, heel mooi. Vervolgens open ik de app van de krant en lees een paar berichten. Mmmm. Daarna denk ik met een tevreden glimlach terug aan gisteren. Dat was een gezellige middag. Nu dwalen mijn gedachten af naar straks. Ik ga nog een stukje rennen. Had ik eigenlijk gisteren willen doen, maar toen kwam het niet uit. Welke route zal ik straks lopen?

Tja. Mijn denkgeest loopt vol met gedachten die ik kennelijk aantrekkelijk en de moeite waard vind en ze geven me positieve, blijde gevoelens. Het zijn gedachten waar ik ook weinig last van heb. Het is eerder omgekeerd, het lijken mij gedachten toe die illustreren dat ik gelukkig ben. Ik ben tevreden en heb zin in de nieuwe dag. In zo’n “positieve” bui is mijn gerichtheid op de Cursus minder. Ik lees de volgende zin: “Vergeving is de sleutel tot geluk”. Mooi hoor, heel mooi, mompel ik in gedachten. Maar wat zou ik willen of moeten vergeven als ik me prima voel en fijne gedachten denk? Mijn motivatie tot het doen van vergevingsoefeningen is een stuk groter als ik aanvals- of verdedigingsgedachten koester en de daarbij behorende nare gevoelens ervaar. De laatste zin dan maar: “Vergeving biedt me alles wat ik wens”. Ach, al met al ben ik met mijn blijde gedachten van nu toch redelijk tevreden.

Natuurlijk is er niks mis met het hebben van blijde gedachten en bijbehorende gevoelens. Net zo min overigens als met hun negatieve varianten. Het zijn echter twee kanten van dezelfde medaille. De medaille van het ego en het geloof in een afgescheiden ikje dat zowel gelukkig als ongelukkig kan zijn en meent het verschil hiertussen te kennen. Denken we zo niet allemaal? Als mijn denkbeeldig afgescheiden ikje zich positief verhoudt tot de buitenwereld dan noemen we dat geluk, bij een negatieve verhouding spreken we van ongeluk. In het eerste geval leunen we tevreden achterover, in het tweede geval gaan we vergeven om gelukkig te worden. Bij dit alles nemen we dus onze gedachten en gevoelens, hetzij positief hetzij negatief, behoorlijk serieus.

Dat brengt me terug bij “wat ik denk met God”. Wij kunnen ons geen denken voorstellen zonder gedachten. Maar God denkt geen afgescheiden gedachten. God denkt überhaupt niet zoals wij denken. Ons zogenaamde denken, de stroom van positieve en negatieve gedachten, is een geloof in concepten die zwaar bepaald worden door ruimte en tijd. Kun je je gedachten voorstellen die niet “ergens” over gaan? Denken over mensen, dingen of situaties is iets wat alleen lijkt te gebeuren in onze duale illusie van tijd en ruimte.

Het is niet voor niets dat we bij verschillende meditatievormen uitgenodigd worden onze aandacht te richten op de stille ruimte tussen de gedachten of dat waarin de gedachten verschijnen. Een dergelijk betoog is natuurlijk ook te houden voor de gevoelens en andere gewaarwordingen die door ons bewustzijn heen lijken te trekken. Pas in die ruimte vinden we een rust, een stilte en een vrede die al ons denken ver te boven gaat.

Nu valt de werkboekles wat op zijn plaats. Wat is “vergeven” namelijk anders dan alles wat zich lijkt voor te doen, al onze projecties zoals waarnemingen, gedachten en gevoelens, slechts te ontvangen in de liefde van de Heilige Geest? Om er ons niet langer mee te identificeren maar om weer te leren glimlachen om hun intrinsieke neutraliteit? Ze zijn niks en ze staan al helemaal op geen enkele manier in relatie tot wat we wel zijn; onbegrensde Liefde. Zo wordt vergeven inderdaad de sleutel tot geluk en biedt het alles wat ik zou kunnen wensen. Zo breidt het woordeloze denken van God, Zijn liefde en bewustzijn, zich uit over alles, kijken we eraan voorbij en kunnen we zien dat het goed is zo, ongeacht de vormen die in dit bewustzijn op lijken te doemen.

