Be You in charge

img_0559

De vijf laatste Werkboeklessen van het jaar zijn hetzelfde. Het werkboek maakt vaker gebruik van herhaling, maar nergens zo duidelijk als hier. Jezus wil ons iets heel duidelijk maken. En als we het nog niet begrijpen dan volgt nog het Nawoord. Zo liefdevol, zo hoopgevend. Het ontroert me.

Waar mondt het hele Werkboek in uit? Lees regel 6 van het Nawoord: ‘we vertrouwen onze levensweg toe aan Hem en zeggen: ‘Amen’. Dat vertrouwen wordt nooit beschaamd: ‘Zijn Liefde omringt jou, en wees hiervan overtuigd: ik zal jou nooit zonder troost achterlaten’.

Ik ben zo dankbaar voor de Cursus. Dankbaar dat Jezus me vertelt dat ik het niet zelf kan doen en Goddank ook niet zelf hoeft te doen. Het voelt als een nieuw begin, telkens weer opnieuw. Geen eigen verdienste maar totale Genade. ‘Uw leiding geeft mij vrede’.

Sta me toe de laatste Werkboek les weer te geven uit de Engelstalige Cursus. Hiermee beëindig ik graag dit jaar, op weg naar een nieuw begin. Met jullie, met Hem.

This holy instant would I give to You.
Be You in charge.
For I would follow you, Certain that Your direction gives me peace.

Advertenties

Mijn plek!

Woman gesturing out of car window

Op eerste Kerstdag halen m’n vrouw en ik per auto onze schoonzus en zwager op om gezamenlijk naar de familiebijeenkomst te rijden. Bij het appartement waar ze wonen zijn veel parkeerplaatsen. Ik parkeer midden op twee vakken zodat onze gasten straks makkelijk in kunnen stappen. Terwijl m’n vrouw gaat aanbellen verschijnt er een klein autootje dat vlak voor de neus van mijn auto parkeert. De bestuurster werpt zeer boze blikken naar mij omdat ik op twee plekken (haar plek?) geparkeerd sta. Ik wijs naar links en rechts waar op luttele afstand nog vele andere plekken beschikbaar zijn. Mevrouw verzet haar auto iets zodat ze de weg blokkeert en met de voorkant van haar auto wijst naar het parkeervak waar ze in wil. Daar waar ik nu sta.

Ik vind het belachelijk maar vanuit een oppervlakkig Kerstsentiment verplaats ik met enige moeite mijn auto zodat ze op haar plekje kan staan. Laat ik de wijste maar zijn. Ze parkeert, werpt me nog een boze doch triomfantelijke blik toe en beent weg. Dertig seconden laten verschijnen de gasten en m’n partner. Toch blijft het knagen. Ik ben boos op dat stomme eigenwijze mens en ook op mezelf omdat ik de confrontatie uit de weg ben gegaan. Het is toch ook belachelijk!

Werk te doen, ik weet het. Het voelt als tegen de stroom in roeien. Als ik haar probeer te vergeven dan voelt het onecht. Ik zie dat mijn “laat ik de wijste maar zijn” totaal niets met vergeven te maken heeft. “Forgiveness to kill” noemt de Cursus dit. Het is totaal gebaseerd op afscheiding waarbij ik mezelf superieur acht aan die ander. Het is ook merkbaar dat er van vergeving geen plaats is op deze manier. De boosheid verdwijnt namelijk allerminst.

Gelukkig ben ik in die zin iets wijzer geworden dat ik wat sneller erken dat “ik” niet vergeven kan. Dit “ik-gevoel” is namelijk de indicator dat ik geloof in afgescheidenheid. In het mijn en het dijn, in mijn plek en jouw plek, in aanval en verdediging. Hier kan geen vrede uit voortkomen.

De laatste zinnen van WB359 komen in het bewustzijn:

Help ons vergeven, want we willen worden verlost. Help ons vergeven, want we willen in vrede zijn”.

