Doe ik dit mezelf aan?

meaculpa

Zolang we nog totaal dromen zullen we menen dat we in een vijandige wereld rondlopen waarin ons van alles kan overkomen. De Cursus is bedoeld om ons te helpen om te ontwaken uit deze droom. Een basisgedachte uit de Cursus is dat er geen wereld buiten ons bestaat. Dit staat zo enorm haaks op onze diepste overtuiging dat we het in eerste instantie slechts als extreem idee even kunnen overwegen. Dat volstaat ook want de Cursus vraagt geen blind geloof in een vreemde theorie. Een klein beetje twijfel aan de ogenschijnlijke wereldorde is voldoende.

Na enig studeren beginnen we te leren om de projectie van de schuldige wereld terug te nemen. In tegenstelling tot wat onze zintuigen ons willen doen geloven komt er een beetje ruimte voor het inzicht dat we slechts zitten te kijken naar beelden in onze eigen denkgeest. Op dit moment begint het ego wat onrustig te worden. Het ziet dat er twijfel ontstaat over het bestaan van een ikje in een wereld waar van alles in gebeurt dat tegen onze zin is. Snel grijpt het ego naar een sterke strohalm: als de wereld niet meer iets is wat ons zomaar overkomt dan doe ik het me dus allemaal mezelf aan. Toch? Hier is toch geen speld tussen te krijgen?

We mogen de boom beoordelen aan haar vruchten. Want wat is de vrucht van bovenstaande conclusie van het ego? Juist: ik ben zelf schuldig aan alles wat me lijkt te overkomen. Ik doe het dus allemaal mezelf aan. Het gevolg hiervan is een gevoel van diepe schuld.  Zodra we dus de schuld niet langer projecteren op een denkbeeldige wereld dan projecteren we die op een denkbeeldig (!) zelf. Dát is namelijk ook een prachtig resultaat voor het ego. Het gelooft nu dat het schuldig is aan eigen leed en dubbel schuldig omdat het hierin maar blijft volharden. We zijn echt van de regen in de drup gekomen. Maar houd moed. Dit is in feite een goed teken. Er zijn met mij veel studenten die ervan kunnen getuigen dat de zonde-schuld-angst driehoek erg heftig wordt als het ego in het nauw wordt gebracht. Zelfbeschuldiging, twijfel en hopeloosheid zijn zo heftig in deze donkere nacht van de ziel. Houdt het dan nooit op?

De wortel van deze onvrede zit hem in de lastige cirkelredenering: als er geen buitenwereld is dan ben ik dus zelf schuldig aan wat me overkomt. We lijken weliswaar een stapje verder gekomen dan ons geloof in een enge buitenwereld maar er is nog steeds sprake van schuldgevoel. Maar kijk eens even heel goed samen met mij naar die cirkelredenering. Zie je dat we nog steeds een vast geloof hechten aan “dat wat ons overkomt”. Doordat we stellig geloven dat dit “dat wat ons overkomt” écht is kunnen we veilig vast blijven houden aan de echtheid van dat “ons” wat nog steeds een écht afgescheiden persoontje blijft. Zie je de truc? We geloven in de echtheid van de projector terwijl we niet meer zo erg geloven in de film van de buitenwereld. We zitten niet langer meer totaal onwetend in de bioscoop maar hebben in de gaten dat alles wat we op het doek zien geprojecteerd wordt door dat licht achter in de zaal. Maar dan zeggen we dat de projector de echte schuldige is van de (toch wel beetje echte) film en we vragen ons af waarom die projector niet gewoon stopt met projecteren.

Ja, waarom klampen we ons toch nog een beetje vast aan de echtheid van ons lichaam en aan de ziekte en aan de angsten? Desnoods zijn we zelf maar de dader van deze nare ervaringen maar het is belangrijk voor ons dat de ervaringen serieus genomen blijven worden. Stiekem blijven we hopen op lichamelijke genezing. Hierover moeten we ons niet opnieuw schuldig gaan voelen maar kijk gewoon bewegingsloos baar de kern van dit geloof. Hecht gewoon nog maar even geloof aan het belang van een gezond en angstvrij lichaam maar onderken wél dat je dus hiermee nog steeds gelooft in zonde (afscheiding)-schuld en angst. Ontken niet je pijn en je wens om ervan af te komen, maar probeer eerlijk te kijken naar wat jouw geloof in de echtheid van al die pijn en angst voor je oplevert. Het lijkt te bewijzen dat je toch bestaat los van het Geheel, als speciaal persoontje dat nog steeds aan het roer staat en overal verantwoordelijk voor is. Kijk slechts en beweeg niet. Zie de diepst verborgen intentie; je wilt je onbewust afgescheiden blijven voelen uit angst voor overgave aan Liefde (je ware Zelf).  Bid dan toch op deze oudejaarsdag het prachtige gebed met me mee waarin je de angst bij de liefde brengt en het roer uit handen geeft aan je diepste Zelf.

Les 361-365

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.
Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen,
in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

Advertenties

Generaliseren

generaliserenIn ons dagelijks taalgebruik heeft generaliseren een negatieve klank. Zo moeten we bijvoorbeeld voorkomen dat we alles over één kam scheren. We moeten niet zwart-wit denken en de nuances blijven zoeken. De Cursus overstijgt alle tegenstellingen en is in feite ultiem radicaal. Iets hiervan klinkt door in het bekende eerste wonderprincipe:

Wonderen kennen geen rangorde naar moeilijkheid. Het ene is niet ‘moeilijker’ of ‘groter’ dan het andere. Ze zijn allemaal gelijk. Alle uitingen van liefde zijn maximaal.

Op ons komt dit wereldvreemd over en dat is het ook per definitie. Een kleine irritatie, een boze opmerking, een klein tikje, een forse dreun, een steek met een mes, een kogel en een kernwapen hebben wat ons betreft toch wel een iets andere impact. Het fijne van de Cursus is dat ze ons niet vraagt dit zonder slag of stoot, hoe toepasselijk, in één keer voor waar aan te nemen. Jezus begrijpt dat we ons behoorlijk vastklampen aan de illusie van onze droom en de rangorde van ellendige gebeurtenissen is hier een vals doch stevig fundament van. We mogen onze vergevingsoefeningen beginnen met gebeurtenissen die wijzelf als klein inschatten. We hoeven bijvoorbeeld niet direct de angst voor de dood te overwinnen maar kunnen beginnen met een kleine bezorgdheid. Met veel vallen en opstaan kunnen we in de gaten krijgen dat door angstig te fantaseren over een enge toekomst nu, angst ervaren terwijl er goed beschouwd op dit moment niks aan de hand is. Het is een rare en paradoxale keuze: ergens kiezen we ervoor om ons nu bang te maken en enge gedachten te koesteren terwijl we deze bezorgdheid toch als onaangenaam ervaren. Hoe kan dit nou?

Heel voorzichtig krijgen we er enig benul van dat we zelf alles de betekenis geven die dingen voor ons hebben. We kunnen ons afvragen hoe het zou zijn de angstige gedachte niet te geloven. Hoe zou dat zijn? Dat kan haast ongepast voelen. Als namelijk blijkt dat er iets van een keuze bestaat over hoe we ons voelen over zogenaamde kleine dingen dat voelt ons ego onbewust aan dat we die ruimte wel eens wat groter kunnen gaan maken. Waar gaat dit eindigen? Straks is voor het ego het hek van de dam. Sommige studenten pakken dit heel snel op en doorzien hun keuze voor angst heel snel. Anderen hebben binnen de droom wat meer tijd nodig. Zelf zit ik ook in de categorie slome (dus angstige) studenten. Ik ervaar steun aan het citaat uit WB 284:

“En iedere vorm van lijden is niets dan een droom. Dit is de waarheid, die eerst alleen dient uitgesproken en dan veelvuldig herhaald, om vervolgens onder veel voorbehoud maar gedeeltelijk als waar te worden aanvaard.”

