Spirituele arrogantie?

spirituele-arrogantie

Herken je dat je het soms jammer vindt dat de wereld zo weinig spiritueel is? Dit kan heel specifieke vormen aannemen, bijvoorbeeld als het mensen betreft in je naaste omgeving; collega’s, familieleden, je kinderen of partner. Je kunt het ‘jammer’ vinden dat ze helemaal niet aangesproken lijken te worden door jouw spirituele zoektocht. Dat ze zich zo lijken te verliezen in aardse zaken die er toch helemaal niet toe doen. Je kunt je een beetje een roepende in de woestijn voelen.

Het is natuurlijk ook fijn om met medestudenten samen te zijn, om ze te ontmoeten tijdens Cursus-bijeenkomsten of in FB-groepen. Ervaringen van hen kunnen zo inspirerend zijn en natuurlijk mogen we hier van genieten en ons hierdoor laten inspireren.

Toch kan er in onze houding richting ogenschijnlijk minder spiritueel geïnteresseerden een element van veroordeling sluipen. Haast ongemerkt kunnen we ons toch een beetje verheven gaan voelen, een stukje verder op de ladder, iets minder aards. Het is niet leuk om dit onder ogen te zien. Het vergt een pijnlijke eerlijkheid naar jezelf. Toch denk ik dat het goed is om dit te herkennen en te erkennen. Het ego is er, zoals gewoonlijk , als de kippen bij om dit spirituele-ego te veroordelen. Iemand die arrogant is verdient volgens ons ego een negatief oordeel. Liefst zien we die arrogantie bij een ander maar als we het bij onszelf zien volgt er hetzelfde oordeel met daarna de schaamte. We voelen ons schuldig vanwege de vermeende arrogantie.

Stapje terug dan maar. Want wat is er aan de hand als we het jammer vinden dat onze naasten ervoor lijken te kiezen om door te slapen? Als we dit veroordelen? Dit is, zoals bekend, niet meer dan een indicatie dat we de keuze om door te slapen in onszelf veroordelen. We voelen ons hier zelf schuldig over maar konden dit schuldgevoel in onze denkgeest niet verdragen. Dus projecteren we het op anderen zodat we het veilig in hen kunnen veroordelen. Dit is de klassieke manier om ons gevoel van afscheiding in stand te houden.

Sterker nog. Door dit zogenaamde slapen van anderen (dus ook het zogenaamde slapen van onszelf) te veroordelen, geven we te kennen dat we menen dat het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. We onderschrijven het bijgeloof dat het echt gelukt is om ons van God (de Liefde) los te denken, dat we hiermee iets hebben gedaan wat fout en zondig is. Dat die ander (wij zelf dus) hiervoor veroordeling en straf verdienen.

En dit is dus niet zo. Er is niks gebeurd, we hebben ons niet los kunnen denken, wij en die zogenaamde anderen zijn onveranderd schuldeloze kinderen van God. Om dit niet te hoeven ervaren (omdat we bang voor liefde zijn), veroordelen we anderen (en daarmee onszelf) voor iets wat nooit gebeurd is.

Dus we zijn één met die slapende ander. Dit slapen is niet fout maar een tijdelijk spelletje dat hij/zij en ik verkiezen te spelen om ons even een afgescheiden ik te kunnen voelen. We hoeven het niet serieus te nemen, noch bij die ander noch bij onszelf. We mogen zien dat wat die ander of ik ook lijken te doen, hoezeer we ook in slaap lijken dat we onveranderd de totaal schuldeloze en geliefde kinderen zijn van Hem. Verbonden met elkaar, verbonden met Hem.

