Met wortel en al (deel 2)

Gisteren stelden we vast dat we ECIW willen gebruiken om van lichamelijke pijn en ziekte af te komen (zie deel 1). Hoewel dit begrijpelijk is en niet fout of zelfs zondig, krijgen we met deze wens toch niet de wortel boven de grond die de werkelijke oorzaak is van ons lijden binnen onze (droom)wereld. Vandaag duiken we dus dieper. Dit doen we door een vreemde kwestie te onderzoeken, de kwestie van onze “wil”.

Onze “gewone wil” is hetzelfde als onze kleine “droom-wil”. Deze droom-wil is gebaseerd op de vaste overtuiging dat we lichamelijke wezens zijn. Dat “lichamelijke” moeten we hierbij zo breed zien als we maar kunnen. Nu zal ik even abstract klinken maar probeer alsjeblieft bij me te blijven. Ons vaste geloof, onze stellige overtuiging is dat we begrensde, tijdelijk wezens zijn die losstaan van andere mensen en zelfstandig, met een eigen wil, rondlopen op deze planeet. De begrenzing betreft niet alleen ons fysieke lichaam (mijn lichaam) maar ook de gevoelens (mijn gevoelens), de gedachten (mijn gedachten) en zelfs zoiets als de spirituele lichamelijkheid (mijn Zelf). Kijk eens voor een moment “naar binnen” om hier feeling mee te krijgen. Voel als het ware je geloof in afgescheidenheid van alles om je heen.

Jij voelt immers pijn? Jij doet toch immers ECIW? Jouw lichaam doet toch pijn? Jij moet toch iets doen om te genezen? Anderen hebben toch niet jouw last te dragen? Jij zit nu toch te puzzelen wat deze schrijver nu precies wil zeggen? Jij moet dit toch zien te begrijpen? Enzovoorts.

We gaan nog dieper. Ons idee van onszelf is dus vrijwel helemaal gebaseerd op het geloof in deze vanzelfsprekend lijkende echtheid van ons lichamelijke (in de breedste zin) afgescheiden zelf. Het is uiterst belangrijk om hier niet te snel verstandelijk “ja” of “oké dan” tegen te zeggen maar om dat diepe geloof in de echtheid van dat afgescheiden “ikje” in al zijn facetten te doorvoelen. Erken dat je ten diepste jezelf een afgescheiden, kwetsbaar wezentje voelt dat een tijdje mag leven in tijd en ruimte maar dat helaas tijdens zijn of haar leven gekweld kan worden door pijn en ziekte en dat helaas uiteindelijk, hopelijk pas na een jaar of 100, toch zal sterven. Voel je hoe diep de wortels van dit geloof in lichamelijkheid reiken? Hoe enorm “echt” en vanzelfsprekend dit voor je voelt?

Dan is het nu tijd voor een stukje metafysica. Jezus wijst ons er in ECIW op dat onze ware Identiteit anders is en niet met ons alledaagse droom-gevoel overeenstemt. Hij spreekt wonderlijke woorden hierover die voor ons, vanuit ons geloof in afgescheidenheid, niet echt voorstelbaar zijn. Hij beweert dat we scheppingen zijn van de liefde (Zonen van de Vader) en dat we onbegrensd zijn en niet gebonden door tijd en ruimte. Sterker nog, hij zegt dat tijd en ruimte niet bestaan, dat er slechts tijd- en ruimteloosheid is en dat dit ons ware Thuis is. We zijn grenzeloos, tijdloos, ruimte-loos. We zijn een mysterie.

Onze woorden schieten tekort omdat ze gebaseerd zijn op- en voortkomen uit onze droomwereld van tijd en ruimte. Het zijn begrensde concepten waarmee we proberen te wijzen op iets (eigenlijk juist een een niet-iets) dat tijd en ruimte te boven gaat en grenzeloos en eeuwig is. Wij kunnen slechts woorden gebruiken die gebaseerd zijn op tegenstellingen die er niet zijn. Bij eeuwig leven denken we bijvoorbeeld toch aan heel lang leven in tijd en ruimte. Een wijze zei ooit dat woorden zijn als een vinger die wijst naar de maan. Wij staren naar de vinger die ons zo bekend is maar worden gevraagd als het ware door dit symbool heen te kijken en te beseffen dat de vinger zelf niets voorstelt. We moeten ons hoofd opheffen en omhoog kijken.

Wordt vervolgd. Wat is de ware Wil? Wat is ons geheime doel als we, zoals de Cursus zegt, “vergeten te lachen om de droom”. En vooral: hoe nu verder?

Advertenties

Met wortel en al (deel I)

 

Het vergt radicale eerlijkheid ten opzichte van onszelf om te zien wat het nu is dat we echt zoeken. Zolang er niks aan de hand is, kabbelt ons leven lekker verder maar dat verandert wanneer we geconfronteerd worden met een probleem. Laten we pijn of een lichamelijk ongemak als slapeloosheid noemen als voorbeelden die iedereen wel kent. Onze agenda is op zo’n moment heel eenduidig: we willen dat het probleem opgelost wordt, we willen er vanaf. Het ongemak lijkt ons te overkomen, we willen het niet en het moet zo snel mogelijk weg.

Even pas op de plaats. Is de wens om van ongemak af te komen dan zo raar of verkeerd? Zeker niet en binnen ons droomleven mogen we “normaal” doen. Dat betekent dat we een boterham eten als we honger hebben, opzij stappen als er een auto aankomt, een pilletje nemen tegen de hoofdpijn en bij ernstigere klachten even langs de dokter gaan.

Maar vooral bij lichamelijke klachten komt voor ons, studenten van ECIW, ook de Cursus in beeld. Ze vormen een trigger om onszelf te onderzoeken en om vergevingslessen te leren. Ook nu moeten we oppassen dat we niet uit de bocht vliegen. Want spreken over “vergevingslessen” suggereert dat we ergens schuldig aan zijn , hiervoor gestraft worden door het ongemak, en dat we daarom iets te vergeven hebben. Hoewel in de Cursus de lichamelijke klachten inderdaad gekoppeld worden aan “schuld” is het verhelderend om te beseffen dat de Cursus hiermee bedoelt: “ons geloof in schuld”. We zijn dus allerminst schuldig maar geloven dat we schuldig zijn.

Als regel herkennen we dit helemaal niet. “huh, ik voel me nergens schuldig over en toch heb ik pijn..”. Hier hebben we het Tekstboek nodig dat licht schijnt op onze verborgen motieven. Want pas als we beseffen waar we onbewust mee bezig zijn en hoe dit leidt tot pijn en ziekte kunnen we kiezen voor echte genezing. Want echte genezing is genezing van een hardnekkig bijgeloof in de denkgeest. In dit bijgeloof ligt de wortel van wat we lijken mee te maken in de wereld, zoals het lijden aan ziekte en pijn.

