Schiep God ruimte en tijd?

<Dit is een wat vrije vertaling van de Cameo Assay nummer 13 uit de Complete & Annotated edition van ACIM. De referenties betreffen dan ook deze editie die helaas niet in het Nederlands is verschenen>

In het begin van de complete editie van ECIW staat dat de wereld door God is geschapen. Hoe is dit te rijmen met wat de rest van de Cursus leert, namelijk dat God de fysieke wereld niet geschapen heeft? Dit is namelijk het onderricht dat typerend is voor wat verderop in de Cursus staat: de wereld die jij ziet is een illusie van een wereld. God heeft haar niet geschapen, want wat Hij schept moet eeuwig zijn als Hijzelf, en toch is er niets in de wereld die jij ziet dat eeuwig zal blijven bestaan. (VvT-3: 1-2) De logica in deze passage is duidelijk: God schept alleen het eeuwige. Niets in deze wereld is eeuwig. Daarom heeft God deze wereld niet geschapen. In plaats daarvan zegt de Cursus dat wij de wereld hebben gemaakt. Om preciezer te zijn: wij hebben de wereld gedroomd als een manifestatie van ons krankzinnige geloof in afscheiding. Deze ruimte-tijd manifestatie dient dan als “bewijs” dat afscheiding werkelijk bestaat. We hebben de wereld gemaakt, met andere woorden, om onze afscheiding van God te versterken. Zo was de wereld bedoeld als een plaats waar God niet kon binnentreden, en waar Zijn Zoon apart van Hem kon zijn (W-Wl.3.2:4). Wij maakten de wereld als een middel om aan te tonen dat de hel echt is (W-138.7:2). In de eerste twee hoofdstukken van de (oorspronkelijke) Tekst vinden we echter een opvatting die heel anders klinkt. In deze opvatting heeft God de tijd geschapen (oorspronkelijke versie van T-1.15.1:2) als een leermiddel, een klaslokaal, zodat wij onze weg uit de afscheiding kunnen leren en naar Hem kunnen terugkeren. Dat doen we door de tijd “creatief” (T-1.15.1:2) en “constructief” (T-1.15.2:2) te gebruiken – door wonderen te verrichten. Om ervoor te zorgen dat dit leren zou plaatsvinden, werd het verzoeningsprincipe ingebouwd (T-2.V.4:l). De verzoening wordt gekarakteriseerd als het actieve ingrediënt in het leermiddel dat de wereld is. De wereld was een middel om de scheiding te genezen, en de verzoening is de garantie dat het middel dat uiteindelijk zal doen (T-2.VI.12:7).

Maar is deze opvatting wel zo anders als zij klinkt? Immers, de eerste hoofdstukken bevatten ook een opvatting die heel erg klinkt als de latere Cursus: In het begin waren we bij God in de Hemel. Er was geen wereld. Toen kwam de afscheiding. We kozen tegen onze eenheid met God en kwamen tot geloof in afgescheidenheid. Daardoor verwierven we “het ruimte-tijd-geloof” en dit geloof is werkelijk alles wat de wereld is. Uiteindelijk is ruimte natuurlijk net zo betekenisloos als tijd. Het is een concept van geloof in ruimte en tijd (T-1.48.24:2-3). Er is geen werkelijke wereld. Aangezien alleen de eeuwigheid werkelijk is, er is slechts een “illusie van tijd” (T-1:15.2:2). Het is de bedoeling dat we deze illusie gebruiken om te leren, en wanneer ons leren voltooid is, wanneer we ons onjuiste ruimte-tijd-geloof volledig ongedaan hebben gemaakt, zullen we opnieuw ontwaken tot onze eenheid met God. Op dat moment zal de illusoire wereld verdwenen zijn. Dit alles klinkt precies als wat de rest van de Cursus leert. Wat meer is, dit materiaal is te vinden in dezelfde passages als de ogenschijnlijk problematische “God schiep de tijd” tekstgedeelten. Met andere woorden, de twee zienswijzen – “alleen de eeuwigheid is werkelijk” en “God schiep de tijd” – zijn volledig met elkaar verweven. Om zelfs maar te spreken van twee verschillende zienswijzen is een kunstmatig onderscheid door ons geïntroduceerd. Uiteindelijk is ruimte natuurlijk net zo betekenisloos als tijd.  Het concept is er werkelijk een van ruimte-tijd geloof. De fysieke wereld bestaat alleen zodat je deze kunt gebruiken om je ongeloof te corrigeren, dat je er oorspronkelijk in plaatste. Zolang je wist dat je niets nodig had, was het hele hulpmiddel overbodig. (T-1.48.24:2-5). Hier, in één passage, hebben we beide kanten. Een kant: De ruimte-tijd werd als het ware geïnstalleerd (de implicatie is dat dit door God werd gedaan) als een “hulpmiddel” dat Wij konden gebruiken om ons ongeloof te corrigeren. Andere kant: Ruimtetijd is slechts een betekenisloos geloof, waarin wij werden geplaatst door ons ongeloof. Wat we dus hebben, zijn twee verklaringen over het ontstaan van de wereld in één en dezelfde passage: 1) God schiep haar als een leermiddel, als hulpmiddel, om ons thuis te brengen, en 2) Wij brachten haar tot stand als een product van ons besluit om ons af te scheiden.

