Onze angst voor pandemie en oorlog

Afgelopen twee jaar sloeg ons de angst om het hart als de woorden “code zwart” klonken. We zijn nog maar nauwelijks van de schrik bekomen of we worden al geconfronteerd met een nieuw monster: oorlog. Hoe reageren wij op deze donkere wolken?

Er is een manier van reageren waarbij de angst ons hoofd op hol brengt. Er buitelen dan allerlei gedachten over elkaar. Deze gedachten kunnen gaan over de oorzaak van de duisternis. Zou er een samenzwering gaande zijn waarbij de machtigen der aarde bezig zijn met boze plannen? Staan er nog hogere, of liever gezegd, lagere machten aan het roer en bespelen deze onze wereldleiders als marionetten? Onderzoek eens wat deze zinnen met je doen. Let op hoe snel je een mening vormt en hoe deze mening direct de hoofdrol wil gaan spelen in je hoofd en mogelijk jeuken je handen om hier een reactie op te geven. Dikwijls is zo’n reactie heel heftig. “Natuurlijk is er sprake van een samenzwering; zie je dit dan niet?”. Of juist: “Doe toch normaal, rare complotdenker”. Misschien beroep jij je op een medium dat toch duidelijk heeft gezegd dat de Apocalyps nu echt begonnen is.  

En probeer vervolgens deze drukke gedachten even geen voedsel te geven door je aandacht te richten op je ademhaling of op het gewicht van je lichaam op je voeten of op je zitvlak. Land in het heden en neem de tijd om het stof van de opwinding te zien neerdalen. Rust gewoon in het huidige moment. Kijk dan nog eens, heel rustig. Laat de wereld van het hoofd, de wereld van concepten, maar even voor wat die is. Voel slechts. Voel de opwinding, de angst en de boosheid. Kun je stilstaan bij deze gevoelens? Kun je jouw neiging opmerken om er juist niet bij stil te willen staan? Om jezelf af te leiden of weer te gaan malen? Wees dan lief en geduldig voor jezelf, glimlach en keer terug naar die openheid.

Dit is ons werkterrein, ons klaslokaal. We worden niet opgeroepen om een theorietje te lanceren over wat onze ogen en oren ons willen vertellen. We hoeven de voorvallen ook niet in te kleden in een Cursus-filosofietje. We hoeven slechts op te merken wat onze gevoelens ons vertellen en vooral wat ze ons willen doen geloven. Want als je afdaalt tot onder deze gevoelens dan kom je uit bij een fundamenteel geloof. Het geloof in eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid. Deze diepe angst vormt de basis voor zelfs onze kleinste angstjes. Misschien vrees jij niet voor je leven maar maak jij je wel zorgen over de benzine- en gasprijzen. Ga je het financieel wel redden? Kijk rustig en zie dat er ten diepste steeds weer dat geloof in kwetsbaarheid is, die uiteindelijk doodsangst is.

Onze theorietjes en filosofietjes kunnen werken als een kalmeringspil. En het kan prima zijn om hier de eerste rust mee te vinden. Maar uiteindelijk komen we terug bij die allergrootste les die we hier te leren hebben. Kunnen we onze doodsangst naar de liefde brengen en ervan genezen worden? Daar gaat in mijn beleving ECIW over. Hierin wil Jezus ons helpen.

Ik meen dat het goed is als we daar onze aandacht aan besteden. Vroeger probeerden we onze angst te sussen met een geloof in een leven na de dood. Nu kunnen we ertoe neigen om onze angst te verdoven met het reciteren van Cursus-teksten als “ik ben niet dit lichaam”. En versta me goed, ik veroordeel dit niet maar ik hoop dat deze waarheid vooral beleefd gaat worden nadat we onze angst hebben laten genezen door de liefde. Nadat we de verzoening voor onszelf aanvaard hebben.