Waarom moeten we zo diep graven? Moet ons dan eerst een schuldcomplex worden aangepraat? Maar oké dan maar, laat ik maar een beetje aan vergeven doen om van die pijn of van dat probleem af te komen. “Lieve Heer, hier ben ik. Neem de pijn alstublieft van me weg want ik heb er enorm veel last van”. Laten we onszelf hierbij eerlijk onderzoeken. Onderzoek met radicale eerlijkheid je motieven waarmee je de Cursus inschakelt. Wees dan voor jezelf zo eerlijk om telkens op te merken dat je simpelweg van de pijn af wilt om rustig verder te kunnen leven in een klachtenvrij lichaam. Dit is niet fout of stom maar een diep en eerlijk inzicht hierin opent de deur naar de denkgeest en het probleem hierin.

Wat is er dan echt aan de hand in die denkgeest? Wat is de wortel van het probleem en wat is de echte uitnodiging? Wordt vervolgd.

 

Wat zegt de Bijbel of Cursus hierover?

Gisteravond zag ik een programma over LHBT-ers die als kinderen opgroeiden in klassiek christelijke geloofsgemeenschappen. Wat een worsteling hebben deze mensen achter de rug. Mij trof de schrik en de aarzeling binnen conservatieve Biblebelt-gemeenten op het moment dat iemand “uit de kast komt”. Mag de persoon in kwestie nog belijdenis doen, werken met kinderen, optreden op het podium, deelnemen aan het heilig avondmaal enzovoort. De kerkleiding moet nu een standpunt bepalen dat gebaseerd moet zijn op de Bijbel, Gods woord. Nu wordt het dikwijls tenenkrommend. Men mag zich wel LHBT voelen maar het niet praktiseren. Soms worden er zelfs boekjes aangeboden waarin staat hoe genezing van de vreemde geaardheid kan plaatsvinden.

Te snel kunnen we als studenten van de Cursus menen dat we dit stadium gepasseerd zijn. Wij veroordelen LHBT-ers immers niet meer? Het zijn toch ook schuldeloze kinderen van onze Vader? Vervolgens veroordelen we de starre gelovigen of vragen we ons af wat de Cursus zegt over andere kwesties zoals ziekte en medicijngebruik, het eten van vlees en ga zo maar door. Staat hier iets over in de Cursus? Wat zeggen bekende Cursus-leraren hierover?

In genoemde serie sprak een dominee die een zoon had die op mannen bleek te vallen. De gemeenteleden vonden dat de dominee wel erg koos voor het standpunt van zijn zoon. Toen, heel mooi, zei de dominee dat het helemaal niet ging om het onderschrijven van een standpunt maar om de vraag of LHBT-ers een plaats mogen hebben in de gemeente. Mogen ze er helemaal bij horen? En nu naderen we wél de kern van de kwestie. Het gaat nooit om het vinden van een verstandelijke waarheid. Zo’n “wet” leidt tot oordelen en strijd. Wat wij ergens over denken, al dan niet gebaseerd op een Boek met hoofdletter B of op de mening van een dominee, leraar of priester, is totale willekeur en kan ons niet leiden op een manier die vrede biedt aan alle betrokkenen. Opvattingen  over goed en kwaad blijken te werken als  fragmentatiebommen die binnen de droom slechts schade aanrichten.

Gisteravond werd het Bijbels voorbeeld van de steniging van de prostituee  genoemd. Een boze menigte kwam met de vrouw naar Jezus en vroeg zijn akkoord om haar de doodstraf te geven die tenslotte voorgeschreven wordt door de Bijbel. “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”, sprak Jezus, en de menigte droop af. We kunnen deze gebeurtenis in eerste instantie verstandelijk en oppervlakkig tot ons nemen en beseffen dat wij vast ook wel morele smetjes hebben en daarom anderen niet mogen veroordelen. Maar de Cursus helpt ons op weg naar de kern van de zaak. “Zonde” wordt hierin veel breder getrokken en getoond als ons geloof in afscheiding. We menen los te staan van onze Vader en van onze broeders en zijn het besef, het gevoel van eenheid en verbondenheid kwijt geraakt. Het is niet fout om verward te raken als we geconfronteerd worden met iets “afwijkends” in de wereld waarin we menen te leven: een andere geaardheid, ziekte of een andere dreigend uitziende vorm. De hamvraag is hoe we reageren op dat nare, bedreigende gevoel. Ons ego-verstand zegt ons dat er een moreel goede- en foute manier is om te reageren maar het heeft geen benul hoe het nu verder moet. Dus gaat het naarstig op zoek naar “het antwoord” in de Bijbel of in de Cursus. Op zich prima om deze boeken open te slaan, maar de vraag is of de woorden die we hier lezen gebruikt worden om ons te laten leiden naar de liefde of dat we ze gaan hanteren als harde waarheden om deze vervolgens als stenen te werpen naar onze broeders.

Zodra we verward zijn en merken dat we op zoek gaan naar wat nu goed en wat nu fout is mogen we dit zien als een uitnodiging tot een vergevingsles in de niet-morele betekenis van het woord. Er zijn geen morele zonden die bedekt moeten worden met de mantel der liefde maar er is sprake van een vergissing waarin wij menen afgescheiden te zijn van onze broeders en van de wereld die we menen te zien. We mogen dit leren herkennen als het koesteren van onze denkbeeldig afgescheiden staat. Voel wat er van binnen met je gebeurt als je grabbelend op zoek bent naar wat goed en wat fout is en naar wat je dus zou moeten doen. Probeer door te krijgen dat je neiging om te veroordelen precies is wat het ego wil: het vieren van het hellefeest van afscheiding. En dan verrek je het simpelweg om hierin mee te gaan. Je laat de Bijbel en de Cursus je werkelijk inspireren in hun oproep tot het luisteren naar de Stem van de Heilige Geest. En deze Stem oordeelt nooit maar spreekt woorden ter genezing van onze eenzaamheid. Ze leert ons dat in de omarming van onze broeders niet (alleen) hun genezing schuilt maar evenzeer onze genezing. Wij mogen genezen worden van onze zonde, ons geloof in afscheiding. Wij mogen ons laten volstromen met de liefde die we zijn en dan zullen we weten, vanuit ons hart, wat we mogen doen in de ontmoeting met broeders en alle situaties in onze droomwereld. We mogen leren dat elk etiket dat we ergens op willen plakken en waar we een oordeel aan koppelen totaal nergens op slaat. Wat gebeurt er met ons als we geloven in de echtheid van etiketten als “LHBT” of “Biblebelt”? Hoe voelt dat? We slaan slechts onszelf nodeloos met stenen omdat we onze droom van afgescheidenheid overeind willen houden. Laat de HG elk etiket, elk oordeel, losweken opdat we mogen genezen en genieten van elke kleur van de regenboog.