Deze twee uiteenzettingen maken het in feite mogelijk dit vroege onderricht te harmoniseren met het latere onderricht van de Cursus. We weten al dat de latere Cursus een versie van het tweede verslag bevat – dat we de wereld hebben gemaakt als gevolg van de afscheiding. Om dit te begrijpen moeten we ons eerst realiseren dat de uitspraak “God schiep de tijd” niet zo problematisch is als het op het eerste gezicht klinkt. Op dit punt in het dictaat maakt de Heilige Geest niet echt deel uit van het plaatje. Hij wordt slechts zes keer genoemd in de eerste vier hoofdstukken van de Cursus, en wordt helemaal niet genoemd wanneer er wordt gesproken van “God schiep de tijd”. Dientengevolge zijn handelingen die de latere Cursus aan de Heilige Geest toeschrijft, handelingen die de vroege Cursus aan God toeschrijft. Bijvoorbeeld: in de openingsalinea’s van de Cursus zei Jezus oorspronkelijk: “God … zal jou heel specifiek leiden” (T-1.3.4:1-2). De redacteuren van de FIP editie hebben dit echter veranderd om de taal van de latere cursus te weerspiegelen: “Zijn Stem [de Heilige Geest] zal u zeer specifiek leiden:” Ook, – in dit vroege stadium van de tekst, wordt de wereld, “scheppen” gebruikt in een meer losse, conventionele manier dan het later is. In hoofdstuk 3 wordt het een technische term die alleen verwijst naar de schepping in de hemel; maar in de hoofdstukken 1 en 2 verwijst het naar het voortbrengen van iets hetzij in de hemel hetzij op aarde. Om deze redenen zou de uitspraak “God schiep de tijd” in het latere taalgebruik van de Cursus kunnen betekenen dat de Heilige Geest de tijd schiep: Deze verandering in taalgebruik is belangrijk, want er zijn toespelingen op dit idee in de latere Cursus, zoals we nu zullen zien. In hoofdstuk 25 van de Tekst wordt ons verteld dat “er zijn er twee die deze wereld gemaakt hebben. Voor elk heeft zij een ander doel, en voor elk is zij een volmaakt middel om het doel te dienen waarvoor zij wordt waargenomen” (T-25.111.3:3-4). Klinkt dit idee van “twee makers” niet als wat we zojuist zagen uit het vroege dictaat? Een ander gedeelte vertelt ons dat de Heilige Geest “een verboden vonk van schoonheid” kon injecteren in de wereld die de Zoon van God in waanzin heeft gemaakt (T-17.II.5:S). En wanneer we deze vonk van schoonheid zien, wordt het kleinste blaadje een ding van verwondering, en een grassprietje een teken van Gods volmaaktheid (T-17.11.6:3). Dit klinkt natuurlijk veel als de Heilige Geest die de verzoening in de wereld bouwt. ‘Er zijn zelfs twee passages die duidelijk zeggen dat “de tijd werd gemaakt” door de Heilige Geest.

