Compromisloze Tony

Nog voordat ik met ECIW in aanraking kwam las ik de boeken van Tony Parsons. Zo nu en dan pak ik er weer eens een uit de boekenkast. Zo herlees ik momenteel “this freedom”. Tony werkt als een zuiverende douche die alle non-duale verzinsels afspoelt. Zijn boodschap stemt geheel overeen met de kern van ECIW hoewel hij zich bedient van een andere terminologie die niet geënt is op het Christendom.

Vandaag trof me de zinsnede: “collaps of the me” Wat dit precies betekent kan “ik” me niet voorstellen. Hij probeert het enigszins te omschrijven in energetische termen. De contractie van energie kan minder worden en uiteindelijk doorzien worden als een soort spel van de eenheid. Door wie wordt dit dan doorzien? Door “no one”.

Tony spreekt in eigen bewoordingen over het onbespreekbare en in zijn woorden kan de metafysica van ECIW herkend worden. In zijn radicaalheid vermijdt hij valkuilen waar we als Cursus-studenten makkelijk intrappen en bespreekt hij kwesties waar we ons hoofd over breken. Tony heeft het over de onbegrensde energie die zich kan manifesteren als het schijnbaar begrensde. Dit gaat gepaard met het ontstaan van een gevoel van “me” en zodra dit aan de orde is ontpopt deze “me” zich direct als “seeker”. Zolang de seeker meent dat er iets te vinden is zal zijn zoektocht naar de eenheid, waar hij onderdeel van is, doorgaan. ECIW gebruikt voor “the me” de term ego en legt uit dat het adagium van het ego is: het zoekt en vindt niet.

Tony geeft aan dat hij geen methode kan geven waarmee de collaps van the me kan plaatsvinden. Het bestaat immers al niet echt en iets wat niet echt is kan geen methode gebruiken om een andere staat (van verlichting) te bereiken. Alles is al zoals het is. ECIW vormt een volledige leerweg voor dat wat niet geleerd kan worden en we hoeven de boeken van Tony er niet bij te pakken. Voor mij vormen ze echter een mooie radicale correctie als ik meen dat “ik” nog wat tijd nodig heb om te groeien (?) In ECIW termen: als Zoon van God ben je reeds volledig, alles in allen, alleen is de realisatie hiervan ogenschijnlijk verloren gegaan. Vergeven is het doorzien van de onechtheid van iedere vermeende grens tussen je denkbeeldige afgescheiden staat en anderen of de rest van de wereld. Als gezien wordt dat dit slechts projecties zijn en dat je geloof in verleden en toekomst bedoeld zijn om je vast te houden in de illusie, dan kan vergeving plaatsvinden en een “collaps” tot de heilige relatie. Die heilige relatie is het. Er is geen zelf dat een relatie heeft met een buitenwereld. Nee, vanuit eenheid (je Zoonschap) gebeurt waarnemen en oordelen (samenballen van energie) en direct daarmee wordt de illusie van ego (me) geboren. Het ik-gevoel is een bijwerking van energie die zich schijnbaar losmaakt van het geheel door als het ware te stollen.

Ik weet niet of het lukt om dit gevoel over te brengen maar het is zo diep. Elke waarneming die we doen kunnen we op twee manieren uitleggen. Onze gangbare wijze is om die ogenschijnlijke splitsing tussen binnen- en buitenwereld te zien als bewijs van de echtheid van een afgescheiden zelf (stem van het ego). Maar dit is niet zo. De Stem van de Heilige Geest mag deze misvatting genezen. Het raakpunt van binnen- en buiten is een entiteit op zich, de relatie is het, de heilige relatie (dit wordt mooi uitgelegd in A Couse of Love). Dat “heilig” verwijst naar heelheid, eenheid. Het is duizelingwekkend: ons ik-gevoel is een bijproduct van een spel van eenheid. Vanuit eenheid rijst een “ik-gevoel” op door een denkbeeldige splitsing binnen de eenheid. Als de Zoon van God vergeet te lachen dan voelt het echt en wordt hij een seeker (geloof in het ego).

