Nu beschikbaar in het Nederlands: Een Cursus van Liefde.

Velen, waaronder ikzelf, zien het Engelstalige “A Course of Love” (Een Cursus van Liefde) als het vervolg van Een Cursus in Wonderen (ECIW). Dit betekent niet dat ik mijn interesse voor ECIW verloren heb. Nee, mijn bewondering voor dit magnifieke boek blijft onverkort bestaan. Elke keer als ik erin lees ontdek ik weer diepere lagen. Een belangrijk doel van ECIW is, in mijn beleving, om ons onze ware identiteit als Zoon van God te doen herinneren. Jezus spreekt ons aan op het niveau waarop wij ons menen te bevinden, dat van een zoekend ikje dat verdwaald is in een duale wereld. Jezus nodigt ons in ECIW uit om niet langer naar de stem van het ego te luisteren. De stem die ons wil overtuigen van de echtheid van de afscheiding en van de sterfelijkheid van ons lichaam. Jezus nodigt ons uit om te luisteren naar de stem van de Heilige Geest die onze droom van afscheiding geneest en ons zo via vergeving weer de herinnering biedt aan onze ware identiteit.

In Een Cursus van Liefde (ECVL) merkt Jezus op dat we de neiging kunnen hebben om te blijven hangen in het leerproces. De macht van het ego is weliswaar aangetast maar nog niet definitief gebroken. We blijven hangen in de rol van leerling die met vallen en opstaan zijn weg baant door dit leven. Deze manier is echter niet die waartoe wij als Zonen van God bestemd zijn. Daar is ECIW natuurlijk ook duidelijk over. Hierin nodigt Jezus ons uit om onze speciale haat- en liefdesrelaties te laten transformeren tot heilige relaties. Maar wat is nu toch zo’n heilige relatie? Daar komt ons verstand eigenlijk niet goed uit. In eenheid kan er toch geen relatie zijn? Wie zou een relatie met wie/wat moeten hebben? Hetzelfde probleem ondervindt ons verstand met de schepping van God. Hoe kan er in eenheid sprake zijn van schepping waarbij je toch zou denken dat er onderscheid moet zijn tussen schepper en het geschapene?

Precies hier helpt Jezus ons in ECVL verder. Hij doet dit door met ons een dialoog aan te gaan. In de drie delen van ECVL legt Jezus op zijn bekende liefdevolle en geduldige manier uit wat het inhoudt om werkelijk in vereniging en relatie te zijn met onze broeders en zusters en met onze Vader. Omdat hij weet dat ons denken tekortschiet om dit te vatten, spreekt Jezus ons aan op het niveau van ons hart. Dit is ons diepste wezen, ons Zelf, dat totaal geen moeite heeft met ogenschijnlijke tegenstellingen zoals in het begrip heilige relatie. Hetzelfde geldt voor het mysterie van schepping. Hoe kan er sprake zijn van zoiets als individuatie zonder dat de eenheid doorbroken wordt? Jezus nodigt ons uit tot direct weten door ons denken als het ware onder curatele te stellen van ons hart. Hij nodigt ons uit tot “heelheid-van-hart”.

Ons verstand protesteert heftig tegen het mysterie van de heilige relatie en het mysterie van de schepping. ECVL werd rond de millenniumwisseling geschreven door Mari Perron die de woorden mocht ontvangen van Jezus. Vele ECIW-studenten herkenden direct de stem van Jezus in ECVL en verheugden zich in het geschenk dat ze mochten ontvangen. Sommigen, waaronder enkele ECIW-prominenten, hadden en hebben meer moeite met de nieuwe benaderingswijze waarbij het denken niet langer de hoofdrol speelt. Jezus spreekt hierover in ECVL en zijn reactie is vol begrip. Maar hij weet dat de tijd van discussiëren, argumenteren, overtuigen en evangeliseren voorbij is. Jezus nodigt ons uit om ons bereidwillig open te stellen voor de liefde van God, de liefde van ons Zelf. De tijd van gehoorzamen aan autoriteiten is voorbij ook al betreft het geleerde mannen van naam. Uiteindelijk stapt aan het einde van ECVL zelfs Jezus terug als leraar wanneer hij ons uitnodigt om, zelfs in deze wereld, te gaan leven vanuit ons Zelf, vanuit het Christus-bewustzijn dat we delen met de hele schepping.

Ik weet niet of jij, lieve broeder of zuster, lezer van dit bericht, eraan toe bent om via ECVL de directe dialoog met Jezus aan te gaan. Misschien is het beter om je op ECIW te blijven richten. Misschien is “nog niet” het juiste antwoord voor jou. Ik wil je dus niet overtuigen of overhalen om eraan te beginnen. Maar het vervult me wel met grote blijdschap je te mogen vertellen dat het Engelstalige “A Course of Love” nu in zijn geheel vertaald is en beschikbaar via de Nederlandse boekhandels als “Een Cursus van Liefde”. Let wel op als je het boek wilt aanschaffen dat je niet per abuis het roze boek getiteld “Een Cursus in Liefde” bestelt.  Dit roze boek bevat slechts het eerste van de drie delen van de complete editie.

In liefde met je verbonden,

Simon Schoonderwoerd

https://www.bol.com/nl/nl/p/een-cursus-van-liefde/9300000100791796/?bltgh=njjJOroOrJbI2sxesIpJUg.2_5.6.ProductImage

Innerlijke transformatie en rust door ECIW en ECVL

Onze ware identiteit is te wonderlijk voor woorden. Dit weerhoudt ons er niet van om te proberen deze identiteit toch met woorden te omschrijven. Ook Jezus kan in Een Cursus in Wonderen (ECIW), Een Cursus van Liefde (ECVL) en The Way of Mastery (WOM) niet anders dan te werken met woorden. Als wij zijn teksten lezen dan komen die woorden in eerste instantie binnen via ons hoofd, ons verstand. Wij hebben vragen en verwachten antwoorden. We hebben problemen en willen weten wat we ermee moeten doen. We willen, anders gezegd, leren hoe het zit en weten wat te doen. Deze aanpak is voor ons zo vanzelfsprekend dat we deze zonder bij stil te staan accepteren als juiste handelswijze. Deze aanpak is echter de manier van doen van de Zoon van God die is gaan geloven in de afscheiding. Het is de manier van de wereld, de manier uit de droom van afgescheidenheid. Dit geeft niks, we kunnen niet anders en Jezus weet dit. Ken Wapnick zei treffend dat Jezus ons aanspreekt op het niveau waarop wij ons bevinden.