Het mooie van de Cursus vind ik dat ze een stap verder gaat dan veel Advaita leraren die met name de aandacht leggen op het geven van aandacht aan de schijnbare inhoud van het bewustzijn. In de metafysica van de Cursus wordt namelijk uitgelegd waartoe wij zo druk aan het projecteren en identificeren zijn. Dit is omdat er in het onbegrensde bewustzijn dat nietig dwaze idee is ontstaan dat afscheiding van het onbegrensde bewustzijn mogelijk is. Dit vervulde ons met zoveel angst voor de eenheid, voor de liefde, dat we een binnen- en een buiten wilde maken. Dat we tijd en ruimte wilden maken en allerlei waarnemingen, gedachten en gevoelens die onze illusie van een ikje die dit meemaakt zouden versterken en bevestigen.

Toch is de waarheid nooit veranderd en tegelijk met het ontstaan van de illusie was daar de herinnering aan hoe het werkelijk is. Die “roep terug” is de Stem van de Heilige Geest. De Magneet van de waarheid waartoe we naar terug getrokken kunnen worden als we weigeren ons mee te laten sleuren in de illusie. We kunnen onze angst hiervoor zien en net zomin serieus nemen als de rest wat zich lijkt voor te doen. Vergeven dus; de sleutel tot geluk en alles wat ik wens.

Stoppen met “doen”

Meditatie-3-1024x768

Ik kan mezelf bezig zien als drukke doener. Er lijkt zich in mijn hoofd een entiteit te bevinden die actief is om bepaalde doelen te bereiken. Laten we deze entiteit maar weer eens ego noemen. Ego beoordeelt ook vrijwel continu of de situatie al oké is of dat er nog iets moet gebeuren. Vroeger of later kiest hij steeds voor de tweede optie; wat zich voordoet vindt hij niet goed genoeg.

Puristen binnen non-dualistische kringen zeggen soms, terecht, dat het niet mogelijk is te streven naar het zwijgen van dit ego. Dat is niet ingewikkeld om te begrijpen zodra je ziet dat het de streber zelf is die dat gaat proberen. Iets willen gaan doen om wat minder te doen schiet niet echt op. Het is echter jammer wanneer je op basis van deze opvatting het kind met het badwater weggooit en niet een vorm van stiltebeoefening inbouwt in je leven. Een druk doend ego kan gezien worden als een flinke schreeuwlelijk en het valt niet mee om de zachte Stem van de Heilige Geest te horen als het ego er non-stop doorheen zit te tetteren.

Er zijn veel technieken die ons behulpzaam kunnen zijn om, althans enigszins, uit die doe-mode te komen. Een vrij simpele maar uiterst effectieve techniek wordt ook vaak toegepast aan het begin van Cursus-bijeenkomsten. Hierbij wordt even tijd genomen om als het ware te landen in de tijd en ruimte waarin je op dat moment bent. Kortgezegd komt het er op neer dat je de aandacht richt op wat je met je zintuigen waarneemt. Dit is overigens ook de kern van mindfulness. Door je aandacht te brengen naar het luisteren (zonder oordelen, naar alle geluiden) of naar het voelen (je gewicht op de ondergrond, de lucht langs je gezicht, andere gewaarwordingen) gaat er als het ware een knop om; van druk doen naar ontvankelijkheid.

Dit verklaart direct de weerstand die we ervaren tegen stille tijd. Misschien herken je het wel. Ik bespeur het in elk geval wel bij mezelf. Misschien begin je even met luisteren naar geluiden maar binnen de kortste keren ga je weer kopje onder in een stroom van gedachten. Mijn eerste reactie hierop is er een van arrogantie: “ach, zo’n stilte-oefening. Als ik echt zou willen dat lukt me dat makkelijk maar ik heb gewoon nu hier even weinig zin in”. Hier zit echter meer achter. Het is namelijk de weerstand van het ego dat zich bedreigd voelt dat weg wil uit de situatie waarin gevraagd wordt om niet te doen maar te ontspannen en te ontvangen.