Ik herhaal de zinnen rustig, me bewust van de inhoud en ervaar de weerstand vanuit het ego. Dat wil helemaal niet worden verlost, het wil helemaal niet zachter worden en zo ook maar iets van vrede ervaren. Het wil gelijk hebben, verontwaardigd zijn, boos zijn. Ik zie het gebeuren en besluit weer naar de twee bovenstaande regels te luisteren, erop te vertrouwen. Het vergt voor mij wat tijd om de zegen binnen te laten komen. Op een gegeven moment zie ik in mezelf exact dezelfde verbetenheid over “mijn plek” als in de door mij geprojecteerde bestuurster van het zwarte wagentje. Niet fijn om zo in de spiegel te kijken. “Wil je gelijk hebben of vrede ervaren?” klinkt het zachtjes. Ik wil vrede ervaren en volg die Stem richting de rust, de ontspanning. Dankbaar voor deze Hulp.

Zie zijn zondeloosheid..

embrace-the-trucker

Met de Cursus heb je elke dag vuurwerk. Kijk nu toch weer die afsluitende zin van WB357:”Zie zijn zondeloosheid en wees genezen”. Dat is het en meer niet. Hoe simpel willen we het hebben?
Ik laat wat mensen die ik ken voorbij trekken in mijn gedachten. De positieve en negatieve oordelen en gevoelens wisselen elkaar snel af. Meestal zijn deze niet heel erg uitgesproken maar de ene mens mag ik gewoon wat meer dan de andere. Mensen die ik wat liever mag  lijken me iets te kunnen geven waar ik behoefte aan meen te hebben. Vriendelijke woorden, waardering, genegenheid, gezelligheid en ga zo maar door. De Cursus spreekt van speciale liefdesrelaties. De waardering die ik voel voor deze ‘aardige mensen’ is toch voorwaardelijk. Als ze zich een keer vervelend gedragen dan kan ik het nog door de vingers zien maar het moet geen gewoonte worden want dan liggen ze eruit.

Het gevoel iemand echt intens te haten ken ik niet. Er is niemand die ik dood wens. Toch is de kwaliteit van de speciale haat-relatie mij natuurlijk ook niet vreemd. Er zijn wel degelijk mensen die ik afwijs, wiens gedrag en manier van doen ik niet kan accepteren. Ik maak mezelf wijs dat ik iets beter ben dan die vrachtwagen chauffeur uit Berlijn omdat ik niet overga op doodslag. Toch is het verschil tussen mijn bescheiden hekel hebben aan sommige personen de haat van terroristen slechts een kwantitatief verschil binnen de droomwereld waarin we menen te leven. Ten diepste doe ik met mijn oordeeltje en de terrorist met zijn aanslag hetzelfde; we menen zonde te zien in een ander die een aanval rechtvaardigt. Ik schiet een klein oordeel-kogeltje af en de terrorist pakt een wat groter wapen.

Wij allebei voelen ons afgescheiden van onze broeders. Zodra het kleinste geloof in ons ikje de denkgeest binnensloop en we niet meer konden glimlachen om dit bijgeloof, voelden we de grens tussen ik en jij. Kijk goed naar binnen en let heel goed op dit gevoel. Merk dat de geboorte van het kleinste ik-gevoel altijd gepaard gaat met de geboorte van het jij-gevoel. Deze geboorte heeft bijwerkingen. Zodra de tweedeling lijkt te ontstaan, vermoed je dat er iets met je kan gebeuren (een aanval door een ander) en dat je behoeftig bent (ik heb iets van die ander nodig). Angst ziet nu het daglicht met in zijn voetspoor de woede op die denkbeeldige ander. Zodra we ons menen losgedacht te hebben uit de eenheid die we zijn is er spraken van oorlog met denkbeeldige anderen en met een denkbeeldig van ons afgescheiden God. Hier voelen we ons schuldig over. Die schuld is ondragelijk maar gelukkig lukt het ons dit te projecteren op de buitenwereld, op die ander. Die is fout, die is zondig en die verdient de doodstraf waarvan ik onbewust meen dat ik die zelf verdien. Een vicieuze cirkel van angst, aanval en schuldgevoel.

