Hoe bereik je “het”?

Is dat niet waar we mee bezig zijn? Met een poging “het” te bereiken, het te pakken te krijgen? Als je enigszins bekend bent met spirituele paden dan weet je dat het als ongepast gezien wordt om de vraag zo te stellen. Haast een beetje banaal. Je weet dan dat streven naar zoiets als verlichting diezelfde verlichting juist in de weg zou staan. Maar ondertussen gaat het streven ernaar gewoon onderhuids door en dat is ook helemaal niet erg.

Het streven naar verlichting voert terug op het besef dat je huidige visie op de wereld je niet bevalt en dat is prima. Je lijkt te leven in een wereld van oorlog, ziekte en klimaatrampen en het is dus niet zo gek dat je dan naar verlichting van deze ellende streeft. Verlichting kun je zien als de herinnering dat het ook anders kan, dat de mens niet veroordeeld is tot lijden. Dus schaam je niet voor de vraag hoe je verlicht kan worden. Omarm dat verlangen gewoon, laat het er zijn. Kijk in de spiegel en geef toe dat je baalt als een stekker, dat je het zat bent en streeft naar verlichting. Wat gaat je helpen? Welk boek gaat je het antwoord geven? Welke leraar weet exact de juiste toon aan te slaan? Wat dien je te begrijpen, te doen of juist niet te doen om die verlichting te ervaren? Wat is, kort gezegd, het antwoord?

Dat antwoord is ons al ontelbare manieren gegeven maar we vinden het te abstract, te algemeen, te zweverig, te generiek. Ons ego walgt van het overbekende antwoord. Let maar eens op wat je nu ervaart: “Liefde is zowel middel als doel”. Bléhhh, wat een cliché. Het ego zegt vervolgens: “ja, ja; dat weet ik nu wel, maar hoe bereik ik dat antwoord, die liefde, dan?”.

Laat ik die liefde dan anders omschrijven. Je dient innerlijk te verzachten om zelf de weldaad van dit verzachten te ervaren. Dat is het. Zo simpel. Laat je niet afschrikken door uitspraken dat liefde niet te leren zou zijn. Het is wellicht niet te leren op de manier waarop wij gewend zijn te leren. Liefde is geen formule die je dient te doorgronden en te begrijpen. Maar de ervaringsweg van innerlijke verzachting ligt gewoon voor iedereen open. Je hoeft daarvoor niet eerst jezelf te forceren en dingen te gaan doen die (nog niet) bij je passen. Je hoeft maar één “ding te doen”: een beetje opletten wat er met je gebeurt als je oordeelt en wat er met je gebeurt als je vergeeft. Zo simpel. Gewoon een oogje in het zeil houden of misschien moet ik zeggen een oogje op je ziel houden.

Twee voorbeeldjes dan. Wat gebeurt er als jij je zoeken naar verlichting veroordeelt? Kijk naar binnen, voel en ervaar. Ervaar je door deze zelfveroordeling een toename van vrede of merk je een toename van boosheid. Doorvoel het oplettend en laat je dan bijsturen door dit gevoel. Oordelen stuurt naar innerlijke verkramping. Wil je dat? Wil je dat opnieuw? Zo niet, let dan op wat een milde houding met je doet. Wat ervaar je als je onderkent dat je keihard streeft naar verlichting? Kun je glimlachen om je vurige verlangen? Kun je merken dat acceptatie ervan onmiddellijk leidt tot verzachting. Laat je dan leiden door die verzachting.