Als ego kunnen we niks bereiken. Als we meer van onszelf gaan houden dan is er geloof in een afgescheiden mens die meer van zichzelf houdt. Als we zoeken dan is er geloof in een zelf dat iets tekort komt en zoekt. Als we een spirituele ervaring hebben dan is er geloof in een zelf met een bijzondere ervaring. Verlichting heeft hier niets mee te maken, de Heilige Relatie en de wonderstaat hebben hier niets mee te maken.

Pas als de contractie iets minder wordt ontluikt er een besef van de nepheid van het ego, van ons afgescheiden zelf en van de futiliteit van zelfverbetering middels ECIW. Er is geen pad naar de waarheid want je bent het al. Dit is voor het ego zo lastig (omdat het zijn eigen bestaan niet kan ontkennen) dat het pad naar de waarheid smal lijkt en het “pad ter verderve” breed. We blijven onszelf foppen met onze zoektocht omdat het te radicaal is om te doorzien dat er geen zelf is dat iets zou kunnen vinden.

WB 202: “Ik ben niet een lichaam (een afgescheiden zelf, een los pakketje energie). Ik ben vrij (ik ben in eenheid verbonden met alles en iedereen). Want ik blijf wat ik ben (eenheid, liefde), zo schiep God mij (van dezelfde Goddelijke energie, liefde als de Vader, als alles, als iedereen).

Ik zal een ogenblik stil zijn (laat de collaps maar gebeuren) en naar huis toe gaan (en de realisatie kan plaatsvinden dat de afscheiding nooit heeft plaats gevonden).

 

Advertenties

Hoe besef ik dat ik geen lichaam ben?

Jezus hanteert in de Cursus stevige taal om ons te leren dat we geen afgescheiden op onszelf staande wezentjes zijn. Kennelijk zijn we zo vastgeroest in onze overtuiging dat we als mens rondlopen in- en als een lichaam dat we een duidelijke correctie nodig hebben zoals vandaag in WB 199: “Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij”. Jezus stelt helder dat we als Zoon van God een denkgeest zijn, eeuwig en onbegrensd.

We kunnen niet veel anders doen dan wat de werkboekles ons aanraadt: deze les vaak herhalen om ons starre bijgeloof aan het wankelen te brengen. Langzaam en zeker kan de waarheid ervan dan binnenkomen. Gewoonlijk staan we er niet zo bij stil wat dit “binnenkomen” eigenlijk betekent. Is het een kwestie van geloof? Moeten we het maar aannemen? Het komt me voor dat er verschillende stadia van besef zijn. Zo heb ik het althans zelf ervaren en ik meen deze stadia ook bij andere broeders en zusters te zien.

In het beginstadium geloven we verstandelijk dat wat Jezus over ons lichaam zegt correct is. Dit lukt vooral goed als we nergens last van hebben. Als we echter last hebben van pijn en lichamelijke ongemakken dan is het wat moeilijker. De neiging kan bestaan om deze klachten te willen bezweren middels het reciteren van de werkboekles. Dit is begrijpelijk, niet stom of fout, en ik denk dat we deze neiging allemaal wel herkennen. We willen weg van die pijn en vinden het idee van een vlucht naar de vredige denkgeest heel aantrekkelijk. We willen graag boven dat nare slagveld zweven, erop toekijken. We zeggen dan bijvoorbeeld: “ik heb een lichaam maar ik ben het niet”. Bij dit stadium hoort ook een verstandelijk begrip van het feit dat de wereld illusoir is, dat God daarom geen weet heeft van de wereld en dat de Heilige Geest niks in deze droomwereld doet omdat deze wereld immers nep is.

Als we als student vanuit deze fase spreken hebben we gewoonlijk nog weinig besef van de mysterieuze non-duale aard van de Cursus. Omdat we het allemaal zo goed “weten” kunnen we zelfs menen dat we eigenlijk wel een leraar zijn en anderen kunnen uitleggen dat hun ziekte niet echt is. Ook menen we een scherp oog te hebben voor valkuilen waarin het lichaam weer echt schijnt te worden gemaakt. Omdat we hier zelf zo bang voor zijn menen we dit dikwijls te zien gebeuren. Sommige cursusstudenten, soms zelfs bekenden uit de ECIW-wereld, beweren dan ook dat het boek “Een Cursus in Liefde” onzuiver is omdat hierin het lichaam weer echt zou worden gemaakt. Zo ervaar ik dit zeker niet.