Hoe kom ik hiervan af? Wat moet ik doen om dit los te laten? Het helpt me om te zien dat in deze twee vragen het woordje “ik” een prominente plaats inneemt. Diezelfde ik ziet dus direct de aanname over het hoofd dat ervan wordt uitgegaan dat er een “ik” is die ergens vanaf moet zien te komen, die moet loslaten en die een verloren gewaande vrede moet zien terug te pakken.

Goddank leer ik steeds sneller om te stoppen met spartelen. Ik leer zien dat er een verborgen weerstand is om het spel van ik-versus-jij los te laten, om de zondeloosheid van de ander te zien. Dit spel gebruik ik juist om weg te blijven van die overweldigende liefde waarin jij en ik verenigd zijn. Nu valt de titel van WB 357 op zijn plaats:

“De waarheid beantwoordt elk beroep dat we doen op God door eerst met wonderen te reageren, en dan tot ons terug te keren om zichzelf te zijn”

Here Jezus ik kan mijn negatieve oordelen over anderen niet uit eigen kracht loslaten. Ik blijk het gewoonweg niet echt te willen. Maar die kleine wil tot angst en strijd is niet mijn echte Wil die ook de Uwe is. Dus ik dank U dat ik mag zeggen met Jezus: “in Uw handen beveel ik mijn geest” en vervolgens mag ik mijn hele kleine vertrouwen zetten op Uw belofte. U beantwoordt elk beroep. Dank.

 

 

Lekker roddelen?

roddelenHet vergt eerlijkheid om toe te geven dat ik roddelen soms best wel lekker vind. Dat hoort immers niet. Als ik denk aan roddelaars dan denk ik aan wat simpele en domme mensen met een nare karaktereigenschap. Stiekemerds. Maar juist het feit dat ik me boven roddelaars verheven acht zou me een seintje moeten geven dat ik aan het projecteren ben. Dat ik iets bij een ander afwijs wat ik zelf onbewust wil doen maar waarvan ik ergens wel aanvoel dat het niet zo liefdevol is.

Het maakt niet zoveel uit of we de neiging hebben om anderen de maat te nemen of dat we eerder klaar staan om onszelf de grond in te boren. Zelfverwijt. In het gezin waarin ik geboren ben hebben we allemaal nogal de neiging om meer te praten dan te luisteren. Dit veroordeelde ik vooral bij mijn ouders maar, zo gaat dat helaas, ik merk dit trekje ook bij mezelf. Dit wil ik niet dus neem ik me telkens voor eens wat meer m’n mond te houden als bijvoorbeeld m’n twee oudste dochters op bezoek komen. Maar na een half uurtje voer ik al weer het hoogste woord. Hoewel het wel wat verbetert, heb ik dan als ik ’s avonds op bed lig een beetje een kater. Snetver man, waarom trapte je er nu weer in? Hardleerse sukkel!

Wat een gek trekje is die neiging om anderen en / of jezelf te veroordelen en de grond in te stampen. Waartoe doen we dit? Om daar achter te komen moet ik goed opletten. Want wat er gebeurt bij het veroordelen van anderen en gek genoeg ook van mezelf is dat ik de illusie voed dat er twee partijen zijn. Ik en de ander of, bij zelfveroordeling, m’n goed ikje en m’n hardleerse ikje. Zodra ik oordeel, vindt er een ogenschijnlijke verharding plaats in m’n ik-gevoel. Natuurlijk is het helemaal fijn als andere roddelaars met me mee doen. Dit geeft wat extra gewicht aan de ‘waarheid’ van mijn oordeel en als de andere het ook doen dan lijkt mijn schuldgevoel over het geroddel wat te worden verdund. We doen het tenslotte allemaal.