Les 222: God is met mij. Ik leef en beweeg in Hem.

Vader, we hebben geen andere woorden op onze lippen en in onze denkgeest dan Uw Naam, nu wij in stilte in Uw Tegenwoordigheid komen en vragen om even in vrede te mogen rusten bij U.

Besef van diepe verbondenheid

Twintig dagen lang dezelfde titel in de herhalingslessen:

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij.

Kennelijk weet Jezus hoe hardleers we zijn en hoezeer we geloven dat we wél een lichaam zijn. Met “lichaam” kunnen we in eerste instantie aan ons fysieke lichaam denken. Dat wat we iedere ochtend in de spiegel zien. We zeggen zo makkelijk dingen als “ik word oud” of “ik ben wat dikker geworden”. Het eerste stapje in het loslaten van de identificatie met het lichaam is niet zo moeilijk om te zetten. Al snel klinken dan zinnen als: ik ben geen lichaam maar ik heb een lichaam.

Bij de volgende stap kijken we verder dan dat fysieke lichaam en raakt het inzicht ook onze gevoelens: ik ben niet bang maar er is angst die ik kan waarnemen, waar ik me bewust van kan zijn. En iets wat je kunt waarnemen kun je per definitie niet zien: er is dan immers een subject (de waarnemer die je bent) en een object, dat wat waargenomen wordt. Dat object kan een fysiek lichaam zijn, gevoelens en zelfs gedachten. Ook gedachten worden waargenomen en kunnen dus niet zijn wat jij ten diepste bent. We mogen de werkboekles dus heel breed trekken: ik ben niet een fysiek lichaam, noch een emotioneel lichaam, noch de gedachten die zo rondrazen in het hoofd.

Wat er gebeurt is een soort achteruit lopen. “Je” neemt steeds meer afstand tot wat zich voort lijkt te doen in bewustzijn. Je distantieert je als het ware van alles wat zich in deze wereld voortdoet, inclusief de sensaties van je lichaam, je gevoelens en gedachten. Enthousiast roep je dat niets je meer kan raken en dat je boven het slagveld zweeft. Het maakt je niks meer uit wat anderen van je vinden. Het valt me op dat broeders en zusters die vanuit deze gedissocieerde toestand leven zich soms totaal onaangepast kunnen gedragen. Dit is een oordeel, ik weet het, en niet meer dan mijn interpretatie van hun gedrag. Maar losgeslagen zijn is totaal wat anders dan innig verbonden zijn met je medemens en dit is ook zonder morele veroordeling duidelijk voelbaar in het contact met deze, totaal schuldloze, “verstandelijk verlichte” medemensen.

Het achteruitlopen en toezien op lichaam, gevoelens en gedachten kan behulpzaam zijn om enige ruimte te creëren. Het eindeloos vergroten van deze ruimte totdat “je” als verloren en losgeslagen astronaut ergens ver weg in de ruimte zweeft is echter geen realisatie, geen verzoening. Ik duid het graag aan met de term “doorgeslagen non-dualisme” en dit is in feite het toppunt van dualisme: een keihard puntje in een oneindige ruimte. Er mist nu iets in die ruimte die gecreëerd werd door achteruit te lopen. Er is uitsluitend gefocust op: “ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij”. Er staat echter iets achter: “Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij”. Je bent niet alleen waarheid maar ook liefde. Niet alleen verstand maar ook hart, in overdrachtelijke betekenis. Prima om met het verstand ruimte te maken maar verzet je niet tegen het binnenstromen van de liefde die je bent. Je bent de Zoon van de Vader, verbinding zoekend, liefdevol.

En dat voelt anders, totaal anders, niet alleen voor “jezelf” maar ook voor de mensen die op je pad gebracht worden. Van “binnenuit” merk je dat je niet een hard ikje bent dat naar buiten zit te loeren. Je merkt dat dit kleine zelf zacht wordt overgenomen door een liefdevolle Kracht die mysterieus is, maar vertrouwd. Je begint gevoel te krijgen voor die grote Wil en er groeit ware bescheidenheid omdat je merkt dat er 0% eigen verdienste aan te pas komt. Er vindt een shift plaats van “mijn wil geschiede” naar “Uw Wil geschiede”. En ja, ook dan kan je gedrag vreemd overkomen op je broeders. Maar onder dat “onaangepaste” gedrag is een liefdevolle intentie voelbaar en geen kille, harde afstandelijkheid.

Ik moet het bij mezelf houden en begeef me op glad ijs wanneer ik het heb over hoe je overkomt op anderen. Maar herken je het lieve lezer, herken je het voor jezelf? Er is een hemelsbreed verschil tussen duale dissociatie en non-duale liefdevolle en mysterieuze verbondenheid in eenheid. Het “ikje” dat mag doen en zich gedragen zoals het wil is een lofzang van het ego en gebaseerd op geloof in afscheiding. Het is niet moreel fout maar eerder triest, koud en eenzaam. “Vrij zijn” is het einde van geloof in dualiteit; het onderkennen dat jouw willetje een schijn-wil is en dat er geen grotere geluk bestaat dan het steeds dieper binnenkomen van het inzicht dat je echte Wil hetzelfde is als Zijn Wil. Daarin ligt echte vrijheid. Het is een mysterieuze paradox: totale vrijheid in het besef van totale verbondenheid en eenheid. We mogen 100% liefde geven om te beseffen dat we 100% liefde zijn.

Lekker concreet!

Stel je hebt last van heftige bonkende hoofdpijn en je zoekt hier een middeltje tegen. Je loopt de drogisterij binnen en je ziet bij de medicijnen twee potjes met pillen staan. Op het eerste potje staat: “helpt tegen pijn” en op het tweede potje staat: “helpt tegen heftig bonkende hoofdpijn”. Welk potje koop je? Zeer waarschijnlijk dat tweede potje want dat is namelijk precies waar jij last van hebt. Maar stel nu dat dat eerste potje werkelijk zou helpen tegen alle pijn die je maar kunt ervaren. Geen bijwerkingen, geen kans op verslaving.. Dan is dat toch de betere keuze? Je hoeft dan immers niet weer naar de winkel met keelpijn, buikpijn, rugpijn enzovoorts.

Waarom dit voorbeeld? Het laat zien hoe mijn denkgeest werkt. Ik loop in de droom tegen een probleem aan en exact dit probleem wil ik opgelost zien. Dit is ook de aanpak in Cursus-studiegroepen. Als iemand een algemeen en abstracte vraag stelt (“hoe kijkt ECIW tegen schuld aan”) dan zal de gespreksleider vragen een concreet voorbeeld te noemen en dit te herleiden naar de kern van de zaak. Het aardige is dan ook dat ik soms in eerste instantie weinig feeling heb met de gestelde vraag maar dat ik tijdens het behandelen van de kwestie toch aangesproken raak omdat ik raakvlakken ontdek met de zaken die in mijn leven spelen.