Als dit gezien wordt kan er fanatisme ontstaan waarbij de doener er een schepje bovenop doet om niet meer te doen. Dit is het mechanisme waar genoemde hardcore non-dualisten op wijzen als ze de zinloosheid van dit soort oefeningen willen aantonen. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Bij mindfulness leer je om heel mild en liefdevol met dit afdwalen om te gaan. Sterker nog, het afdwalen en weer terugbrengen van de rustige aandacht is de oefening. Heel mild laat je je niet van de wijs brengen door gedachten, gevoelens en gewaarwordingen die langstrekken. Elke keer ga je terug naar luisteren, voelen, ontvankelijkheid. Door dit geregeld met deze liefde en zachtheid te doen merk je dat het een gewoonte kan worden die ook nog eens weldadig voelt.

En nu de parallel met de Cursus en ons dagelijks leven in de zogenaamde buitenwereld. De Cursus gaat uit van het inzicht “zo binnen zo buiten”, omdat er geen binnen en buiten de denkgeest bestaat. Waar ik naar toe wil is onze houding ten opzichte van zaken die we buiten ons willen projecteren. Denk aan lastige mensen of andere ongewenste situaties. Zie je de overeenkomst met de storingen van onze “eigen” ongewenste gewaarwordingen tijdens een mindfulness oefening? Hoe kunnen we nu omgaan met de ongewenste “uiterlijke” omstandigheden? Op precies dezelfde wijze als bij mindfulness. We nemen de situatie waar, we zien onze reactie en reageren met een milde glimlach. We gaan niet mee in de illusie maar stemmen af op het voelen, op het luisteren naar de zachte Stem van de Heilige Geest. Dit doen we met eindeloos geduld, keer op keer, als gelukkige en geduldige studenten. We hoeven de situatie niet zelf te fiksen, we hoeven niks te doen of te veranderen. Ten diepste hebben we vanuit het ego ook geen idee wat we zouden moeten doen. Deze wijsheid komt vanuit een veel dieper laag, vanuit ons Zelf, vanuit de Heilige Geest. Constant mogen we onze aandacht terugbrengen naar Hem en daarmee uit de doe-mode komen en in de wonderstaat komen waarin genezing kan plaats vinden. Het aanbod van een zegening is er namelijk altijd. We hoeven deze alleen maar in ontvangst te nemen door ons over te geven aan de leiding, die feitelijk ook nooit in onze handen was,  aan het geheel waarin wij bevat zijn. Uit dit geheel, uit deze milde diepte komt altijd, jawel, altijd een antwoord, een respons, de genade. Wellicht voelen we dat niet direct omdat we er voor kiezen de “verstoring” nog even serieus te nemen. Als dit gebeurt mogen we keer op keer samen met Hem hier als het ware doorheen kijken. Erin rusten zodat het wonder van genezing kan gebeuren. Als genade, vanZelf.

WB 140: Alleen van verlossing kan worden gezegd dat ze geneest. Spreek tot ons, Vader, opdat wij mogen worden genezen.

De denkgeest centraal; weer over lichamelijke ziekte

jezus geneest

Als we iets lezen over ‘genezing’ dan spitst ons ego direct de oortjes. De identificatie met ons lichaam is voor ons ego namelijk van topprioriteit. Bij het nadenken over dit lichaam zijn twee standpunten voor het ego volledig acceptabel:

  1. Lichamelijke ziekte overkomt je, je bent er het slachtoffer van
  2. Je bent zelf verantwoordelijk voor de ziekte van je lichaam

De onhoudbaarheid van het eerste standpunt krijgen we redelijk snel in de smiezen. We leren dat we juist niet het slachtoffer zijn van de wereld die we zien. Dan speelt het ego zijn tweede kaart: “Aha, jij bent dus de veroorzaker van de ziekte van het lichaam en hiermee verantwoordelijk voor je eigen ellende”. Dit tweede standpunt lijkt ons hoop te bieden op lichamelijke genezing en dit is wat we zo dolgraag willen. We absorberen met graagte uitspraken van leraren die ons op deze mogelijkheid wijzen. Jezus had om dezelfde reden ook niet te klagen over voldoende aandacht. Volksstammen kwamen bij hem langs om de felbegeerde lichamelijke genezing in ontvangst te nemen.

Ik meen dat het uiterst belangrijk is om de gemene, letterlijk gemene, deler in beide ogenschijnlijk verschillende standpunten te ontmaskeren als ego-taal. Hoewel beide uitspraken namelijk iets diametraal tegenovergestelds te lijken zeggen gaan ze toch nog allebei van hetzelfde uit: het lichaam is echt en daarmee is de ziekte of de gezondheid van het lichaam ook echt.