Het tweede voorbeeld. Iemand vertelt je dat hij een boek gelezen heeft wat hem enorm heeft geholpen en geïnspireerd. Je bestelt het boek en het raakt je totaal niet. Sterker nog, je hebt sterk de indruk dat de schrijver helemaal geen lijntje met Jezus had maar dat er sprake is van simpel effectbejag of zelfs van fraude. Je probeert nu anderen ervan te overtuigen dat het betreffende boek niet de status verdient die het nu krijgt. Trouwe lezers van mijn blogs zullen deze neiging ook bij mij herkennen 😉. Maar wat doet deze mentale heksenjacht met ons? Wat levert het me op om anderen te overtuigen van de onechtheid van een spiritueel boek? Van een bepaalde visie? Niet meer dan een kortstondige, intellectuele genoegdoening maar zeker geen duurzame vrede, geen groei van mildheid en liefde. Is het dan slecht of zelfs zondig om kritiek te leveren? Het gaat niet om de vorm. We mogen gerust uitspreken dat een bepaald boek of een bepaalde leraar ons niet zo aanspreekt. Zolang we maar opletten wat er innerlijk met ons zelf gebeurt. Voelen we innerlijke verharding? Willen we daarin blijven hangen of, zoals ECIW zo mooi zegt, willen we onze grieven blijven koesteren? Prima; dan doe je dat nog even. Maar besef dat dit betekent dat je het eenvoudige antwoord op de vraag hoe je verlicht kunt worden dan simpelweg nog niet wilt aanvaarden. Je kiest er dan voor om de vergevende liefde nog niet binnen te laten. Je kiest er dan voor om nog wat langer het duale spel van innerlijke verharding te spelen. Totdat je het beu bent.

De vraag is simpel: kies je voor oordeel en innerlijke verharding of kies je voor vergeving en innerlijke verzachting? Kijk gewoon naar binnen en ervaar de gevolgen van je keuze. Je hebt de sleutel in je eigen hand. Wil je blijven verharden of aanvaard je de verzoening voor jezelf door liefde en mildheid toe te laten. Kies en ervaar het gevolg.

Hartegroet,

Simon

Uitgepreekt

Afgelopen weken keek ik met interesse naar het programma “Uitgepreekt”. Hierin werden predikanten geïnterviewd die niet langer mochten voorgaan in hun kerkelijke gemeente. Er was bijvoorbeeld een man die een kortstondige affaire had gehad. Dat betekende dus het einde van zijn carrière. Zo’n voorval zet me aan het denken. De voorganger in kwestie ervoer dat hij geloofwaardigheid had verloren. Hoe zou hij zijn gemeenteleden ooit nog kunnen aansporen om een net leven te leiden nu hij zelf zo’n ‘slecht’ voorbeeld had gegeven.  Het deed me een beetje denken aan die situatie met Grapperhaus die op zijn huwelijk zijn schoonmoeder een hug had gegeven terwijl hij enkele dagen daarvoor met een meetlint door een park liep om jongeren te wijzen op hun ‘onverantwoordelijke’ gedrag waarbij ze wat te dicht bij elkaar zaten.

Beide voorvallen hebben het geloof in ‘correct gedrag’ met elkaar gemeen. Op het wereldse droomniveau waarop Grapperhaus moet functioneren begrijp ik dat wel. Hoewel ik die meetlint actie van hem tamelijk overdreven vond, hebben we in het dagelijks leven nu eenmaal te maken met gedragsregels. Daarbij moet Grapperhaus zelf ook de regels die hij verkondigt opvolgen en heeft hij zelfs daarbij een voorbeeldfunctie.

Bij de dominee lopen het wereldse droomniveau en het levensbeschouwelijke aspect van de christelijke visie wat meer door elkaar. Door de eeuwen heen is er, waarschijnlijk gebaseerd op de tien geboden, een beeld ontstaan van hoe christelijk gedrag eruit hoort te zien. Één van die geboden is “U zult niet echtbreken”. Ik ben zelf jarenlang lid geweest van een kerkelijke gemeente en pas dan merk je dat die oudtestamentische geboden nog redelijk fier overeind staan. De verwarring in de situatie van de overspelige dominee ontstaat doordat Jezus in het Nieuwe Testament ons juist oproept om keer op keer elkaars zonden te vergeven. Wellicht kan de gemeente deze vergeving voor een gewoon overspelig gemeentelid nog opbrengen, maar heeft de dominee, net als Grapperhaus, niet ook een voorbeeldfunctie? Kan hij ooit nog preken zonder dat zijn toehoorders een pakje boter op zijn hoofd kunnen visualiseren?