Werkboekles 193 spoort ons aan meer tijd te besteden aan onze dagelijkse oefening en zegt dat de tijd daarvoor gemaakt is (W-193.12:4). De tijd is gemaakt om onze praktijk in het werkboek te doen? Klinkt dat niet vergelijkbaar met “God schiep de tijd zodat de mens er creatief gebruik van kon maken” (oorspronkelijke versie vanT-1.15.1:2)? Les 138, “De hemel is de beslissing die ik moet nemen;” geeft een nog vollediger beeld: “Zo beginnen we vandaag met het overwegen van de keuze, tot het maken waarvan de tijd als hulpmiddel werd gemaakt. Dat is het heilig doel ervan, nu omgevormd vanuit de bedoeling die jij eraan gegeven hebt: dat het een middel is om aan te tonen dat de hel werkelijk is,” (W-138.7:1-2, cursivering toegevoegd). Dus, wij maakten de tijd als bewijs dat de hel echt is. En toen heeft de Heilige Geest de tijd opnieuw gemaakt en haar een nieuw en heilig doel gegeven. Door zijn herschepping werd de tijd uitsluitend een middel voor ons om de keuze voor de hemel te maken. Hier is dus een ander voorbeeld van de “twee makers” leer. De latere Cursus vertelt ons dus niet alleen dat “deze wereld door twee gemaakt is”, maar ook dat “de tijd gemaakt is” door de Heilige Geest voor een “heilig doel:” Deze passages zijn directe verbindingen met de vroege beweringen dat “tijd en materie geschapen zijn” voor een heilig doel (oorspronkelijke bewoordingen vanT-2.VI.7:2).

Dit stelt ons in staat één enkele zienswijze naar voren te brengen die zowel de vroege als de latere leer over wie de wereld schiep, omvat: God schiep ons als geest in een zuiver geestelijke hemel, waarin wij een rechtstreekse en onbeperkte verbinding met Hem hadden. Er was geen fysieke wereld en er was ook geen behoefte aan zo’n wereld. Wij kozen echter voor afscheiding van God. Vanuit dit geloof in afscheiding droomden wij een wereld van tijd en ruimte. Deze wereld is slechts een illusie, maar toch lijkt zij ons echt, en daarom biedt zij een ogenschijnlijk bewijs dat de afscheiding echt is. De wereld is er dus om ons geloof in afscheiding te versterken, evenals ons geloof in zonde, aanval en dood. Echter, tussen onze oorspronkelijke keuze om ons af te scheiden en het ontstaan van de fysieke wereld, was de Heilige Geest in staat om binnen te komen en het proces te beïnvloeden. Wat wij voor ons eigen doel maakten, maakte de Heilige Geest opnieuw voor het Zijne. Het resultaat was dat in de wereld die daadwerkelijk ontstond, de verzoening was ingebouwd. De wereld werd een klaslokaal waarin we onze weg uit de afscheiding konden leren kennen. In deze wereld is de verzoening altijd werkzaam, en brengt ons vooruit in ons leren naar het einde van het leren, wanneer we weer zullen ontwaken in de Hemel en de wereld zullen niet meer zal bestaan. De vroege en de latere Cursus komen op ditzelfde beeld uit, hoewel ze duidelijk in nadruk verschillen. De latere Cursus benadrukt dat de wereld het product was van onze keuze om ons af te scheiden. De vroege Cursus benadrukt dat de wereld door het Goddelijke is gemaakt als een leermiddel om ons thuis te brengen. Toch zijn beide kanten in de hele Cursus aanwezig, en daarom moet elke kant gerespecteerd worden als dienend voor een belangrijk leerdoel in Een cursus in wonderen.

Advertentie