De Cursus beweert echter anders. Het lichaam is niet echt, het is een projectie vanuit de denkgeest om ons gevangen te houden in de illusie van afgescheidenheid. Deze projectie heeft in het geheel geen eigenschappen en is neutraal, zoals alles wat we buiten ons menen te zien neutraal is. Wat is dus in feite het meest liefdevolle wat je kunt zeggen tegen iemand die meent te lijden aan een lichamelijke ziekte? Het is niet handig om te beloven dat hij of zij “beter” zal worden door het goed beoefenen van vergevingslessen. Waarom is dit niet handig? Omdat je hiermee zijn of haar illusie bevestigt dat de ziekte echt is en genezing behoeft.

Het is behulpzamer om samen met de zogenaamde zieke te onderzoeken wat het zieke lichaam hem wil doen geloven en hier samen vraagtekens bij te plaatsen. De waartoe-vraag is hierbij essentieel. Waartoe focus je zo op de ziekte of juist op het gezond worden van je lichaam? Langs deze weg kan ontdekt worden dat zowel geloof in een ziek- als in een gezond lichaam de twee kanten van dezelfde medaille zijn: geloof in afgescheidenheid van God in een kwetsbaar lichaam. We kunnen vervolgens ontdekken dat we dit geloof aanhangen omdat we alles veiliger vinden dan te ontdekken dat we denkgeest zijn, één met God, met Hem verbonden in grenzeloze Liefde. Vervolgens kunnen we onze angst bij Hem brengen om deze angst te laten genezen.

Nu komt de laatste stuiptrekking van het ego. Het roept dat de projectie wel moet veranderen als de denkgeest geneest. En jawel, het ego heeft hier gelijk. Het lichaam is namelijk inderdaad niets meer dan een projectie. We kunnen uit angst proberen iedere verandering in deze projectie te blokkeren en daarmee vasthouden aan ogenschijnlijke van het lichaam. Het onderzoeken van deze angst voor genezing in de denkgeest om deze angst te kunnen vergeven is echter wat anders dan lichamelijke genezing claimen als bewijs dat het nu eindelijk voor elkaar is. Dat nu pas de les echt geleerd zou zijn. Zie je de subtiliteit? Zodra we de focus op het lichaam leggen en beweren dat dit wel de genezing in de denkgeest moet volgen hebben we dit lichaam gelijk weer belangrijk gemaakt en het ego voer gegeven te volharden in zijn angstig isolement. Het lichaam is niets, nop, nada. Het is niet bestaand. Het bewijst helemaal niets en is onbelangrijk.

Haal er ten overvloede maar de samenvatting van de Cursus bij.

Niets werkelijks kan bedreigd worden.
Niets onwerkelijks bestaat.
Hierin ligt de vrede van God.

Zolang we geloven dat het lichaam ziek of gezond kan zijn menen we dat het bedreigd kan worden. Hiermee bewijzen we dat we geloof hechten aan iets dat niet bestaat, namelijk in het lichaam. Genas Jezus dan niet de zieken? Jawel, maar daar ging het ten diepste niet om. De kern van zijn boodschap was dat zonde (afscheiding) niet bestaat. Zijn doel was niet om ziekte en dood te overwinnen maar om te laten zien dat ze niet bestaan. De genezingen op zich en de opstanding van hemzelf uit de dood waren niet meer dan illustraties hiervan. Geen doelen, maar een manier om de angst in de denkgeest van zijn broeders naar het licht te brengen en te genezen.

Genezing vindt plaats in de denkgeest. Dit is de “plek” die onze aandacht verdient en waar via vergeving de genezing kan plaatsvinden. Zodra we onze aandacht brengen naar ons zogenaamde lichaam gaan we glibberen. Onze aandacht voor lichamelijke ziekte laat zien dat we belang hechten aan dit lichaam en daarmee maken we er een afgod van. Staar je niet dood, letterlijk, op die projecties. Wees niet bang voor projecties van ziekte noch van projecties van lichamelijke genezing (!) maar focus je er in Godsnaam niet op want dit is voer voor het ego. Richt je op de denkgeest, op God en zijn boodschapper in je hart; de Heilige Geest. Laat hier je geloof in afgescheidenheid en zonde schoonspoelen en laat zich dan maar een gelukkige maar onbelangrijke droom openbaren als, nog steeds tijdelijk, denkbeeldig gevolg. Houd je kompas op Hem gericht en je merkt vanzelf wel dat de koers die Hij vaart de juiste is. Zal de ziekte dan uiteindelijk verdwijnen? Jawel, samen met de illusie van gezondheid en met die van het hele universum.