Wat zegt de werkboekles van vandaag (WB351)? “Mijn zondige broeder is mijn gids naar pijn”. Natuurlijk is de kernboodschap van de Cursus juist dat er geen zondige broeders zijn (“Wie anders is mijn broeder dan Uw heilige Zoon”). We hebben het dus over onze keuze: “En ik zal zien wie ik verkies te zien”. Ik kies ervoor om wat mijn zintuigen me lijken te tonen serieus te nemen. Ik meen echt dat de woorden en daden van mijn broeders samenvallen met hun diepste zijn. Als ze me bijvoorbeeld verbaal aan lijken te vallen dan neem ik dit serieus. Ik hecht mijn geloof aan een vijandige wereld die me overkomt omdat dit het beeld van een afgescheiden slachtoffer-ikje bevestigt. Ik kies ervoor om me via de veroordeling van een ander (of van mezelf) wat meer afgescheiden te voelen van God, van Liefde. Ik meen dat dit gevoel van afgescheidenheid, deze bunker die ik maak, me veiligheid kan bieden. En ten diepste voert dit weer terug op de angst voor eenheid, voor de Liefde die we zijn.

Kijk eens naar ons voorbeeld, Jezus. Wat was zijn reactie op het geroddel, de zweepslagen en de kruisiging? “Vergeef hen vader, ze weten niet wat ze doen!”. Wow.. Kan ik op die manier kijken naar die vervelende collega, naar die automobilist en naar mezelf? Kan ik de ware waarneming toelaten? Op “eigen kracht” lukt me dat niet. Mijn verslaving aan de neiging om te oordelen is zo groot dat ik een Coach nodig heb. Zodra ik opmerk dat ik er weer intrap wend ik me tot Hem. “Heer, ik heb weer die neiging om die ander of mezelf te kruisigen. Ik doe dit omdat ik me hierdoor lekker “ik” voel en tegelijk voel ik me hier schuldig over. Hier ben ik met mijn onnodige angst en mijn onnodige schuldgevoel. Heer, dank dat u me liefhebt en in mij geen zonde ziet. Help me om met uw liefdevolle ogen zo ook naar die ander en naar mezelf te kijken. Leer me dat het vergeven van mijn projecties, het openen naar mijn broeders, leidt tot het binnenstromen van Uw altijd aanwezige Liefde”.

Mijn zondeloze broeder is mijn gids naar vrede.

Even een mijmering..

just_a_thought__steven_universe__by_loopusomg-dafjukz

Het valt me op dat m’n aardse droomleventje steeds meer doortrokken wordt door de Cursus, door het verlangen om naar Hem te luisteren. Toen ik de eerste keer de werkboeklessen deed vond ik het nogal een opgave om bepaalde oefeningen zo dikwijls te doen. Steeds meer vallen nu Cursus-citaten me spontaan en veelvuldig te binnen.

Een ‘bijwerking’ van de Cursus las ik zojuist (T2 III 4):

“Dit herstelt de macht van de denkgeest en maakt het hem steeds onmogelijker om uitstel te dulden, in het besef dat het de pijn slechts nodeloos vermeerdert. Hierdoor wordt de denkgeest almaar gevoeliger voor wat hij vroeger gezien zou hebben als heel kleine steken van onbehagen.”

Het is een soort conflict-antennetje. De kleinste irritatie wordt opgemerkt, het kleinste gevoel van ongenoegen. “He, ik geloof dat het echt is wat er nu gebeurt. Ik stink erin”. Voorheen was m’n primaire reactie: “wat kan IK hieraan doen?” Nu is het meer “hoe kan ik zo snel mogelijk opzij stappen en Hem Zijn ding laten doen?”.