Zoals gezegd hoeven we de radicale boodschap van de Cursus zoals uiteengezet in het Tekstboek niet kritiekloos te geloven. De Cursus gaat uit van praktijk en ervaring. Het is echter wel jammer om door te schieten naar het andere uiterste en de metafysica van de Cursus maar totaal te negeren. Dit is natuurlijk niet zondig in morele zin maar je ontneemt jezelf een kans om sneller te generaliseren en daarmee de verkregen inzichten breder te trekken.

We kunnen ervoor kiezen om steeds naar de Cursus te grijpen als er in ons leven een brandje woedt. Als we bijvoorbeeld een stevig conflict hebben of geconfronteerd worden met ziekte. We gebruiken dan de Cursus als EHBO-kit die weer opgeborgen kan worden als het conflict voorbij is of als de lichamelijke ziekte wat minder klachten geeft. Nogmaals, niets om ons schuldig over te voelen en je bent vrij om vervolgens weer in slaap te sukkelen tot het volgende binnenbrandje zich voortdoet. Het kan ook gebeuren dat je iets geproefd hebt van wat de Cursus aanduidt als een wonder. Het is natuurlijk prachtig als het conflict met je schoonzus is uitgepraat of dat de chemotherapie geholpen heeft maar mogelijk is het gelukt om iets verder te kijken dan een verandering van vormen binnen de illusie.

Heb je bijvoorbeeld gemerkt dat er een soort verharding plaatsvindt in jezelf als je boos bent op iemand? Merkte je dat de kleine hoeveelheid liefde die je kon laten stromen naar je schoonzus zich tegelijkertijd ook wonderlijk aan jou presenteerde? Heb je toen je ziek was gemerkt hoezeer je nog geloofde dat jij je lichaam bent? Heb je gespeeld met de gedachte hoe het zou kunnen zijn als je de pijn niet zou ontkennen maar zo brutaal zou zijn om te betwijfelen of deze pijn het bewijs vormde dat jij een lichaam zou zijn? Hoe zou het zijn als je tegen die pijn zou zeggen: auw, je doet me erg pijn en ik weet waarvan je me probeert te overtuigen. Oké, oké; ik geef je een beetje je zin en ik ga naar de dokter en ik slik medicijnen. Maar voor wat betreft mijn ware identiteit wil ik niet naar jou luisteren en wil ik niet voor jou als afgod knielen. Ik wil luisteren naar een andere Stem hoe hard je ook in mijn oor tettert.

Les 361-365

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.
Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen,
in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

God en ik

DearGodCranberryWe bereiken de laatste werkboeklessen. De les van vandaag (360) herinnert ons aan onze ware Identiteit: “Ik ben Uw Zoon, voor eeuwig precies zoals U mij geschapen hebt, want de Grote Stralen verblijven eeuwig stil en onverstoord in mij. Ik wil in stilte en in zekerheid naar ze reiken, want nergens anders kan zekerheid worden gevonden” Iets in me resoneert als ik deze woorden lees. Het ontroert en vervult me met een soort heimwee. De laatste zin van dit citaat laat zien welke houding ik het best kan aannemen; in stille zekerheid reiken naar de Grote Stralen, naar de Liefde. Dit wordt in de werkboeklessen hierna uitgewerkt in de vorm van een soort gebed dat we gedurende vijf dagen onveranderd mogen absorberen (361-365):

 Dit heilig ogenblik wil ik U geven.
Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen,
in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

Deze zinnen zijn afgelopen jaar met me meegereisd. Dagelijks kwamen ze naar boven in mijn denkgeest en hielpen ze me om in vertrouwen te zwijgen en te reiken naar Hem. Ze hebben me bewust gemaakt van de liefde en de wijsheid die doorklinkt in de Cursus. Laat me dit proberen toe te lichten.

De Cursus biedt ons een non-duale visie waarbij niet langer sprake is van een God die gescheiden is van zijn schepsel, wij dus, en die ons een beetje tegemoet zal komen als we maar proberen ons beste beentje voor te zetten. Hoewel wij als Zoon van God Zijn schepping zijn, zijn wij toch één met Hem. Er zijn dan ook geen anderen buiten mij die mij kunnen knuffelen of aanvallen. Werkboek les 360 zegt dit helder: Vrede zij mijn broeder, die één is met mij. Toch gebruikt de Cursus woorden als God, Vader en broeder en van het volgen van God en leiding door God. Zet dit ons niet op het verkeerde been als er alleen maar eenheid is zonder afscheiding?

Hier lopen wij telkens tegen de beperking aan die we ongemerkt met ons meedragen en die we kritiekloos menen te kunnen gebruiken bij het lezen en beoordelen van deze kwesties; onze hersenen. Onze hersenen zijn onderdeel van de duale illusie en in feite geprojecteerd om onze illusie van een duale werkelijkheid te versterken. Hoe kunnen we zo’n nepinstrument dan ooit gebruiken om het mysterie te ervaren dat niet begrepen maar alleen geleefd kan worden?

De Cursus weet dat wij, als wezentjes die menen op eigen beentjes rond te lopen, de liefde niet tot ons directe doel kunnen maken. Een ikje met een doel bevestigt slechts de illusie van afgescheidenheid. God, de Liefde die we Zijn, zou volkomen terecht tegen ons kunnen zeggen: joh, geef het maar op want dat gespartel slaat nergens op en werkt het wakker worden uit de droom in feite tegen. Dit is dan ook de boodschap van enkele prachtige Advaita-leraren die ons vanuit een aantrekkelijke rust en stilte toespreken. Het samenkomen met hen kan als thuiskomen ervaren worden en dit zal ook ongeveer de magnetische aantrekkingskracht zijn geweest die de mensen rondom Jezus ervaren hebben toen ze de droom met hem deelden. Het kan heerlijk zijn je te laven aan dergelijke bronnen waar het licht in meer of mindere mate vrijelijk doorheen stroomt.

De meesten van ons kunnen hier wel even van genieten maar vervolgens blijven we ons vastklampen aan onze beelden, overtuigingen en verwachtingen. De Cursus leert ons dat onze werkelijke reden hiervoor is dat we ons niet direct durven over te geven aan de liefde die we zijn en die we gereflecteerd zien in de helderheid van sommige leraren. Het liefdevolle van de Cursus is dat ze ons tegemoet komt binnen de droom met een taalgebruik waar we iets mee kunnen. Dit terwijl er in werkelijkheid dus niets is wat we “kunnen” doen maar wij “kunnen” dit “doen” nog niet laten.

De sleutel duidt de Cursus aan met “vergeven”. Heel rustig en op talloze manieren toont de Cursus ons eerst dat er geen wereld buiten ons is en ook geen vijandige en schuldige anderen. Heel langzaam kan er vervolgens een gevoel komen voor dit fenomeen “projectie” waarbij we gaan merken dat ons oordelen een manier is om onszelf te bevestigen in onze droomstaat van afgescheidenheid en verhardheid. Het is een soort experiment wat we duizenden malen mogen herhalen en oefenen en waarbij we zien dat een oordeel onszelf verhardt en dat, omgekeerd, een daad of boodschap van verbinding ons liefde en vrede doet ervaren; de gelukkige droom.

