Ongeneeslijk ziek

In een mooie bijeenkomst vertrouwde een lieve zuster ons toe dat ze ongeneeslijk ziek is. Die rotziekte, kanker. Zo’n onthullende uitspraak hakt er bij iedereen in. We beseffen op zo’n moment dat onze zuster of broeder nu niet zit te wachten op goedkope Cursus-troost. Een simpele Cursus-waarheid als “ik ben niet dit lichaam” is net zo waar als altijd maar het zonder meer uitspreken hiervan voelt ongepast.

Als een broeder uitspreekt dat hij ongeneeslijk ziek is geeft hij daarmee onze diepste overtuiging en angst weer. Op dat moment worden we zélf geconfronteerd met onze doodsangst, de angst om te sterven. Het is juist deze angst die we gewoonlijk koste wat het kost proberen te ontlopen. We willen juist volop en zorgeloos leven, genieten en die dood komt later wel, daar moeten we ons niet mee bezig houden als het niet echt nodig is. Toch?

Ik besef dat ik m’n hele droomleven bezig ben om me voor te bereiden op de dood. Daarbij denk ik waarschijnlijk zoals zo velen. Ik ben nu 58 jaar oud; hoeveel jaren zijn me nog gegeven? Twintig? Dertig wellicht? En hoe snel gaan momenteel de jaren voorbij. Twee van mijn dochters zijn twintigers. Het opgroeien van hen is zo snel gegaan en nu nog één zo’n stukje en het is voorbij. Dat geloof ik, dat is mijn overtuiging.

En met deze eerlijkheid over mijn geloof in lichamelijkheid mag, nee moet, ik de ontmoeting aangaan met een broeder of zuster die de gevreesde diagnose heeft gekregen. Deze spiegel confronteert me direct en onvermijdelijk met mijn vaste geloof in de kwetsbaarheid van het bestaan. Laat ik niet te snel weg proberen te vluchten van deze doodsangst door er een goedbedoelde affirmatie tegenaan te gooien. Met mijn zuster daal ik af in de angst, ik voel met haar mee en herken in haar angst en verdriet mijn eigen angst. Wegvluchten van mijn doodsangst zou nu betekenen het alleen laten van mijn zuster. Haar angst en verdriet zijn de mijne en ik laat me aan het touw de donkere put in zakken om samen met haar op de bodem te zitten. Het is hier kil, koud en donker. Er lijkt totaal geen uitzicht te zijn, geen hoop.

Eerst mag ik naast haar gaan zitten en mijn arm om haar heen slaan. Laten we samen huilen, samen de pijn doorvoelen van het komende afscheid van onze dierbaren. Het voelt als een mes dat door onze ziel snijdt en ons zal gaan isoleren, afscheiden van kinderen, familie, vrienden. Maar dan. Als er ruimte is geweest voor alle verdriet, alle pijn dan mag ik zelf proberen de kracht op te brengen om omhoog te kijken en daar het zwakke lichtschijnsel te zien. Kom lieve zuster, laten we een stukje wandelen. Een klein stukje. Of gewoon samen zitten op dat bankje in het park. Onze angst mag met ons meekomen en naast ons plaatsnemen. We weten wat hij ons wil vertellen en doen geloven en als hij heel opgewonden weer even zijn verhaal wil doen dan is dat oké. Maar dan, als hij even stilvalt, horen we een merel zingen. Fragiel, breekbaar, wonderschoon.

Vanuit het duister besluiten we om zo af en toe te proberen wat zonlicht te voelen. Het is lente. Nooit eerder voelde het bestaan zo breekbaar en zo kostbaar als nu. We zuchten eens diep. Er is iets van ontspanning, van rust. Zo oog in oog met ons geloof in kwetsbaarheid en dood mogen we ons uitstrekken naar dat licht. En dan kan er iets wonderlijks gebeuren. Haast onmerkbaar eerst. Er blijkt een zachte kracht aanwezig in dat licht. Een kracht die troost en geruststelt. Liefdevol. Deze kracht heeft niet veel woorden nodig. Slechts samenzijn, met elkaar in die liefde.

Deze zachte warmte geneest. Ze geneest daar waar we genezing nodig hebben, in onze denkgeest. Het is een liefdevolle Stem die nu spreekt. Het ego probeert haar te overschreeuwen: “je bent ongeneeslijk ziek!” Toch is daar die Stem die ons zacht verzekert; zo is het niet. Je droomt slechts, lieve schat. Een droom van lichamelijkheid, kwetsbaarheid en afgescheidenheid; zonde. Wees niet boos op je droom of op het feit dát je droomt. Je bent zo totaal schuldeloos. Je bent me zo dierbaar. Geef me wat meer ruimt om tot je te spreken, om je vast te houden, je te omarmen. Die Heilige Geest, onze liefde, gebruikt onze zachte stem en onze armen om te troosten. Om de angst te herkennen, het geloof in de dood te herkennen maar herkennen is niet hetzelfde als erkennen. Ook zonder woorden kunnen we weigeren te buigen voor de droom van de dood. “ongeneeslijk ziek” is een afgod van het ego. Uitgesproken vanuit afstandelijke verstandelijkheid vormen ze helaas een gesel. Dit besef in onze denkeest wordt echter een zegen als we ons geloof in deze afgod vóór onze broeder naar de liefde mogen brengen om de denkgeest te laten genezen. En zo samen te mogen zijn en de onverbrekelijke eenheid met elkaar te mogen beleven. Er is geen afscheid, er is geen dood. Er is eeuwig samen; Vader, Zoon en Heilige Geest. Samen broeders. Dank Vader.

Advertenties

Kies ik zelf voor ellende?

Afgelopen dagen word ik te vroeg wakker naar m’n zin. Komende woensdag ga ik verhuizen en als na vijf uurtjes slapen de ergste vermoeidheid voorbij is gaan m’n hersenen in de overdrive. Het is nogal dubbel; ik voel me nog moe en onuitgeslapen van de vorige dag en toch wil ik verder met de planning en de voorbereidingen. Het rusteloze ronddraaien in bed begint. Proberen toch weer te ontspannen en de slaap te vatten. Maar tot mijn frustratie lukt het niet meer en ik baal dat ik zo onuitgeslapen de dag moet beginnen. Kortom, ik voel me slachtoffer van de hectische situatie. Wat er gebeurt is overduidelijk niet wat ik wil, toch? De Cursus is glashelder in haar visie op deze kwestie. Ik krijg precies waar ik om vraag. Het punt is dat ik het zicht ben kwijt geraakt op dit keuzeproces. Hierover gaat de les van vandaag (138): De Hemel is de beslissing die ik moet nemen.

In de Hemel is van kiezen helemaal geen sprake. Ik meen dat het Krishnamurti was die zei: “alleen een verdwaasde geest meent dat hij moet kiezen”. En dat omschrijft mijn toestand als ik zo tegen mijn vermeende zin in wakker lig. Ik kies toch duidelijk voor doorslapen en niet voor onuitgeslapen de dag beginnen? Dit gevoel duidt de Cursus aan met “slachtofferschap”. Ik meen dat slapeloosheid mij overkomt, dat het iets is dat ik niet wil. Maar helaas, dit wakker liggen is exact wat ik wens maar ik ben het zicht op mijn “wil” kwijtgeraakt. Want wat is het achterliggende onbewuste doel van mijn strijd tegen slapeloosheid? Ik voel me hierdoor afgescheiden, gevangen in een slaperig lichaam met prikkende ogen, strijdend, gefrustreerd, boos en hopeloos. En dit, zo leert ons de metafysica van de Cursus, is wat mijn eigen onhandige wens behelst om mezelf te ervaren als klein en van het geheel afgescheiden zelf. Het moet gezegd worden; dat lukt me uitstekend op deze manier.