Wonderlijk langzaam

slak

Wonderen zijn rare dingen. Althans, dat vindt m’n ego. Vanuit m’n grotendeels geïdentificeerde toestand heb ik tijd nodig om een beetje aan ze te wennen. Op dit moment durf ik ze nog alleen toe te laten op het gebied van emoties en stemmingen. En dan nog steeds mondjesmaat. Als ik me bijvoorbeeld een beetje zwaarmoedig en neerslachtig voel en de tegenwoordigheid van geest heb kan ik ruimte maken voor het wonder. Met een paradoxale tegenzin wordt het me langzaam duidelijk dat ik er onbewust voor gekozen heb om me zo te voelen. Met dezelfde tegenzin richt ik me vervolgens op Hem. Ik meen dat ik daarna enige tijd nodig heb, waarin ik bijvoorbeeld middels een werkboek-affirmatie mijn vertrouwen op Jezus richt, om het wonder te laten gebeuren. Pas na een klein kwartiertje vindt die wonderlijke shift plaats. Het besef dat ik daadwerkelijk zelf gekozen heb voor mijn negatieve bui en de totaal nieuwe kwaliteit van zien samen met de Heilige Geest. Zo lijkt het vergevingsproces moeite en tijd te kosten.

Als het om lichamelijke kwalen gaat, op dit moment is bij mij maagpijn aan de orde, dan lijkt het wonder niet te werken. Cognitief begrijp ik weer dat ik zelf die pijn projecteer om de illusie te versterken dat ik een lichaam ben. Vervolgens breng ik pijn en verstandelijk besef bij de Heilige Geest, houd ik een schuin oog gericht op m’n pijn, om na hetzelfde kwartiertje te concluderen dat het deze keer niet geholpen heeft. ‘Tja, dit is ook wel wat anders dan een naar gevoeletje’, fluistert mijn ego me in.

Maar de Cursus spreekt me hierin duidelijk tegen. Er is geen rangorde in wonderen dus ook geen rangorde in moeilijkheid van problemen binnen de illusie. Het ego glimlacht tevreden en beweert direct dat ik er dus niks van snap en het allemaal verkeerd doe. Het is dus zogenaamd mijn eigen schuld dat ik niet van mijn maagpijn afkom. Gelukkig krijg ik wel wat sneller in de smiezen wanneer ik me schuldig ergens over voel en kan ik dit gebruiken als signaal dat ik naar het ego luister. De Heilige Geest beschuldigt nooit, dat staat vast.

Toch is dat onderscheid wat ik maak tussen grote en kleine wonderen fascinerend. Elke logica ontbreekt hierin. Ik kan op het journaal naar hongersnoden en oorlogsgeweld kijken en de onrust die dit oproept zogenaamd makkelijk vergeven. Dit vergeven is echter eerder een verdringen uit het bewustzijn dan een werkelijk vergeven. Dat maagpijntje staat volgens de maatstaven binnen onze droom in geen verhouding tot genoemde rampen. Maar als het ‘mijn lichaam’ betreft durf ik de illusie niet los te laten. Ziekte en pijn zijn wat dat betreft prachtige wake-up calls. Wij geven deze fenomenen zelf een bijzondere plaats binnen de totale illusie. Mijn maagpijn is op zich net zo neutraal als de boekenkast die hier naast me staat. Ik voel echter geen enkele behoefte om middels vergeven van die boekenkast af te komen maar wil wel graag af van die lichamelijke pijn. Een overduidelijk illustratie van mijn zelf verkozen gevangenschap in de illusie dat ik wel degelijk mijn lichaam ben.

Uiteindelijk gaat het om het vergeven van het denkbeeldige universum, met alles erop en eraan. Hierbij is niets meer of minder ernstig dan iets anders en hierbij is er geen onderscheid tussen maagpijn, boekenkast en wereldoorlog. Ben ik nu schuldig omdat ik zo kortzichtig ben en zo’n trage leerling van Cursus ben? Nee, ik ben gewoon bang voor de onbegrensdheid van de liefde. Natuurlijk heeft het vergeven van een nare emotie helemaal geen tijd nodig. Mijn bange ikje heeft tijd nodig omdat het te confronterend is om in 1 seconde te zien dat ik de boel bij elkaar aan het verzinnen ben. Idem voor de maagpijn. Hier ben ik zo bang dat ik de illusie van afgescheidenheid onder ogen dien te komen dat ik genezing zelfs niet binnen een kwartiertje durf te laten plaatsvinden. Ik blijf met een dualistische blik loeren naar dat fenomeen in mijn buik: is het weg of niet? De Heilige Geest krijgt van mij een multiple choice antwoord voorgelegd; A of B. Ik sta totaal (nog) niet open voor het echte wonder waarbij ik echt Zijn Wil volg.