Zo ook met de blogs die schrijf. Het aardige is dat ik kan zien hoe vaak een blog (deels) gelezen wordt. De titel van de blog en de afbeelding blijken van grote invloed. In tegenstelling tot bij een fysieke bijeenkomst met een leraar in een zaaltje kan de lezer direct besluiten om niet verder te lezen en verder te scrollen. Als bij een ECIW-lezing een vrouw inbrengt dat ze veel last heeft van overgangsklachten blijven alle mannen braaf zitten. Pas gaandeweg het antwoord van de leraar gaat dit voorbeeld ook hen aanspreken. Dan pas blijkt dat de vorm van de klachten van deze mevrouw er niet toe doen. Er is een dieper liggende oorzaak van haar lijden en dit is ook leerzaam voor mij als man. Iets abstracter gezegd: via een specifieke kwestie (de vorm) kan de leraar de diepere achtergrond van het probleem uitleggen (de metafysica) en mij leiden op het pad van liefde en vergeving.

Deze kwestie (hoe kan ik de lezer bewegen het stukje helemaal te lezen?) vind ik interessant. Mijn lieve vrouw is geen ECIW-student maar leest wel soms mijn tekstjes. Ze vindt deze vooral leuk als ze de situaties herkent en als deze heel praktisch zijn. Dit is ook de feedback die ik krijg van lezers in de vorm van likes en reacties. Ik merk dan dat titels als: “help mijn kind is ziek” of “mijn partner begrijpt mij niet” heel wat meer lezers trekken dan “de oorsprong van mijn schuldgevoel” of “de diepere betekenis van de kruisiging”. Niet iedereen zit te wachten op “zware kost”.

Ik heb geleerd dat ECIW het best binnenkomt als ik er op drie manieren mee bezig ben:

  1. Meer begrip krijgen van “hoe zit het nu?” via het Tekstboek
  2. Gewoon de oefeningen uit het Werkboek doen
  3. Toepassen in m’n leven op praktische kwesties

Als ik alleen aandacht heb voor 3 (praktische kwesties) dan blijft het volgen van de Cursus een kwestie van brandjes blussen. Dit gaat eindeloos door omdat ik ECIW slechts als EHBO-kit gebruik en een pleistertje tegen het bloeden zoek. Voor elk nieuw pijntje begint de gang naar de winkel opnieuw om een ander middeltje te zoeken om van de klacht af te komen. Er ontstaat meer diepgang als ik daadwerkelijk de werkboeklessen (2) toepas want dan train ik echt de denkgeest. Ik moet niet alleen de tekst lezen maar er echt mee aan de gang. Vergelijk het met het lezen van een boek over hardlopen versus echt een paar keer gaan hollen. Het zal duidelijk zijn waar mijn conditie echt beter van wordt. Maar dan dat tekstboek en die metafysica. Is dat nu echt nodig?

Een lieve en praktisch ingestelde zuster had ECIW even geparkeerd om zich wat te bezinnen. Ze is nu weer volop bezig en leest het Tekstboek opnieuw omdat ze “behoefte heeft aan theorie”. Ik vind dit een ontroerend mooie en diepe uitspraak. Oppervlakkig gezien zou ik kunnen denken dat ze nu teveel in haar hoofd bezig gaat met ECIW en kiest voor een verstandelijke (en afstandelijke) benadering. Ik kan dit niet invullen voor haar maar ik meen aan te voelen dat ze juist roept om verdere verdieping om de wortel van ons gevoel van afgescheidenheid helder te krijgen. Niet langer brandjes blussen, pleistertjes en bezoekjes aan de Etos. Nee, op zoek naar het middel tegen onvrede, angst en pijn.

Tenslotte mijn eigen blinde vlek. Waartoe schrijf ik deze blogs? Wat wil ik bereiken? Zoveel mogelijk lezers? Zoveel mogelijk likes als boost voor mijn ego? Mijn hart gaat uit naar het toegankelijk maken van die diepere lagen van de Cursus. Naar de algemene oplossing; het oplossen van het geloof in afscheiding en pijn. Moet ik me druk maken over de meest aansprekende titel of afbeelding boven aan de blog? Mag ik helemaal los en gewoon schrijven over zonde, schuld en angst? Over de denkbeeldige afscheiding?

Wat een heerlijke en schuldeloze arrogantie. Simon die het allemaal zo goed mogelijk zou moeten gaan bedenken. God zij dank, zo is het niet. Ik mag het overlaten aan Hem. Wie ben ik om te bepalen dat 100 likes meer waard zouden zijn dan één lezer die aangeraakt wordt door de liefde? Zoek ik mijn interpretatie van een succesvolle blog of Zijn glorie?

WB 211: LES 211

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

 (191) Ik ben de heilige Zoon van God Zelf.

 In stilte en in ware nederigheid zoek ik Gods glorie, om die te aanschouwen in de Zoon die Hij geschapen heeft als mijn Zelf

 Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

Hoe lang is de weg naar ontwaken nog?

Een lange inleiding over zaken die ons geen geluk brengen zal niet nodig zijn. De meeste ECIW studenten snappen wel dat een andere baan, meer geld of mooie spullen en een verre vakantie ons niet blijvend gelukkig maken. Hetzelfde geldt voor de afwezigheid van lichamelijke klachten. Deze paar zinnen laten zich samenvatten in: “we hebben niets meer te wensen en zijn toch niet gelukkig”. Dit besef heeft ons doen besluiten om aan de gang te gaan met ECIW. Dat gevoel van leegte, van frustratie. Maar hoe lang hebben we nog te gaan als student van ECIW voordat we “er zijn”? Tien jaar? Twintig? De rest van ons leven? Waarom ervaren we nog diezelfde onvervulbare leegte?

Omdat er in feite niks veranderd is. We hebben de fysieke doelen (veel van het goede en weinig van het kwade) vervangen door de “spirituele” tegenhanger ervan: ultiem en duurzaam geluk voor mij. En in die laatste twee woordjes zit hem nu net de angel: “voor mij”. “Wij” zijn nog altijd het centrum waar alles om zou draaien. “Wij” zijn de aarde als uniek centrum van het heelal. “Wij” moeten “het” vinden, liefst zo snel mogelijk en bij voorkeur voordat “wij” sterven.

Met onze spirituele zoektocht hebben we het droomniveau (niveau II) niet overstegen en dat zal ons ook nooit lukken. Ik zal er nooit komen en ik zal nooit verlicht raken. De wens om wél dit ultieme spirituele orgasme te bereiken is van exact dezelfde orde als alle materiele zaken die we ooit najoegen: veel plezier en geen ellende…voor mij.