Ook in non-duale kringen hebben we zo onze verwachtingen van onze ‘voorgangers’. Een vriend van mij adoreerde Hans Laurentius. Op een kwade dag hoorde hij echter dat Hans een woedeaanval richting zijn partner had. Daarmee viel Hans van het voetstuk waarop mijn vriend hem had geplaatst. En laat ik mezelf niet boven de gemeenteleden of boven mijn vriend plaatsen. Ook ik verwacht onbewust dat een ECIW-leraar kalm blijft als hij een meningsverschil heeft over de vraag of het raam in de bijeenkomstruimte open- of dicht moet. Een woedeaanval zou me zeer verbazen en de leraar zou me tegenvallen.

Dit alles laat zien dat we nog steeds menen dat er sprake is van correcte gedragingen en van foute gedragingen, zowel in de kerk als in ECIW-kringen. Dikwijls klinkt in ECIW-groepen de vraag wat je in een situatie het beste zou kunnen doen volgens de Cursus. Het bekende antwoord hierop luidt steevast: ‘de cursus geeft geen gedragslijnen’. We worden slecht opgeroepen om ons oordeel te laten genezen en ons in ons denken en handelen te laten leiden door de Heilige Geest of door Liefde. Wat dat oplevert in een bepaalde situatie laat zich niet voorspellen. Als een zuster in een ECIW-groep last heeft van het geopende raam kan het bijvoorbeeld liefdevol zijn om het raam dicht te doen, haar te adviseren een andere plek in de ruimte te zoeken of, als er een afleidende discussie ontstaat, haar te vragen de zaal te verlaten.

Maar wat als het duidelijk is dat de toon minder liefdevol is? Of dat het gedrag van een dominee niet echt liefdevol overkomt? Wat als ECIW-leraren en dominees van hun voetstuk vallen? Dan hebben wij zelf onderzoek te doen waarom wij überhaupt mensen op voetstukken willen plaatsen. In mijn beleving koesteren we daarbij een ideaalbeeld van onszelf en projecteren we dat op de geestelijk leraar. Wij maken als het ware een afgodsbeeld waarvoor wij knielen. We streven zelf naar een continue staat van sereniteit waarbij we met een milde en vriendelijke glimlach altijd onze kalmte bewaren. We vinden dat we onszelf weg moeten cijferen en dat we nobele en verheven verlangens en gevoelens moeten hebben. Seksuele begeertes en woede-uitbarstingen horen daar niet bij. Dat accepteren we niet bij onszelf en al helemaal niet bij ons ideaalbeeld op de kansel of op het podium.

Eigenlijk zouden we blij moeten zijn als we teleurgesteld raken in onze dominee of goeroe. Het biedt ons een prachtige gelegenheid tot werkelijke vergeving. Die vergeving betreft niet de ander maar ons eigen oordeel over die ander. Zou het niet heerlijk zijn als we onszelf én onze rolmodellen zien als liefdevolle kinderen van de Vader die allemaal een beetje in de war zijn en dit droomleven mogen gebruiken om hun vergevingslessen te leren? Mag de dominee leren, net als wijzelf, dat van een speciale seksuele relatie, op zichzelf totaal schuldeloos, geen blijvend geluk te verwachten is? Mag de schuldeloos boze ECIW-leraar voelen dat hij nog vergevingswerk te doen heeft en mogen wij ons oordeel over hem of haar ook laten genezen? ECIW zelf doet niet zo krampachtig over de rol van leraar. In feite is de oproep van Jezus aan ons om allemaal leraar te worden als hij in het Handboek voor leraren (1:3) zegt:

“Hij <de leraar> heeft iemand anders als zichzelf gezien. Daardoor heeft hij zijn eigen verlossing en de verlossing van de wereld gevonden. In zijn wedergeboorte wordt de wereld herboren”.  

“Awe”, aaahhhhhh…..

Wij willen weten hoe het zit. Zo simpel is het. Wie ben ik, waar kom ik vandaan, wat doe ik hier en wat gebeurt er met me als ik doodga? We hopen dat iemand ons de antwoorden kan geven op deze vragen dus lezen we boeken, bezoeken we leraren en bekijken we allerlei YouTube-filmpjes. ECIW is één van de boeken die, naar we menen, ons een antwoord kan verschaffen.