Dat vergeven is iets waar we Hulp bij nodig hebben. Ons vergeven uit de droom van afgescheidenheid heeft altijd een verborgen ego-component. We kunnen de non-duale boodschap met graagte omarmen omdat het buigen van onze knie voor een God buiten ons een belediging en bedreiging zou zijn voor ons ego. Voor het ego is het dan pure winst als het stoer kan roepen dat zo’n God niet bestaat. Het is een ultieme ego-verharding die overigens schuldeloos is en slechts voortkomt uit de angst voor wie we zijn.

Wij hebben genezing nodig. Niet in de zin dat er iets aan ons mankeert maar om ons te helpen om ons niet langer angstig vast te klampen aan onze illusie van een kleine en lichamelijke afgescheidenheid. Ook bij het thema genezing, voor nu even opgevat in engere lichamelijke zin, zie je dat we onszelf niet aan onze haren uit de illusie kunnen trekken. We zijn bereid om allerlei mooie non-duale denkbeelden te ventileren om…? Om vooral maar minder last te krijgen van de nare ziekten. We willen wel de lusten van onze droom (genot en gezondheid) maar niet de lasten (ziekte en dood). Het afgescheiden ikje gaat via non-duaal klinkende (eigen-)wijsheden z’n best doen om zich gezond-afgescheiden te voelen. Het inzicht dat er helemaal geen lichaam is, noch gezond noch ongezond, is te overweldigend.

De Hulp die we nodig hebben is van ons Zelf en niet van ons zelf, maar ons zelf kan dit niet uit elkaar houden omdat het dit eigenlijk niet wil. Het wil “zelf” blijven en lekker verder dromen. Ons Zelf (God, de Liefde, Intuïtie) blijft ons echter terug roepen naar huis (Stem van de Heilige Geest). Dan het genadevolle: deze Heilige Geest (onze Eigen diepe wijsheid dus), biedt ons de Cursus waarin we leren dat ons kleine zelf mag zwijgen zodat we weer mogen ervaren hoe ons eeuwige onveranderlijke Zelf zich uitbreidt. Zodra we in dat heilige ogenblik Hem (onsZelf) volgen dan groeit de vrede en daarmee de zekerheid dat dit de weg is naar de plek waar we al zijn. Zo wordt het gehoorzaam luisteren naar God en Hem de leiding geven geen duaal sprookje maar een wonderlijke en liefdevolle handreiking van ons Goddelijke Zelf naar onszelf in de droom zodat we mogen ervaren dat we eeuwige liefde zijn.

Controle freak

Control-Freak2Ik houd de dingen graag zelf in de hand. Dit maakt samenwerken met anderen lastig zeker omdat ik snel vind dat het op mijn manier eigenlijk toch wel wat beter gaat. Misschien is “control freak” een iets te forse omschrijving maar ik zit er toch wel (erg) dicht tegen aan. Ik compenseer dit trekje gelukkig enigszins door m’n luiheid die me verhindert om echt alles zelf te willen doen. Het wordt vooral heel vervelend als ik me afhankelijk voel van anderen of instanties en op hen moet wachten voor iets. Voorbeelden zijn het wachten op de acceptatie door een hypotheekverstrekker voor ons nieuwe huis en nu, iets actueler, de uitspraak door het UWV over een WIA uitkering. Dit zijn processen die maanden duren en waarin ik me overgeleverd voel aan de genade van logge instanties. En omdat ik hier moeite mee heb kun je één ding al van te voren zien aankomen; alsof de duvel ermee speelt duurt het altijd veel langer dan gewenst voordat ik te horen krijg wat ik graag wil horen, namelijk dat ik me niet langer zorgen hoef te maken.

Want dat is de vervelende prijs die ik moet betalen: bezorgdheid. Zodra ik een situatie niet meer in de hand heb is dat het overheersende gevoel. Als het enigszins kan probeer ik de onzekerheid te verminderen door te plannen, voor te bereiden en verschillende mogelijke scenario’s door te denken. Moet ik met de auto naar een vreemde stad? Via Google rijd ik vast van te voren een virtueel rondje in de straat op zoek naar een geschikte parkeerplaats. Eventuele medereizigers profiteren van mijn grondige voorbereidingen. Ik herinner me een zakenreis in Denemarken waarbij de taxichauffeur aan het einde van de rit aangaf dat een creditcardbetaling even niet mogelijk was. Wie had er nog echte Deense Kronen bij zich? Jawel..

De Cursus biedt me een manier om te leren van al die situaties waarin ik m’n grip dreig te verliezen. De grote gemene deler in alle situaties duidde ik hierboven aan met het woord “bezorgdheid” maar dit is natuurlijk niets meer of minder dan “angst”. Als volwassen man wil je natuurlijk niet graag horen dat je gewoon bang bent maar toch is dat wel de kwestie. Ik ben bang voor het onbekende en probeer de situatie zo goed mogelijk onder controle te krijgen door flink na te denken over de mogelijke toekomst en mijn maatregelen te treffen om potentiele rampen te vermijden. Het doel hierbij is om de angst tot kleinere proporties terug te brengen maar het loopt natuurlijk nooit helemaal zoals ik voorspeld had. Dit werkt dus niet en er moet een andere manier zijn.

Dus terug naar die angst. Natuurlijk mag ik binnen de droomwereld enige praktische maatregelen nemen en hoef ik me niet overal totaal onvoorbereid in te storten. De bekende tip is dat je moet doen wat je kan doen en de rest mag je loslaten. Daarin mag een balans gevonden worden en deze eenvoudige wijsheid biedt me de ingang om te kijken wat er nu ten diepste speelt. Want laat ik het iets anders formuleren: tref normale voorbereidingen en vertrouw verder op God. En in dat laatste zit mijn aandachtspunt; kennelijk vertrouw ik God niet helemaal. Binnen onze duale droomwereld kan ik dit nog lekker eufemistisch zeggen: “ik vertrouw God niet helemaal” maar de Cursus leert dat er geen gradaties zijn in wonderen en dus ook niet in problemen. Het komt er simpelweg op neer dat ik doodsbang ben om “mijn leven” in Gods hand te leggen, ik vertrouw Hem helemaal niet. Elke keer als ik bang ben omdat ik de controle dreig te verliezen verklaar ik mijn ongeloof in Hem. Daarmee verklaar ik in non-duale termen dat ik niet geloof in mijZelf.

De angst toont aan dat ik geloof in de afscheiding. Ik geloof dat ik een kwetsbaar lichaam ben dat beschermd moet worden tegen de grote boze buitenwereld. Ik heb een identiteitscrisis. Hiermee komt gelukkig de oplossing in zicht. Daarbij hoef ik niet plotseling allemaal domme risico’s te gaan nemen binnen de droom van ons bestaan. Ik hoef niet alle normale voorbereidingen overboord te gooien en zonder bagage een wereldreis te gaan maken. Ik mag echter een klein lettertje veranderen in een hemelse hoofletter: van zelfvertrouwen naar Zelfvertrouwen. Natuurlijk mogen we het als Cursus studenten ook in eerste instantie duaal formuleren door te stellen dat we ons mogen laten leiden door de Heilige Geest. Maar ik kies hier voor Zelfvertrouwen omdat de afhankelijkheid van een hogere macht buiten ons niet aan de orde is. Dit Zelf is onze ware Identiteit en hierop mag ik vertrouwen in plaats van op dat kleine zorgelijke zelfje dat zo hard zijn best moet doen. Dit is vertrouwen op de juist gerichte denkgeest, op dat Zelf aan wie alle macht op Hemel en op aarde gegeven is. Op de Vredevorst die NU de angstige tranen van mijn ogen zal wegwassen. Voel je met me mee hoe heerlijk het is om te leren dat hiermee het vertrouwen naar binnen schuift? Niet langer hoeven we te vertrouwen op anderen en zelfs niet op een God buiten ons. We mogen vertrouwen op onze eigen Identiteit, op wie we ten diepste zijn. En dit vertrouwen op Liefde schenkt direct die vrede die al het slimme en krampachtige gespartel overstijgt. Zo mag ik de denkbeeldige tijd als student van de Cursus gebruiken: rustig en liefdevol groeien in Zelfvertrouwen. Niet om een door mij gewenst uitkomst in de droom te bereiken maar om NU Thuis te komen in Liefde. Dankbaar.