De Cursus spreekt in bovengenoemd verband over generaliseren van ons vergevingsproces. We mogen binnen onze droom de denkbeeldige tijd nemen om als het ware te wennen aan die vredige ruimte. De waarheid is altijd al waar; we zijn schuldeloze, grenzeloze kinderen van God, nu en altijd. En als ik dat nu nog niet aandurf omdat ik hier allerlei onjuiste fantasieën over heb dan mag ik nog even geloven in mijn maagpijn. God overweldigt me hierin niet, dringt Zijn vrede niet aan mij op. Hij wacht slechts tot ik onderken dat Zijn Wil ook mijn wil is. Liefdevol geduldig, wonderlijk langzaam.

Opgelicht!

Het aardige van dromen is dat je de gelegenheid krijgt om onverwerkte thema’s te ontdekken zelfs als er in je ‘werkelijke’ leven even niet zoveel spannends lijkt te gebeuren. Zo droomde ik vanmorgen dat ik op een station een treinkaartje wilde kopen. De dame in het loket noemde de prijs; €32,25. Ik leg een briefje van 20 en een briefje van 10 neer en zoek in mijn portemonnee naar kleingeld. Als ik dit wil neerleggen blijkt het briefje van 10 verdwenen. Even twijfel ik maar ik meen aan de sluwe glimlach van de dame te zien dat ze het briefje gewoon gepikt heeft. Vervolgens ontsteek ik in grote woede en ik zal je de uitingen hiervan besparen.

Opgefokt word ik vervolgens wakker. Natuurlijk vind ik mijn boosheid totaal gerechtvaardigd. Na enkele minuten besef ik dat ik werk aan de winkel heb; vergevingswerk. Ik zoom in op mijn verontwaardiging en blijf erbij rusten. Direct komen er vele situaties uit datzelfde ‘werkelijke’ leven naar boven borrelen waarbij ik even kwaad was. Situaties waarin mij zogenaamd groot onrecht was aangedaan. Wat me opviel is dat het zowel zogenaamd ‘kleine’ als ‘grote’ zaken betrof, recente en oude. Van een winkelier die geen garantie gaf op een artikel dat ik bij hem gekocht had tot aan de ontvreemding van m’n geliefde signaal rode Kadett GSI decennia geleden. M’n boosheid richtte zich op de soms niet eens bekende daders die mij dit hadden aangedaan.

De eerste stappen van een vergevingsklus zijn nooit leuk. De beerput van het ego gaat open en er komt een boel oud zeer naar boven borrelen. Ik besloot aan de slag te gaan met m’n meest recente ervaring, zelfs al betrof dit zogenaamd slechts een droom. Weer zag ik die uitgestreken kop van ‘dat wijf’ voor me en voelde ik de haat. Mijn Cursus-verstand zei me dat ik moest vergeven maar ik merkte dat ik daar totaal geen zin in had. Ik had gelijk en wilde dit krijgen ook, ik wilde gewoon m’n geld terug! M’n eerste poging om te vergeven was het ouderwetse vergeven. ‘Ach, als ze denkt dat ze er gelukkig van wordt; laat dan maar. Hier wil ik boven staan, laat ik de wijste maar zijn’. Dit werkt dus niet. Naast woede komt er nu slechts een gevoel van vermeende superioriteit bij. Nu zit ik met een boos, opgezwollen, verontwaardigd en schijnheilig ego. Ik heb Hulp nodig.