Babbelbox

IMG_0633

Op vakantie in de Algarve. Schitterende omgeving en lekker weertje. Na een leuk autotochtje zaten we gistermiddag even op ons kleine balkon. Kopje thee erbij, kijken naar de zwaluwen, de wolken en luisteren naar alle geluiden waaronder het eindeloze gekakel van een buurvrouw. Met zwaar Amsterdams accent en een luide, diepe doorrookte whiskey-stem legt ze haar hele levensgeschiedenis en levenswijsheid uit aan haar grotendeels zwijgende vriendin. Flesje wijn erbij en een reeds goed met peuken gevulde asbak. Ik probeer het oeverloze geklets te negeren. Tevergeefs. Ik irriteer me aan de eindeloze woordendiarree waar maar geen einde aan komt. Na een uurtje besluit ik mezelf niet langer te kwellen en vertrek ik naar het zwembad. Als ik anderhalf uur later gedoucht heb en weer plaatsneem op het balkon om nog even lekker een uurtje te chillen voor het avondeten blijkt buurvrouw nog lang niet uitgepraat. Haar stem echoot heftig tussen de andere balkons van het U-vormige appartementencomplex. Allemachtig.. weinig vriendelijke gedachten komen bij me naar boven en we besluiten om maar wat vroeger ons restaurantje op te zoeken.

Les niet geleerd en dan weet ik het al. ‘S nachts komt het tafereeltje weer bij me aankloppen. Ik merk dat ik nog niet eens zozeer geïrriteerd ben op de buurvrouw maar veel meer op mezelf. Waarom zit ik me zo op te fokken? Waarom sta ik hier niet boven en kan ik het niet gewoon met een liefdevolle glimlach laten voor wat het is?
Ik draai me op m’n rug, ontspan me en kijk zo open mogelijk naar m’n gedachten. Ik blijk vooral de oppervlakkigheid en het automatisme van het doorbabbelen te veroordelen. Met enige tegenzin neem ik de projectie terug en onderzoek deze eigenschap bij mezelf. Zo’n hersenloze oppervlakkige babbelbox wil ik echt niet zijn! Maar, helaas, natuurlijk is mijn ego niet meer dan dat; een hersenloze babbelbox. Deze zie ik nu op een balkon naast me geprojecteerd en daar richt ik mijn oordeel op. Dat is fijner dan de eigenschap in eigen denkgeest te veroordelen.
Ik ben er nog niet. Er zit een lading schuld op. Ik meen als babbelbox van God-los te zijn en daarmee afgescheiden en schuldig. De vermeende oppervlakkigheid is symbool voor vermeende anarchie tegen God, tegen de liefde.

Ik voel wat mijn oordeel over mijn geprojecteerde Amsterdamse filmster met mij doet. Ik voel me boos en afgescheiden. Nu weet ik wat me te doen staat. Ik moet de babbelaar in haar- én die in mezelf vergeven. Zonder deze zuster die mij zo fraai spiegelt kan ik de hemel niet betreden. Sta ik nu te trappelen om deze vergeving direct te laten gebeuren? Nee dus. IK heb hier helemaal geen zin in en heb dringend Hulp nodig. De liefde die ik nodig heb is meer dan een rationele analyse.

WB 126: Al wat ik geef is aan mijzelf gegeven.

De Hulp die ik nodig heb om te leren dat dit waar is, vergezelt mij nu. En in Hem zal ik mijn vertrouwen stellen.

‘Heer hier is mijn oordeel. Ik merk dat het me verhardt en dat het me bevestigt in mijn illusie van afgescheidenheid. Ik wil dit niet. Ik wil Uw vrede ervaren en mezelf niet afgescheiden zien van mijn zuster. Heer vul me met Uw liefde zodat deze kan stromen en ons met Uw vrede kan vervullen.’