Het gave van ECIW, en vooral van de werkboeklessen, is dat we langzaam maar zeker getransformeerd worden, zelfs zonder dat we het beseffen. Misschien komt dit doordat ons verstand telkens weer tegen zijn grens aanloopt. Of misschien komt het door de ervaringen die we krijgen door het doen van de werkboeklessen. Hoe het werkt weet ik niet, maar dát het werkt weet ik wel. Het is ook de ervaring van mijn medestudenten. Bij een eerste lezing van ECIW snap je er soms weinig van. Bij de tweede lezing denk je dat je het doorkrijgt. Oh nee, bij de derde lezing zie je het toch weer met nieuwe ogen. Enzovoorts. Als ik dit proces probeer te beschrijven dan zou ik zeggen dat zich een fijngevoeligheid ontwikkelt, een soort intuïtie. Hele stukken van het Tekstboek komen nu veel directer en moeitelozer binnen en je weet gewoon dat het klopt. Het is niet zozeer het “verhaaltje” dat klopt maar waar het naar verwijst.

Wat er vervolgens kan gebeuren is, ik doe mijn best om er woorden aan te geven, een soort innerlijke shift. Er treden momenten op waarbij je simpelweg weet dat je beperkte droomperspectief wordt overstegen. Met deze shift komen er momenten van direct weten, van directe kennis. ECIW geeft aan hoe je hier komt. Door oordelen achterwege te laten en door je projecties te laten oplossen door liefde, door de Heilige Geest. Dit is vergeving. Een Cursus van Liefde gaat daar nader op in en spreekt van het onderhouden van het Christus-bewustzijn. Dit gaat gepaard met een gevoel van tederheid en vereniging. ECIW spreekt van het besef van de Heilige Relatie.

In ECVL gaat Jezus de dialoog met ons aan waarbij er iets “van binnen” gaat gebeuren dat diepgaand is. Zolang we nog vanuit ons droomperspectief leven, lijken Jezus en Heilige Geest min of meer los van ons te staan en op te treden als intermediairs. Het is, wederom, Ken Wapnick die aangaf dat er natuurlijk geen echte grens bestaat tussen ons, God, Jezus en de Heilige Geest. Ik heb echter afgelopen jaren gezien dat er ECIW-studenten zijn die met deze woorden van Ken (“Jezus en HG zijn symbolen”) gingen schermen vanuit een droomperspectief. Dit resulteert in uitspraken die weliswaar soms woordelijk uit ECIW gehaald kunnen worden maar die, uitgesproken vanuit droomperspectief, niet behulpzaam zijn. Het “God weet niets van deze wereld” leidt, zonder gevoel voor onze diepe vereniging met God, tot gevoelens van wanhoop en eenzaamheid. Het “er zijn geen anderen” leidt onder deze condities tot naar binnen gekeerde apathie. Ik heb hier dikwijls over geschreven. Het vormde voor mij de reden om te wijzen op de uitleg van die andere grote ECIW-leraar, Robert Perry. Niet omdat deze gelijk zou hebben en Ken Wapnick ongelijk, maar om ons overactieve brein te behoeden voor het formuleren van een nieuw dogmatisch geloof dat geen recht doet aan het mysterie van ECIW.

In mijn beleving probeert Jezus in ECVL hetzelfde duidelijk te maken als Ken Wapnick. En, wederom in mijn beleving, doet Jezus dit op een dusdanig wijze en directe manier dat de kans op misverstanden minimaal is. De kern van deze aanpak is het direct aanspreken van ons hart zonder daarbij ons overactieve verstand te activeren. Dit maakt van ECVL een boek dat zich niet één, twee drie makkelijk laat begrijpen of samenvatten. Ook ECVL is een boek dat je moet beleven en dat tijd nodig heeft om zijn werk te doen, net zoals dat geldt voor ECIW.

Er zijn Amerikaanse ECIW prominenten die weinig begripvol spreken over ECVL. Het is voor mij lastig hierop te reageren. Ik kan me namelijk zonder moeite verplaatsen in hun argumenten. Het enige dat ik daar namelijk voor hoef te doen is mezelf terugtrekken in mijn hoofd zonder te luisteren naar mijn hart. Op dit verstandelijk, conceptuele niveau zou ik aan de hand van allerlei citaten een poging kunnen doen om aan te tonen dat er geen spanning bestaat tussen ECIW en ECVL. Hoe zou dat kunnen? Jezus spreekt zichzelf niet tegen. Vanuit mijn hart borrelt echter zachtheid omhoog voor ons oververhitte hoofd. Voor alles is een tijd en dit heb ik in mijn eigen leven zo duidelijk ervaren. Ik heb gezocht, getwijfeld en gediscussieerd. Het hoorde er gewoon bij en het zal nog wel eens gebeuren. Maar nu mag ik even genieten en rusten.  

Mijn Vaders ogen van Liefde

Zodra ik wakker word open ik de Werkboekles van vandaag (Nr 100). Wat ik lees ontroert me:

“Gods Wil voor jou is volmaakt geluk” en “Zonder jouw vreugde is Zijn vreugde incompleet”

Deze woorden getuigen van een intimiteit tussen mij en mijn Vader die alle verstand te boven gaat. Ik moet denken aan een zin uit Hfst 4:VII:6  die ik eerder deelde op Facebook deze week:

“Maar zolang jij je rol in de schepping niet vervult, is Zijn vreugde niet compleet omdat de jouwe incompleet is. En dit weet Hij. Hij weet het in Zijn eigen Wezen, en in de ervaring daarvan van Zijn Zoons ervaring. Het voortdurend uitvloeien van Zijn Liefde wordt belemmerd wanneer Zijn kanalen gesloten zijn, en Hij is eenzaam wanneer de denkgeesten die Hij geschapen heeft niet ten volle met Hem communiceren.”