Maar hoe valt er te ontsnappen aan deze patstelling? Aanvankelijk lijkt het mogelijk dat we tenminste verstandelijk doorkrijgen dat er geen afgescheiden “mij” is dat oneindig kan zwelgen in pijnloos genot. Maar uiteindelijk kunnen “wij” dit ten diepste niet “begrijpen” omdat er geen echt “wij” bestaat en niks reëels om te grijpen. In de niveau II droomstaat is er een hardnekkig geloof in een “zelf” dat echt iets kan bereiken. We hebben de doelen van dit zelf slechts wat aangepast; van materieel naar spiritueel maar het is dweilen met de kraan open, het is niks anders dan verder dromen. “Ik” kan als afgescheiden dromer niet wakker worden maar de illusoire aard van zowel dromer als droom kunnen doorzien worden. Door wie? Door niemand, door niet iemand. De Zoon van God, waar ECIW over spreekt, is geen super zelf met nog steeds een kleine z. Dat Zelf met hoofdletter Z is een mysterie, een niet-iemand,  waar “wij” geen voorstelling van kunnen maken.

Is ontwaken mogelijk en, zo ja, hoe dan? Ik houd zo van de Cursus want ze is zo eerlijk en vertelt ons dat “we” iets kunnen “doen”, niet om te ontwaken, maar iets dat de boel in elk geval niet verergert. Dat “iets” is vergeven, dat is onze enige functie die de illusie niet versterkt. Over “vergeven” zijn terecht talloze boeken geschreven. We voelen dat hierin een sleutel ligt. Het sublieme van deze sleutel is dat hij niet te misbruiken valt. Is de sleutel in een paar woorden samen te vatten? Is de peilloze wijsheid ervan te doorgronden? Dat heeft Jezus al voor ons gedaan, 2000 jaar geleden.

Uit het evangelie volgens Lukas:

Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’ 

Ons ego gilt het nu uit. Nee, nu geen softe gemeenplaatsen over liefde alsjeblieft. Maar jawel. De enige manier om onze ik-gerichtheid niet erger te maken is liefde. Geen speciale liefde die denkt als een zakenman met “what’s in it for me (wat brengt het me)?” Maar zelfs die ik-gerichte verontreiniging is niet zondig. ECIW verdiept het mysterie prachtig met haar aandacht voor de eenheid, het non-duale karakter van Gods schepping. Via vergeving mogen we leren dat er niet zoiets bestaat als geluk voor een afgescheiden zelf door het nastreven van eigenbelang. De weg van de Cursus is geen solistische weg. Het maakt van ons geen onaantastbare ego’s die soeverein overal boven staan. Het is van zo’n wonderbaarlijke en liefdevolle wijsheid en schoonheid. Ons ontwaken uit de droom wordt pas mogelijk als we werkelijk erkennen dat we niet alleen de ark des verbonds in kunnen gaan. We moeten ons verbinden en samen, hand in hand, met onze naasten de loopbrug bewandelen. De enige weg naar duurzaam geluk, onze enige echte functie bestaat uit ware vergeving, waarlijke verbinding met onze broeders. Heb uw naaste lief als uzelf want er is geen broeder los van ons. Liefde, die mysterieuze verbondenheid, is doel en…. Middel. Ha, ha: mijn computer maakt van middel nu automatisch Middel, en zo is het! Liefde is niet liefde met een kleine l. Het is Goddelijk, de Stem van de Heilige Geest, het is ons ware Zelf.

Uit Txt 18 III (7):

Jij die nu de brenger van verlossing bent, hebt de functie licht naar de duisternis te brengen. 2De duisternis in jou is naar het licht gebracht. 3Breng het terug naar de duisternis, vanuit het heilig ogenblik waar jij het naartoe hebt gebracht. 4Wij worden heel gemaakt in ons verlangen heel te maken. 5Laat de tijd jou geen zorgen baren, want alle angst die jij en je broeder ervaren, is in werkelijkheid verleden tijd. 6De tijd werd herordend om ons te helpen datgene samen te doen wat jullie afzonderlijke verledens zouden verhinderen. 7Jullie zijn aan de angst voorbijgegaan, want het is onmogelijk dat twee denkgeesten zich in het verlangen naar liefde verbinden zonder dat de liefde zich met hen verbindt

 

Nog eventjes..

Ik word wakker en kijk op de wekker: 04:45h. Slapen lukt niet meer en kennelijk is het tijd voor ochtendschool. Het Zelf schijnt dit een prettige tijd te vinden. De ergste vermoeidheid van de vorige dag is verdwenen en de drukte van de nieuwe dag is nog niet begonnen. Persoonlijk ben ik er minder blij mee en wil ik het liefst nog een paar uur wegzakken in een bewusteloze toestand. Dus wentel ik me van links naar rechts, stop oordoppen in mijn oren en heb het eerst te warm en na wegslaan van het dekbed spoedig te fris. Wel verdorie. De minuten kruipen voorbij en de wekker tikt 06:00h aan.

Ik heb het nu niet naar mijn zin en wil iets anders dan wat zich nu aandient. De tijd lijkt mijn vijand. Ik wil gen besef van de tijd, geen opzien tegen de nu wel erg lange dag. Iets in me zegt dat ik de werkboekles moet lezen. Met mezelf heb ik de afspraak dat ik dit nooit vóór zeven uur ’s ochtends doe. Ik loer al genoeg op m’n iPhone en dat licht schijnt ook niet bepaald bevorderend te zijn voor een goede slaap. Toch maar even kijken:

Herhalingsles (184) De Naam van God is mijn erfgoed.

Gods Naam brengt mij in herinnering dat ik Zijn Zoon ben, geen slaaf van tijd, niet gebonden door wetten waardoor de wereld van ziekelijke illusies wordt beheerst, vrij in God, voor eeuwig en eeuwig één met Hem.

 Ik glimlach met slaperige ogen. Vandaar. Ik voel me een gevangene van de tijd. Wat mijn studie van ECIW betreft blijft er een onbewust bijgeloof bestaan waarbij ik het nu nog niet helemaal zou zien maar over een tijdje hopelijk wel. Ik schreef vaker over het motto van het ego: “zoek en vind niet”. Verstandelijk doorzie ik de truc van het ego maar ondertussen blijf ik geloven dat er “over een tijdje” iets te gebeuren staat.

Ik rust in deze spanning. Ik zie de afkeur van het ego van de huidige situatie en ik voel hoe het zichzelf hiermee juist bestendigt. Oké, kennelijk is dit nog even nodig. Kennelijk is daar nog de weerstand tegen dat peilloze nu. So be it. Ik nodig liefde uit, ontspan en val in slaap om vervolgens 07:45h redelijk uitgerust wakker te worden. Na het ontbijt en wat huishoudelijk werk pak ik in de tuin weer “This freedom” van Tony Parsons. Waar was ik? Oh ja, pagina 42:

Vraagsteller: Time is a concept of me?