Maar dan lijkt er haast wel sprake van twee willetjes: een wil die aan de slag wil gaan en druk doen en een wil die nog wat verder wil slapen. Is dit niet precies de kwestie waar ik slachtoffer van ben; dat ik heen en weer getrokken word, verscheurd word, door deze ontembare krachten in mijzelf? Op deze manier voel ik me extra stom. Beweert de Cursus nu dat het allemaal mijn eigen schuld is? Mijn eigen stomme schuld? Nu is het opletten geblazen. Vanuit ons geloof in afgescheidenheid kunnen we menen dat we schuldig zijn, zelfs aan onze eigen ellende. Maar als we dat schuldgevoel ook weer serieus nemen dan maken we de vergissing alleen maar groter. Van een verward zelf zakken we verder af naar een stom en schuldig zelf. Daar hoeven we niet in te trappen.

Genoeg over de metafysica. Hoe nu verder? Stel dat ik me durf te openen voor de mogelijkheid dat ik onbewust kies voor ellende die me zogenaamd overkomt en stel dat ik niet langer trap in de valkuil van het koesteren van schuldgevoelens die hieruit voort lijken te komen. Wat dan? En hier komt de werkboekles van vandaag ons zo liefdevol tegemoet, precies op het niveau waarop wij ons menen te bevinden. Want hoewel er in werkelijkheid niets te kiezen valt in de Hemel, wordt ons gewezen op de ultieme keus die we in de droom kunnen maken. In de Bijbel gebruikte men de woorden: ben je uit het vlees of uit de geest geboren? In de Cursus spreken we van luisteren naar het ego of naar de Heilige Geest. Dat is de ene keuze waar we ons binnen de droom in ontelbare vormen voor gesteld zien, telkens weer.

Verstandelijk weet ik dat ik de liefdevolle, onbegrensde Zoon van God ben en dat ik als deze werkelijkheid niet bedreigd kan worden door zoiets als drukte of slapeloosheid. Maar hoe kan dit verstandelijke inzicht dieper doordringen opdat ik het ook ervaar? Daar gaat het om; om de levende ervaring van de Heilige Geest, zoals mijn Christen-broeders zo mooi zeggen. Verstandelijk inzicht in de metafysica zet ons op een goed spoor maar voor deze levende ervaring is meer nodig. Het is die ene keuze die onze kleine wil, de wensen van het zelf, kan passeren en ons daarmee direct terugbrengt naar onze ware Identiteit. In Bijbelse termen: we hebben een Verlosser nodig. In Cursus-taal: we mogen ons overgeven aan de Liefde die we zijn. Dit vinden we lastig te accepteren. Natuurlijk vinden we dit lastig! Het laatste wat de eigenwijze kleine droomfiguur wil doen is z’n denkbeeldige roertje uit handen geven. Zelf proberen, zelf vechten en desnoods zelf falen en slachtoffer zijn, dat wil ons kleine zelf!

Onze broeder Jezus heeft alles doorzien en zich totaal laten genezen door zijn geest in de handen van onze Vader te bevelen. De Heilige Geest straalt nu in hem en hij wil ons aanraken met dezelfde genezende warmte en liefde. En dan onze ultieme keuze: vertrouwen-nu; in Hem, hoe we ons de Liefde ook maar voor willen stellen.

We mogen het droomniveau van geloven in een onuitgeslapen of juist uitgerust lichaam ontstijgen en beide vormen herkennen als geloof in het vlees, geloof in lichamelijkheid, precies wat we zo graag even wilden ervaren. Het uitnodigen van de liefde is niet bedoeld als truc om uitgerust wakker te worden en in feite dan juist weer zogenaamd wakker verder te dromen. Liefde is bedoeld om te ontwaken uit de dualiteit van een kwetsbaar lichaam te zijn. Dus richt ik me op mijn broeder Jezus.

“Broer, jij hebt je overgegeven aan de Vader en je ware Wil herontdekt. De ene wil om liefde te zijn en lief te hebben. Hier ben ik, raak me aan zoals beschreven in de Bijbel. Genees me van mijn geloof in zonde. Genees me Heer. Ik kies voor de Hemel en zal niet van gedachten veranderen, want het is het enige wat ik verlang. Dank U Heer”.

Angst voor de dood

Ik volg de serie “Het eeuwige leven van Jan Mulder”. Jan geniet volop van het leven en zou dit het liefst rekken tot in de eeuwigheid. Het zal Cursus-studenten direct opvallen dat hij over leven en dood denkt in fysiek-lichamelijke termen. Hierbij is het lichaam de drager van de geest en sterft men dus als dit lichaam sterft. In de eerste aflevering gaf een futurist hem enige hoop door uit te leggen dat er wellicht in de toekomst een surrogaat lichaam te maken zal zijn dat in staat zal blijken als drager te fungeren voor die geest. Uiteindelijk zouden we verder kunnen leven in de cloud en de ervaringen kunnen selecteren die we maar willen.

In gesprek met gelovigen en met sommige cursus-studenten hoor ik mensen wel eens zeggen totaal niet meer bang te zijn voor de dood. Natuurlijk kan ik de diepte van hun bewering niet peilen maar zelf ben ik wat terughoudend geworden om dergelijke woorden in de mond te nemen. In 2011 kreeg ik een grote epileptische aanval. Ik wist niet wat er aan de hand was en dacht dat ik zou sterven. Ik vocht tegen de uitbreidende spierkrampen en pas op het allerlaatste moment, toen ik in de keuken op de grond was gevallen, zag ik beelden van de keuken in de verte verdwijnen en staakte ik de strijd. Ik herinner me dat ik het op een bizarre manier grappig vond dat het laatste wat ik hier op aarde nog zag een keukenkastje betrof. Enige tijd later werd ik wakker en verbaasde me over de drukte om me heen. In het ziekenhuis bleek een goedaardig maar fiks gezwel in mijn hersenen de boosdoener. Toen ik, maanden later, na de operatie in de achtertuin bij mijn huisje zat keek ik naar de wolken in de blauwe lucht en was ik intens blij. Blij dat ik nog even door mocht, samen met mijn dierbaren.

Sindsdien zeg ik niet meer zo lichtzinnig dat ik niet bang ben voor de dood. Natuurlijk weet ik wat de Cursus hierover leert. De doodsangst is gekoppeld aan geloof in afgescheidenheid. Je ware Zelf is tijdloos, eeuwig en onsterfelijk. Maar hoe diep reikt dit inzicht, bij mij en bij broeders en zusters die zo verheugd vertellen niet meer bang te zijn voor het einde van de lichamelijke vorm? Het keuken-kastje-moment heeft me wel een soort hoop gegeven. Toen ik de strijd staakte verdween de angst en bleef verwondering over. Een merkwaardige lichtheid. En dit kleine moment van licht verdiept zich verder, dag in dag uit. Gewoonlijk menen we dat we angstig zijn en vechten tegen ziekte en dood opdat we lichamelijk door mogen leven. Maar in momenten van overgave zien we het omgekeerde: we voelen ons juist echt levendig en vredevol als we stoppen met de strijd. Is dit niet de weg die de Cursus ons wijst?