Ik richt de blik op de Heilige Geest en vertel wat er aan de hand is. Mijn ikje kan niet vergeven en wil dit ook ten diepste niet. Het wil zich boos en afgescheiden blijven voelen, dat is tenslotte zijn functie. Een tijdje lig ik in dubio; luisteren naar het schreeuwende ego of naar Hem? Gelijk krijgen of vrede ervaren? Ik besluit voor vrede te kiezen en richt me op de zachte Stem met het kleine beetje vertrouwen dat ik kan opbrengen. In gedachten pak ik de handen van de vrouw in mijn handen en ik herken in haar vermeende diefstal mijn eigen geloof in het belang van geld als surrogaat-liefde. Ons mini-kringetje wordt groter als alle vermeende dieven en oplichters uit het verleden erbij komen staan. Een grote kring van mensen die geloven dat ze moeten hebben om gelukkig te zijn, zelfs als het ten koste lijkt te gaan van anderen. Ik ben één van hen en voel me verbonden. Ik zie onze angst, mijn angst. En ik zie ons werkelijke verlangen, verlangen naar liefde. Met Zijn Liefde mag ik zegenen; hen zegenen, mijzelf zegenen. Dan loopt m’n opgefokte en opgezwollen ego langzaam leeg. Werkelijk en wonder. We staan zo een tijdje in het licht. En dan, weinig spannend, val ik weer lekker een halfuurtje terug in een rustige slaap.

 

Mist in m’n hoofd

mist-en-zonVanmorgen werd ik wakker in zo’n vormloze, mat-grijze stemming. Dat gebeurt wel vaker. De gedachte aan de Cursus komt wel naar boven maar ik doe er even weinig mee omdat er geen dramatische dingen aan de orde zijn. Geen grote emoties, geen angsten of bezorgdheden maar ook niet direct iets waar ik heel veel zin in heb. Slechts die amorfe vlakheid waarbij m’n gedachten als flarden mist door m’n denkgeest schuiven. De matheid bevalt me niet echt, ik wil er wel van af maar ben tegelijk te lamlendig om hiervoor een inspanning te verrichten.

Routinematig pak ik m’n telefoontje waarop de werkboeklessen staan. M’n nog slaperige ogen moeten een beetje worstelen en lezen dan Les 49: “Gods Stem spreekt tot mij, heel de dag”. Aan het einde van de eerste alinea staat dat er een gedeelte is van mijn denkgeest dat constant afgeleid is, ontregeld en uiterst onzeker. Ja, denk ik, that’s me. Ik merk dat m’n gedachten afdwalen richting het verleden en richting de toekomst. Er is geen duidelijke verhaallijn maar wel een terugkerend patroon: ik wil overal zijn in m’n denkgeest behalve hier en nu. Zachtjes herhaal ik de werkboekles en ik merk weerstand om stil te worden en me af te stemmen op God. Dat is het dus. Dat is waarom ik die wolk van grauwe meligheid projecteer. Ik zoek onbewust verdoving om te voorkomen dat ik de aandacht richt op dat andere deel van de denkgeest waar Hij altijd spreekt van licht en liefde.

Ongemerkt is de vergevingsoefening begonnen en richt ik de aandacht op die weerstand om NU te luisteren naar de vogeltjes die subtiel zingen in de tuin. Weerstand om nu stil te zijn. Het is de bekende weerstand tegen de liefde die voortkomt uit angst voor God, angst voor het opgeven van de denkbeeldige grens die ik zo graag om mijn ego heen bouw. Nu ik die angst en de neiging tot weglopen zie, kan ik Hulp vragen. “Ja Heer, spreek tot me. Ik meen dat ik wil dwalen in de mist maar natuurlijk wil ik zijn in het licht, bij U.” Dan zie ik de zon boven de mistflarden verschijnen. Ik voel de prille warmte van haar stralen. Ik zwijg, buig mijn hoofd en ben dankbaar.