Langzaam maar zeker groeit het vertrouwen. Steeds meer wordt gezien dat het maar zo lijkt dat er zoveel verschillende kwesties zijn. Maar belangrijker; steeds meer laat ik slechts dat ene antwoord gebeuren, de Verzoening. Dankbaar dat het niet van mij afhangt!

Mijn keuze voor negatieve beelden

aleppo-syria

Afgelopen week fietste ik over de Geniedijk in Hoofddorp. Een groepje van drie jongens van een jaar of 15 stond vuurwerk af te steken. Een ander groepje wat kleinere kinderen fietste erlangs. Eén van de fietsertjes riep baldadig richting de grotere jongens of hij ook wat vuurwerk mocht. Zonder zich een seconde te bedenken gaf zo’n grotere gast razend snel een trap tegen de fietser. Gelukkig kon deze zich overeind houden.

Vanmorgen werd ik wakker. Iets te vroeg en met wat hoofdpijn. Ik keek op mijn smartphone en kwam terecht in een nieuwsrubriek. Platgegooide steden in Syrië, doden en gewonden. Russische dreiging. Geruzie rondom Wilders.

Wat hebben deze gebeurtenissen met elkaar gemeen? Vooral dit; ik geloof ze. Ik geloof dat het waar is wat ik zie. Ik geloof dat mijn medemensen agressievelingen zijn, ruziemakers, onruststokers. Ik voel me onveilig en bedreigd en vind dat de wereld waarin ik leef steeds grimmiger wordt, steeds ongezelliger. Ik denk aan het mooie pleidooi van Jan Terlouw. We vertrouwen elkaar niet meer. Zo jammer.

Maar wat als ik nu eens besluit om niet langer te geloven wat mijn ogen me lijken te laten zien? Ik zeg krachtig tegen mijn gedachten en tegen mijn duistere wereldbeeld: “Ik geloof dit niet langer”. Wat gebeurt er? Helpt het? Nee, niet echt. Door te zeggen dat ik het niet geloof blijkt des te sterker dat ik het juist heel erg geloof. Dat negatieve beeld van een slachtoffer Simon in een lichaam in een steeds bedreigender wordende wereld lijkt heel sterk. Toch is het dat niet. Mijn geloof in de echtheid hierin is heel sterk. Waarom geloof ik dit zo sterk? Waarom ervaar ik weerstand om dit geloof in twijfel te trekken?

De Cursus leert dat er sprake is van een verborgen agenda van het ego. Het is heel paradoxaal maar ik wens juist te geloven dat ik belichaamd slachtoffer ben in een boze wereld. Iedere twijfel hieraan wordt door het ego met argwaan bezien. Wat als ik werkboekles 343 toepas en op alles wat ik zie vergeving laat rusten? Vanuit mijn kleine ikje is dit kennelijk erg lastig. Ik ervaar zelfs weerstand om mijn blik voorbij te laten gaan aan de beelden die mijn ogen mijn tonen. Vanuit mijn kleine zelf  lukt me nauwelijks om te zien dat vechtersbazen en ik  onbegrensde, liefdevolle Zonen van God zijn. Ik geef er de voorkeur aan te blijven hangen aan “de buitenkant”, aan wat ik op hen (en daarmee op mezelf) projecteer. Om anders te kijken en opnieuw te kiezen heb ik hulp nodig, Zijn ogen, Zijn Stem.

Als ik me openstel voor de mogelijkheid om de door mij gekoesterde projecties los te laten voelt het haast of ik iets moet opgeven. Of ik iets moet offeren. Maar er wordt van mij helemaal geen offer gevraagd om Gods genade en vrede te vinden (WB343). Het is slechts angst voor mij om de afgoden van de geprojecteerde wereld niet meer te geloven, de bedrieglijke beelden los te laten en mijn vertrouwen te richten op liefde. Want als ik mijn broeders zie met de ogen der liefde dan ervaar ik de liefde in mijzelf. Die openheid voelt kwetsbaar en eng. Maar tegelijk ook hoopvol, liefdevol. Dus vandaag leer ik de wet van de liefde: wat ik mijn broeders geef is mijn gave aan mij (WB344). “Heer ik bied U mijn angst, mijn geloof in mijn projecties waarmee ik me probeer af te houden van Uw Liefde. Heer hier ben ik, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Boze oude man.