Mijn Vader is Liefde en Hij wil zich delen in zijn Kinderen, in jou en in mij. Hij is ons dichterbij dan de gedachten in mijn hoofd. Hij geeft Zich totaal in mij, in mijn wezen. Deze liefde heeft een Wil, de Wil om Zich uit te breiden, een Wil om te Scheppen. Het is mijn natuurlijke functie om onderdeel te zijn van deze hartverwarmende Liefde, om mijn hart af te stemmen op Zijn Hart en mee te creëren, mee te stromen. Dit is mijn functie, dit is mijn volmaakte geluk dat vanzelf gebeurt als ik me voeg in die liefdesstroom.

Ik begin dit steeds duidelijker diep in me te voelen en het maakt me onbeschrijfelijk blij. En als vanzelf wil ik deze blijdschap delen met allen. Ik zou het uit willen schreeuwen dat in ons binnenste een liefdeskracht is die zich wil uitbreiden en dat ik daar niets anders voor hoef aan te dragen dan mijn bereidheid om me over te geven. Zonder mijn bereidheid blokkeer ik de stroom. Jezus beschrijft dit met heerlijke en warme woorden. Hij zegt dat God verdrietig is als hij merkt dat Hij in zijn Wezen, een Wezen dat stromende Liefde is, wordt geblokkeerd door Kinderen die afgescheiden willen zijn. En Zijn “verdriet” is natuurlijk niets anders dan mijn eigen verdriet als ik mijn functie van stromende liefde niet vervul.

Ik kan niet anders dan te proberen deze ervaring te willen delen maar ik merk dat ik dit afgelopen week niet handig deed toen ik verdrietig werd van zoveel teksten die maar herhaalden dat God niets van onze wereld weet. Ik meen te weten wat Jezus hiermee wil zeggen (waarover later meer) maar als ik zie dat broeders en zusters gaan geloven dat God niks weet van hun verdriet maakt me dat droevig en wil ik troosten. Ik wil ze zeggen dat hun Vader zo diep in hun hart zit dat Hij het natuurlijk direct merkt als zijn Liefde niet ontvangen kan worden door Zijn Kind. “Hij weet het in Zijn eigen Wezen” want, en nu wordt het wonderschoon, “en in de ervaring daarvan van Zijn Zoons ervaring”. God huilt met ons mee omdat hij in een Heilige Relatie met ons verbonden is, nu en altijd. Het raakt me enorm als mijn broeders en zusters zich verlaten voelen als ze de indruk krijgen dat hun Vader niets van hen zou weten. Alles in mij roept dan “NEE”, Hij houdt inniger van je dan je weet en Hij mist je als je kiest voor afscheiding.

Dus post ik dan teksten zoals aan het begin van deze blog. Helaas word ik hierbij gehinderd door een mogelijk niet zo handige karaktereigenschap van me. Ik probeer tegenargumenten aan te dragen voor de berichten die suggereren dat God niks van ons weet. Deze hoofd-aanpak roept hoofd-reacties op. Ik roep: “God weet goddank wel van ons” en het te verwachten antwoord is, kortgezegd, “NIETTES!”, onderbouwd met talloze citaten.


Ik zie dat de hele discussie een oneigenlijke discussie is maar kan dit niet duidelijk maken via een uitleg over de zinloosheid van al dit soort verstandelijke concepten. Deze uitleg werkt eerder averechts. Via een zuster krijg ik de uitnodiging om in de ik-vorm te schrijven. Pas nu zie ik dat dit het “delen” is waar Een Cursus van Liefde me toe oproept. De tijd van onderwijzen en leren is voorbij. Dit is de tijd van delen, van geven en ontvangen als één.

Tenslotte kom ik toch nog even terug op God die niets weet van de wereld. Als ik hier slechts over nadenk, dus vanuit mijn hoofd, dan denk ik al na vanuit geloof in de afscheiding. Ik zou hier zijn en God daar. Het uitgangspunt is dan al niet goed en dan kom ik slechts tot rare, kille godsbeelden. Pas als hoofd en hart als één werken komt er warme helderheid. Want wat gebeurt er als ik vanuit liefde leer kijken, vanuit mijn hart? Zie ik dan nog onderscheid en strijd of zie ik dan een Nieuwe Wereld? Dat is het heerlijk vooruitzicht dat Jezus me probeert uit te leggen met de woorden “God weet niets van deze wereld”. Hij voorspelt dat mijn waarneming zal genezen en ik mijn broeder en zusters zonder oordeel zal gaan zien. Ik zal geen zonde en scheiding meer zien maar alleen uitingen van Zijn Liefde. Want Gods ogen zijn mijn ogen.

Neti neti- noch dit, noch dat

Afgelopen dagen presenteerde ik naast elkaar twee visies op thema’s uit Een Cursus in Wonderen; de visie van Ken Wapnick en de versie van Robert Perry. Ik moet bekennen dat ik al jong de neiging had om, als iemand heel hard A riep, als vanzelf een beetje rebels “B” te willen roepen. Zo heb ik tijdens mijn werk op de universiteit lange tijd beweerd dat ik een Telegraaf-lezer was, wat dus niet het geval was, omdat ik verkeerde tussen mensen die zweerden bij het NRC en hun neus ophaalden voor de Telegraaf. Ik vind het ook leuk om mee te doen aan een discussie-spel waarbij halverwege de rollen worden omgekeerd en je het standpunt van “de tegenpartij” moet gaan verdedigen.

Sindsdien heb ik geleerd dat geloof in de waarheid van een bepaald concept (zoals de wereld bestaat niet/wel of God weet wel/ niet iets van de wereld) een relatieve, verstandelijke kwestie blijft. Zo’n geloof biedt een schijnzekerheid waarbij de aanhanger ervan zeker meent te weten dat hij of zij gelijk heeft. “Zo zit het!”  Ik merkte dat het presenteren van de minder gangbare visie van Robert Perry op genoemde kwestie soms heftige reacties teweegbracht. Mij werd oorlogszuchtige taal verweten, passief agressief gedrag en vooral “ego”-gedrag. Ons denken wordt heel onrustig van schijnbaar tegengestelde visies en ziet degene die een afwijkende mening verkondigt als aanvaller van de eigen gemoedsrust en als verkondiger van onwaarheid.