Het heerlijke van de weg van Jezus is dat we deze samen gaan. In de angst en boosheid van mijn broeders en zusters herken ik mijn eigen angst. In plaats van te oordelen wil ik kiezen voor verbinding. Zo kunnen we werkelijk behulpzaam zijn. In onze denkgeest kunnen we bidden voor de vrede tussen Rusland en de Oekraïne en onze zegeningen sturen naar het overleg dat gaat plaatsvinden. Vanuit de plaats van liefde kunnen we bewogen worden om handelend op te treden. Ik zag op tv hoe vluchtelingen uit de Oekraïne onderweg gesteund werden door mensen die hun thee en voedsel gaven. Wat een heerlijke expressie van liefde! Kijk wat er opborrelt in je hart als je jouw denkgeest laat genezen. Liefde is de weg, het doel en onze kracht.

Verdwaasde broeders bestaan niet?

“Als ik meen een verdwaasde en bange broeder te zien, bijvoorbeeld Poetin, dan zegt dat alleen iets over mijzelf”. Dit was een reactie die ik kreeg naar aanleiding van mijn blog over de oorlog in de Oekraïne. In contacten met medestudenten heb ik deze gedachtegang vaker gehoord. Een vrouw vertelde een keer dat ze was lastiggevallen op straat door een opdringerige man. “Dit zegt slechts iets over jou”, werd haar direct voor de voeten geworpen. “Er is helemaal geen aanvaller, die projecteer jij slechts. Je ziet alleen wat er in jouw binnenste leeft.”

Als je zoiets hoort begin je in eerste instantie aan jezelf te twijfelen. Het klinkt heel erg Cursus-achtig dus dan zal het wel kloppen. Als ik broeder Poetin agressief zie doen dan betekent dit slechts dat ik agressief ben. Huh? Als ik word lastiggevallen dan verbeeld ik me dit in de meest letterlijke betekenis van het woord. Huh?

Bij dit soort halve waarheden merk ik keer op keer hoe behulpzaam de fabeltjes-serie van Robert Perry is om ze te ontzenuwen (zie https://eciwcoach.com/eciw-fabeltjes-2/ ). De volgende fabeltjes zijn op deze situaties van toepassing:

Fabeltje 28. Er is niemand daarbuiten. Er is er maar één van ons hier. “Anderen” zijn slechts mijn eigen projecties.

Er is misschien geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, niet meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

Hier heb ik eerdere blogs over geschreven. In de filosofie wordt gesproken over “solipsisme”. Het komt er, simpel gezegd, op neer dat alleen “ik” besta en alles wat ik meen te zien zelf bedenk. Dit scheert dicht langs de werkelijke Cursus-visie maar mist één fundamenteel aspect: de waarheid en het mysterie van Gods schepping waarbij er sprake is van broeders en zusters die in wonderlijke eenheid met elkaar verbonden zijn. Er is één Zoonschap, maar dat wil niet zeggen dat ik als klein zelfje de enige zoon ben.

Fabeltje 36. Vergeving heeft niets met de ander te maken. Ik vergeef niet omwille van hen; ik doe het alleen voor mezelf.

In de Cursus is vergeving inherent intermenselijk: door je wrok los te laten, bevrijd je de ander van zijn of haar last van schuld: “Help hem de zware zondelast op te heffen waarmee jij hem beladen hebt en die hij als de zijne heeft aanvaard” (T-19.IV.D.16:5). Vergeving is dus de impuls om zowel onszelf als onze ogenschijnlijke aanvaller te bevrijden.

Als je, zoals bij fabeltje 28 gezegd, gelooft dat alleen jouw kleine zelfje bestaat dan heeft vergeving inderdaad niets met andere broeders en zusters te maken. Maar dat is dus niet zo. Wij mogen verdwaasde broeders als Poetin en de aanrander vergeven. Ik kan nog veel meer fabeltjes citeren maar sluit af met een fabel die wel erg van toepassing is:

Fabeltje 38. Alles is volmaakt. Elke gedachte is volmaakt. Elk gevoel is volmaakt. Als ik denk dat iemand een fout heeft gemaakt, heb ik een oordeel. Het is allemaal goed. Hitler was gewoon zijn perfecte functie aan het vervullen.

Het is waar dat de Heilige Geest alles kan gebruiken voor Zijn doel. Zelfs onze fouten worden door Hem omgezet in leermomenten. Maar we maken wel fouten, fouten die in de kern uitingen zijn van kwetsende bedoelingen (“Niemand valt aan zonder de bedoeling te kwetsen”-W-pI.170.1:1). Verder wijst de Heilige Geest alleen functies toe die iedereen ten goede komen. Wat Hitler deed was een verwerping van wat zijn ware toegewezen functie ook was.