Hoe kom ik op dit “zware” onderwerp? Het ligt een beetje in het verlengde van de werkboekles van vandaag (128): De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang. Ook deze uitspraak kunnen we wat te snel en gemakkelijk lippendienst bewijzen. We menen te weten dat het uiteindelijk gaat om ontwaken, thuis komen en de herinnering dat we liefde zijn. Maar ondertussen. Ik geniet volop van het vooruitzicht om over een paar weken te verhuizen naar m’n nieuwbouwhuis. Ook herken ik me in de levenslust van Jan Mulder. Dat simpele kopje koffie dat je ’s ochtends drinkt terwijl de vogeltjes buiten zo vrolijk fluiten. De blijdschap om je kinderen, de lach van je partner. Heerlijk.

Ik meen dat we geen stoer pratende asceten hoeven te worden en dat is natuurlijk ook niet waar de Cursus ons voor uitnodigt. We mogen genieten van de droom en gelukkige studenten zijn. Maar er is meer en dáár wijst Jezus op. We mogen ons verbinden met de natuur en met anderen en de liefde laten stromen zodat we de gelukkige droom mogen ervaren. Maar als we met Jan bang worden voor het komen van de herfst en het vallen van de bladeren dan mogen we het licht laten schijnen op onze angst. We mogen ermee naar onze Vader, niet slechts aan het einde van ons droomleven maar nu, van moment tot moment. Dus lees als je wilt paragraaf 6 met me mee in stille dankbaarheid:

“Pauzeer en wees een tijdje stil, en zie hoe ver je boven de wereld uitstijgt, wanneer jij je denkgeest van ketenen ontlast en hem het niveau laat zoeken waar hij zich thuis voelt. Hij zal dankbaar zijn even vrij te zijn. Hij weet waar hij thuishoort. Maak slechts zijn vleugels vrij en hij zal vol zelfvertrouwen en in vreugde vliegen, om zich te verenigen met zijn heilig doel. Laat hem rusten in zijn Schepper, om daar in gezondheid, in vrijheid en in liefde te worden hersteld.”

Ik houd van mezelf

Gefeliciteerd! Dat voelt een stuk beter dan wanneer je een hekel hebt aan jezelf. Als je een hekel hebt aan jezelf dan veroordeel je iets dat zich voortdoet. Gewoonlijk denken we dan aan iets wat we verkeerd gedaan zouden hebben of aan iets aan ons fysieke uiterlijk dat ons niet bevalt. “Je moet eerst van jezelf houden anders kun je niet van een ander houden”, hoor ik regelmatig. Tja; zou “van jezelf leren houden” nu echt de weg zijn naar alles omvattende liefde? Toegegeven; als je een hekel hebt aan jezelf dan is dat geen goed begin. Maar betekent blij zijn met jezelf dat je automatisch ook minder veroordelend wordt naar anderen? Ik waag het te betwijfelen. Hoe zit het dan met zelfingenomenheid? Je bent helemaal in je nopjes met jezelf maar dit wil nog niet zeggen dat je deze plezierige maatstaf ook langs anderen legt. Je kunt je gemakkelijk superieur gaan voelen en een pesthekel hebben aan anderen. Dat hoeft niet perse te gebeuren; maar het kan wel.

Dat heb ik een beetje tegen die te grote aandacht voor “houden van jezelf”. Het moet niet meer zijn dan een beginnetje, een opmaat naar de al omvattende liefde. Wellicht nuttig om de gevolgen van een negatief zelfbeeld te verlichten. Als je blijft hangen in zelfgenoegzaamheid dan is dat niet zondig of verkeerd maar de liefde stroomt nog niet en in feite doe je jezelf hiermee tekort. Een ikje dat van zichzelf houdt is niet synoniem met ontwaken en de ontdekking van het Zelf met een hoofdletter Z. Laat ik proberen het toe te lichten.

Als je een hekel hebt aan jezelf dan gebeuren er dingen die je afkeurt. Dit oordelen is een verborgen mechanisme waarmee wij als Zonen van God ons afgescheiden willen voelen. Dat is nu aardig gelukt. Door een negatief oordeel te koppelen aan de waarneming, geloven we nu in het bestaan van een schuldig, slecht of ongelukkig ikje. Maar het omgekeerd, een positief oordeel over wat zich voortdoet, levert slechts de andere kant van dezelfde medaille op: geloof in een goed en gelukkig ikje. Wat is de gemeenschappelijke deler? Geloof in een afgescheiden ikje dat in het ene geval niet oké is en in het andere geval wel oké. Dus nog steeds geloof in de dualiteit, in afgescheidenheid.

Het doorzien van dit oordelende mechanisme is niet hetzelfde als een negatief oordeel vervangen door een positief oordeel; iets wat bij “ik houd van mezelf” op de loer ligt. We kunnen, zoals gezegd, enorm blij zijn met onszelf. Voorlopig dan, of in combinatie met tal van dingen of mensen waar we helemaal niet blij mee zijn en waarmee we denken in een duale relatie te staan. En daar zit hem de clou; daar wijst Een Cursus in Liefde (ECIL) op. Het gaat om die relatie. Wij denken dat we een afgescheiden ikje zijn in relatie met een wereld en met anderen. Dit denken wordt ondersteund door oordelen; negatieve en positieve over ons vermeende afgescheiden zelf, de vermeende afgescheiden wereld en vermeende afgescheiden anderen. Maar zo is het niet.

In het bewustzijn wat je bent kan een oordeel opkomen. Je vindt iets van wat zich voortdoet in termen van afkeuringswaardig of goedkeuringswaardig. Dat maakt geen bal uit, omdat beide oordelen kunnen resulteren in geloof in een afgescheiden ikje. De ene keer in een speciale haatrelatie en de tweede keer in een speciale liefdesrelatie. De weg terug naar onverdeeld bewustzijn, je ware Identiteit, bestaat uit het vergeven (doorzien) van dit ik-vormende mechanisme van oordelen. Dat is alles. Zie hoe je afkeuring van iets of iemand resulteert in een ik-gevoel (haatrelatie) en dat je goedkeuring van iets of iemand (inclusief jezelf) resulteert in een ik-gevoel (liefdesrelatie). Geen van beide relatievormen zijn hetzelfde als de Heilige Relatie die voortkomt uit ware vergeving. In ECIW en in ECIL wordt uitgelegd dat we constant deze correctie van onze denkgeest nodig hebben waarbij we ons oordeel (negatief en positief) terugnemen (vergeven) om te ontdekken dat we onverdeeld bewustzijn en liefde zijn. Dan gaan we een mysterie binnen waarbij de “we” die binnengaat zich herinnert dat er geen binnen en buiten bestaat, geen wij en zij: Christus Bewustzijn. Dan is sprake van een onmiddellijkheid, een directheid en eenheid en vrede die ons verstand te boven gaan. En de Zoon ziet dat het goed is.

WB 126: Al wat ik geef, is aan mijzelf gegeven.

Al wat ik geef, is aan mijzelf gegeven. De Hulp die ik nodig heb om te leren dat dit waar is, vergezelt mij nu. En in Hem zal ik mijn vertrouwen stellen

 

Wees stil..