Voor ons denken zijn de genoemde vragen erg belangrijk. Kenmerk van ons duale denken is dat het wil kiezen; het is óf dit óf dat. Het wordt helemaal gek als iemand de mogelijkheid oppert dat het zowel-dit-als-dat is. Of, anders geformuleerd, dat het noch-dit-noch-dat is. Binnen de Jnana-yoga is de neti-neti (noch dit, noch dat) aanpak bekend. Zodra je denkt “zo zit het” dan luidt het antwoord: “dus niet”. Ons denken houdt helemaal niet van: “God weet niets van deze wereld en toch ook alles”. Of “Ik ben niet dit lichaam maar toch ook weer wel” en: “Er is maar één Zoon van God en toch zijn we met velen”.

Deze neti neti aanpak kan zinloos aanvoelen, en dat is het in feite ook, als je het proces alleen met het verstand benadert. Het ware gevoel van de Goddelijke Werkelijkheid is in feite onuitsprekelijk. Wanneer je dit probeert vast te pinnen met het verstand, voelt het als een heel moeilijk mysterie dat niet “opgelost” kan worden. Maar, door toegang te krijgen tot diepere lagen van je wezen, wordt het moeilijke mysterie een prachtig mysterie, en kan er enig gevoel voor worden verkregen.

Om Adyashanti te citeren: “Als dit begrip alleen in je hoofd vastgehouden wordt, kun je het weten, maar je bent het niet. Het hoofd zegt, ‘Oh, ik weet het, ik ben het mysterie,’ en toch doet je lichaam alsof het de boodschap niet heeft gekregen. Het zegt: ‘Ik ben nog steeds iemand, en ik heb al deze angstige gedachten en wensen en verlangens. Als we het bewust zijn, ontvangt ons hele wezen de boodschap. En wanneer het hele lichaam de boodschap ontvangt, is het alsof er lucht uit een ballon gaat. Wanneer alle tegenstrijdigheid, onrust, en het zoeken naar dit en dat leegloopt, is er de ervaring dat het lichaam een verlengstuk is van het mysterie. Dan kan het lichaam gemakkelijk bewogen worden door het mysterie, door pure geest.”

Ken Wapnick zou overigens gruwen van die laatste twee zinnen uit het citaat van Adyashanti. Volgens mij passen ze prima in de visie van Jezus zoals deze staat in de Bijbel, de complete Cursus, The Way of Mastery en Een Cursus van Liefde. Maar nu val ik terug in mijn “jij zegt A dus zeg ik B”-neiging. 😉

Ik sluit graag af met de wijze woorden van Nisargadatta Maharaj

“Liefde zegt ‘ik ben alles’. Wijsheid zegt: ‘Ik ben niets. Tussen die twee stroomt mijn leven.”

Weet God af van deze wereld?

Ken Wapnick meent van niet. Robert Perry meent van wel. Beiden zijn ervan overtuigd zich op De Cursus in Wonderen te baseren. Het is een grappige ‘discussie’ die gewoonlijk nergens toe leidt maar die ook wij, als toeschouwers van de discussie, serieus nemen. Ik heb helemaal geen zin om met argumenten voor de één of voor de ander de kwestie nog verwarrender te maken. Dus slechts een kort commentaar.

Als we nadenken over de vraag of God iets afweet van deze wereld dan neemt ons ego-verstand direct één onbewuste stap: het vormt zich een heel rommelig beeld van ‘God’ en vervolgens gaan we piekeren of dit conceptuele Godsbeeld iets van de ons bekende wereld zou kunnen afweten. De hoofdrolspeler in deze vraag (God) is echter in ons hoofd niet meer dan een allegaartje aan opvattingen.

En waartoe zouden we ons met deze vraag bezighouden? Is dit behulpzaam? Tot mijn stomme verbazing wordt zo’n uitspraak als “God weet niets van deze wereld” door de lezers begroet met “geweldig” of “helemaal waar” of “fantastisch” enzovoorts. We weten niet eens wie of wat we bedoelen als we het over God hebben maar zijn oh zo blij en enthousiast dat hij niets van ons afweet…

Wat zijn we toch een grappige en lieve kinderen van een vader die misschien wel maar misschien ook niet van ons afweet!

Voorbij het ik-perspectief

Het zal geen toeval zijn dat ik de laatste maanden telkens in gesprek kom met mensen over het thema “wie ben ik” of “wie of wat is dat zelf”. De achtergrond van deze mensen is heel divers; hoog- en minder hoog opgeleid, geïnteresseerd in filosofie, vooral gericht op vakanties en lekker eten, spirituele zoekers enzovoorts.

Studenten van ECIW en ECvL zullen op z’n minst nagedacht hebben over deze vragen. Als deze je niet interesseren zul je vermoedelijk niet op het pad van deze cursussen zijn beland. Maar ik merk dat zelfs bij mensen die al jarenlang spiritueel gezien op zoek zijn, het thema van het ik-perspectief nog een voornamelijk verstandelijke kwestie kan zijn gebleven. Deze ‘ik’ is dan nog steeds aan het leren, aan het onderzoeken, aan het zoeken naar die ene speciale leraar of goeroe en aan het proberen de een of andere verlichte toestand te bereiken.

Vanuit ditzelfde ego-perspectief kan het lijken alsof hierboven verschillende stadia worden gegeven die beginnen bij een hedonistische houdingen en kunnen overgaan in meer spirituele interesses. Zodra het ego verschillen ziet wil het gaan beoordelen en bijvoorbeeld de wereldgerichte houding van de hedonist afkeuren en de spiritueel ingestelde mens hoger waarderen. Dit is vooral een valkuil voor degene die dit oordeel meent te kunnen vellen. In Een Cursus van Liefde wijst Jezus erop dat iedereen geroepen is, dat gerichtheid op ervaringen en het streven naar spirituele kennis allemaal zijn functie heeft en niet mag leiden tot een gevoel van superioriteit bij degene die dit ziet gebeuren.