 Tony: For the ‘me’ time is real. It may give lip service to there being no time but ‘me’ feels it is real. “I was born, live and will die”.

Dit soort toevalligheden maakt me dankbaar. Het oplossen van het ego is een natuurlijk gebeuren. Het hoeft niet gemanaged te worden door een doenertje. Realisatie is onpersoonlijk. Er is geen zelf dat verandert in een Zelf. Er is geloof in afscheiding, in “a me”, dat tijd nodig zou hebben om speciale ervaringen van vrede en vrijheid te krijgen. Maar dat is geen realisatie. Realisatie gaat veel dieper en is van een andere orde. Het niveau I waar we in ECIW-kringen graag over spreken, ligt niet in het verlengde van ons droomniveau II.

Ik lees verder in “This freedom”. Wat valt er te zeggen over dat mysterie? We weten vanuit ECIW dat waarnemen een duaal gebeuren is. Er is geen “ik” die waarneemt maar er is een geloof in de echtheid van waarnemingen opdat het geloof in een afgescheiden zelf (subject), dat de zogenaamd afgescheiden wereld (object) waarneemt, overeind kan blijven. Wij menen dat we een aardig eindje op weg zijn als we zoiets zeggen als “ik ben geen lichaam maar ik heb een lichaam”. Of als we zeggen dat alles (de wereld, het lichaam, mijn zelf) verschijnt in bewustzijn en dat wij dat bewustzijn zijn. Maar de goede verstaander bespeurt hierin nog steeds de dualiteit. Er is geen afgescheiden zelf dat een lichaam heeft en ook geen super zelf dat boven het slagveld van de wereld zweeft. Tony is daarom nog heftiger in zijn uitspraken. Wij willen “waarnemen” nog wel afdoen als duaal maar “awareness” (gewaarzijn) toch zeker niet. Als we gewoon bewustzijn van wat zich voortdoet dan is dit toch zeker wel prachtig non-duaal? Maar nee. Gewaarzijn en wat dit betreft synoniem aan waarnemen. Zodra we menen ergens van gewaar te zijn is de illusie geboren van een afgescheiden zelf dat zou kunnen toekijken. Ook dit geloof in afscheiding mag vergeven worden.

Voor mij is het onmogelijk om me voor te stellen hoe het zal zijn “wanneer God de laatste stap zet”, wanner vanuit de eenheid het spel van afscheiding en tijd niet meer gespeeld wordt. Dit is “the collaps of me”, waar Tony over spreekt. Het levert “mij” niks op. Er is dan geen ik dat van zichzelf zit te houden, dat erg tevreden is of onbewogen de gevaren van de wereld trotseert. It is a mystery. Er is dan vrijheid. Voor wie? Voor mij? Nee, hoe onbegrijpelijk het ook klinkt, er is dan vrijheid van mij.

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

(voor eeuwig en eeuwig één met Hem..)

 

Compromisloze Tony

Nog voordat ik met ECIW in aanraking kwam las ik de boeken van Tony Parsons. Zo nu en dan pak ik er weer eens een uit de boekenkast. Zo herlees ik momenteel “this freedom”. Tony werkt als een zuiverende douche die alle non-duale verzinsels afspoelt. Zijn boodschap stemt geheel overeen met de kern van ECIW hoewel hij zich bedient van een andere terminologie die niet geënt is op het Christendom.

Vandaag trof me de zinsnede: “collaps of the me” Wat dit precies betekent kan “ik” me niet voorstellen. Hij probeert het enigszins te omschrijven in energetische termen. De contractie van energie kan minder worden en uiteindelijk doorzien worden als een soort spel van de eenheid. Door wie wordt dit dan doorzien? Door “no one”.

Tony spreekt in eigen bewoordingen over het onbespreekbare en in zijn woorden kan de metafysica van ECIW herkend worden. In zijn radicaalheid vermijdt hij valkuilen waar we als Cursus-studenten makkelijk intrappen en bespreekt hij kwesties waar we ons hoofd over breken. Tony heeft het over de onbegrensde energie die zich kan manifesteren als het schijnbaar begrensde. Dit gaat gepaard met het ontstaan van een gevoel van “me” en zodra dit aan de orde is ontpopt deze “me” zich direct als “seeker”. Zolang de seeker meent dat er iets te vinden is zal zijn zoektocht naar de eenheid, waar hij onderdeel van is, doorgaan. ECIW gebruikt voor “the me” de term ego en legt uit dat het adagium van het ego is: het zoekt en vindt niet.

Tony geeft aan dat hij geen methode kan geven waarmee de collaps van the me kan plaatsvinden. Het bestaat immers al niet echt en iets wat niet echt is kan geen methode gebruiken om een andere staat (van verlichting) te bereiken. Alles is al zoals het is. ECIW vormt een volledige leerweg voor dat wat niet geleerd kan worden en we hoeven de boeken van Tony er niet bij te pakken. Voor mij vormen ze echter een mooie radicale correctie als ik meen dat “ik” nog wat tijd nodig heb om te groeien (?) In ECIW termen: als Zoon van God ben je reeds volledig, alles in allen, alleen is de realisatie hiervan ogenschijnlijk verloren gegaan. Vergeven is het doorzien van de onechtheid van iedere vermeende grens tussen je denkbeeldige afgescheiden staat en anderen of de rest van de wereld. Als gezien wordt dat dit slechts projecties zijn en dat je geloof in verleden en toekomst bedoeld zijn om je vast te houden in de illusie, dan kan vergeving plaatsvinden en een “collaps” tot de heilige relatie. Die heilige relatie is het. Er is geen zelf dat een relatie heeft met een buitenwereld. Nee, vanuit eenheid (je Zoonschap) gebeurt waarnemen en oordelen (samenballen van energie) en direct daarmee wordt de illusie van ego (me) geboren. Het ik-gevoel is een bijwerking van energie die zich schijnbaar losmaakt van het geheel door als het ware te stollen.

Ik weet niet of het lukt om dit gevoel over te brengen maar het is zo diep. Elke waarneming die we doen kunnen we op twee manieren uitleggen. Onze gangbare wijze is om die ogenschijnlijke splitsing tussen binnen- en buitenwereld te zien als bewijs van de echtheid van een afgescheiden zelf (stem van het ego). Maar dit is niet zo. De Stem van de Heilige Geest mag deze misvatting genezen. Het raakpunt van binnen- en buiten is een entiteit op zich, de relatie is het, de heilige relatie (dit wordt mooi uitgelegd in A Couse of Love). Dat “heilig” verwijst naar heelheid, eenheid. Het is duizelingwekkend: ons ik-gevoel is een bijproduct van een spel van eenheid. Vanuit eenheid rijst een “ik-gevoel” op door een denkbeeldige splitsing binnen de eenheid. Als de Zoon van God vergeet te lachen dan voelt het echt en wordt hij een seeker (geloof in het ego).