Zie je het? Wat Poetin en de aanrander deden was “een verwerping van hun ware functie”. En dit mogen we gerust constateren. Ergens is er een persiflage van de Cursus ons denken binnen geslopen. Als je goed kijkt dan kun je zien dat het ego hier aan het werk is. Wat is het ultieme ideaal van het ego? Dat de afscheiding compleet is, dat alleen het kleine zelfje bestaat dat als godje alles zelf bedacht zou hebben (zie solipsisme). De boomrang die we in onze nek geworpen krijgen als we ook maar iets zeggen over “een ander”, getuigt van geloof in solipsisme en niet van het ervaren van de wonderlijkheid van Gods schepping. Het is hetzelfde nare geloof dat niet bereid is om anderen te helpen omdat er geen andere zouden zijn. Het is de totale afscheiding in plaats van de totale verlossing.

We mogen het “beestje” best bij de naam noemen. Poetin en de aanrander gedragen zich als verwarde broeders. Onze ware opdracht is niet om hen af te doen als privé-hallucinaties. Onze opdracht is om niet te geloven in werkelijke zonde, om te vergeven en te kijken hoe we werkelijk behulpzaam kunnen zijn om aan alle broeders en zusters het wonder aan te bieden.

Oorlog in Oekraïne

Tanks denderen door de straten van Kiev, bommen en kogels rijten menselijke lichamen uiteen. Wraak, wanhoop, agressie, verdriet en ellende. Het raakt me diep. Hoe kunnen we als Cursus-student naar deze situatie kijken en wat kunnen we doen?

Ik las een tekst van een mede ECIW-student op Facebook. Ze schreef dat Poetin heel behulpzaam was omdat zijn daden zorgen voor een zuivering bij ons. Hij zou haast, met andere woorden, een leraar voor ons zijn en we zouden hem dankbaar moeten zijn. Is deze manier van omgaan met ECIW behulpzaam voor onszelf en anderen? Worden we echt uitgenodigd om te lachen om de beelden die we op de tv zien? Ach lieve broeders en zusters, wat kan ons hoofd toch ontsporen als het niet onder supervisie staat van ons hart.

Is Poetin onze leraar? Het Handboek van de Cursus beschrijft leraren van God als mensen die een proces doorlopen om hiervoor geschikt te worden (H-1.1), die verder in de tijd staan dan hun leerlingen (H-29.1:4). Poetin is geen leraar maar een uitermate verdwaasde, bange broeder die meent dat macht synoniem is aan de liefde die hij werkelijk verlangt. Hem zien als een leraar is één van de vele fabeltjes rondom ECIW die Robert Perry als onjuist ontmaskerd heeft (zie: https://eciwcoach.com/eciw-fabeltjes-2/ ). Het is een fabeltje dat we personen die gewelddadig zijn zouden moeten zien als leraren omdat ze ons ego aan het licht zouden brengen. Dit is niet hoe de Cursus over “leraar” spreekt, noch hoe hij over “verlosser” spreekt (op één uitzondering na). Een leraar in de Cursus is iemand die anderen het denksysteem onderwijst waarin hij gelooft. Een verlosser is iemand die de verlossing die in hem is, naar anderen uitbreidt. Dus mijn leraar, in de positieve zin, is iemand die mij Gods denksysteem leert. In het Handboek is het specifiek iemand die mij begeleidt op het pad van de Cursus. En mijn verlosser is iemand die verlossing naar mij uitbreidt. In het bijzonder is het iemand die ik genezen heb, en wiens dankbaarheid mij doet ontwaken tot de heiligheid in mij.