 

Ik stel me zo voor..

hete-lucht-ballon

Dat ik mezelf onbewust vastklamp aan deze droomwereld.Daar heb ik zo mijn maniertjes voor. Dat vastklampen doe ik bijvoorbeeld door ergens iets van te vinden. Sommige dingen vind ik leuk, daar wil ik dan meer van. Dat verlangen naar ‘meer’ vergroot mijn verbinding met de droom. Omgekeerd wil ik sommige dingen juist niet. Die probeer ik dan te vermijden. Maar door ze te willen vermijden geef ik ze juist macht. De macht, jawel, om mij betrokken te houden bij de droom. Vertaald naar de andere droompersonen in mijn droom kun je spreken van speciale liefdes- en speciale haat relaties. Beide hebben hetzelfde doel; mijn vasthouden in verbondenheid, ja zelfs gebondenheid, aan de droomwereld.

Waarom kies ik ervoor om mezelf middels oordelen te ketenen aan deze illusie? Omdat ik bang ben voor de vrijheid die ik eigenlijk ben. Zonder mijn oordelen, zonder mijn liefdes- en haat-relaties, zou ik wegzweven gelijk een ballonvaarder die de zandzakken loskoppelt. Deze ballon met Heet Gas (HG) zou me meenemen, mijn vrijheid tegemoet. Richting de grenzeloze, heldere blauwe hemel. Richting de zon.

Maar hoe kan ik die zandzakken die me naar de aarde blijven trekken dan losmaken? Hier komt ‘vergeven’ om de hoek kijken. De eerste stap hierbij is bewustwording van m’n gebondenheid. Hier is oog voor te krijgen door bijvoorbeeld op te merken wanneer ik een situaties niet oké vind. Ik wil de situatie of een persoon vermijden of ik meen dat ik iets of iemand anders nodig heb om me gelukkig te maken. Angst en onvrede zijn duidelijke signalen dat ik geïdentificeerd ben met mijn droomlichaam in de droom. Niet fout of zondig, maar wel onvrij. Kan ik me inhouden en niets wegduwen of juist vastklampen? Kan ik in mijn duistere wereld zien waar ik mee bezig ben?

Uit mijzelf kan ik niets doen. Maar toch is aan mijn diepste Zelf alle macht gegeven. Daar moet ik heen, tot Hem kan ik me wenden. WB 44 (5): ‘laat alles wat je nu gelooft achter je. In eigenlijke zin is dit de bevrijding uit de hel. Toch is het, gezien door de ogen van het ego, een verlies van identiteit en een afdaling in de hel’

Vergeef samen met Hem, laat de ballast los en zweef richting de hemel. God is het licht waarin ik zie.

Van denkhoofd naar liefde

denkhoofd

Misschien was het OSHO die ooit zei dat het leven geen puzzel is die moet worden opgelost maar een mysterie dat geleefd mag worden. Mooie woorden. Zelf ben ik nogal een denker, een piekeraar. “Hoe zit het nu eigenlijk allemaal in elkaar?”, is een vraag die ik me van jongs af aan stelde. Toch herinner ik me dat ik het fijn vond om dat zogenaamd krachtige denken bewust op een dood spoor te zetten met onmogelijke vragen. Koans, zouden ze in het boeddhisme zeggen. Ik stuurde m’n gedachten de kant op van het begin van de tijd, het einde van het heelal. “Wat was er eigenlijk voor de oerknal?”. Dat soort vragen.

Op levensbeschouwelijk gebied vond ik dat het ook moest kloppen. Maar toch. Toen ik kennis nam van de Advaita vond ik dat dit helemaal klopte. Toch miste ik in de manier waarop ik met Advaita omging iets; liefde. Dat bracht me naar een Baptistengemeente. Hier vond ik heel veel liefde maar het klopte naar mijn mening niet. Ik voelde gewoon dat het duale wereldbeeld met een God die zowel liefhad als offers eiste niet kon kloppen. Rond 2009 kwam met grote helderheid het besef binnen dat geloof in een concept als plaatsvervangend lijden nooit waar kon zijn. Conceptueel geloof op zich viel totaal door de mand. Erg verhelderend. (Een verslag van het doorbreken van dit inzicht verscheen in de vorm van twee boekjes: Een Christen op Satsang / Geen beeld van God).