img_0539

Een korte vakantie op Tenerife. Dinsdagochtend bij het ontbijtbuffet zoeken m’n vrouw en ik een plekje op het terras. We gaan zitten en beginnen te smullen van al het lekkers. Wat een mooie ochtend! Er verschijnt een oude manlijke toerist aan onze tafel die met zwaar Duits accent ons in het Engels toebijt: “This is my tabel!”Verbaasd kijken we hem aan. Er stond geen tasje, er hing geen jas of vestje en het bestek was nog onaangeroerd. Er staat wel al een thermoskannetje koffie. Ook nog onaangeroerd. “This is my table and my coffee”. Even vrees ik dat hij wil gaan meppen. Met kloppend hart antwoord ik dat we very sorry zijn en wel ergens anders willen gaan zitten. Meneer is echter zo boos dat communicatie niet meer mogelijk blijkt. Hij gaat ziedend twee tafels verder zitten en beklaagt zich bij de obers. “They took my table!” M’n vrouw en ik begrijpen het niet. “Er stond inderdaad wel al een koffiekannetje, dat had ons aan het denken moeten zetten”, zegt ze. “Maar er zijn nog zoveel tafels leeg, wat is het probleem?”, antwoord ik.

Dit voorval kwam weer in m’n gedachten vanmorgen toen ik WB 335 las “Ik kies ervoor mijn broeders zondeloosheid te zien”. Koos ik daarvoor? Nou, nee. Ik vond het een overdreven oude, starre engerd. Dat is m’n snelle ego-reactie, de makkelijke keuze voor de brede weg die naar (denkbeeldige) zonde leidt. Waarom reageer ik zo? Waarom ging mijn hart zo tekeer? Waarom verdedig ik me en heb ik weinig vriendelijke gedachten over iemand die ik niet graag als broer zou willen hebben?

Als ik het onderzoek merk ik dat hij appelleert aan een gevoel van fout-zijn van mij. Niet zozeer fout zijn in engere zin over dat lullige tafeltje. Nee, een dieper gevoel van fout-zijn. Ik projecteer op deze man het beeld van een boze vader-god. Ik meen dat ik hem iets heb aangedaan. Ik heb me los gedacht van hem en ben nu kwetsbaar en schuldig. Hij is nu buiten mij in de vorm van deze boze broeder. Er begint een beetje begrip te komen voor het boos vertrokken gezicht van hem. Ook hij meent afgescheiden te zijn en gelukkig te worden als hij zijn eigen plek krijgt. Hij ziet nog niet dat dit tafeltje een symbool is voor de liefde die hij echt zoekt, die hij meent kwijtgeraakt te zijn. Hij meent dat ik zijn liefde heb gestolen en wil me aanvallen om het terug te krijgen. Hij voelt zich alleen, verdwaasd en bang. Net als ik. Samen zijn we gevangen in projecties vanuit vermeende eenzaamheid en armoede. Beiden wanhopig opzoek naar de liefde die we zijn.

Met mijn -en zijn vermeende kwetsbaarheid in gedachte wend ik me tot Hem. Heer, vanuit mijzelf kan ik alleen maar aanvallen en verdedigen. Zie mijn angst. De angst om de mogelijkheid toe te laten dat ik nooit een ikje ben geweest, dat mij niks ontbeert, dat ik me mag overgeven aan U. Ik hoef geen muren overeind te houden, ik ben niet schuldig en ik zie mijn denkbeeldige kwetsbaarheid weerspiegeld in deze oude broeder. Heer, dank voor Uw zegen, Uw verzekering aan ons dat we totaal zondeloos zijn.