Les 355

 Er komt geen eind aan al de vrede en vreugde,
En aan alle wonderen die ik schenken zal,
Wanneer ik Gods Woord aanvaard. Waarom niet vandaag?

 Waarom zou ik wachten, mijn Vader, op de vreugde die U mij hebt geloofd? Want U zult Uw Woord houden dat U Uw Zoon in ballingschap gegeven hebt. Ik ben er zeker van dat mijn schat op mij wacht, en ik alleen mijn hand hoef uit te strekken om hem te vinden. Zelfs nu raken mijn vingers hem aan. Hij is heel dichtbij. Ik hoef geen ogenblik langer te wachten om voor eeuwig in vrede te zijn. Voor U kies ik, en samen met U voor mijn Identiteit. Uw Zoon wil graag Zichzelf zijn en U kennen als zijn Vader, zijn Schepper en zijn Geliefde.

Het ik-gevoel

ikke

Vanmorgen las ik in de FB groep ECIW-coach de volgende vraag:

“Kan je zeggen dat het ik- gevoel” wat er iedere keer is als ik in de ochtend wakker word de kern is van alle problemen? En verdwijnt dat ik-gevoel geleidelijk als het doorzien wordt ?”

Deze vraag raakt één van de grootste mysteries van non-dualiteit. Ik besef dat ik soms spreek over dit ik-gevoel als de grote boosdoener maar dat is wat te kort door de bocht. De Cursus zegt dat woorden en taal slechts symbolen zijn van symbolen. Het zijn niet meer dan richtingaanwijzers naar dat wat we ten diepste zijn en waar geen woorden meer voor zijn. Als ik iets preciezer probeer te wijzen dan krijg ik het volgende:

Het ik-gevoel op zich is noch goed noch kwaad, net zomin als het lichaam. Het gaat in de Cursus altijd om de betekenis die we ergens aan geven. De Cursus geeft aan dat wij het lichaam zien als symbool voor de afscheiding die niet nooit heeft plaatsgevonden. Deze betekenis kunnen we herzien, vergeven dus, waardoor het besef van onze ware identiteit, Kind van God verbonden in Liefde met onze Vader, weer kan dagen. Omdat we bij de term “lichaam” de neiging kunnen hebben om slechts te denken aan ons fysieke lichaam, trek ik de term dikwijls breder en spreek ik over “ik-gevoel”. Deze term wordt niet in de Cursus gebruikt maar “geloof in speciaalheid” is ongeveer hetzelfde. Mijn bedoeling is om ook de identificatie met een denkbeeldige emotioneel- en spiritueel afgescheiden identiteit in te sluiten, dus om het, zoals gezegd, breder te trekken dan alleen de identificatie met mijn 80 kilogram.

In het boek “A Course of Love” gaat Jezus uitgebreid in op dit fenomeen van er wel zijn als Zoon van God maar niet als speciaal ikje. Wat mij hierin helpt is dat alles wat we hier in de droom doen en proberen, gezien kan worden als een soort oefeningen om te vergeven en verlossing te ervaren. Op onze onbeholpen manier zoeken we ook in onze illusoire wereld naar “verbinding” door pijn te vermijden en knuffels na te streven. Dit is in engere zin een voorafschaduwing van ons streven naar de hereniging met God, met Liefde.  Dit “kleine”  streven van ons binnen de illusie hoeven we niet met geweld in de kiem te smoren. We hoeven niet als asceet te gaan leven noch ons af te zonderen op de Himalaya. Als we immers het gevecht willen aangaan met dat ik-gevoel dan wordt de illusie alleen maar heftiger en treedt er een soort schizofrenie op. Als we echter zien dat we slechts geloven in een deel van het geheel en dit vergeven door de leiding terug te geven aan het Goddelijke Geheel dan treedt er geen verkramping maar verruiming op. Het oplossen van het geloof in onze lichaamsgrens. Geen angst maar vreugde en vrede. Dit helpt ons op weg naar de hemelpoort; nog steeds binnen de droom maar “as far as we can get”. Van de Hemel, de non-duale werkelijkheid, kunnen we ons met onze illusoire en door tijd en ruimte begrensde hersentjes geen voorstelling maken. We zijn er wel, maar niet afgescheiden en ook niet dood maar springlevend.

Als aan een Tony Parsons wordt gevraagd wie dat dan opmerkt dan zegt hij zoiets als “it is seen by nobody”. De Cursus geeft aan dat wij vanuit ons geloof in speciaalheid niet kunnen streven naar deze eenheid, naar Liefde. De liefde is er al en dat streven van ons is een aperte ontkenning van de eenheid die er al is. We mogen ons wel richten op wat we overduidelijk wél geloven; alles wat we waarnemen en ervaren in de droom. Door dit te vergeven krijgen we als het ware een sneak preview, een glimp van een indruk, van wat “ons” te wachten staat.

Ook in de Cursus wordt gezegd dat God de laatste stap neemt die geen stap is. Dan wordt de illusie gezien door ons Zelf, door de Christus die we Zijn. We moeten dit dus niet duaal opvatten door te denken dat er een oude knorrig baas besluit dat het nu wel welletjes is en ons de beloning geeft. Nee, wij Zelf, ons Christus-bewustzijn besluit zichzelf niet langer te foppen door te blijven geloven in afgescheidenheid. Vanaf het kruis roept Hij: in Uw handen beveel ik mijn geest. Hier schieten woorden nu echt te kort en we worden opgeroepen dit maar even te laten voor wat het is. Soms mogen we binnen ons leven iets meemaken wat de Cursus omschrijft als “openbaring”. Dit is een hoogst persoonlijke ervaring die onbeschrijflijk is en toch niet iets dat speciaal is of wat ons speciaal zou maken. Ik sluit graag af met het volgende citaat uit het werkboek (tussen 350 en 351):

  1. Wat ben ik?

 Ik ben Gods Zoon, compleet, genezen en heel, stralend in de weerspiegeling van Zijn Liefde. In mij is Zijn schepping geheiligd en van eeuwig leven verzekerd. In mij is de liefde vervolmaakt, angst onmogelijk en vreugde gegrondvest zonder tegendeel. Ik ben de heilige woning van God Zelf. Ik ben de Hemel waar Zijn Liefde huist. Ik ben Zijn heilige Zondeloosheid zelf, want in mijn zuiverheid woont de Zijne.

Mijn recht om boos te zijn!

boos kind

Gisteren zat een vriendin, ik noem haar even Petra, steen en been tegen me te klagen over het feit dat haar dochter niet langs wilde komen op tweede Kerstdag omdat ze te druk was met andere zaken. Daarnaast had dochterlief ook ruzie met haar broer en ze had geen zin gezellig met hem Kerst te vieren. Petra had de morele druk aardig opgevoerd. Had ze niet juist de reparatie van de auto van haar dochter betaald zodat deze wat vaker langs kon komen? Gunde ze haar moeder zelfs niet die paar gezellige uurtjes? Het behoeft weinig betoog dat deze aanpak niet echt het gewenste resultaat had opgeleverd. Terwijl Petra hierover sprak werd ze afwisselend boos en verdrietig. Mijn begrip voor haar teleurstelling en voorzichtige pogingen om samen met enige mildheid naar haar dochter te kijken, werkten eerder averechts dan kalmerend.