Gisteravond keek ik op tv naar de Dodenherdenking. Om 20:00h is daar dat magische moment: twee minuten stilte. Een plein vol met een paar duizend mensen die zwijgen. Natuurlijk zijn daar de gedachten aan oorlog, geweld en lijden. Er rijzen emoties op van angst, verdriet en blijdschap. Gevoelens van dankbaarheid voor onze vrijheid. Maar in die stilte is meer aan de hand. Iets groots en wonderbaarlijks: een besef van innige verbondenheid met elkaar. Zo staan we daar. Stramme ouderen, de saluerende soldaat, man, vrouw, mensen van alle leeftijden en nieuwsgierige kindjes. Zo zwijgen we even, met elkaar. Twee minuten stilte , op 4 mei om acht uur ’s avonds.

Er gaan stemmen op om maar eens te op te houden met dat denken aan het dode en naargeestige verleden. Waarom zouden we moeten blijven denken aan al die ellende? Laten we vooruit kijken en er het beste van maken. Voorbij is toch voorbij?

Maar wellicht moeten we juist de andere kant op. Hoe zou het zijn om bijvoorbeeld elke vrijdagavond om 20:00h in heel Nederland met ons allen twee minuten stil te zijn? En laten we afspreken dat we, als het in onze mogelijkheid ligt, op staan van onze bank en naar buiten gaan. Laten we contact maken met elkaar, ons verbinden met elkaar. De vorm doet er niet toe. Wellicht zouden we hand en hand met elkaar moeten gaan staan in een kring en iedereen die de kring benadert welkom moeten heten. En als we weten dat er in het huis aan de overkant een thuisgebonden broeder of zuster woont, dan vragen we hem of haar of we de twee minuten stille tijd samen zullen doorbrengen waarbij we stil elkaars handen vasthouden. Er hoeft niet gesproken te worden en na afloop hoeven we geen koffie of thee met elkaar te gaan drinken. Het mag natuurlijk wel, maar dat moment van verbinding is voldoende. Elkaar vasthouden, aankijken, welkom heten.

Gewoon samen stil zijn. We hoeven niets te bedenken, niets te doen. En hoe zou het zijn als ieder van ons op alle andere dagen zelf even die twee minuten stilte op zou zoeken. ’s Ochtends voordat we ons de drukte instorten of misschien juist aan het einde van de dag waarbij alle drukte, alle onrust en beweging even op mag lossen in twee minuten stilte. Twee minuten niets te hoeven doen, niets te moeten bereiken.

Wat kan er gebeuren als we stil zijn? Verwacht geen antwoord van mij, want je kent het antwoord. Je wéét dat stilte weldadig is. Maar we zijn zo verslaafd geraakt aan afleiding, beweging, actie en dingen doen. “Stilstand is achteruitgang”, zo heet het dan. We willen steeds meer; meer doen, meer ervaren en meer hebben. De Bijbel zegt het zo mooi: maar wat baat het de mens als hij de wereld wint maar zijn ziel verliest? Gelukkig raken we die ziel niet zo gemakkelijk kwijt. Dat “ware Zelf” dat we in ECIW-kringen zo graag willen bereiken. Waar we van alles voor over hebben en veel voor willen doen.

De werkboekles van vandaag (125) spreekt over stilte:

In stilte ontvang ik vandaag Gods Woord

De derde alinea begint zo mooi:

In stilheid zullen we vandaag Gods Stem horen, zonder inmenging van onze kleine gedachten, zonder onze persoonlijke verlangens, en zonder enige beoordeling van Zijn heilig Woord.

Ooit hoorde ik zo’n mooie vertelling van waar we gewoonlijk mee bezig zijn. Een leerling wilde van zijn meester van alles weten over de waarheid en zat druk te babbelen terwijl de meester thee inschonk. Toen het kopje vol was schonk de meester gewoon door zodat het overstroomde. “Wat doet U nu?”, vroeg de leerling verbaasd, “het kopje zit toch vol?”. “Jawel, net zoals jouw hoofd vol zit met je eigen drukke gedachten. Er kan niets meer in ontvangen worden”.

De Cursus leert ons dat die zachte Stem (Heilige Geest, Vader, Zelf, Liefde) ons altijd terug roept naar huis. Altijd. Maar ons Vader is zo liefdevol dat Hij ons alle ruimte geeft om deze Stem niet op te merken als wij druk willen doen met van alles en nog wat. Zijn uitnodiging is er altijd, 24/7. Maar wij zien het belang niet van deze parel en jagen andere schatten na. Stilte? Dat is leuk voor als we oud zijn en niks meer kunnen. Dan wordt het nog stil genoeg.

Maar de Stem die ons roept en die we alleen kunnen horen als we even willen luisteren, is geen Stem van een oude man die ons vraagt om maar niks meer te doen en passief te zijn. In de Bijbel wordt gesproken over de bron van levend water. We zijn zó alleen, en we hebben zoveel dorst. Niets kan onze dorst lessen, hoe druk we ook doen. Hoe is het om dan te weten dat er levend water wordt aangereikt aan je? Zie onze broeder Jezus daar geduldig en uitnodigend staan. Voel je diepe verlangen en wees stil in vertrouwen. Laat je dorst lessen door Hem die je kan vervullen met de liefde die je Zelf bent. Laat je beminnen door de liefde, door je te laten vullen met die liefde, hand in hand met je broeders en zusters. Daar, in die Heilige Relatie, bloeit die geurige bloem. De bloem van Liefde.

 

Verstandelijk verlicht: valkuil van ECIW?

Heeft ECIW valkuilen? Dit lijkt een terechte vraag, maar waar meestal een korte vraag duidelijk is moet deze vraag toch anders geformuleerd worden. Een betere vraag is namelijk: kunnen wij vanuit ons geloof in afgescheidenheid verkeerd omgaan met ECIW? En nu mogen we de vraag met een volmondig “ja” beantwoorden. En wat bedoel ik dan met “verkeerd”? Om te beginnen betekent “verkeerd” nooit zondig en een verkeerde omgang met ECIW maakt iemand niet stom of schuldig. Met “verkeerd” bedoel ik een manier van omgaan met de Cursus die niet leidt tot de herinnering van wie we zijn. Ik bedoel een manier van omgaan met de Cursus die niet leidt tot besef van wonderlijke en liefdevolle verbondenheid met alles en iedereen.

Ik wil niet generaliseren maar verstandelijke verlichting lijkt vooral een valkuil te zijn voor mannen. Gelukkig speel ik momenteel ook een mannelijke rol dus is het wat minder kwalijk om dit vooroordeel te uiten. De typisch vrouwelijke tegenhanger lijkt overigens overmatige zelfliefde te zijn, maar daar gaat het nu niet over. Ik chargeer een beetje en gewoonlijk hebben zowel mannen als vrouwen met beide “valkuilen” te maken.

Maar goed dan; verstandelijke verlichting, mij persoonlijk dus ook goed bekend. Hierbij krijgen we er steeds meer zicht op dat de non-duale visie een onweerlegbare logica heeft: alles is één en we moeten niet langer geloven in de illusie. Er is alleen maar “Zijn”, er is geen afgescheiden zelf en we moeten ons niet in de war laten brengen door alles wat we buiten onszelf menen te zien. Er is namelijk geen buiten en binnen, er is geen buitenwereld en er zijn geen anderen. God is in deze visie puur “Zijn” en als zodanig heeft hij geen weet van onze droomwereld. Ook wij moeten ons vanuit deze visie niet laten verleiden om ons druk te maken over buitenwereld en anderen. Gaat het slecht met milieu, klimaat en anderen? Corrigeer dan je perceptie: er is immers geen wereld en er zijn immers geen anderen.