Hoe krijgen we een dieper besef van wat het betekent dat we geen lichaam zijn? Hier verstandelijk “ja” tegen zeggen levert niet veel meer op dan een andere theologie en in mijn ogen niet echt een prettige variant zolang het besef niet verder indaalt. Dat indalen gebeurt door niet weg te vluchten van het lichaam maar door het als instrument te zien. Elke waarneming, en zeker de pijnlijke, getuigt valselijk dat we een lichaam zijn. Ze biedt ons de gelegenheid om dit geloof te zien en ons van hieruit open te stellen voor de genezing door de Heilige Geest. Dit heeft veel meer het karakter van omarmen en een intieme kwaliteit dan dat van een snelle vlucht de vredige denkgeest in. We doorleven het moment volledig en in grote intimiteit met de warme liefde van de Heilige Geest. Dan gebeurt er iets wonderlijks. We merken dat die vlucht helemaal niet nodig is. Dat er geen afgescheiden zelf is dat boven een echt slagveld zweeft. We merken via het wonder dat een besef van de onechtheid van het lichaam niks met vluchten te maken heeft.

Graag laat ik in dit verband de volgende alinea uit de werkboekles van vandaag zien (199):

Hier (Simon: in het illusoire huis van ons lichaam) verbergt het (Simon: ons ego) zich en hier kan het worden gezien als wat het is. Proclameer jouw onschuld en je bent vrij. Het lichaam verdwijnt, omdat jij het niet meer nodig hebt, afgezien van de noodzaak die de Heilige Geest erin ziet. Daarvoor verschijnt het lichaam als bruikbare vorm voor wat de denkgeest te doen staat. Zo wordt het een voertuig dat helpt om vergeving uit te breiden tot het allesomvattende doel dat ze dient te bereiken overeenkomstig Gods plan.

 In dat intieme moment van vergeving groeit het besef dat je pijnlijke lichaam jou iets wil laten geloven wat niet waar is. Het wil jou vertellen dat je afgescheiden bent (zondig, schuldig), maar dat ben je niet. Door deze valse getuige niet langer te geloven en door wel te luisteren naar de Stem van de Heilige Geest kun je dit ervaren. Deze levende ervaring is veel meer dan een verstandelijk besef. Want jawel, je ziet dat het lichaam niet echt is maar nee: je meent niet dat je een afgescheiden zelf bent dat een lichaam heeft, kan vluchten of kan wegzweven. Er valt simpelweg niks te ontvluchten en er is niks om boven te zweven. Geloof in zo’n afstandelijk zelfje laat zien dat genezing nog nodig is.

Het tweede deel van de alinea vind ik helemaal prachtig en het zou toch iedereen de ogen moeten openen die zo allergisch reageert op het zogenaamde “echt” maken van lichamen of van de wereld. Als je jezelf laat genezen door de Heilige Geest dan ervaar je vrede en verzandt je niet in theologische discussies. Je beseft dat de afscheiding niet heeft plaatsgevonden, je ervaart liefde en dus breid je liefde uit. Je kunt niet anders, het is je aard. Het is je functie om, net als onze Vader, liefde te schenken en je lichaam wordt “een voertuig dat helpt om vergeving uit te breiden tot het allesomvattende doel dat ze dient te bereiken overeenkomstig Gods plan”. In Een Cursus in Liefde”-termen: “the elevated form of Self”. Welkom in de wonderstaat.

Duaal gehandicapt

Heeft God de wereld wel of niet geschapen? Het lijkt duidelijk dat de Bijbel en de Cursus hier verschillende uitspraken over doen. De Bijbel zegt toch duidelijk dat God zowel de aarde als de hemel heeft gemaakt en de Cursus stelt dat de wereld niet meer is dan een projectie van de verdwaasde Zoon van God. Uitgemaakte zaak, toch?