Ooit volgde ik een opleiding Rationeel Emotieve Therapie en ik probeerde Petra op zo eenvoudig mogelijke wijze een handvat te bieden om haar heftige emoties tot hanteerbare omvang terug te brengen. Ik legde haar uit dat ze aan de keuzes en het gedrag van haar dochter wellicht weinig kon veranderen maar dat ze wellicht haar verwachtingen iets naar beneden kon bijstellen. Petra nam mijn uitleg direct in een judoworp en zei dat ze geen zin had om onverschillig te blijven te midden van al dit onrecht wat haar werd aangedaan. Pogingen om het verschil uit te leggen tussen het eisen van bepaald gedrag van iemand en een voorkeur hebben voor dat gedrag bleken gedoemd te mislukken. Petra meende recht te hebben op haar verontwaardiging, boosheid en verdriet en liet dit niet zomaar afpakken door mij.

Deze gehechtheid aan zelfs negatieve emoties is niet iets vreemds dat alleen Petra betreft. Ik noem haar voorbeeld omdat het eenvoudiger is dit tafereel “buiten” me te zien dan “in eigen denkgeest”. De Cursus trekt deze verslaafdheid aan leed nog veel breder. Ons hele geloof in de non-duale droomwereld is hierop gebaseerd. We houden ons krampachtig vast aan geloof in eigen afgescheidenheid. We willen ons een begrensd ikje voelen, liefst door ons te identificeren met zaken die ons lichamelijk genot verschaffen maar evenzogoed door vastklampen aan ellende als angst en pijn.

Bij het voorbeeld van Petra kunnen we zonder al te veel moeite zien dat er iets van een keus bestaat. Is ze bereid haar dwangmatige eis (mijn dochter moet komen) te veranderen in een mildere voorkeur (het zou fijn zijn als ze zou komen)? Voel je dat deze verandering een verschillend resultaat oplevert? Grote boosheid en frustratie in het eerste geval en “gewone” teleurstelling in het tweede geval? In feite zei ik tegen Petra dat ze de kwestie wellicht iets minder serieus moest nemen. Zie je de overeenkomst met de Cursus waarin Jezus ons zegt dat we niet moeten vergeten te glimlachen om onze illusies? Petra wordt niet gevraagd als een koele onverschillige kikker haar schouders op te halen. De Cursus roept net zo min op tot onverschilligheid. Jezus biedt ons echter de mogelijkheid om middels vergeving wat mildheid te laten binnenstromen in onze droom. Hiermee kan de nachtmerrie veranderen in een gelukkige droom.

Ook van de reactie van Petra kunnen we wat leren. Ze richtte haar woede op mij toen ik haar “gerechtvaardigde woede” probeerde af te pakken. Ze voelde zich weliswaar rot maar het was haar ellende en daar moest ik vanaf blijven. In de Bijbel lezen we dat Jezus tegen de mensen zegt dat het Koninkrijk der hemelen reeds aanwezig is. Anders gezegd; de liefde is er reeds, hier en nu voor iedereen die hier simpelweg “ja” tegen zegt. Wij beelden onszelf in dat wij dankbaar Jezus’ boodschap geaccepteerd zouden hebben als wij ons ruim 2000 jaar geleden in zijn publiek hadden bevonden. Wij zouden hem in ieder geval nooit aan het kruis genageld hebben. Toch? Helaas, vergeet het maar. Onze voortdurende droom is het bewijs dat wij van moment tot moment steeds weer opnieuw kiezen om de liefde af te wijzen, om de Christus te kruisigen.

Wij hebben hier ook een handige methode voor bedacht. We willen niet erkennen dat we onszelf deze ellende aandoen. Wij hebben onze eigen “dochter” die de boosdoener is. Deze dochter zijn alle zogenaamde anderen die wij in ons dagelijks leven tegen komen en die zich niet gedragen zoals wij dat van hen eisen. In de vorm deze anderen komt Jezus echter naar ons toe om ons wonderen en liefde aan te bieden. Wij kiezen er echter voor om Hem niet te herkennen en ons te verdedigen of zelfs Hem opnieuw te kruisigen door die anderen aan te vallen. Wat we zaaien zullen we oogsten. Als we haat zaaien zullen we ons afgescheiden en vervelend voelen. Verlossing hiervan is maar op één manier mogelijk: door ons oordeel over onze broeders en zusters te parkeren en aan Hem te vragen door ons heen naar hen toe te stromen. Zo mogen we in hen herkennen Wie we zijn; de Christus, de Zoon van God, Liefde (WB 349).

Vandaag laat ik de visie van Christus voor mij
Naar alles kijken en ik beoordeel het niet,
maar schenk in plaats daarvan alles een wonder van liefde.

 Zo wil ik alle dingen die ik zie bevrijden en ze de vrijheid geven die ik zoek. Want zo gehoorzaam ik de wet van de liefde en geef ik wat ik wil vinden en tot het mijne maken wil. Het zal mij gegeven worden, omdat ik dat gekozen heb als het geschenk dat ik wens te geven. Vader, Uw geschenken zijn de mijne. Elk dat ik aanvaard geeft me een wonder om weg te geven. En door te geven zoals ik ontvangen wil, leer ik dat Uw genezende wonderen mij toebehoren.

 Onze Vader kent onze behoeften. Hij geeft ons de genade waarmee ze alle worden vervuld. En zo vertrouwen we op Hem om ons wonderen te zenden om daarmee de wereld te zegenen en onze denkgeest te genezen terwijl we terugkeren naar Hem.

Een ‘klein’ voorbeeld

postNLGisteravond belde PostNL aan met slechts één doos wijn onder de arm in plaats van de bestelde twee dozen. “Hé, weet u zeker dat u maar één doos voor me heeft?” Jawel, de natgeregende bezorger wist het zeker en sprong weer snel in zijn bestelbus. Getverderrie, heb ik hier misschien een mailtje over gehad? Nee dus. Irritatie. Nou ja, dan zal ik morgenochtend maar even bellen en ik hoop maar dat het geen welles nietes discussie gaat worden want daar heb ik geen zin in maar gelukkig heb ik niks getekend (bezorgdheid = angst). Vervolgens komt daar, zoals zo vaak met enige vertraging, het besef dat ik me onevenredig druk maak om zoiets ‘kleins’. Dit gaat toch helemaal nergens over? Man, doe toch even rustig en verbeeld je toch niet van te voren allerlei dingen en rampscenario’s. Jeetje, dit slaat echt helemaal nergens meer op.

Al met al een mooie illustratie dat het voor het ego niet zo veel uitmaakt. Zelfs als je nuchter moet vaststellen dat dit een storm in een glas water is, valt er evengoed een vergevingsles te leren als wanneer inbrekers mijn hele huisraad zouden stelen. De confrontatie met de eerste regel van werkboekles 348 is dan ook best confronterend: Ik heb geen reden tot woede of angst.. “Geen reden, geen reden??!! Natuurlijk heb ik wel een reden!! Ze hebben gewoon niet geleverd wat afgesproken was, mij daar niet van te voren over geïnformeerd en nu moet ik er weer achter aan, een ander bezorgmoment afspreken en en en….” De Heilige Geest lacht vriendelijk en kijk me aan. Hij herhaalt: geen reden. Elke keer is het weer confronterend om zo met het fenomeen projectie te worden geconfronteerd. En de Stem gaat nog even door om uit te leggen hoe het wel zit: want U omringt mij. En in elke behoefte die ik zie, is Uw genade mij genoeg.