Ik heb deze verschillende stadia, als ik ze toch even zo mag noemen, gezien in mijn eigen zoektocht door de tijd en ik zie ze nog steeds opduiken in m’n denkgeest. Soms ben ik ondergedompeld in werelds genot, soms meen ik dat er spiritueel gezien nog van alles te doen en te bereiken is maar, gelukkig, soms zijn er momenten van grotere helderheid waarbij er een soort toekijken is op dit hele gebeuren vanuit een ruimer perspectief. Vanuit dit ruimere perspectief is dan te zien dat zich vanuit eenheid iets ontvouwt dat ik eerder heb omschreven als ‘het spel van tweeheid’. Vanuit stilte is het mogelijk om zoiets als gevoel te krijgen voor het ontstaan van de tijd-illusie en de ik-jij-illusie. Vanuit dit ruimere perspectief is er een doorzien van de ogenschijnlijke drama’s in de 3D wereld. Dit ‘doorzien’ vergt een kleine toelichting.

Er kan sprake zijn van een verstandelijk en afstandelijk doorzien of van een warmer en betrokken doorzien. Bij het uitsluitend verstandelijk doorzien van de 3D-illusie kan er onbewust nog flink sprake zijn van hetzelfde ego-perspectief, soms nu aangeduid als ‘spiritueel ego’. Het onderkennen hiervan vergt eerlijkheid. Ervaar je ongenaakbaarheid, afscheiding, gevoelens van verhevenheid en superioriteit? Kijk je neer op ‘lagere’ stadia? Dan heb je duidelijk nog vergevingswerk te doen en mag je deze trots, dit oordeel deze hang naar afgescheidenheid laten genezen door de liefde. Maar het is ook mogelijk om een ander soort zicht op de 3D droom te verkrijgen. Hierbij herken je de neiging om een ik-positie in te nemen die je opmerkt in gesprekken met anderen ook in jezelf. In de eerlijke, open en liefdevolle erkenning hiervan gaat plotseling compassie stromen; naar die ogenschijnlijke ander en weer terug naar jezelf. Je ziet dat je geen haar beter bent dan die ander en dat het hele concept van ‘beter zijn’ niet meer is dan dat; een concept dat je mag loslaten. Die zogenaamde ander is net zo heilig als jij, ook een volkomen en voltooid kind van de Vader.

Toch merk ik dat vanuit deze compassie in mij de respons ontstaat om iets te willen uitdrukken van de mogelijkheid van het 5D-perspectief. Gewoonlijk kom ik hierbij met een mond vol tanden te staan en volgen er conceptuele 3D-vragen. Ik zie hoe mijn gesprekspartner probeert met de voor hem of haar bekende tool, het conceptuele verstand, iets te grijpen van de vreugdevolle verwondering die hij of zij wel degelijk opmerkt in onze relatie. Ik mag leren om te zoeken naar de juiste woorden, houding of beter gezegd naar de meest liefdevolle en behulpzame respons. Soms blijkt die geen woorden nodig te hebben, wat voor mij een hele uitdaging is. Soms kan er wel gesproken worden of voelt het goed om een boekje aan te raden. En soms lijkt er sprake te zijn van angst bij mijn broeder of zuster en zegt deze zoiets als ‘ach, dat boeit me niet en als er iets meer is dan dit leven dan zie ik dat wel na mijn dood’. Ook deze houding mag ik leren aanvaarden en respecteren. Toch hoop en bid ik dan stiekem dat er een zaadje is geplant.

Is er geen wereld?

Dit lijkt in deze tijd van oorlog een belangrijke vraag. We zouden hier een interessante boom over kunnen opzetten gebaseerd op ons begrip van de metafysica van ECIW. Ogenschijnlijk lijkt ECIW ons hier direct en op prettige wijze gerust te stellen. Lang verhaal kort: de wereld en alle lichamen erin zijn illusies en wie meent te lijden weet niet wie hij is. Lekker duidelijk, toch?

In mijn beleving is het op deze wijze beantwoorden van de vraag op z’n zachtst gezegd onhandig en voor 99,99% van de ECIW-studenten ook niet behulpzaam. Deze 99,99% van de studenten gelooft namelijk nog steeds in de afscheiding. Zowel vraag als antwoord landen dan in een verstand dat nog belang hecht aan deze vorm van “antwoorden”. En wat gebeurt er als we nu dit antwoord aannemen, als we het gaan geloven? Wat doet het met ons?

Een plezierig effect van het geloof in ‘de wereld bestaat niet’ is dat er een afstand ontstaat tussen al die ellende daar en ik als denkertje hier. Als de ellende niet bestaat dan hoef ik me er niets van aan te trekken en al helemaal niets te doen. Ik kan nu opgelucht ademhalen. Dáár lijkt een nare droom te zijn maar hier is nu die fel begeerde innerlijke vrede. Dit voelt heerlijk rustgevend. Mijn onrust is verdwenen en ik meen nu alles heel helder te zien. Ik laat me niet langer gek maken, ik laat me niet foppen en deel dolgraag mijn nieuwe geloof met andere ECIW-studenten die nog gevangen zijn binnen de illusie. Gelukkig sta ik hier nu los van.

Er is een soort doel bereikt voor deze verstandelijk verlichte broeder of zuster. Het is de ultieme loskoppeling van de ellende van de wereld via de route van ontkenning. Gaat er een belletje rinkelen? Wie is er dol op afscheiding? Op onkwetsbaarheid? Wie zou er enorm blij zijn als lastige vluchtelingen afgedaan kunnen worden als onechte droombeelden? Het begint met een e en eindigt op een o. Drie letters!

Hoe kunnen we gevoel ontwikkelen voor het op onvruchtbare wijze opvatten van de metafysica van ECIW? Door op te merken dat we te maken hebben met een halve waarheid. We hebben te maken met hoofd zonder hart, met geloof in metafysica zonder liefde, met ik-gerichtheid in plaats van naastenliefde, met het aanvaarden van het wonder voor zichzelf zonder het aanbieden van wonderen aan anderen, met afgescheidenheid in plaats van verbinding enzovoorts.