Er gebeurt echter iets geks met mij. Hoe langer ik me bezighoud met ECIW en soortgelijke boeken des te dieper dringt het besef bij me door dat het geen kwestie van begrijpen of snappen is. In feite word ik steeds meer teruggeworpen op een diep gevoel van een soort oer-verbazing ‘dat er iets is’, waarbij ik dan deel uitmaak van dat ‘iets’. Alles wat ik gelezen heb in ECIW heeft als paradoxaal effect dat het zichzelf als conceptueel bouwwerk lijkt af te breken. Telkens weer merk ik dat woorden eenvoudigweg tekortschieten om iets van dat mysterieuze “er zijn” weer te geven.

Het lezen in boeken als ECIW heeft een andere “functie” gekregen. ECIW fungeert daarbij als een soort spiegel waarin ik de grabbelende Simon kan zien en die me duidelijk maakt dat dit grabbelen helemaal niet nodig is. Alles is al perfect oké. Het denken kan zich vervolgens ontspannen en wat overblijft is een soort ruime verbazing waarin voor alles plaats is en waarbij alles met verwondering wordt waargenomen.

Het geestige is daarbij dat ik jarenlang een soort non-duale fundamentalist was. Dat ging heel ver. Als ik erop terugkijk dan was het eigenlijk mijn ultieme doel om te verdwijnen. Iedere waarneming, iedere ervaring was immers duaal en daarmee verdacht en onwaar. De uitleg van Ken Wapnick van ECIW sloot hier naadloos bij aan. Heerlijk hoe hij alles tot die ene, ware grote NUL wist te herleiden, dat niets waarin van onderscheid natuurlijk geen sprake kan zijn. Elk onderscheid impliceert immers dualiteit. Wat een glasheldere heerlijkheid! Daar waar in ECIW sprake leek te zijn van onderscheid ging ik met Wapnick mee en meende ik dat Jezus zich hier bediende van tijdelijke symbooltaal, op weg naar het ultieme doel, de grote NUL.

Toch begon dit te wringen. Het wring al op het meest fundamentele niveau, de diepste metafysica, van de Cursus: God schept. Dit is de kern van een groot mysterie: God schept. Want hoe we het ook wenden of keren, bij scheppen lijkt het alsof er sprake is van twee: schepper en schepping. Natuurlijk poetsen we dit direct weg door heel hard te roepen dat toch alles één blijft. Maar als we eerlijk zijn, heel eerlijk en we even rustig stil blijven staan bij “God schept” dan valt, als het goed is, ons denken stil en is er slechts sprake van wat in de Engelse tekst wordt aangeduid “awe”, een soort diep ontzag en diepe verbazing.

Deze “awe” verlaat me niet meer. Het is ook een enorm bevrijdende awe waarin ruimte is voor alles. Letterlijk Alles. Hierin is weer ruimte voor Jezus, voor de Heilige Geest, voor al mijn broeders en zusters en voor de hele wereld. Ik weet dat er geen grenzen zijn maar meen deze toch te zien. Er is ervaring maar deze valt samen met de ervarende: zonder ervaring geen ervarende en omgekeerd.

In Een Cursus van Liefde probeert Jezus meer te vertellen over dat diepe awe waarbij hij spreekt over de dialoog die hij met ons heeft. Hé, dialoog? Dat kan toch niet echt want voor een dialoog heb je toch twee partijen nodig? Juist dit fenomeen “dialoog” grijpt Jezus aan om ons terug te brengen dat dat mysterie van schijnbaar onderscheid in eenheid. In het laatste hoofdstuk spreekt hij over verlichting als het wegvallen van elk geloof in grenzen. Hij heeft het over het oplossen van het “zelf” en wat er dan overblijft “een grenzeloos Zelf van liefde”. En hij heeft het ook over die oer scheppingsdrang waarbij “Zijn”’ in beweging lijkt te komen en tot expressie lijkt te komen opdat er sprake kan zijn van gewaarzijn.