Eerst wat onnodige schaamte. Hoe kan ik toch zo hardleers zijn en zeker omdat het zoiets totaal banaals is als een foutje bij een bestelling? Maar er is geen rangorde in ellende. Dit gebeuren is een symptoom van een ziekte in de denkgeest die nu, nogmaals, gezien kan worden zodat ik mag leren te vergeven. Dus ga ik terug naar de irritatie en de angst. Ik ga erin staan en kijk wat er gebeurt als ik me blootstel aan de zin “ik heb hier geen reden voor”. Nu luister ik zonder direct een weerwoord te bieden. Ik overweeg de mogelijkheid dat dit wáár is, dat ik dit echt mezelf aandoe. Het wonder dient zich snel aan. De trouw van Liefde ontroert me telkens weer. Slechts deze kleine bereidheid om Hem te laten kijken, opnieuw te kiezen is genoeg. Onmiddellijk raakt Hij mijn hart aan. Direct is er sprake van dat wonderlijke “oplossen”. Het is niet dat ik een soort cognitieve geruststelling krijg dat die tweede doos met wijn wel een keer komt. Nee, de bodem valt totaal uit dit hele voorval. De uitkomst doet er gewoonweg niet meer zo toe. Natuurlijk ga ik straks bellen en hoop ik mijn wijnvoorraadje aan te kunnen vullen zoals gepland. Maar de kramp is weggenomen, een wondertje? Nee, een wonder. Hierbij de rest van Les 348:

Vader, laat mij gedenken dat U hier bent en dat ik niet alleen ben. Eeuwigdurende Liefde omringt mij. Ik heb geen reden tot iets anders dan de volmaakte vrede en vreugde die ik met U deel. Welke behoefte heb ik aan kwaadheid of angst? Volmaakte veiligheid omringt mij. Kan ik bang zijn, als Uw eeuwige belofte mij vergezelt? Volmaakte zondeloosheid omringt mij. Wat kan ik vrezen, wanneer U mij geschapen hebt in een heiligheid als de Uwe zo volmaakt?

Gods genade is ons genoeg in alles wat Hij ons wil laten doen. En dat alleen kiezen we tot onze wil, evenzeer als het de Zijne is.

Van woede naar vrede (les 347)

woede

De les van vandaag gaat over woede (347). De eerste zin luidt: “woede moet voortkomen uit oordelen”. Ook woede is zo’n woord met een forse betekenis en we moeten oppassen dat we onszelf niet te snel in slaap sussen door te geloven dat wij soms wel een beetje boos zijn maar toch zelden woedend. De Cursus gebruikt dikke viltstiften om onze aandacht te trekken met plaatjes die tot de verbeelding spreken. Een zinnetje als “als ik over iemand een mening heb dan kan ik wat geïrriteerd raken” boeit niet echt. Voor ons binnen onze droomwereld maakt het nogal wat uit of je je woedend voelt of licht geïrriteerd. Voor de Cursus niet. Er is een gevoel van “ik versus de rest” of dat gevoel is er niet. Kernoorlog, schietincident, messteek, vuistslag, duwtje, woede of lichte irritatie zijn niet wezenlijk verschillend van elkaar.

Dat brengt me bij de tweede zin: “Oordelen is het wapen dat ik tegen mijzelf gebruik”. Jawel, tegen mijzelf dus niet tegen een ander. Dit is in het begin lastig te herkennen. We hebben helemaal niet het idee dat we onszelf aanvallen als we boos zijn op een ander, in welke gradatie dan ook. Toch? We menen een booswicht buiten onszelf te zien en dáár ageren we tegen. Die moet immers veranderen! De Cursus lijkt, zoals zo vaak, de boel op z’n kop te willen zetten. Om enig begrip te krijgen voor wat er bedoelt wordt, vraag ik je om te overwegen dat je een geheime agenda kunt hebben. Niet geheim voor de mensen buiten je maar geheim voor jezelf. De omschrijving “blinde vlek” is wellicht verhelderend. Je bent ergens boos op om een bepaalde zogenaamd evidente reden (bijvoorbeeld het nare gedrag van een ander) maar de Cursus stelt dat dit mogelijk niet het hele verhaal is, zacht gezegd. Je hebt een verborgen reden om boos te willen zijn. Je hanteert het instrument “oordelen” met als reden om je een stevig afgescheiden ikje te voelen, zelfs al lijkt het helemaal niet leuk om een boos ikje te zijn. Geloof mij niet zondermeer maar voel. Voel dat er iets lijkt te verharden “binnen in je” als je je boos maakt over iemand. Merk daarbij op dat voor het mechanisme van deze verharding het niet uitmaakt of je je echt woedend maakt of dat je je licht irriteert. Kortgezegd; je hebt een geheime reden om je boos te willen maken. De reden is de versterking van dat ik-gevoel, die verharding. De vraag is ook niet “waarom maak ik me boos?” Deze vraag leidt gewoonlijk tot het zoeken naar zogenaamde oorzaken buiten je zelf. Maar nee, de betere vraag is “waartoe kies ik voor oordelen en boosheid ervaren?”. Dan pas komt de aap uit de mouw: je wilt je onbewust meer afgescheiden voelen, hoe paradoxaal dit ook klinkt.

De derde zin van de les vat onze verborgen reden samen: “om het wonder van mij weg te houden”. Wat gebeurt er namelijk als we niet luisteren naar het stemmetje van het ego dat schreeuwt om een oordeel? Op het moment dat we feeling krijgen voor die verharding dan kunnen we opnieuw kiezen. Dit kiezen is echter wel een ander kiezen dan wat wij gewoonlijk doen. Onze kleine ego-keuze zou kunnen zijn om te proberen wat aardiger te doen of om onze woede in te slikken. Dat is echter niet meer dan rommelen in de marge en het leidt tot krampachtig en onecht gedrag. Als we echter stil gaan staan in de hardheid die we voelen dan kunnen we ons richten op een andere Stem. Ik noem het de laatste tijd graag de Stem van het Geheel. Het Geheel dat ons omvat en waarin een wijsheid en een liefde aanwezig zijn die wij vanuit ons kleine ikje niet kennen, sterker nog; het is een eenheid en liefde die we vrezen. Het is de Stem namens God, namens de Liefde. Het is de Heilige Geest. Nu zijn we bij de sleutel van de Cursus. Als we vanuit onze verharding ons durven open te stellen voor die Stem, voor die Liefde zonder verdere eisen over wat die Stem dan precies voor ons zou moeten gaan doen, dan kan het wonder moeiteloos plaatsvinden. Dit is verlossing, dit is genade. Dan daagt het inzicht dat er helemaal geen denkbeeldige ander is om boos op te zijn maar dat we vanuit eenheid zijn gaan geloven in anderen (en een buitenwereld) met als verborgen agenda om ons afgescheiden van God, van Liefde te kunnen voelen. Zo raar, we hebben als Zoon van God onze projectie serieus genomen om onszelf te kunnen kruisigen en het wonder van liefde en vrede van onszelf weg te houden.