Deze harde logica “voelt niet goed” en stoot velen, vooral vrouwen, intuïtief af. Het voelt zo kil en afstandelijk. Mag ik dan anderen niet helpen? Mag ik niet genieten van het moois in de natuur? Mag ik me dan niet inzetten voor een beter milieu? Nu wil het ego doorpakken en ons naadloos doorsturen richting liefdevol activisme. We gaan verbeterplannen maken en ons richten op armlastige en zieke medemensen en op het redden van de planeet. Is dit dan ook niet goed? Ook nu geldt dat het “onhandig” kan zijn als het vanuit een verkeerd geloof gebeurt. Als we menen te moeten redden omdat er echt sprake is van duaal lijden (ziekte, klimaatellende enzovoorts) dan vergissen we ons. Dan hebben we de illusie inderdaad echt gemaakt, iets waartegen Ken Wapnick waarschuwt. Maar er is ook zoiets als het laten stromen van liefde en het creatief vormgeven van deze liefde in onze wereld. De zichtbare uiting van de liefde die door ons stroomt kan juist wonderen teweeg brengen bij broeders en zusters die nog erg geloven in de droom.

Terug naar die verstandelijk verlichting. Wat missen we als we teveel de nadruk leggen op die prachtige eenheid? We missen de scheppende kracht van liefde. We zien niet dat Jezus ons kwam vertellen dat God onze Vader is. In de gelijkenis van de verloren zoon haalt de vader niet achteloos de schouders op als zoonlief voor de deur staat. Nee, hij staat op de uitkijk en mist zijn zoon. Hij is blij en laat een feestmaal aanleggen als zijn zoon thuis komt. En in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan roept Jezus niet op om ons niet te laten foppen door ogenschijnlijk leed maar juist om onze liefde te tonen door, heel praktisch, in actie te komen in de droom.

Dát is het hele wonder van de schepping. Zijn bleef Zijn maar breidde zich scheppend uit en werd Bewustzijn. God werd Vader zonder enige inbreuk op zijn eenheid, Zijn Goddelijkheid. Wij zijn één met Hem, jawel, maar Hij is onze Vader, onze oorsprong en wij zijn Zijn Kinderen. We hebben Broeders met wie we wonderlijk en mysterieus verbonden zijn. Liefde stroomt van de Vader naar Zijn Kinderen en we herinneren ons wie we zijn als we deze liefde beantwoorden en laten stromen naar onze Vader en naar onze Broeders. Deze liefde barst uit haar voegen van haarzelf en stroomt over naar anderen en naar de wereld. Op weg naar deze nieuwe wereld, die er al is maar die we pas herkennen als we de liefde laten stromen. Want wie zijn we zonder liefde?

Toch maar even naar die goede oude Bijbel; Korintiërs I (13):

Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. [2] Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. [3] Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

 

 

Gecorrigeerde perceptie; en dan?

Een Cursus in Wonderen is een machtig instrument voor het corrigeren van ons geloof in dualiteit. In onze uitgangssituatie geloofden we in een oordelende God buiten ons en in van ons afgescheiden andere mensen met wie we speciale haat- of liefdesrelaties onderhouden. Ik hier en God en die ander daar. ECIW corrigeert onze perceptie en wijst op een verbondenheid die ons begrip te boven gaat: eenheid. Waar wij grenzen menen te zien zijn deze er niet echt. Het was nodig onze duale perceptie te laten genezen, om onze denkgeest te laten genezen. Er is geen God buiten ons, er zijn geen anderen los van ons, geen wereld buiten ons, geen Heilige Geest los van ons. Prachtige waarheden, zonder meer. Door ons geloof in dualiteit te laten genezen ervaren we innerlijke vrede. Niet voor niets heet de organisatie die ons geliefde blauwe boek heeft uitgebracht: Foundation for Inner Peace.

Maar dan. We voelen ons niet langer meer schuldig en we houden van ons zelf. Heerlijk toch? Inderdaad, heerlijk kan ik beamen. Maar als we na correctie van onze perceptie te lang blijven hangen in het vieren van onze innerlijke vrede dan begint er een soort onrust te knagen. Wat is die nieuwe ontevredenheid? Na jarenlange correctie middels ECIW menen we het antwoord te weten: dit moet het ego zijn. Vrede komt immer van liefde en onvrede van het ego; toch? Wapnick, een leraar van ECIW, wees ons er op dat de neiging om goede werken in de droomwereld te doen van het ego kan komen. Daar heeft hij groot gelijk in en we mogen hem dankbaar zijn voor deze terechte waarschuwing.

Maar oh lieve broeders en zusters, laten we geen genoegen nemen met geobstipeerde liefde, met een eindeloze focus op zelfliefde. Laten we oppassen met die hoofdletter Z van Zelfliefde. Het is lastig voor ons om grote liefde voor ons kleine zelf te verwarren met Zelfliefde; liefde voor het ene Zelf dat ons allen bindt

A Course of Love zegt hier het volgende over:

P.22 Een volgende oorzaak van mislukking ligt aan het andere einde van het spectrum. Het gaat hierbij om een gerichtheid op het persoonlijke zelf, dat een schier oneindige belangstelling genereert. Zowel vergeving als ook het loslaten van schuld zijn noodzakelijk. Ook is het belangrijk te herkennen wat jou vreugde geeft en welke geschenken jij ontvangt. Toch zijn dit slechts stappen die jou ervoor gereed maken om definitief een nieuwe keuze te maken. Langdurige belangstelling voor het persoonlijke zelf kan net zo schadelijk zijn als de onbaatzuchtigheid van hen die de intentie hebben goede daden te verrichten. Beiden komen voort uit het afgescheiden zelf en een voortzetting hiervan leidt niet tot kennis van God, maar eerder tot een diepere verankering van het ego. <vertaling Simon>

Het laatste hoofdstuk van ECIW is het Handboek voor Leraren. Direct in het eerste hoofdstuk lezen we:

Een leraar van God is ieder die ervoor kiest er een te zijn. 2Zijn geschiktheid bestaat louter hierin: ergens, op een of andere manier, heeft hij een doelbewuste keuze gemaakt, waarbij hij zijn belangen niet los zag van die van iemand anders. 3Als hij dat eenmaal heeft gedaan, is zijn weg gebaand en zijn richting zeker. 4Een licht is de duisternis binnengegaan. 5Het kan één enkel licht zijn, maar dat volstaat. 6Hij heeft een overeenkomst met God gesloten, zelfs als hij nog niet in Hem gelooft. 7Hij is een brenger van verlossing geworden. 8Hij is een leraar van God geworden.