Ik was op een heerlijke manier besmet geraakt met het eenheids-virus. Niet alleen intellectueel maar ook qua gevoel. Diep van binnen voelde ik dat dit de goede weg was hoewel ik tegelijk snapte dat er geen weg kon zijn naar de waarheid. Het zal niet toevallig zijn geweest dat toen de Cursus op m’n spirituele pad kwam. Heerlijk! Je hoeft niks aan te nemen maar slechts te overwegen wat er verteld wordt en de werkoeklessen te doen. Ervaring doet de rest. De Cursus is een stelselmatige manier om vraagtekens te zetten bij onze waarnemingen van ons duale wereldbeeld. Door dit te doen verandert de droom langzaam maar zeker in een lucide droom; we zijn nog steeds niet wakker maar er daagt iets van het besef dat we slapen.

Toch blijft het droomfiguurtje (ikje) zich af vragen wat ie nog allemaal moet doen en hoe lang het nog duurt voordat hij of zij wakker zal worden. We blijven ervan overtuigd dat dit ik nog iets kan bereiken. “Ik” kan echter zelf niet werken aan een ervaring waarin hij zelf verdwijnt en oplost. Want dat betekent wakker worden immers. Het realiseren van onze Christus-natuur kan geen prestatie zijn van “ik”. We kunnen onszelf niet de waarheid in denken, hoewel ik daar toch te veel energie in bleef steken.

En nu keert de wal het schip. Ik loop momenteel tegen de gevolgen aan van een hersenoperatie in 2011. Kort door de bocht; conceptueel denken kost me zoveel energie dat ik na ongeveer een uur sta te tollen op m’n benen. M’n hele aardse leventje staat op z’n kop. Ik werk nog maar 50% en dreig m’n baan te verliezen. In m’n vrije tijd kan ik maar zeer beperkt te dingen doen die ik leuk vind; lezen, schrijven, denken, sociale contacten en tv kijken. Ik word dus “gedwongen” om meer te “zijn” en minder te doen. Gods wegen (ofwel de wegen van ons Goddelijke Zelf) zijn voor ons ikje ondoorgrondelijk maar tevens heerlijk. Mijn ego-denkkracht(je) moet zich overgeven, loslaten. Als vanZelf ontstaat er een meesurfen op een golf, een beweging, die steeds groter wordt. Het luisteren, vertrouwen en overgeven aan Hem. Die stille Stem, mijn innerlijke leraar, mijn Heiland.

En dan zo’n werkboekles als die van vandaag (42):

God is mijn kracht, Visie is Zijn geschenk.

God is mijn kracht. Ik hoef zelf niks te doen. Mijn inspanningen op weg naar verlichting zijn niet alleen tot mislukken gedoemd maar ook totaal onnodig. Slechts dat kleine beetje bereidwilligheid wordt gevraagd. Heer, ik grijp Uw hand. Leid mij op Uw weg. En dan verder; Visie (ontwaken) is Zijn geschenk. Ik hoef niks voor elkaar te boksen maar krijg een wonderlijk Cadeau van Hem die onze Vader is. Ik hoef slechts mijn handen te openen, van vechtknuisjes naar open, uitgestrekte handen. En Hij geeft. Want dat is Zijn natuur, en de onze. Die wonderlijke zachte wet uit de Cursus. Door te (ver-)geven van denkbeeldige anderen, van de droomwereld, door niet te oordelen maar alles en iedereen te vertrouwen ervaren we die onverdiende genade. Zo zacht. Dank.