En moeten we gaan zitten lachen om de tv-beelden die we nu zien? Sommigen beweren dat we ons niet druk hoeven te maken om, bijvoorbeeld, de Holocaust of over de nood in de wereld. Er is immers geen wereld dus dan kan er ook geen sprake zijn van al deze ellende. En, inderdaad, op een ultiem niveau is de wereld zelf nooit gebeurd. Maar op het niveau van deze wereld gebeuren deze dingen wél en zijn ze ook gebeurd, en onze reactie moet zorgzaam zijn, niet gevoelloos. Toen Jezus in het oorspronkelijke gedicteerde werk verwees naar de Holocaust, zei hij niet: “Er was geen Holocaust,” maar: “Ik heb er vele tranen om gelaten.” In plaats van onverschillig te zijn tegenover lijden, is het de bedoeling dat we mensen uit hun lijden verlossen. De Cursus zegt dat we door onze wonderen – onze uitingen van liefde – in feite de uiterlijke schijn van tragedie kunnen wegnemen, en juist door die weg te nemen, bewijzen we dat die schijn onwerkelijk moet zijn geweest (T-30.VIII.2).

Sommige studenten beweren dat we niets kunnen betekenen voor onze broeders en zusters omdat er helemaal geen “anderen” zijn. Alles en iedereen zou slechts onze eigen projectie zijn. Maar er is vermoedelijk geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, in niets meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

De Werkboekles van vandaag (Herhalingsles 57) lijkt te suggereren dat onze opdracht slechts zou bestaan uit het corrigeren van onze perceptie.

  • Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.
  • Ik heb de wereld die ik zie bedacht.
  • Er is een andere manier om naar de wereld te kijken.
  • Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.
  • Mijn denkgeest is deel van Die van God. Ik ben heel heilig.

Maar het aanvaarden van het wonder voor onszelf, waar deze werkboekles over gaat, betreft maar de helft van de boodschap van ECIW. De andere, onlosmakelijk hiermee verbonden helft, gaat over het aanbieden van het wonder aan onze broeders en zusters. Daarover zegt Robert Perry:

“Als je de vijftig wonderprincipes leest, is het duidelijk dat wonderen iets genezends zijn dat overgaat van een wonderdoener naar een wonderontvanger. Wat overgaat is liefde, want wonderen zijn “uitingen van liefde”, en worden in de eerste hoofdstukken van de Cursus vijf keer zo genoemd. Dit is de voornaamste betekenis van “wonder” in de Cursus: een uitdrukking van liefde waardoor we de waarneming van een ander verschuiven. Een wonder als iets dat onze eigen waarneming verschuift, is een belangrijke betekenis van het woord in de Cursus, vooral in het Werkboek, maar het is niet de hoofdbetekenis van de Cursus”.

Ons denken kan worstelen met de beelden die binnen komen en met de teksten van de Cursus, zoals werkboekles 57. In ons eentje, vanuit ons kleine ego-zelf, maken we van de Cursus al snel een karikatuur. Dit kunnen we slechts voorkomen door stil te worden en ons open te stellen voor een zachte Stem, de Stem van de Heilige Geest, de stem van ons hart. We mogen de HG vragen hoe we naar de situatie mogen kijken zodat onze perceptie kan worden gecorrigeerd en genezen. Maar laten we vooral niet vergeten om te vragen wat we mogen zeggen en doen om werkelijk behulpzaam te zijn voor onze broeders en zusters.

In de Bijbel roept Jezus ons op om hongerige mensen te voeden, dorstige mensen te drinken te geven, onze jas af te staan aan hen die deze nodig hebben. Jezus uit ECIW is dezelfde Jezus als de Bijbelse Jezus. Daarom besluit ik deze lange blog met een citaat uit de Bijbel. Ik hoop van harte dat wij als ECIW-studenten niet worden als de priester en hulppriester die misschien hun perceptie keurig corrigeerden maar onbewogen bleven en geen vinger uitstaken.

Lucas 10:25-37

Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’  De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’  Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’  De wetsleraar wilde laten zien dat hij de wet beter kende dan Jezus. Daarom vroeg hij: ‘Wie is mijn medemens dan?’ Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Maar onderweg werd hij door rovers overvallen. Ze pakten alles van hem af, ook zijn kleren. Ze sloegen hem halfdood, en lieten hem liggen. Toevallig kwam er een priester langs. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. Toen er even later een hulppriester langskwam, gebeurde hetzelfde. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. Toen kwam er een vreemdeling langs, een Samaritaan. Hij zag de man liggen en kreeg medelijden. Daarom ging hij naar hem toe. Hij verzorgde de wonden van de man met olie en wijn. En hij deed er verband om. Toen zette hij de man op zijn eigen ezel en bracht hem naar een herberg. Daar zorgde hij voor hem.  De volgende dag gaf de Samaritaan geld aan de eigenaar van de herberg en zei: ‘Zorg goed voor de man. Als het je meer geld kost, krijg je dat van me op mijn terugreis.’’ Toen vroeg Jezus: ‘Wat denk je? Wie was de medemens van de man die overvallen werd? De priester, de hulppriester of de Samaritaan?’  De wetsleraar antwoordde: ‘De Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.’ Toen zei Jezus: ‘Doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.’