Liefde die ophoudt bij ons zelf is geen Zelfliefde. Hoewel alles één is besluit God vanuit die eenheid te scheppen; differentiatie met behoud van eenheid. “Dat kan niet!” roepen we; differentiatie betekent verschil maken en in eenheid zijn geen verschillen! Je hebt helemaal gelijk ego-verstand, maar je vormt niet de maatstaf van de waarheid. God schept en creëert. Zo zijn wij Kinderen van God, onderscheiden en één met Hem. En om ons Zelf als zodanig te herkennen moet die liefde Zich verder uitbreiden door ons heen. Liefde is geen stinkende zelfgenoegzame plas water maar een stroom van levend water. Binnen onze wereld, of we hier nu “droom” voorzetten of niet” wil liefde zich uitdrukken. We zijn zo bang geworden voor ego-doen dat we terugdeinzen om liefde vorm te laten aannemen in de wereld. Dus als iemand met problemen bij ons aanklopt dan zeggen we slechts dat er geen problemen bestaan en dat de perceptie gecorrigeerd moet worden. En hoewel dit 100% waar is hoeft het hier niet bij te blijven. Liefde mag werken in de wereld, de Heilige Geest mag werken in de wereld zonder dat dit een knieval voor dualiteit betekent. Pak de Bijbel en zie Jezus toch eens goede werken verrichten en ons oproepen om hetzelfde te doen. Lees de biografie van Helen Schucman en zie hoe Jezus haar vraagt om heel praktisch uiting te geven aan haar wonderbereidheid. Laat die vormen-fobie los. Liefde laat zich niet tegenhouden en schrikt niet terug van de fysieke wereld. Liefde zegt niet tegen de gewonde reiziger dat deze er een verkeerd zelfbeeld op na houdt maar de barmhartige Samaritaan helpt praktisch vanuit liefde. Leef in de wereld, laat liefde stromen en wees niet bang om liefde door jou te laten doen. Zie die die dubbele betekenis van het wonder in onderstaande werkboekles (115): genezing van perceptie en uitbreiding van liefde: mysterieuze eenheid. Wonderbaarlijk wonderen barend.

1(99) Verlossing is mijn enige functie hier.

2Mijn functie hier is de wereld alle vergissingen te vergeven die ik heb begaan. 3Want zo word ik met heel de wereld daarvan bevrijd.

2(100) Mijn rol is essentieel voor Gods verlossingsplan.

2Ik ben onmisbaar voor Gods plan ter verlossing van de wereld. 3Want Hij gaf mij Zijn plan opdat ik de wereld zou verlossen.

Het ontmenselijken van Jezus

Een Cursus in Wonderen (ECIW) corrigeert onze identificatie met ons lichaam. Als wij denken uitsluitend een afgescheiden en begrensd lichaam te zijn dan doen we onze ware natuur te kort en zijn we verward. We hoeven maar om ons heen te kijken om te zien waartoe de verheerlijking van ons kleine zelf leidt: het wordt dan ieder voor zich en uitbuiten van elkaar en van de fysieke wereld. Het gevoel voor verbondenheid verdwijnt en daarmee voelen we ons alleen en angstig. ECIW en Een Cursus in Liefde (ECIL) willen ons helpen ons te herinneren dat we mysterieuze wezens zijn waarin het onmogelijke toch gebeurt: differentiatie in verbondenheid, ja, in eenheid.

ECIW leert ons over die wonderlijke drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Het spreekt over Zonen van God, jawel, meervoud. Het spreekt over een Scheppende God die vanuit eenheid creëert. Wij zouden stil moeten worden van deze woorden en moeten erkennen dat we ze met ons begrensde verstand niet begrijpen. Verwondering zou op zijn plaats zijn hier. “Ik meen afgescheiden mensen te zien en me te verhouden tot een oordelende God maar nu hoor ik dat ik één ben met mijn broeders en met mijn Vader. Zo ervaar ik het nog niet maar deze wonderlijke ervaring is volgens ECIW wél mogelijk.” Via ware vergeving van ons afgescheiden beeld van onze broeders en van God mogen we onszelf ontdekken als Zoon van God.

In Advaita kringen, een ander non-duaal leersysteem, wordt aangegeven dat Zijn de oorsprong én alles is. Ook hier dat wonderlijke dat voor Bewustzijn een soort differentiatie nodig is binnen Zijn. Er moet een schijnonderscheid komen tussen subject en object, er kan geen kenner zijn zonder het gekende en omgekeerd. Dus ook hier dat mysterie in iets andere terminologie. ECIL spreekt ook over het wonder dat God moet scheppen om zichzelf te kennen. God kent zichzelf als scheppende liefde in Zijn kinderen en omgekeerd. Wij als kinderen van God doen iets soortgelijks middels de fysieke wereld. We projecteren deze om onszelf te kennen, om iets ervaarbaars te hebben.

We zijn dus in feite wonderlijk één met ons maaksel, de fysieke wereld, en ervaren dat we bestaan middels lichaamsbewustzijn dat oprijst vanuit onze lichamelijkheid. God is Zich van Zichzelf bewust middels Zijn scheppingen en wij zijn ons van onszelf bewust middels onze gemaakte fysieke lichamen in een fysieke wereld. Maar ondertussen zijn we nog tevens scheppingen en kinderen van onze Vader, met Hem verbonden in wonderlijke eenheid. God verliest zijn eenheid niet door ons te scheppen en wij verliezen onze eenheid niet door te kiezen voor de ervaring van lichamelijkheid. Punt is dat wij nog uitsluitend bewustzijn van onze lichamelijke ervaringen en vergeten zijn dat we deze vanuit eenheid zelf gemaakt hebben. Deze lichamelijke ervaringen maken ons menselijk maar onze verbondenheid met onze Vader maakt ons Goddelijk.

Jezus herinnerde zich dat hij zowel Goddelijk was als menselijk. Anders gezegd; hij realiseerde zich zijn Christus-natuur: volledig God, volledig mens. Hij deelde onze smarten, dus hij ervoer lichamelijke sensaties als dorst, verdriet en pijn. Maar hij aanbad deze niet als afgoden waarvoor hij het besef van zijn goddelijkheid wilde opgeven. “De mens leeft niet van brood alleen. Al zou je alle rijkdom hebben van de aarde maar geen besef van de hemel, wie ben je dan?” En uiteindelijk sterft zijn lichaam een pijnlijke kruisdood, verraden door zijn vrienden.

Ik keek eergisteren naar de Passion met mijn jongste dochter van 17. Zij heeft niet veel met klassiek Christelijk geloof maar geniet wel van de muziek en de sfeer van de Passion. Ik geniet van ons ontspannen samenzijn zo voor de tv. “Raar hé pap, zo’n mensenmassa. Duizenden verschillende mensen en toch een soort eenheid. Dit ervaar ik ook tijdens de concerten waar in naar toe ga”. Dank u Heilige Geest voor deze woorden gesproken door mijn lieve dochter. Want zo is het; we zijn uniek en verbonden, tegelijkertijd. Een mysterie.

Binnen ECIW kunnen we nogal eens doorslaan. Alles moet terug geredeneerd worden tot de absolute eenheid, tot God, tot Zijn. Er is een soort sharia die elke afwijking hiervan wil corrigeren. Een vorm van absolute eenheid die geen ruimte laat voor schepping. God mag geen Vader meer zijn, wij moeten anderen zien als onze projectie, God mag niets meer weten van de wereld en wij mogen ons er ook niet mee bemoeien want dan trappen we in een duale valkuil. We moeten alles wat gebeurt weglachen als een rare droom. De sharia-politie heeft alle wapens in handen. Alle uitgaande communicatielijnen moeten worden doorgesneden: je bent één, alles is een droom, er zijn geen anderen, niets is echt, de wereld een grote illusie. Zo wordt ook naar Jezus gekeken. Hij mag niet langer boos de handelaren uit de tempel jagen, hij mag zich niet langer verraden voelen, hij mag zich niet verlaten voelen, hij mag helaas niet meer onze broeder in menselijkheid zijn.