Door de hele Bijbel, ECIW en ECvL heen leert Jezus ons dat onze weg de weg van liefde is. Als we ons oordeel over de wereld en anderen kunnen loslaten kunnen we in een heilige relatie ontdekken dat we op onbegrijpelijke wijze één zijn met wat we buiten ons meenden te zien. De voor ons gezonde cursus-weg is de weg van vereniging, verbinding, aanbieden van het wonder dat we zelf mochten ontvangen aan anderen, de expressie van liefde. Jezus zei: “laat de kinderen tot mij komen” en niet “opzouten met die kinderen, ze bestaan immers niet”. Dat dikke, blauwe wonderboek is een expressie van zijn liefde voor ons. Hij was niet bang om zich met ons te verbinden door ons simpelweg, in de fysieke vorm van een boek, te HELPEN. De weg van Jezus is de weg van stromende -en tot expressie komende liefde. De weg van Jezus bestaat NIET uit ik-gerichte ontkenning en passiviteit.

En dan nu ruimte en dankbaarheid voor de 0,01% liefdevolle broeders en zusters die in het volgen van de weg van liefde diep van binnen beseffen dat er geen wereld los van ons bestaat. Zij zien inderdaad geen problemen meer buiten zichzelf, zullen hier geen loze woorden over roepen maar omarmen de broeders en zusters die ze herkennen als zichzelf.

Onze angst voor pandemie en oorlog

Afgelopen twee jaar sloeg ons de angst om het hart als de woorden “code zwart” klonken. We zijn nog maar nauwelijks van de schrik bekomen of we worden al geconfronteerd met een nieuw monster: oorlog. Hoe reageren wij op deze donkere wolken?

Er is een manier van reageren waarbij de angst ons hoofd op hol brengt. Er buitelen dan allerlei gedachten over elkaar. Deze gedachten kunnen gaan over de oorzaak van de duisternis. Zou er een samenzwering gaande zijn waarbij de machtigen der aarde bezig zijn met boze plannen? Staan er nog hogere, of liever gezegd, lagere machten aan het roer en bespelen deze onze wereldleiders als marionetten? Onderzoek eens wat deze zinnen met je doen. Let op hoe snel je een mening vormt en hoe deze mening direct de hoofdrol wil gaan spelen in je hoofd en mogelijk jeuken je handen om hier een reactie op te geven. Dikwijls is zo’n reactie heel heftig. “Natuurlijk is er sprake van een samenzwering; zie je dit dan niet?”. Of juist: “Doe toch normaal, rare complotdenker”. Misschien beroep jij je op een medium dat toch duidelijk heeft gezegd dat de Apocalyps nu echt begonnen is.  

En probeer vervolgens deze drukke gedachten even geen voedsel te geven door je aandacht te richten op je ademhaling of op het gewicht van je lichaam op je voeten of op je zitvlak. Land in het heden en neem de tijd om het stof van de opwinding te zien neerdalen. Rust gewoon in het huidige moment. Kijk dan nog eens, heel rustig. Laat de wereld van het hoofd, de wereld van concepten, maar even voor wat die is. Voel slechts. Voel de opwinding, de angst en de boosheid. Kun je stilstaan bij deze gevoelens? Kun je jouw neiging opmerken om er juist niet bij stil te willen staan? Om jezelf af te leiden of weer te gaan malen? Wees dan lief en geduldig voor jezelf, glimlach en keer terug naar die openheid.

Dit is ons werkterrein, ons klaslokaal. We worden niet opgeroepen om een theorietje te lanceren over wat onze ogen en oren ons willen vertellen. We hoeven de voorvallen ook niet in te kleden in een Cursus-filosofietje. We hoeven slechts op te merken wat onze gevoelens ons vertellen en vooral wat ze ons willen doen geloven. Want als je afdaalt tot onder deze gevoelens dan kom je uit bij een fundamenteel geloof. Het geloof in eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid. Deze diepe angst vormt de basis voor zelfs onze kleinste angstjes. Misschien vrees jij niet voor je leven maar maak jij je wel zorgen over de benzine- en gasprijzen. Ga je het financieel wel redden? Kijk rustig en zie dat er ten diepste steeds weer dat geloof in kwetsbaarheid is, die uiteindelijk doodsangst is.

Onze theorietjes en filosofietjes kunnen werken als een kalmeringspil. En het kan prima zijn om hier de eerste rust mee te vinden. Maar uiteindelijk komen we terug bij die allergrootste les die we hier te leren hebben. Kunnen we onze doodsangst naar de liefde brengen en ervan genezen worden? Daar gaat in mijn beleving ECIW over. Hierin wil Jezus ons helpen.

Ik meen dat het goed is als we daar onze aandacht aan besteden. Vroeger probeerden we onze angst te sussen met een geloof in een leven na de dood. Nu kunnen we ertoe neigen om onze angst te verdoven met het reciteren van Cursus-teksten als “ik ben niet dit lichaam”. En versta me goed, ik veroordeel dit niet maar ik hoop dat deze waarheid vooral beleefd gaat worden nadat we onze angst hebben laten genezen door de liefde. Nadat we de verzoening voor onszelf aanvaard hebben.

Het heerlijke van de weg van Jezus is dat we deze samen gaan. In de angst en boosheid van mijn broeders en zusters herken ik mijn eigen angst. In plaats van te oordelen wil ik kiezen voor verbinding. Zo kunnen we werkelijk behulpzaam zijn. In onze denkgeest kunnen we bidden voor de vrede tussen Rusland en de Oekraïne en onze zegeningen sturen naar het overleg dat gaat plaatsvinden. Vanuit de plaats van liefde kunnen we bewogen worden om handelend op te treden. Ik zag op tv hoe vluchtelingen uit de Oekraïne onderweg gesteund werden door mensen die hun thee en voedsel gaven. Wat een heerlijke expressie van liefde! Kijk wat er opborrelt in je hart als je jouw denkgeest laat genezen. Liefde is de weg, het doel en onze kracht.

Verdwaasde broeders bestaan niet?