Als ego kunnen we niks bereiken. Als we meer van onszelf gaan houden dan is er geloof in een afgescheiden mens die meer van zichzelf houdt. Als we zoeken dan is er geloof in een zelf dat iets tekort komt en zoekt. Als we een spirituele ervaring hebben dan is er geloof in een zelf met een bijzondere ervaring. Verlichting heeft hier niets mee te maken, de Heilige Relatie en de wonderstaat hebben hier niets mee te maken.

Pas als de contractie iets minder wordt ontluikt er een besef van de nepheid van het ego, van ons afgescheiden zelf en van de futiliteit van zelfverbetering middels ECIW. Er is geen pad naar de waarheid want je bent het al. Dit is voor het ego zo lastig (omdat het zijn eigen bestaan niet kan ontkennen) dat het pad naar de waarheid smal lijkt en het “pad ter verderve” breed. We blijven onszelf foppen met onze zoektocht omdat het te radicaal is om te doorzien dat er geen zelf is dat iets zou kunnen vinden.

WB 202: “Ik ben niet een lichaam (een afgescheiden zelf, een los pakketje energie). Ik ben vrij (ik ben in eenheid verbonden met alles en iedereen). Want ik blijf wat ik ben (eenheid, liefde), zo schiep God mij (van dezelfde Goddelijke energie, liefde als de Vader, als alles, als iedereen).

Ik zal een ogenblik stil zijn (laat de collaps maar gebeuren) en naar huis toe gaan (en de realisatie kan plaatsvinden dat de afscheiding nooit heeft plaats gevonden).

 

Hoe besef ik dat ik geen lichaam ben?

Jezus hanteert in de Cursus stevige taal om ons te leren dat we geen afgescheiden op onszelf staande wezentjes zijn. Kennelijk zijn we zo vastgeroest in onze overtuiging dat we als mens rondlopen in- en als een lichaam dat we een duidelijke correctie nodig hebben zoals vandaag in WB 199: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij”. Jezus stelt helder dat we als Zoon van God een denkgeest zijn, eeuwig en onbegrensd.

We kunnen niet veel anders doen dan wat de werkboekles ons aanraadt: deze les vaak herhalen om ons starre bijgeloof aan het wankelen te brengen. Langzaam en zeker kan de waarheid ervan dan binnenkomen. Gewoonlijk staan we er niet zo bij stil wat dit “binnenkomen” eigenlijk betekent. Is het een kwestie van geloof? Moeten we het maar aannemen? Het komt me voor dat er verschillende stadia van besef zijn. Zo heb ik het althans zelf ervaren en ik meen deze stadia ook bij andere broeders en zusters te zien.

In het beginstadium geloven we verstandelijk dat wat Jezus over ons lichaam zegt correct is. Dit lukt vooral goed als we nergens last van hebben. Als we echter last hebben van pijn en lichamelijke ongemakken dan is het wat moeilijker. De neiging kan bestaan om deze klachten te willen bezweren middels het reciteren van de werkboekles. Dit is begrijpelijk, niet stom of fout, en ik denk dat we deze neiging allemaal wel herkennen. We willen weg van die pijn en vinden het idee van een vlucht naar de vredige denkgeest heel aantrekkelijk. We willen graag boven dat nare slagveld zweven, erop toekijken. We zeggen dan bijvoorbeeld: “ik heb een lichaam maar ik ben het niet”. Bij dit stadium hoort ook een verstandelijk begrip van het feit dat de wereld illusoir is, dat God daarom geen weet heeft van de wereld en dat de Heilige Geest niks in deze droomwereld doet omdat deze wereld immers nep is.

Als we als student vanuit deze fase spreken hebben we gewoonlijk nog weinig besef van de mysterieuze non-duale aard van de Cursus. Omdat we het allemaal zo goed “weten” kunnen we zelfs menen dat we eigenlijk wel een leraar zijn en anderen kunnen uitleggen dat hun ziekte niet echt is. Ook menen we een scherp oog te hebben voor valkuilen waarin het lichaam weer echt schijnt te worden gemaakt. Omdat we hier zelf zo bang voor zijn menen we dit dikwijls te zien gebeuren. Sommige cursusstudenten, soms zelfs bekenden uit de ECIW-wereld, beweren dan ook dat het boek “Een Cursus in Liefde” onzuiver is omdat hierin het lichaam weer echt zou worden gemaakt. Zo ervaar ik dit zeker niet.

Hoe krijgen we een dieper besef van wat het betekent dat we geen lichaam zijn? Hier verstandelijk “ja” tegen zeggen levert niet veel meer op dan een andere theologie en in mijn ogen niet echt een prettige variant zolang het besef niet verder indaalt. Dat indalen gebeurt door niet weg te vluchten van het lichaam maar door het als instrument te zien. Elke waarneming, en zeker de pijnlijke, getuigt valselijk dat we een lichaam zijn. Ze biedt ons de gelegenheid om dit geloof te zien en ons van hieruit open te stellen voor de genezing door de Heilige Geest. Dit heeft veel meer het karakter van omarmen en een intieme kwaliteit dan dat van een snelle vlucht de vredige denkgeest in. We doorleven het moment volledig en in grote intimiteit met de warme liefde van de Heilige Geest. Dan gebeurt er iets wonderlijks. We merken dat die vlucht helemaal niet nodig is. Dat er geen afgescheiden zelf is dat boven een echt slagveld zweeft. We merken via het wonder dat een besef van de onechtheid van het lichaam niks met vluchten te maken heeft.

Graag laat ik in dit verband de volgende alinea uit de werkboekles van vandaag zien (199):

Hier (Simon: in het illusoire huis van ons lichaam) verbergt het (Simon: ons ego) zich en hier kan het worden gezien als wat het is. Proclameer jouw onschuld en je bent vrij. Het lichaam verdwijnt, omdat jij het niet meer nodig hebt, afgezien van de noodzaak die de Heilige Geest erin ziet. Daarvoor verschijnt het lichaam als bruikbare vorm voor wat de denkgeest te doen staat. Zo wordt het een voertuig dat helpt om vergeving uit te breiden tot het allesomvattende doel dat ze dient te bereiken overeenkomstig Gods plan.