Het is eigenlijk zo eenvoudig; oordeel = jezelf als afgescheiden ervaren. Liefde laten stromen = jezelf als liefde ervaren. Dus kies gewoon voor Liefde. Een klein beetje bereidwilligheid, dat is alles. De verdere tekst van les 347 luidt:

“Vader, ik wens wat tegen mijn wil ingaat, en wat ik wil hebben, wens ik niet. Orden mijn denkgeest, Vader. Hij is ziek. Maar U hebt vrijheid aangeboden, en ik kies er vandaag voor aanspraak te maken op Uw geschenk. En dus geef ik al het oordelen aan Degene die U mij gegeven hebt om voor mij te oordelen. Hij ziet wat ik waarneem, en toch kent Hij de waarheid. Hij ziet pijn, en toch begrijpt Hij dat die niet werkelijk is, en in Zijn begrip wordt die genezen. Hij schenkt de wonderen die mijn dromen voor mijn bewustzijn verborgen willen houden. Laat Hem vandaag oordelen. Ik ken mijn wil niet, maar Hij is er zeker van dat die de Uwe is. En Hij zal voor mij spreken en Uw wonderen uitnodigen tot mij te komen.

 Luister vandaag. Wees heel stil en hoor de zachtmoedige Stem namens God, die je verzekert dat Hij jou heeft beoordeeld als de Zoon die Hij liefheeft.”

 

Verslaafd aan zonde, schuld en pijn

Hit-Me-6-300-dpi

Waar denk je aan bij het woord “offeren”? In eerste instantie denk ik aan het doodmaken van beesten om het weer goed te maken tussen God en mij met als ultiem offer de dood van Jezus voor mijn zonden. Als je wat minder gehersenspoeld bent door dit wrede traditionele bijgeloof dan denk je wellicht meer in algemene zin aan het opgeven aan iets waar je erg aan gehecht bent om, jawel, iets te bemachtigen wat je nog liever wilt. Zo kun je in het schaakspel een stuk offeren om uiteindelijk nog wat zwaardere stukken te kunnen slaan van je tegenstander.

Offeren is echter weer zo’n woord dat de Cursus gebruikt om een kernovertuiging van ons bloot te leggen. Prima als hierbij eerst de dramatische voorbeelden ons te binnen schieten maar allengs kan ons begrip van de diepte van ons geloof in offeren zich gaan uitbreiden in onze denkgeest. Maar laten we beginnen bij die grote betekenis die zo verbonden is met ons gevoel dat we ergens harstikke fout zitten en dat we dit goed moeten maken. De Cursus leert ons dat “zonde”, nog zo’n zwaar beladen woord, ons geloof beschrijft in de afscheiding van God, van de Liefde die we zijn. Deze vergissing voltrok zich niet in een ver verleden, tijd bestaat immers niet, maar deze vergissing vindt nu plaats. Bij de constatering “hé, ik ben hier, apart van de wereld”, bij het gevoel dus dat we als afgescheiden wezentje bestaan is de zonde-vergissing aan de orde.

Wat dan volgt is iets wat ons nauwelijks aanspreekt wanneer we net met de Cursus begonnen zijn. We krijgen namelijk een besef van schuld. Aanvankelijk reageren we op deze mededeling met het ophalen van de schouders. Ook schuld is zo’n ouderwets beladen woord en gewoonlijk voelen we ons helemaal niet schuldig. Slechts wanneer we naar ons idee iets heel oneerlijks hebben gedaan waar iemand anders zwaar de dupe van is geworden beginnen wij te geloven dat we schuldig zijn. Ook dat gevoel krijgen voor het ontstaan van een schuldgevoel, eigenlijk tegelijk met het geloof in zonde (in afscheiding dus) groeit als we ons een tijdje bezig houden met de Cursus. Maar let goed op. Hier staat dus niet dat we langzaam maar zeker in de gaten krijgen dat we schuldig zijn. Nee, we geloven in afscheiding en naarmate we meer opmerkzaam worden kunnen we opmerken dat dit onmiddellijk leidt tot een schuldgevoel. Als je hier woorden bij zoekt dan kun je zeggen dat we ons schuldig voelen omdat we denken dat we de liefde de rug toe hebben toegekeerd. We voelen ons, anders gezegd, schuldig tegenover God.

En wie schuldig is, zo geloven wij met stelligheid, verdient straf. Ten diepste denken we dat we God, de Liefde, met onze verbeelde daad van rebellie zo kwaad hebben gemaakt dat hij ons met geweld terug wil brengen, niet naar Zijn liefde maar naar het stukslaan van onze denkbeeldige grens. Met het kapot maken van ons lichaam, symbool van de afscheiding, door ons te doden. Ken Wapnick brengt dit nare trio dikwijls ter sprake: sin, guilt, fear (zonde, schuld, angst). Wij geloven zo zeer in de echtheid van dit illustere trio dat we écht menen dat er voldaan moet worden aan de toorn van God. Er moet in dit bijgeloof geleden worden. God vergt van ons dat we iets opgeven, dat we pijn lijden en iets gaan verliezen dat ons dierbaar is. In het Oude Testament moest een offerdier maar deze toorn van God voor ons stillen. In het Nieuwe Testament krijgen we het onmogelijke voor elkaar. We proberen een brug te slaan tussen een God die liefde is en ons bijgeloof dat er wel degelijk bloed moet vloeien voor onze ingebeelde zonde en schuld. Het is een illustratie van de genialiteit van ons ego; onze liefdevolle Vader betaalt zelf de prijs voor onze, nog steeds heel echt veronderstelde, zonde; God laat zijn eigen Zoon de prijs betalen door het lichaam van Jezus uiteen te laten rijten door zweepslagen en de kruisdood.

Zijn we ondertussen wel verlost van dit nare bijgeloof? Wij menen van wel en denken dat alleen nog enkele traditionele Christenen zo dom zijn om dit te geloven. Maar helaas. Als het besef van de betekenis van de symboliek van de Cursus verder uitbreidt in onze denkgeest dan leren we hoe dat idee dat we moeten lijden om vrede te ervaren zich hier diep heeft ingegraven. En dan zeg ik het nog heel beperkt en dualistisch. Er is namelijk geen ikje dat zich onbewust zondig en schuldig voelt maar door vast te houden aan geloof in zonde en schuld houden we de illusie in stand dat we een ikje zijn. Wij durven dit geloof niet op te geven omdat dit de realisatie met zich zou meebrengen dat we…zullen sterven? Nee! Dat we nog steeds de door God geschapen Zoon zijn, innig verbonden met Hem.

Bij het offeren denken we nu niet dikwijls meer aan het doden van dieren of zelfs van een mens. Aan het uiterste einde van het offer-spectrum staat echter alles wat we menen te moeten geven of doen om te mogen ontwaken. Merk je verslaving maar eens op dat je echt nog iets moet doen (stil worden, mediteren, studeren, begrijpen) om te liefde weer te mogen ervaren. Ook van die boze God die ons zou willen straffen zijn we nog lang niet af. Onbewust geloven we dat we lichamelijke ongemakken verdienen, van pijntjes, psychische problemen, slapeloosheid, kanker tot aan de dood. Ook hierin blijven we halsstarrig geloven, juist omdat we het onbewust nodig menen te hebben om de ik-illusie overeind te houden.

Dus vandaag het goede nieuws, werkboekles 343:

Er wordt van mij geen offer gevraagd
Om Gods genade en vrede te vinden.

Het einde van lijden kan geen verlies zijn. De gave van alles kan alleen maar winst zijn. U geeft alleen. U neemt nooit weg. En U hebt mij geschapen om zoals U te zijn, dus offeren wordt voor mij even onmogelijk als voor U. Ook ik moet geven. En zo wordt alles mij voor eeuwig en altijd gegeven. Zoals ik werd geschapen, zo blijf ik. Uw Zoon kan geen offer brengen, want hij moet compleet zijn, omdat hij de functie heeft U compleet te maken. Ik ben compleet omdat ik Uw Zoon ben. Ik kan niet verliezen, want ik kan alleen maar geven, en alles hoort mij toe, in alle eeuwigheid.