“Als ik meen een verdwaasde en bange broeder te zien, bijvoorbeeld Poetin, dan zegt dat alleen iets over mijzelf”. Dit was een reactie die ik kreeg naar aanleiding van mijn blog over de oorlog in de Oekraïne. In contacten met medestudenten heb ik deze gedachtegang vaker gehoord. Een vrouw vertelde een keer dat ze was lastiggevallen op straat door een opdringerige man. “Dit zegt slechts iets over jou”, werd haar direct voor de voeten geworpen. “Er is helemaal geen aanvaller, die projecteer jij slechts. Je ziet alleen wat er in jouw binnenste leeft.”

Als je zoiets hoort begin je in eerste instantie aan jezelf te twijfelen. Het klinkt heel erg Cursus-achtig dus dan zal het wel kloppen. Als ik broeder Poetin agressief zie doen dan betekent dit slechts dat ik agressief ben. Huh? Als ik word lastiggevallen dan verbeeld ik me dit in de meest letterlijke betekenis van het woord. Huh?

Bij dit soort halve waarheden merk ik keer op keer hoe behulpzaam de fabeltjes-serie van Robert Perry is om ze te ontzenuwen (zie https://eciwcoach.com/eciw-fabeltjes-2/ ). De volgende fabeltjes zijn op deze situaties van toepassing:

Fabeltje 28. Er is niemand daarbuiten. Er is er maar één van ons hier. “Anderen” zijn slechts mijn eigen projecties.

Er is misschien geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, niet meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

Hier heb ik eerdere blogs over geschreven. In de filosofie wordt gesproken over “solipsisme”. Het komt er, simpel gezegd, op neer dat alleen “ik” besta en alles wat ik meen te zien zelf bedenk. Dit scheert dicht langs de werkelijke Cursus-visie maar mist één fundamenteel aspect: de waarheid en het mysterie van Gods schepping waarbij er sprake is van broeders en zusters die in wonderlijke eenheid met elkaar verbonden zijn. Er is één Zoonschap, maar dat wil niet zeggen dat ik als klein zelfje de enige zoon ben.

Fabeltje 36. Vergeving heeft niets met de ander te maken. Ik vergeef niet omwille van hen; ik doe het alleen voor mezelf.

In de Cursus is vergeving inherent intermenselijk: door je wrok los te laten, bevrijd je de ander van zijn of haar last van schuld: “Help hem de zware zondelast op te heffen waarmee jij hem beladen hebt en die hij als de zijne heeft aanvaard” (T-19.IV.D.16:5). Vergeving is dus de impuls om zowel onszelf als onze ogenschijnlijke aanvaller te bevrijden.

Als je, zoals bij fabeltje 28 gezegd, gelooft dat alleen jouw kleine zelfje bestaat dan heeft vergeving inderdaad niets met andere broeders en zusters te maken. Maar dat is dus niet zo. Wij mogen verdwaasde broeders als Poetin en de aanrander vergeven. Ik kan nog veel meer fabeltjes citeren maar sluit af met een fabel die wel erg van toepassing is:

Fabeltje 38. Alles is volmaakt. Elke gedachte is volmaakt. Elk gevoel is volmaakt. Als ik denk dat iemand een fout heeft gemaakt, heb ik een oordeel. Het is allemaal goed. Hitler was gewoon zijn perfecte functie aan het vervullen.

Het is waar dat de Heilige Geest alles kan gebruiken voor Zijn doel. Zelfs onze fouten worden door Hem omgezet in leermomenten. Maar we maken wel fouten, fouten die in de kern uitingen zijn van kwetsende bedoelingen (“Niemand valt aan zonder de bedoeling te kwetsen”-W-pI.170.1:1). Verder wijst de Heilige Geest alleen functies toe die iedereen ten goede komen. Wat Hitler deed was een verwerping van wat zijn ware toegewezen functie ook was.

Zie je het? Wat Poetin en de aanrander deden was “een verwerping van hun ware functie”. En dit mogen we gerust constateren. Ergens is er een persiflage van de Cursus ons denken binnen geslopen. Als je goed kijkt dan kun je zien dat het ego hier aan het werk is. Wat is het ultieme ideaal van het ego? Dat de afscheiding compleet is, dat alleen het kleine zelfje bestaat dat als godje alles zelf bedacht zou hebben (zie solipsisme). De boomrang die we in onze nek geworpen krijgen als we ook maar iets zeggen over “een ander”, getuigt van geloof in solipsisme en niet van het ervaren van de wonderlijkheid van Gods schepping. Het is hetzelfde nare geloof dat niet bereid is om anderen te helpen omdat er geen andere zouden zijn. Het is de totale afscheiding in plaats van de totale verlossing.

We mogen het “beestje” best bij de naam noemen. Poetin en de aanrander gedragen zich als verwarde broeders. Onze ware opdracht is niet om hen af te doen als privé-hallucinaties. Onze opdracht is om niet te geloven in werkelijke zonde, om te vergeven en te kijken hoe we werkelijk behulpzaam kunnen zijn om aan alle broeders en zusters het wonder aan te bieden.

Oorlog in Oekraïne

Tanks denderen door de straten van Kiev, bommen en kogels rijten menselijke lichamen uiteen. Wraak, wanhoop, agressie, verdriet en ellende. Het raakt me diep. Hoe kunnen we als Cursus-student naar deze situatie kijken en wat kunnen we doen?

Ik las een tekst van een mede ECIW-student op Facebook. Ze schreef dat Poetin heel behulpzaam was omdat zijn daden zorgen voor een zuivering bij ons. Hij zou haast, met andere woorden, een leraar voor ons zijn en we zouden hem dankbaar moeten zijn. Is deze manier van omgaan met ECIW behulpzaam voor onszelf en anderen? Worden we echt uitgenodigd om te lachen om de beelden die we op de tv zien? Ach lieve broeders en zusters, wat kan ons hoofd toch ontsporen als het niet onder supervisie staat van ons hart.