 In dat intieme moment van vergeving groeit het besef dat je pijnlijke lichaam jou iets wil laten geloven wat niet waar is. Het wil jou vertellen dat je afgescheiden bent (zondig, schuldig), maar dat ben je niet. Door deze valse getuige niet langer te geloven en door wel te luisteren naar de Stem van de Heilige Geest kun je dit ervaren. Deze levende ervaring is veel meer dan een verstandelijk besef. Want jawel, je ziet dat het lichaam niet echt is maar nee: je meent niet dat je een afgescheiden zelf bent dat een lichaam heeft, kan vluchten of kan wegzweven. Er valt simpelweg niks te ontvluchten en er is niks om boven te zweven. Geloof in zo’n afstandelijk zelfje laat zien dat genezing nog nodig is.

Het tweede deel van de alinea vind ik helemaal prachtig en het zou toch iedereen de ogen moeten openen die zo allergisch reageert op het zogenaamde “echt” maken van lichamen of van de wereld. Als je jezelf laat genezen door de Heilige Geest dan ervaar je vrede en verzandt je niet in theologische discussies. Je beseft dat de afscheiding niet heeft plaatsgevonden, je ervaart liefde en dus breid je liefde uit. Je kunt niet anders, het is je aard. Het is je functie om, net als onze Vader, liefde te schenken en je lichaam wordt “een voertuig dat helpt om vergeving uit te breiden tot het allesomvattende doel dat ze dient te bereiken overeenkomstig Gods plan”. In Een Cursus in Liefde”-termen: “the elevated form of Self”. Welkom in de wonderstaat.

Duaal gehandicapt

Heeft God de wereld wel of niet geschapen? Het lijkt duidelijk dat de Bijbel en de Cursus hier verschillende uitspraken over doen. De Bijbel zegt toch duidelijk dat God zowel de aarde als de hemel heeft gemaakt en de Cursus stelt dat de wereld niet meer is dan een projectie van de verdwaasde Zoon van God. Uitgemaakte zaak, toch?

Zoals zo vaak lijken we een volkomen legitieme vraag te stellen en lijken de antwoorden ondubbelzinnig: volgens de Bijbel wél en volgens de Cursus niet. We dienen echter vooral de denkgeest van de vraagsteller te onderzoeken. Wij kunnen niet veel anders dan conceptueel, dus duaal, te denken. Via dit denken zetten we twee concepten naast elkaar. God aan de ene kant en de fysieke schepping (alias de droomwereld) aan de andere kant. Zonder het te merken maken we hiermee van God een conceptuele entiteit die zich verhoudt tot dat andere. Hij kan dat andere dan al dan niet gemaakt hebben of er al dan niet iets van weten. Als je jezelf onderzoek kun je merken dat je hierbij God voorstelt als een actief baasje of als een dove en blinde ietwat in zichzelf gekeerd type. Daal eens wat af van je hoofd naar je gevoel en merk dat in beide gevallen je iets van een scheiding kunt voelen bij deze manier van denken. Je voelt gewoon dat zowel bij praten over God als schepper als bij praten over een God die niets afweet van onze droom er iets van onrust en twijfel naar binnen sluipt. Weet God nu wel of niet iets van onze droom en is hij daardoor nu wel of niet betrokken bij ons (droom)leven?

Dan het lastige voor ons als duaal gehandicapte droomwezens. Noch God noch de (droom)wereld zijn twee van elkaar gescheiden concepten. Er is geen aparte scheppende God, er is geen aparte onwetende God, er is geen aparte fysieke wereld en er is geen aparte droomwereld. Al deze concepten bestaan uit vormen die onderscheiden zouden kunnen worden van eenheid. De hele Cursus is juist bedoeld om ons middels vergeving te verlossen van het geloof in afscheiding en daarmee van het geloof in van elkaar losstaande vormen en concepten.

Wat ons op het verkeerde been dreigt te zetten is dat de Cursus ook niet anders kan dan zich bedienen van woorden. Maar met deze woorden wil ze ons uitnodigen om te vergeven en dit kan ons leiden tot een directe ervaring van verbondenheid. Wij snijden uit de eenheid die we zijn denkbeeldige vormen (concepten als God, wereld, droom enzovoorts) en nemen deze dan serieus. Hiermee maken we de vergissing echt. Om genezing te ervaren moeten we contact maken met het omschreven “gevoel van afscheiding’, of “gevoel van dualiteit” dat je daadwerkelijk kunt voelen als je nadenkt over God en (droom)wereld en over de kwestie of God daar nu wel of geen weet van heeft. Voel heel letterlijk die twijfel, die splijtzwam in je denkgeest als je meent ergens tussen te moeten kiezen. Alleen een verdwaasde denkgeest meent dat hij moet kiezen. Open je vervolgens voor “een gevoel van eenheid”, liefde, vrede, warmte, licht of hoe je het ook maar wilt noemen. Stilte en zachtheid zijn hier de kwaliteiten. Nodig deze verbindende liefde uit om de onrust in je denkgeest te genezen.

Wat er dan gebeurt is wonderlijk. Je komt niet tot een conclusie maar het voelt veel eerder of de bodem wegvalt onder het belang van de vraag zelf. Je doorziet het belang wat wij hechten aan dergelijke vragen als een manier om het geloof in afscheiding overeind te houden. Het is oké om als correctie voor geloof in een kleiende Godheid te zeggen dat God niks afweet van de fysieke wereld mits je dit beeld ook weer vergeeft. Iemand vergeleek het eens met het verwijderen van een splinter uit je huid met behulp van twee andere splinters die je gebruikt als pincet. Zodra je de boosdoener te pakken hebt gooi je alle splinters weg en laat je de huid genezen.

Onze duale handicap speelt op bij veel discussies. Kan de Heilige Geest wel of niet handelen in onze droomwereld? Moeten wij wel of niet iets doen voor onze dierbaren in nood? Als je heel erg gelooft in dit duale beeld en meent dat het antwoord hierop “ja” luidt dan is het goed om middels een ferm tegengeluid stil te worden en te vergeven en te genezen. Als je maar niet eindigt met het geloof dat er een HG is die niets doet in de (droom)wereld of dat wij niets te doen hebben hierin. Dit is geen genezing van geloof in dualiteit maar het vervangen van het ene beeld door het andere. Ook hier leidt ware vergeving tot een oplossen van dit soort schijndiscussies. De vragen en onrust verdwijnen simpelweg als het licht aangaat. Onze zogenaamd belangrijke vragen en discussiepunten blijken sneller te verdwijnen dan sneeuw voor de zon. Vrede en dankbaarheid vervullen ons hart.

Uit WB 197: De wereld moet jou dankbaar zijn wanneer je haar bevrijding schenkt van jouw illusies. Maar jouw dank komt ook jou toe, want haar bevrijding kan alleen de jouwe weerspiegelen. Jouw dankbaarheid is alles wat jouw geschenken nodig hebben om de blijvende gift te zijn van een dankbaar hart dat voor altijd bevrijd is uit de hel.