Verkiezingen en schijnzekerheid

verkiezingen

Een paar weken geleden zag ik op tv korte interviews met mensen die gingen stemmen op Donald Trump. Ze zagen in hem een soort verlosser van de arme arbeider. Zo zou hij bijvoorbeeld kolencentrales die gesloten waren vanwege milieueisen weer openen. Ik merkte dat ik de kortzichtigheid van dit ‘domme publiek’ veroordeelde. Daarin werd ik eergisteren bevestigd toen Amerikaanse ex-mijnwerkers beseften dat met het afschaffen van de Obama care ook de zorg voor hun stoflongen niet langer vergoed zou worden.

Terug naar Nederland en mijn oordeel over de Amerikaanse kortzichtigheid. Ook wij krijgen verkiezingen en ik vind het altijd leuk om de kieswijzer in te vullen. En, jawel, ook ik heb de neiging om te kiezen voor partijen die goed zijn voor mijn portemonnee. Ik loop al wat langer mee binnen de illusie dus zaken als AOW-leeftijd en pensioenen hebben mijn aandacht. Daarnaast rommelt het een beetje met mijn lichaam dus ziektekosten en sociaal beleid vind ik ook belangrijk. Kortom, mijn Amerikaanse broeders vormen een fraaie spiegel van ego-standpunten die ik krachtig geloof.

Het helpt me om m’n opvattingen eens te bekijken vanuit de invalshoek van angst. Het ‘willen hebben’ is natuurlijk slechts de reactie op de angst om tekort te komen. Snel wordt duidelijk dat het hebben van geld, van goede gezondheid, van een goed leger en goede grenscontroles en zelfs van een schoon milieu zich allemaal afspeelt rondom de angst dat me iets ergs kan gebeuren als deze zaken niet in orde zijn. Anders geformuleerd; ik denk dat het hebben van iets mij zekerheid kan bieden. En daarmee zit ik midden in de duale politieke arena. Want als IK iets moet hebben om me zeker te voelen dat moet een ander dit aan me geven. Het is dan jij of ik.

Er valt, zoals gewoonlijk, dus weer genoeg te vergeven. Niet dat we ons niet mogen bekommeren om deze kwesties. Ook niet dat de Amerikaanse mijnwerker of ik zondig zijn. Nee, we zijn slechts bange kinderen die hun veiligheid op de verkeerde plaats zoeken, in hebben in plaats van in zijn. Veel geld, een goede gezondheid, het buiten de grens houden van andersdenkenden gaan ons geen gevoel van zekerheid geven. We moeten dan constant op ons hoede blijven om onze denkbeeldige identiteit, ons denkbeeldige afgescheiden lichaam, te beschermen.

Deze angst mag ik zien en doorleven. Ik mag contact maken met mijn zorgen voor de denkbeeldige toekomst. Vervolgens mag ik weten dat deze angst het gevolg is van mijn geloof in de afscheiding van liefde. Het gaat zelfs een stap verder. Het ego gebruikt deze angst om zichzelf lekker afgescheiden te voelen. En dat merk ik als ik deze angst naar de Heilige Geest breng om er samen naar te kijken. Mijn ego begint te tetteren dat ik rechten heb en dat anderen niet zo hebberig moeten doen en het wil vasthouden aan de angst. Maar durf ik samen met Hem te kijken en mijn muren om te laten vallen? Durf ik voor mijn gevoel kwetsbaar in de liefde te gaan staan? Durf ik de agressie die ik in anderen meen te zien te herkennen als dezelfde angst die ook in mezelf vergeven mag worden? Durf ik de eenheid van die anderen en mezelf te erkennen in mijn denkgeest en Zijn liefde te laten binnenstromen? Mijn ikje durft dit niet, zoveel is duidelijk. Maar als ik de hand grijp van Jezus en naar Hem kijk dan mag ik in vertrouwen mijn angsten loslaten. Ik mag het weten en ervaren:

WB 39: Mijn heiligheid is mijn verlossing.