Tegenslag

Tegenslag bestaat in duizenden soorten en maten. Je wilt slapen maar het lukt niet. Je moet ergens op tijd zijn maar je staat hopeloos vast in de file. Je wilt zorgeloos genieten van het leven maar je bent ziek en je verrekt van de pijn. De lijst is eindeloos. Waarom toch? Waarom al die ellende, die pech, die pijn? Kan het niet gewoon een keer meezitten?

Zolang het, in onze ogen, kleine tegenslagen betreft, kunnen we er nog wel mee omgaan. De één kan dit wat beter dan de ander. Dat wordt “frustratietolerantie” genoemd. Ik hoor het mijn vader nog zeggen: “gewoon even flink zijn”. Ik was niet zo’n flinkerd en ook nu schaam ik me wel eens voor m’n niet al te hoge frustratietolerantie. Als ik ergens pijn heb, start er een oud programma. Dat programma zegt dat ik flink moet zijn en niet mag zeuren. Ik zie kracht op dezelfde manier als mijn vader: de pijn verbijten en kiezen op elkaar. Woorden die naar bovenkomen zijn “stoïcijns, stoer, niet piepen, vechten, gewoon doorgaan, niet klagen”.  

Zou “acceptatie” hier het toverwoord kunnen zijn? Ik merk dat mijn invulling van “acceptatie” niet veel verschilt van mijn oude programma. Er blijft sprake van boosheid, weerstand en onvrede maar ik uit deze niet, ik wil het dapper dragen en vooral niet om hulp vragen. Dat zou dan een zwaktebod zijn, meen ik.  Ik moet nu denken aan een prachtig boek over acceptatie door Jeff Foster (Onvoorwaardelijke Acceptatie). Toen ik het las voelde ik me heel vredig. Maar zelfs deze heerlijke, wijze leraar lijdt nu aan een rot ziekte en gaat door een diep dal. Hij heeft het uitgeschreeuwd van ellende. Het is waarlijk een kruisiging die elk goedkoop zelfhulpadvies verpulvert. Jeff beschrijft het als een soort zuivering. Ik raak ontroert als ik lees hoe hij de lieve mensen bedankt die hem steunen in deze duisternis.

Is dit dan de weg? Moeten we allemaal eerst gekruisigd worden voordat het besef dat we “niet dit lichaam zijn” écht tot ons kan doordringen? Wat zegt ECIW hierover? In de inleiding van hoofdstuk 4 zegt Jezus:

“Bega niet de jammerlijke fout je ‘vast te klampen aan het oude, robuuste, ruwhouten kruis.’ De enige boodschap van de kruisiging is dat je het kruis overwinnen kunt. Tot dat moment staat het jou vrij jezelf te kruisigen zo vaak je maar wilt. Dit is niet het evangelie dat Ik jou bedoelde te geven. Wij hebben een andere reis te ondernemen, en als je deze lessen zorgvuldig leest, zullen ze jou helpen en voorbereiden die te ondernemen.”

Hierin staat een wonderlijke frase; het staat je toe jezelf te kruisigen zo vaak als je maar wilt. ECIW spaart onze gevoelens niet en komt met ogenschijnlijk harde uitspraken: Je bent niet werkelijk bang voor de kruisiging. Je echte doodsangst betreft de verlossing. (Txt 13 III:1:10)” En, iets verderop: “Jij wilt liever een slaaf van de kruisiging zijn dan een verloste Zoon van God. (Txt 13: III: 5:2)”. Jezus beweert ook niet dat kruisiging een weg zou zijn die we allemaal moeten volgen. Nee, hij zegt: “De kruisiging is een extreem voorbeeld, meer niet. Haar waarde ligt, zoals de waarde van elk

leermiddel, uitsluitend in het soort leerproces dat ze vergemakkelijkt. (Txt 6:I 2:1).”