Het is zo diep. Ik durf nu weer vaker te schrijven over die schijnbare dualiteit van de schepping. Ik merk daarbij dat sommige ECIW-mede broeders en zusters hiervan schrikken en menen een duale ontsporing te ontwaren. In hun liefdevolle poging om me te helpen het rechte pad van NUL weer terug te vinden herken ik mijn eigen denken uit mijn Wapnick-episode. Misschien is het goed om fundamentele hoeders van de non-dualiteit te hebben want het klopt dat we van ego-nature neigen tot een duale knieval waarbij we grenzen ongemerkt weer echt maken. Maar ik gun mijn lieve hoeders ook iets van die awe. Wie bijvoorbeeld zoiets zegt als “God is geen mysterie want als jij jezelf kent dan ken je God”, die geeft het ‘goede’ antwoord. Hetzelfde geldt voor “Ach, alles wat we zien is maar een droom”. Ook dat klopt. Maar leeft dan de verwondering nog, de verbazing, de awe? Dat kan ik natuurlijk nooit beoordelen voor een ander. Bovenstaande zinnen kunnen ook gesproken worden vanuit een diepe awe, maar ik nodig iedereen uit om te waken voor de onschuldige arrogantie van het denken. Kijk eens naar dat tedere bloempje in de zon. Zeg je “ach, het is maar een droombeeld” of zeg je “aaaahhhhhh……”?

Broeder Peter R. de Vries

Ik aarzel om te schrijven over Peter R. de Vries. De woorden die naar boven komen klinken te klein, te armetierig, goedkoop haast. Eerst is er de vertrouwde reactie van geschoktheid en verontwaardiging. Vervolgens buitelen de gedachten over elkaar heen. Er worden filmpjes gedeeld op social media. “Schandalig!” roep ik direct. Maar als ik heel, heel eerlijk ben onderken ik ook bij mezelf de nieuwsgierigheid van de ramptoerist die ik tegelijk zo verafschuw. Daar schrik ik weer van. Ik val mezelf tegen.

Als de eerste schok voorbij is val ik terug op ECIW. Hoe dien ik zo’n aanslag te zien? Fragmenten uit het Tekstboek en uit de Werkboeklessen komen naar boven. “Ik ben niet dit lichaam”. “Ik heb alles de betekenis gegeven die het voor me heeft”. “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie”.

Niet het slachtoffer? Als er één persoon nu slachtoffer is dan is het toch zeker Peter? Die man doet gewoon zijn werk en één of andere schoft heeft geprobeerd hem te vermoorden! Daar heeft Peter toch zeker nooit zelf om gevraagd? Ja, hij wist natuurlijk zelf ook wel dat hij een gevaarlijk beroep had, maar dit wil je toch zelf niet? Peter is toch zeker niet schuldig aan de aanslag op zijn eigen leven?

Even ademen nu. Het stof laten neerdwarrelen. Natuurlijk is Peter een totaal onschuldige broeder, een Kind van God. Maar dat geldt ook voor de dader en voor de opdrachtgever. Ik steiger weer. Die laatste twee onschuldige broeders van me? Die moordenaars?

Beelden uit de Bijbel komen omhoog. Jezus die liefdevol omgaat met het zogenaamde uitschot van zijn tijd. Als hij aan het kruis hangt vraagt hij vergeving voor de mensenmassa die hem dood wenst en voor de soldaten die de executie uitvoeren. Wat een mildheid.

Dan zie ik de Bijbels Jezus bij het graf van Lazarus. Jezus huilt. Huilt Jezus? Waarom zou hij huilen? Hij doorziet toch de hele illusie van dit droomleven? Hij weet toch dat het lijk in het graf slechts een omhulsel is? En zelfs als hij het tijdelijke gezelschap van zijn vriend, heel menselijk, zal missen dan weet hij toch van tevoren dat hij het lichaam van Lazarus toch weer kan laten rondlopen?

Mijn denken maakt overuren. Het zoekt naar verklaringen, naar geruststelling. Nu zie ik mijn eigen angst. Angst voor de dood, angst voor de vermeende kwetsbaarheid van het leven. Ik zie hoe diepgeworteld mijn geloof in de droom is. Tegelijk met dit inzicht welt verdriet naar boven. Verdriet om deze nachtmerrie waarin we pijn hebben, lijden en elkaar naar het leven staan. Door het verdriet heen komt een golf van verlangen die me overweldigt. Een verlangen naar vrede, naar liefde. Een verlangen naar huis.