Is Poetin onze leraar? Het Handboek van de Cursus beschrijft leraren van God als mensen die een proces doorlopen om hiervoor geschikt te worden (H-1.1), die verder in de tijd staan dan hun leerlingen (H-29.1:4). Poetin is geen leraar maar een uitermate verdwaasde, bange broeder die meent dat macht synoniem is aan de liefde die hij werkelijk verlangt. Hem zien als een leraar is één van de vele fabeltjes rondom ECIW die Robert Perry als onjuist ontmaskerd heeft (zie: https://eciwcoach.com/eciw-fabeltjes-2/ ). Het is een fabeltje dat we personen die gewelddadig zijn zouden moeten zien als leraren omdat ze ons ego aan het licht zouden brengen. Dit is niet hoe de Cursus over “leraar” spreekt, noch hoe hij over “verlosser” spreekt (op één uitzondering na). Een leraar in de Cursus is iemand die anderen het denksysteem onderwijst waarin hij gelooft. Een verlosser is iemand die de verlossing die in hem is, naar anderen uitbreidt. Dus mijn leraar, in de positieve zin, is iemand die mij Gods denksysteem leert. In het Handboek is het specifiek iemand die mij begeleidt op het pad van de Cursus. En mijn verlosser is iemand die verlossing naar mij uitbreidt. In het bijzonder is het iemand die ik genezen heb, en wiens dankbaarheid mij doet ontwaken tot de heiligheid in mij.

En moeten we gaan zitten lachen om de tv-beelden die we nu zien? Sommigen beweren dat we ons niet druk hoeven te maken om, bijvoorbeeld, de Holocaust of over de nood in de wereld. Er is immers geen wereld dus dan kan er ook geen sprake zijn van al deze ellende. En, inderdaad, op een ultiem niveau is de wereld zelf nooit gebeurd. Maar op het niveau van deze wereld gebeuren deze dingen wél en zijn ze ook gebeurd, en onze reactie moet zorgzaam zijn, niet gevoelloos. Toen Jezus in het oorspronkelijke gedicteerde werk verwees naar de Holocaust, zei hij niet: “Er was geen Holocaust,” maar: “Ik heb er vele tranen om gelaten.” In plaats van onverschillig te zijn tegenover lijden, is het de bedoeling dat we mensen uit hun lijden verlossen. De Cursus zegt dat we door onze wonderen – onze uitingen van liefde – in feite de uiterlijke schijn van tragedie kunnen wegnemen, en juist door die weg te nemen, bewijzen we dat die schijn onwerkelijk moet zijn geweest (T-30.VIII.2).

Sommige studenten beweren dat we niets kunnen betekenen voor onze broeders en zusters omdat er helemaal geen “anderen” zijn. Alles en iedereen zou slechts onze eigen projectie zijn. Maar er is vermoedelijk geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, in niets meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

De Werkboekles van vandaag (Herhalingsles 57) lijkt te suggereren dat onze opdracht slechts zou bestaan uit het corrigeren van onze perceptie.

  • Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.
  • Ik heb de wereld die ik zie bedacht.
  • Er is een andere manier om naar de wereld te kijken.
  • Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.
  • Mijn denkgeest is deel van Die van God. Ik ben heel heilig.

Maar het aanvaarden van het wonder voor onszelf, waar deze werkboekles over gaat, betreft maar de helft van de boodschap van ECIW. De andere, onlosmakelijk hiermee verbonden helft, gaat over het aanbieden van het wonder aan onze broeders en zusters. Daarover zegt Robert Perry:

“Als je de vijftig wonderprincipes leest, is het duidelijk dat wonderen iets genezends zijn dat overgaat van een wonderdoener naar een wonderontvanger. Wat overgaat is liefde, want wonderen zijn “uitingen van liefde”, en worden in de eerste hoofdstukken van de Cursus vijf keer zo genoemd. Dit is de voornaamste betekenis van “wonder” in de Cursus: een uitdrukking van liefde waardoor we de waarneming van een ander verschuiven. Een wonder als iets dat onze eigen waarneming verschuift, is een belangrijke betekenis van het woord in de Cursus, vooral in het Werkboek, maar het is niet de hoofdbetekenis van de Cursus”.

Ons denken kan worstelen met de beelden die binnen komen en met de teksten van de Cursus, zoals werkboekles 57. In ons eentje, vanuit ons kleine ego-zelf, maken we van de Cursus al snel een karikatuur. Dit kunnen we slechts voorkomen door stil te worden en ons open te stellen voor een zachte Stem, de Stem van de Heilige Geest, de stem van ons hart. We mogen de HG vragen hoe we naar de situatie mogen kijken zodat onze perceptie kan worden gecorrigeerd en genezen. Maar laten we vooral niet vergeten om te vragen wat we mogen zeggen en doen om werkelijk behulpzaam te zijn voor onze broeders en zusters.

In de Bijbel roept Jezus ons op om hongerige mensen te voeden, dorstige mensen te drinken te geven, onze jas af te staan aan hen die deze nodig hebben. Jezus uit ECIW is dezelfde Jezus als de Bijbelse Jezus. Daarom besluit ik deze lange blog met een citaat uit de Bijbel. Ik hoop van harte dat wij als ECIW-studenten niet worden als de priester en hulppriester die misschien hun perceptie keurig corrigeerden maar onbewogen bleven en geen vinger uitstaken.

Lucas 10:25-37

Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’  De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’  Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’  De wetsleraar wilde laten zien dat hij de wet beter kende dan Jezus. Daarom vroeg hij: ‘Wie is mijn medemens dan?’ Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Maar onderweg werd hij door rovers overvallen. Ze pakten alles van hem af, ook zijn kleren. Ze sloegen hem halfdood, en lieten hem liggen. Toevallig kwam er een priester langs. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. Toen er even later een hulppriester langskwam, gebeurde hetzelfde. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. Toen kwam er een vreemdeling langs, een Samaritaan. Hij zag de man liggen en kreeg medelijden. Daarom ging hij naar hem toe. Hij verzorgde de wonden van de man met olie en wijn. En hij deed er verband om. Toen zette hij de man op zijn eigen ezel en bracht hem naar een herberg. Daar zorgde hij voor hem.  De volgende dag gaf de Samaritaan geld aan de eigenaar van de herberg en zei: ‘Zorg goed voor de man. Als het je meer geld kost, krijg je dat van me op mijn terugreis.’’ Toen vroeg Jezus: ‘Wat denk je? Wie was de medemens van de man die overvallen werd? De priester, de hulppriester of de Samaritaan?’  De wetsleraar antwoordde: ‘De Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.’ Toen zei Jezus: ‘Doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.’