De genade en de vrede van God zijn vrij. Verlossing kent geen prijs. Ze is een geschenk dat slechts vrij gegeven en ontvangen kan worden. En dit is wat we vandaag willen leren.

“Snappen” van de Cursus

snappen we het nogDe woorden die de Cursus gebruikt om ons te helpen om te ontwaken uit de droom kunnen wat grotesk lijken en niet helemaal meer van deze tijd. Een paar voorbeelden hiervan zijn woorden als God, zonde en schuld. Zo ging het gisteren in werkboekles 341 over zondeloosheid: Ik kan slechts mijn eigen zondeloosheid aanvallen, en alleen die is het die mij geborgen houdt. Daar zie ik trouwens nog zo’n groot woord staan: “aanvallen”. Als we nog niet zo lang met de Cursus bezig zijn koppelen we in onze denkgeest deze grote woorden met gebeurtenissen die wij zelf ook “groot” noemen, als we er al überhaupt enige feeling mee hebben. Zonde en schuld worden op een grote hoop gegooid en ze komen pas in beeld als we menen dat anderen of wijzelf iets grondig verprutst hebben en daarmee flink wat leed hebben veroorzaakt. Bij een aanval denken we aan verkrachting en moord en in een wat later stadium wellicht ook aan een verbale aanval. Door deze koppeling van grote woorden aan grote gebeurtenissen beperken we de Cursus tot een klein deel van ons leven. Als we gevraagd worden naar voorbeelden komen deze zogenaamd grote kwesties het eerst in beeld. De enorme ruzie met de baas en het schuld gevoel omdat we wilden scheiden van een onmogelijke partner.

Als we langer bezig zijn met de Cursus, of gewoon een snelle leerling zijn die er kennelijk aan toe is, dan beginnen de basistermen van de Cursus steeds breder toepasbaar te blijken. Ze siepelen als het ware steeds dieper onze denkgeest in en blijken toepasbaar op steeds meer aspecten van dat leven van ons en ja, zelfs op elk aspect hiervan. Dit is een vorm van generaliseren in de positieve vorm van het woord. Waar we eerst bij elk van de grote termen ons best moesten doen om er enig gevoel bij te krijgen beginnen nu deze termen te leven en ons dingen te onthullen. En er gebeurt nog iets. Naarmate de grote concepten meer- en een diepere betekenis beginnen te krijgen, beginnen ze elkaar ook steeds meer te raken, te omarmen en één geheel te vormen. Er groeit ontzag voor de opbouw van de Cursus, de samenhang, de wijsheid. Dit is werkelijk een zeer wonderlijk leersysteem.

Dat brengt me bij de werkboekles van vandaag (342): Ik laat op alles vergeving rusten, want zo wordt vergeving mij geschonken. Eerst het grote woord “vergeving”. Ook dit woord wint steeds meer aan betekenis. Eerst besluiten we maar eens om iets minder haatdragend te zijn en wat meer dingen door de vingers te zien. Dan worden we er op gewezen dat deze vorm van vergeven ons subtiel een vals gevoel van superioriteit geeft. Ik zou moreel verhevener zijn dan jij en in mijn grote goedheid scheid ik jou je schuld kwijt. Eigenlijk moet jij me nu eeuwig dankbaar blijven en lezers met een klassiek Christelijke achtergrond zullen nu terugdenken aan de dankbaarheid die we God verschuldigd zijn omdat hij zijn zondeloze zoon voor ons aan het kruis heeft laten nagelen. Vervolgens de verontwaardigde noodkreet: “moeten we dan alles maar door de vingers zien? Er is toch gewoon kwaad in de wereld dat niet zomaar vergeven en vergeten mag worden?” De verwarring kan compleet worden als we dan menen te begrijpen dat het eigenlijk allemaal onze eigen schuld is omdat we iets aan het projecteren zijn. Een dierbare medestudente mailde me in dit verband het volgende:

“Hoe waar en wie moeten we vergeven. Of moeten we gewoon zeggen ‘ze bestaan niet’. Dit kan ik volledig niet plaatsen en kan mij zwaar van streek brengen, in die zin, dat alles wat ik in de cursus geleerd heb, klaar is voor de vuilbak. Dit stuk klopt gewoon niet.”

Een hartenkreet die me raakt en toch zo moeilijk één, twee drie te beantwoorden is. Want dit brengt me terug bij m’n inleiding. We kunnen namelijk niet met de kleine betekenis van woorden als vergeving, schuld en projectie een sluitende redenering bedenken waarvan ons, evenzeer beperkte verstand, zegt: “oh ja, logisch. Nu laat ik het rusten, niks aan de hand meer”. We mogen verontwaardigd zijn, boos en verward maar een mooi verhaaltje wat logisch klinkt zal hier niks aan veranderen. Uitleg kan ons een stukje op weg helpen, ons als het ware voorsorteren om op een andere manier te gaan luisteren. Of liever gezegd, om ons oor bij een andere Bron te luisteren te leggen. De verontwaardiging mag gevoeld worden, nee, moet gevoeld worden. De boosheid op de Cursus en op God moeten ook gevoeld worden willen ze door ons gezien en erkend worden. We mogen midden in onze verontwaardiging gaan staan maar dan komt de belangrijke vraag: waarvan verwachten wij het antwoord? Verwachten wij in één keer rust te vinden in een gammel bouwwerkje dat aan elkaar hangt van door ons nog niet helemaal begrepen concepten? Of kunnen we Hulp vragen op een stille manier om te ontdekken wat deze boosheid met ons doet, waartoe we boos zijn en zelfs waarom we onbewust zo graag vasthouden aan deze boosheid. Het is onze verslaafdheid aan verontwaardigd zijn en boos zijn die maakt dat we maar zo langzaam kalmeren. Kunnen we dat bij ons zelf leren zien, leren voelen. Hoe zou het zijn om Zijn onvoorwaardelijke liefde ook naar de zogenaamde daders te laten stromen?

En dan dat gekke wonder. Als we bereid zijn onze sleutel te gebruiken, de sleutel van vergeving, dan gaat de zware deur van onze boosheid een heel klein beetje open. Vanzelf komt er dan een beetje licht door dat voorzichtig straalt naar zogenaamd slachtoffer en zogenaamde dader. Door dit (door)geven van licht wordt een gek principe van de Cursus duidelijk. Geven en ontvangen zijn één. Middel en doel zijn één. Door voorzichtig te vergeven, door voorzichtig liefde te geven mag je ontdekken dat je liefde bent. Pas dan verdwijnt er iets van de hardheid, de boosheid. Het kleine rare woordje “vergeven” komt tot leven!

Les 342

Ik laat op alles vergeving rusten,
Want zo wordt vergeving mij geschonken.

Ik dank U, Vader, voor Uw plan mij te verlossen uit de hel die ik heb gemaakt. Hij is niet werkelijk. En U hebt mij het middel verschaft om zijn onwerkelijkheid aan mij te bewijzen. De sleutel ligt in mijn hand, en ik heb de deur bereikt waarachter het eind van dromen ligt. Ik sta voor de Hemelpoort, en vraag me af of ik naar binnen zal gaan om thuis te zijn. Laat ik vandaag niet opnieuw dralen. Laat me alles vergeven en laat de schepping zijn zoals U haar wilt en zoals ze is. Laat ik me herinneren dat ik Uw Zoon ben, en als ik deze deur uiteindelijk open, laat me dan in het schitterende licht van de waarheid alle illusies vergeten, terwijl de herinnering van U tot mij terugkeert.

 Broeder, vergeef me nu. Ik kom tot je om jou met mij mee naar huis te nemen. En terwijl we gaan, gaat de wereld met ons mee op onze weg naar God.