Ik Googel wat op  “Jezus en Lazarus” en vind het volgende stuk. Het raakt me, het ontroert me. Ik zie daar mijn broeder Jezus die met me huilt. Tranen van mededogen, van liefde. En dan zwijg ik ontroerd en kijk naar hem, naar zijn ogen. Hij glimlacht. Och Heer…

De tranen van Jezus (bron: ikzoekgod.nl)

Het is een bijzondere tekst, de kortste die in de Bijbel staat: “Jezus huilde” (Johannes 11:35). In de situatie waarin Jezus huilt staat Hij bij het graf van zijn vriend Lazarus. Een paar dagen daarvoor gestorven. En… Hij zou Lazarus weer uit het graf halen. Waarom zou Hij huilen? Het was namelijk niet omdat Hij het niet meer zag zitten. Of omdat de situatie te erg was om te zien, of omdat het uitzichtloos was. Volgens mij zijn dit zo ongeveer de redenen waarom wij zouden huilen. Maar waarom zou Hij, wat is de reden van het huilen van Jezus?

Waarom huilde Jezus?

De emoties van Jezus maken iets heel bijzonders duidelijk… Hij huilt niet vanwege de uitzichtloosheid, of omdat Hij de controle helemaal is verloren. Blijkbaar is zijn huilen, het delen van verdriet, voor Hem net zo belangrijk als Lazarus uit het graf halen. Dit woordloze huilen van Jezus maakt zoveel van Zijn hart en compassie duidelijk.

Het maakt mij duidelijk dat de hemel huilt vanwege onrecht in de wereld. Jezus huilt als er mensen worden getroffen door ellende. De hemel gaat er niet stilletjes aan voorbij. Jezus snapt het lijden van deze wereld, Hij heeft het allemaal meegemaakt. Zijn huilen is er een die meer zegt dan duizend woorden.

Hij huilt om jou

Hij huilt als jij lijden kent. Als je gevangen zit in onrecht. Als het leven je onmogelijk is gemaakt. Als je waardigheid is afgepakt. Als je zo in de put zit dat je eruit wilt stappen. Als je zo gespannen wordt van het leven dat je er gek van dreigt te worden. Als het verdriet niet meer te hanteren is. Als je jezelf hebt verborgen achter een stoere muur. Of achter een waas van drukte en maar doorgaan.

Eenheid ervaren?

Ik heb jarenlang Satsang meetings bijgewoond en leuke gesprekken gevoerd met mensen die geïnspireerd werden door de helderheid van non-dualisme. Het aardige van deze visie is dat je er goed beschouwd geen zinnig woord over kunt zeggen. Dat begint al direct als ik het woord ‘visie’ laat vallen. Hardcore studenten van het non-duale gedachtengoed zullen snel en terecht stellen dat zelfs ‘visie’ een concept is, dat er geen studenten bestaan en dat gedachtengoed al helemaal uit den boze is. Het zijn woorden die doorspekt zijn van dualiteit. Tja, dat geldt voor alle woorden waarmee we proberen ‘dat’ te beschrijven wat beschrijving te boven gaat.

Op de middelbare school had ik een wiskundeleraar die een grappige uitspraak deed: “Het is alles of niks, en het is allebei niks”. Wij zijn niet de enige die worstelen met het probleem van alles-en-niks. (Eigenlijk moet ik hier weer ‘probleem’ tussen quotes zetten, maar vergeef me als ik dat omwille van de leesbaarheid niet consequent doe). Zelfs God ontkomt niet aan een soort hemels dualisme. Want zowel als we zeggen dat God ‘alles’ is als wanneer we zeggen dat God ‘niks’ is dan zadelen we Hem met een probleem op. Want alles kan alles niet kennen en niks kan niks niet kennen. Er moet een soort tweedeling optreden wil er sprake kunnen zijn van de kenner en het gekende, van de ervarende en de ervaring.