Het laatste citaat dat ik wil geven is het volgende (Txt 2: III:3:4):

“Een geketende wil laat een situatie ontstaan die in het uiterste geval volslagen onverdraaglijk wordt. Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt.”

Waar brengt dit me nu? Het ego kijkt door de bril van beschuldiging en roept: “zie je nu wel, je kruisigt jezelf en het is allemaal dus je eigen schuld”. Het kijkt door dezelfde bril naar Jeff en alle broeders en zusters in nood: “eigen schuld!”  In Een Cursus van Liefde (ECvL) geeft Jezus herhaaldelijk voorbeelden waarbij hij laat zien dat onze ego-wereld een soort persiflage is van de werkelijke wereld, een soort karikatuur. Het fraaie is dat hij via voorbeelden laat zien hoe zelfs de ego-versie van de schepping nog aanknopingspunten biedt om te komen tot een meer waarachtige visie.

Zodra het ego knarsetandend moet toegeven dat we niet het slachtoffer zijn van de wereld die we menen te zien, gooit het zijn grote troef op tafel: “Het is dus je eigen schuld!” Dit is een liefdeloze persiflage van de vergissing die we als Zoon van God wel degelijk maken in ons streven om ons afgescheiden van de liefde te wanen. Want inderdaad, we hebben een rare vergissing gemaakt waarbij we zijn gaan geloven in de echtheid van onze eigen projecties. Maar nee, beschuldiging vormt nu niet de uitweg. Veroordeling van eigen lijden of van het lijden van anderen versterkt slechts de illusie van afscheiding en vergroot slechts ons schuldgevoel.  De Heilige Geest gebruikt de ego-persiflage en transformeert deze tot uitweg. Het “eigen schuld” wordt omgebogen naar “er is je een sleutel in handen gegeven; laat me je uitleggen hoe deze werkt”. De Stem is zacht en liefdevol en strekt zich uit naar onze broeders en zusters. “Laat me je helpen”. Zelfs mijn lage frustratietolerantie kan nu gebruikt worden door de Heilige Geest en krijgt nu zelfs een positieve wending: het is juist oké dat ik tegenslagen niet vanzelfsprekend vind. Dat zijn ze immers niet!  Ik zal deze blog niet te lang maken en, voor nu, hoopvol eindigen met:

Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt.

Liever een praktisch voorbeeld

Mijn lieve partner leest zelf niet in ECIW. De blogs die ik schrijf leest ze echter meestal wel. Ze vindt vooral de blogs leuk die gaan over concrete situaties en natuurlijk helemaal als ze deze situaties herkent uit ons leven. Ze is niet de enige die de voorkeur geeft aan duidelijke voorbeelden van het toepassen van de Cursus in de praktijk. Ik kan dat terugzien in de statistieken van de website waarop ik de blogs post. Zodra ik iets schrijf over Corona, The Voice of Holland of over een actuele politieke situatie schieten de lezersaantallen omhoog.

Het is prettig om als uitgangspunt voor een ECIW-les een concrete situatie te nemen. In de eerste jaren dat ik ECIW-bijeenkomsten volgde vond ik het knap hoe sommige leraren aan de hand van een concreet voorbeeld konden laten zien hoe de Cursus daadwerkelijk ‘werkt’. De leraar begon de bijeenkomst met het voorlezen van een stukje uit de Cursus en stelde vervolgens de vraag of iemand een kwestie wilde bespreken waar hij of zij mee zat. Ik vond het knap hoe de leraar zo’n concreet voorbeeld kon terugvoeren op een algemeen metafysisch principe en, belangrijker nog, kon laten zien dat toepassing van zo’n principe kan leiden tot een ervaring van vergeving en vrede.

Laat ik zelf een voorbeeld geven. Het vergt niet zo veel om te roepen dat het niet handig is om ‘grieven of aanvalsgedachten te koesteren’ richting broeders of zusters. Vrijwel iedereen die deze uitspraak aanhoort zal instemmend knikken zolang je dit hoort als je met een kopje koffie op de bank zit. Het klinkt logisch en we hopen dat meer mensen dit eens in de oren zouden knopen. Dat hoop ik ook. Maar werkt dit diep door in ons systeem? Heeft het instemmend knikken een transformerende werking? Niet dus.