Maar dat was hij wel. Hij stond naast ons met zijn voeten in de modder. Waarlijk mens. Maar geen mens die zich liet foppen door te geloven in afgescheidenheid. Telkens weer weigerde hij om de band met zijn broeders en met zijn vader te vergeten. Hij bleef zijn liefde laten stromen naar broeders die hem verrieden, naar de soldaat die hem aan het kruis sloeg. Wij hoeven Jezus zijn menselijkheid en zijn menselijke ervaringen niet af te pakken om hem ergens tegen te beschermen. We hoeven niet te geloven in een toneelspeler die geen centje pijn had toen hij werd gekruisigd. Hij was mens zoals jij en ik.

Maar.. Het Goddelijke maar. Hij hield zich vast aan de Liefde voor Vader en Broeders. Neem het hen niet kwalijk, ze weten niet wat ze doen. In Uw handen beveel ik mijn geest. Hij liet ons de Christus zien die we zijn. In ECIL heet dit: the elevated form of Self. Ook in onze menselijke pijn zien we dat deze ons wil doen geloven dat we een afgescheiden lichaam zijn. We willen er tegen strijden, vechten en ervan afkomen omdat we denken dat deze echt is en ons kan doden. Jezus liet ons zien dat dit niet zo is. Ondanks pijn geloofde hij niet dat hij een lichaam was. Ondanks verraad geloofde hij niet dat hij afgescheiden kon zijn van zijn broeders. Ondanks zijn ogenschijnlijke hopeloze toestand aan het kruis hief hij zijn ogen op en zei: “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest”. Jezus ontwaakte uit de menselijke droom van leven en dood. Hij komt naast ons staan in al zijn menselijkheid om ons te herinneren aan onze Goddelijkheid; wij zijn Christus. Wat een broeder, wat een boodschap van hoop, wat een zegen!

WB 110: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

  1. Het idee van vandaag zullen we van tijd tot tijd herhalen. 2Want deze ene gedachte volstaat om jou en de wereld te verlossen, als je geloofde dat ze waar is. 3Haar waarheid zou betekenen dat jij in jezelf geen veranderingen hebt aangebracht die werkelijkheid bezitten, noch het universum veranderd hebt zodat wat God geschapen heeft, vervangen werd door angst en kwaad, ellende en dood. 4Als jij blijft zoals God jou geschapen heeft, heeft angst geen betekenis, is kwaad niet werkelijk en bestaan dood en ellende niet.

Laat liefde door jou heen doen

Rare titel hé? Deze is bedoeld voor broeders en zusters die vinden dat ze maar geen vorderingen met de Cursus maken. “Ik merk er niks van en voel me er niet gelukkiger van worden”. We kunnen het idee hebben dat ons probleem maar niet beter wordt. Het kan gaan om lichamelijk ongemak. Waarom wordt dit maar niet minder terwijl ik toch trouw de werkboeklessen doe? Maar ook gevoelsmatige en emotionele problemen lijken aan ons te kleven. Waarom voel ik me zo gefrustreerd, eenzaam of verdrietig? Waar is die fijne toestand die me wordt voorgespiegeld?

Het punt blijkt steeds dat we geen oog hebben voor de non-duale waarheid. We blijven onbewust geloven dat we een afgescheiden zelf zijn en wel een ongelukkig afgescheiden zelf. We hopen dat de Cursus ons gaat helpen. Maar we willen met behulp van de Cursus veranderen van een ongelukkig afgescheiden zelf in een gelukkig afgescheiden zelf. We hebben geluk gedefinieerd als pijnloosheid en de afwezigheid van nare sensaties en gevoelens. Maar deze lichamelijke genoegens, in de ruimste zin van het woord, vormen niet het doel van de Cursus. Het doel is om ons te herinneren wie we zijn, om onze ware identiteit te herinneren, om te ontdekken dat we onbegrensde, liefdevolle onsterfelijke kinderen zijn van een heilige en liefdevolle Vader en innig verbonden met onze broeders. Deze ontdekking blijkt een plezierige bijwerking te kennen: het biedt ware vreugde, geluk en vrede die alle verstand te boven gaat. En hoe zit het dan met al die lichamelijke ellende, op welk gebied dan ook? Laat dat maar even los als doel. Zodra ik zou zeggen dat genezing van de denkgeest, het genezen van ons geloof in afgescheidenheid, kan doorwerken tot het niveau van onze droomlichamen dan spring ons ego erop. Het gaat dan toch weer deze lichamelijke genezing als hoofddoel kiezen terwijl het een gelukkige bijkomstigheid is die we niet tot ultiem duaal doel moeten willen verheffen. Als we dat toch weer eens doen, en voor wie geldt dit niet, dan zijn we niet stom of schuldig maar het kan ons in de weg staan.

Maar wat kunnen we dan doen? Dit blijkt bij nadere beschouwing geen goede vraag maar een uiting van geloof in dualiteit. Met het stellen van deze vraag gaan we ervan uit dat we een afgescheiden zelf zijn dat zou weten wat goed en wat fout is en wat bepaalde dingen kan doen in de lichamelijke wereld die echt effect zullen sorteren. Maar zo is het niet. Die kleine wil van ons, die kleine plannetjes en die zakelijke houding (wat moet ik doen om iets fijns te krijgen) kunnen ons in de weg staan om ons te herinneren wie we zijn. Toch spreekt Jezus ons in de Cursus aan op precies dat niveau; het niveau waarop we denken in termen van iets geven (inspanning, moeite) om iets te ontvangen. Lees vandaag maar eens werkboekles 108: Geven en ontvangen zijn in waarheid één. Is een ruilhandel nu toch mogelijk? Ja en nee. Het gaat hierbij niet om ons droom-geven waarbij we iets opofferen (bijvoorbeeld energie waarmee we ons inspannen) om iets los te peuteren van anderen of van de wereld. Nee, het is veel gaver en grootser dan dit. De werkboekles wijst direct op de eenheid die we zijn en biedt ons een wonderlijke manier aan om dit direct te ervaren. Laat me het illustreren met een voorbeeld.

Ik heb de neiging om me de mening van anderen over mij aan te trekken. Vinden ze me wel aardig, slim, eerlijk, handig, dapper enzovoort. Dat levert een tamelijk angstige manier van leven op. Of, meer in Cursus termen uitgedrukt, als ik iets niet goed doe dan voel ik me schuldig of dan schaam ik me. Het helpt als ik de werkboeklessen (niets wat ik zie betekent iets, mijn gedachten betekenen niets, ik heb alles de betekenis gegeven die het voor me heeft) gericht toepas. In eerste instantie kan dat zó klinken: wat jij van me vindt betekent niets. Zo, dat geeft lucht. Als ik dit echt doorvoel dan ervaar ik een beetje ruimte en vrijheid. Maar waar ligt de grens tussen een tamelijk mild “wat jij van me vindt betekent niets” en een opgestoken middelvinger en een, neem me niet kwalijk, fuck you?