Daarom wordt er in Een Cursus in Wonderen (ECIW) gesteld dat God een Schepper is. Een Schepper creëert opdat Hij zichzelf in zijn Schepping kan kennen. Het is een soort dualisme avant la lettre. Een Goddelijk Dualisme. God schept bijvoorbeeld een zoon en kent zichzelf in- en door zijn zoon. God schept een hele schepping en kent zichzelf in en door deze schepping. God is echter wat minder vergeetachtig dan wij om het maar eens heerlijk duaal te zeggen. God vergeet niet dat Hij één is met wat Hij heeft geschapen. Hij verkeert in een Heilige Relatie met Zijn Schepping, dus Hij trapt niet in de ons zo bekende valkuil: Ik ben hier en daarbuiten is een wereld waar ik los van sta.

Hier steigeren de hardcore non-dualisten, waaronder veel ECIW-studenten. Dat is prima, want dat steigeren is een mooie confrontatie voor de arrogantie van ons verstand. Het valt ook niet te begrijpen want het is een mysterie. Vanuit het ogenschijnlijke niks verschijnt van alles waardoor het ogenschijnlijke niks zichzelf kan kennen. Wow! Jezus heeft er zelf wat minder moeite mee, zoals blijkt uit de boeken die hij inspireerde. Hij spreekt hierin gewoon over schepping, zonen van God, de Heilige Geest als schepping, heilige relatie enzovoorts. Het enige wat hij niet doet is hiermee de fundamentele en mysterieuze eenheid, het een-zijn van alles, ontkennen.

Het grappige is dat sommige ECIW-studenten nog wat verder gaan dan aanhangers van andere non-duale leringen. (wat zou ik veel quotes in deze zin kunnen zetten!). ECIW-studenten zijn soms zo geschrokken van de fysieke wereld dat ze onbedoeld een heel duale uitspraak doen: “de fysieke wereld bestaat niet, alleen de wereld van de denkgeest is echt”. En daar zijn we dan weer, terug bij af. Alles wat ook maar neigt naar een vorm (zonen, heilige geest, Jezus, relatie, lichaam, wereld) moet nu stellig ontkend worden. De hardcore niet-ECIW-studenten kunnen gewoon zeggen dat alles verschijnt in bewustzijn en van dezelfde ‘substantie’ is als bewustzijn. Bewustzijn kijkt dus naar zichzelf, exact wat ECIW ook zegt.

Jezus leert ons, althans in mijn beleving, dat we moeten ophouden om te geloven in GRENZEN en AFGESCHEIDENHEID. Dat is de crux. Dus daar waar ‘zonen, HG, lichaam etc’ lijken te suggereren dat er sprake is van echte grenzen worden we uitgenodigd om ons te herinneren: “oh nee, we moeten ons niet laten foppen door de ogen van ons lichaam. Die grenzen zijn er niet”. Immers; dat lichaam is niet meer dan een (tijdelijke, ruimtelijke) projectie in die ene (tijdloze, onbegrensde) denkgeest.

ECIW is, in mijn beleving, niet ingewikkeld. We moeten niet geloven dat onze maaksels losstaan van onszelf. We moeten dus eigenlijk, net zoals onze Vader dat doet, ons constant herinneren dat onze ‘scheppingen’, onze projecties niet los staan van ons.

Samenvattend: waar staan we nu? We geloven dat we het slachtoffer zijn van situaties buiten onze macht (wereld, lichaam etc). Wat zijn we vergeten? Dat we dit vanuit eenheid, als Zoon van God projecteren. Hoe voelt dat? Afgescheiden. Hoe stopt dit? Door voorbij te zien aan de ogenschijnlijke tweedeling (ik hier, de rest daar). ECIW noemt dit ‘vergeven’. Helpt het als we lichaam en wereld nep noemen? Ja, als dit tenminste betekent dat we doorzien dat we zelf de maker ervan zijn en dat we de daarmee denkbeeldige grenzen ontkennen. Maar nee, als we menen dat er iets buiten ons bestaat dat we dienen te ontkennen. Als we dit laatste doen dan zegt Jezus (Txt 2;IV, 3):

Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. ‘De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Wij zijn een mysterie. Eenheid die Zichzelf ervaart in eeuwige schepping en zelfs in een tijdelijke droom.