De laatste weken heb ik veel telefonisch contact met de KPN. Ik hielp mijn partner om een mobiel nummer met nummerbehoud af te sluiten en haar moeder om een Alles-in-één pakket, ook met nummerbehoud, aan te schaffen. Lang verhaal kort: ik ben nu 7 telefoontjes verder, ik werd van kastje naar de muur gestuurd, kreeg bij track-and-trace pogingen de melding dat er een storing was opgetreden, ik zou teruggebeld worden maar dit gebeurde niet enzovoorts. De huidige status is dat nu, goddank, het mobieltje van mijn partner werkt, mijn schoonmoeder wel al moet betalen maar niet langer haar vaste telefoonlijn kan gebruiken maar dat de monteur pas kan komen als een zoekgeraakt modem weer boven water komt. Aaarrrrchhhh!!! Kijk, now we are talking. Nu gaat het ergens over. Want natuurlijk borrelt er ergernis naar boven als telefoniste nr 5 aangeeft dat ze “nu even niks kan doen omdat ik vanmiddag niet werk”.

Toch merk ik in dergelijke situaties dat het fijn is om bekend te zijn met de basisprincipes van de metafysica. Iedereen kan een eigen aanvliegroute hebben maar mij helpt het om, zodra ik onrust in welke vorm dan ook bespeur ‘in mijn hoofd’ te weten dat ik óf oordeel óf bang ben (en ik weet dat deze twee niet los van elkaar staan). Zodra ik dat stapje terugzet zie ik mijn veroordeling en de daaraan gekoppelde boosheid en aanvalsgedachten richting de, in mijn beleving, niet zo snuggere en weinig coöperatieve noch proactieve medewerkster. Ik moet bekennen dat ik tijdens het gesprek nog niet bepaald een bron van stromende liefde was maar de herkenning van de neiging om een sneer te geven (tegenaanval!) kwam op tijd en we konden overeenstemming bereiken over vervolgstappen. Helaas kwamen haar geruststellende woorden niet uit en dit bood me de gelegenheid voor een volgende vergevingsoefening.

Bij gesprek nr 7 besloot ik vooraf een zegening te sturen naar de medewerker die ik aan de lijn zou krijgen. Misschien is het toeval, wie zal het zeggen, maar ik kreeg een vriendelijke proactieve dame aan de lijn, we konden samen wat lachen om alle toestanden en warempel, het lijkt erop dat er een modem voor mijn schoonmoeder onderweg is.

Wat wil ik nu zeggen met dit kijkje in mijn binnenste? In mijn beleving werkt een gecombineerde benadering van de Cursus het beste. Eenzijdige aandacht voor de abstracte metafysica kan leiden tot een nieuw geloof met weinig praktische waarde. Eenzijdige aandacht voor ‘praktijksituaties’ kan leiden tot het eindeloos blussen van ogenschijnlijk van elkaar verschillende brandjes. Natuurlijk vertel ik hiermee niets nieuws. ECIW bestaat uit een Tekstboek én Werkboeklessen; kort door de bocht: theorie en praktijk.

Aan lezers die weinig hebben met de ‘abstracte theorie’ van de Cursus zou ik de tip willen geven om toch echt te lezen in het Tekstboek en om te studeren. Dat is niet per se direct leuk, smeuïg of aansprekend. Toch helpt het om ego-patronen sneller te herkennen, om verbanden te zien en daarmee sneller kwesties te doorzien en op te lossen via vergeving. Aan studenten die menen de principes van ECIW wel zo’n beetje door te hebben is telkens weer de uitnodiging om dat te laten zien in de praktijk van het leven. Dat is de toetssteen, het klaslokaal.

We kunnen met ons hoofd in de wolken beweren dat er geen doener is, dat er niks te bereiken valt en dat alles al goed is zoals het is. Metafysisch ongetwijfeld allemaal juist, waar en prachtig. Maar ondertussen heeft Jezus ons een dik boek gegeven en mogen we studeren en stevig aan de bak. Ik vertrouw erop dat hij weet wat goed voor me is.