Die opgestoken middelvinger gaat gepaard met boosheid en aanvalsgedachten. Door met die intentie naar je broeder te kijken verhardt je zelf vanbinnen. Maar nu komt de werkboekles van vandaag naar voren want wat gebeurt er als ik jou hetzelfde cadeautje geef als wat ik aan mezelf gaf; “wat ik van jou vind betekent niets”. Er gebeurt dan eerst iets raars; ik merk weerstand om mijn boosheid jegens jou op te geven. In Cursus-taal; ik wil mijn grieven koesteren. Als ik toch mijn boze mening over jou los laat, deze betekent immers niets, ervaar ik dat de ruimte in mezelf ook toeneemt. Er komt tegelijkertijd lucht in mijn angst om iets niet goed te doen én in mijn boosheid jegens een ander. Wonderlijk. En nu verder met dit heerlijke en mysterieuze experiment. Ik vergeef jou en mezelf voor alle betekenisloze handelingen en uitspraken. De lucht is geklaard en er ontstaat ruimte voor licht en liefde. Deze stroomt als vanzelf naar die ander als ik mijn grieven niet langer koester. Ik geef liefde, maar niet ik als klein en afgescheiden zelf, maar als Zelf, als Zoon van God. Mijn ware aard van liefde wordt kenbaar en ervaarbaar voor me als ik toesta dat deze de ander omsluit en insluit. Liefde doet zich door mij heen kennen aan allen, mijzelf incluis. Op zo’n moment wordt doorzien dat je geen klein zelf bent die iets presteert. Er gebeurt iets door je heen waarvan je weet dat dit Het is. Niet door jou kleine zelf maar vanuit je echte Zelf door die denkbeeldige grens tussen jou en mij niet langer te geloven:

WB 108: Geven en ontvangen zijn in waarheid één.

Zijn gevoelens van het ego?

Je voelt je boos en geeft je grens aan; mag dat van de Cursus? Dit is vrij vertaald een vraag die dikwijls in allerlei vormen terugkeert. Om te beginnen is het goed om te weten dat de Cursus nooit gedrags- (of gevoels-)regels geeft. Het is geen nieuwe theologie die gebaseerd is op een “Gij zult niet…etc”. De Cursus is een boek waarin Jezus ons helpt om ons onze ware identiteit te herinneren. Vervolgens is het evenzo belangrijk om één van de belangrijkste boodschappen van de Cursus constant in gedachten te houden: je bent de eeuwige, zondeloze, grenzeloze en liefdevolle Zoon van God. Dus kun je schuldig zijn aan verkeerde gedachten of verkeerd gedrag? Nee, nooit.

Het is wél heel goed mogelijk dat je spuugzat wordt van je geloof in afgescheidenheid. Dat je er geen zin meer in hebt om je een speelbal te wanen van nare omstandigheden en vervelende emoties. Dat je hart sneller gaat slaan als je hoort spreken over vrede, geluk en liefde. Wees welkom, je bent bij de Cursus op precies het goede adres aangekomen.

Vervolgens krijgen we echter te maken met het mysterieuze non-duale karakter van de werkelijkheid. Vanuit ons geloof in afgescheidenheid lijkt het ons het hoogst haalbare dat we gelukkige mensjes worden die zo plezierig mogelijk de 80-90 jaren doorkomen die ons gegeven zijn. Niet te veel verdriet, niet te veel ziekte, veel plezier en een zachte dood. Een bonus-hemel na die dood zou mooi meegenomen zijn. Maar zo is het gelukkig niet. Hoe raar het ook klinkt; met deze voorstelling doen we onze ware identiteit zwaar te kort. We zijn de onsterfelijke Zoon van God die onkwetsbaar en onsterfelijk is. We hebben er echter voor gekozen om ons klein te geloven en onze ware identiteit te vergeten. Dit doen we middels een op zich volkomen onschuldig fenomeen: projectie.

Vanuit die ene denkgeest projecteren we een zogenaamde buitenwereld in tijd en ruimte en zetten vervolgens de boel in onze vergeetachtigheid op z’n kop. We zeggen nu: hé, ik ben een afgescheiden man of vrouw die tijdelijk leeft in een wereld waarin ik van alles waarneem en ervaar. Oei, dit maakt me nu wel even bang dus wil ik God vragen om de nare gevoelens van me weg te nemen, me beter te maken en me na mijn dood weer levend te maken. Grappig spelletje toch? Want in werkelijkheid projecteren we waarnemingen en gevoelens omdat van hieruit de illusie oprijst van een afgescheiden zelf, degene die alles los- en buiten zichzelf zou ervaren. Anders gezegd: vanuit ons eigen materiaal (onbegrensd bewustzijn) boetseren we een buitenwereld die we voor ons aangezicht houden en waarvan we vervolgens bang worden.

Hoe dan terug? De Cursus is hierin zeer helder en behulpzaam maar vanuit ons geloof in afgescheidenheid blijken we telkens weer in staat om onszelf te verliezen in totale (niveau-) verwarring. Het klopt: de wereld en al onze ervaringen zijn onze projectie en dus bedacht of illusoir. We kijken gek genoeg naar ons eigen maaksel dat één met ons blijft, zelfs al zijn we er bang van geworden. Dit projecteren is de manier waarop wij, één met God, onszelf in de dualiteit, in de vorm willen ervaren. Als we 100% overtuigd zouden zijn van een uitspraak als “het is slechts onze droom” en “we kunnen hier geen slachtoffer van zijn” dan zouden we direct wakker worden. Het punt is dat we, waarschijnlijk vanuit angst, een uitspraak als “de wereld is niet écht”, gebruiken om onze angst voor de wereld te overschreeuwen. Zie je het? Je bent als een bang kind dat eigenlijk helemaal gelooft in de echtheid van monsters in de donkere slaapkamer en zichzelf doodsbang moed in spreekt met: er zijn geen monsters, er zijn écht geen monsters er zijn… Er hoeft maar iets te gebeuren en aaaarrrch!!!! Het kindje schrikt zich dood van een kledingstuk dat opgevouwen in een donkere hoek van de kamer op de grond ligt.

Zó gaan we nu om met akelige gebeurtenissen of zogenaamd verkeerde gevoelens als boosheid. We proberen ze te ontkennen met ons verstand en als we er iets van bespeuren dan ervaren we angst of voelen ons schuldig. Ons terugtrekken in vermeende onkwetsbaarheid terwijl we nog wel degelijk geloven in afgescheidenheid, zonde, schuld, angst, dood etc is opnieuw een vorm van dualisme. Hoe kun je afstand nemen van boosheid, deze veroordelen, als het gemaakt is van het bewustzijn wat je bent? Er is niets “out there in the world” wat jou kan bedreigen of verontrusten. “Gestold bewustzijn” (al onze projecties) is ook bewustzijn en de manier waarop wij als Zoon van God (onbeperkt bewustzijn) verkozen hebben de ervaring van leven in tijd en ruimte te hebben.

Dus zie je geloof in die nare ervaring die je lijkt te overkomen of in die nare persoon die jou iets lijkt aan te doen. Zie hoe je geloof in een afgescheiden zelf hieruit oprijst en door jezelf versterkt wordt. Speel dat spel zolang je wilt en als je het dan zat wordt dan legt Jezus je uit dat je niet samenvalt met je zelf maar dat dit zelfje een rol is die je even als Zelf wilde spelen. Sta de ervaring toe, vertrouw de ervaring, omarm de ervaring en als je het zat bent om jezelf bang en boos te voelen dan nodig je de herinnering aan de liefde, aan je ware identiteit, uit om je de innige en mysterieuze verbondenheid met alles en iedereen weer in je herinnering terug te brengen.

LES 101

Gods Wil voor mij is volmaakt geluk.

  1. Vandaag zullen we doorgaan met het thema geluk. 2Dit is een sleutelbegrip om te begrijpen wat verlossing betekent. 3Jij gelooft nog steeds dat hiervoor lijden wordt verlangd als boete voor jouw ‘zonden’. 4Dat is niet zo. 5En toch moet je dit wel denken zolang jij gelooft dat zonde (Simon: geloof in afscheiding) werkelijk is en dat Gods Zoon zondigen kan.