Zoals zo vaak lijken we een volkomen legitieme vraag te stellen en lijken de antwoorden ondubbelzinnig: volgens de Bijbel wél en volgens de Cursus niet. We dienen echter vooral de denkgeest van de vraagsteller te onderzoeken. Wij kunnen niet veel anders dan conceptueel, dus duaal, te denken. Via dit denken zetten we twee concepten naast elkaar. God aan de ene kant en de fysieke schepping (alias de droomwereld) aan de andere kant. Zonder het te merken maken we hiermee van God een conceptuele entiteit die zich verhoudt tot dat andere. Hij kan dat andere dan al dan niet gemaakt hebben of er al dan niet iets van weten. Als je jezelf onderzoek kun je merken dat je hierbij God voorstelt als een actief baasje of als een dove en blinde ietwat in zichzelf gekeerd type. Daal eens wat af van je hoofd naar je gevoel en merk dat in beide gevallen je iets van een scheiding kunt voelen bij deze manier van denken. Je voelt gewoon dat zowel bij praten over God als schepper als bij praten over een God die niets afweet van onze droom er iets van onrust en twijfel naar binnen sluipt. Weet God nu wel of niet iets van onze droom en is hij daardoor nu wel of niet betrokken bij ons (droom)leven?

Dan het lastige voor ons als duaal gehandicapte droomwezens. Noch God noch de (droom)wereld zijn twee van elkaar gescheiden concepten. Er is geen aparte scheppende God, er is geen aparte onwetende God, er is geen aparte fysieke wereld en er is geen aparte droomwereld. Al deze concepten bestaan uit vormen die onderscheiden zouden kunnen worden van eenheid. De hele Cursus is juist bedoeld om ons middels vergeving te verlossen van het geloof in afscheiding en daarmee van het geloof in van elkaar losstaande vormen en concepten.

Wat ons op het verkeerde been dreigt te zetten is dat de Cursus ook niet anders kan dan zich bedienen van woorden. Maar met deze woorden wil ze ons uitnodigen om te vergeven en dit kan ons leiden tot een directe ervaring van verbondenheid. Wij snijden uit de eenheid die we zijn denkbeeldige vormen (concepten als God, wereld, droom enzovoorts) en nemen deze dan serieus. Hiermee maken we de vergissing echt. Om genezing te ervaren moeten we contact maken met het omschreven “gevoel van afscheiding’, of “gevoel van dualiteit” dat je daadwerkelijk kunt voelen als je nadenkt over God en (droom)wereld en over de kwestie of God daar nu wel of geen weet van heeft. Voel heel letterlijk die twijfel, die splijtzwam in je denkgeest als je meent ergens tussen te moeten kiezen. Alleen een verdwaasde denkgeest meent dat hij moet kiezen. Open je vervolgens voor “een gevoel van eenheid”, liefde, vrede, warmte, licht of hoe je het ook maar wilt noemen. Stilte en zachtheid zijn hier de kwaliteiten. Nodig deze verbindende liefde uit om de onrust in je denkgeest te genezen.

Wat er dan gebeurt is wonderlijk. Je komt niet tot een conclusie maar het voelt veel eerder of de bodem wegvalt onder het belang van de vraag zelf. Je doorziet het belang wat wij hechten aan dergelijke vragen als een manier om het geloof in afscheiding overeind te houden. Het is oké om als correctie voor geloof in een kleiende Godheid te zeggen dat God niks afweet van de fysieke wereld mits je dit beeld ook weer vergeeft. Iemand vergeleek het eens met het verwijderen van een splinter uit je huid met behulp van twee andere splinters die je gebruikt als pincet. Zodra je de boosdoener te pakken hebt gooi je alle splinters weg en laat je de huid genezen.

Onze duale handicap speelt op bij veel discussies. Kan de Heilige Geest wel of niet handelen in onze droomwereld? Moeten wij wel of niet iets doen voor onze dierbaren in nood? Als je heel erg gelooft in dit duale beeld en meent dat het antwoord hierop “ja” luidt dan is het goed om middels een ferm tegengeluid stil te worden en te vergeven en te genezen. Als je maar niet eindigt met het geloof dat er een HG is die niets doet in de (droom)wereld of dat wij niets te doen hebben hierin. Dit is geen genezing van geloof in dualiteit maar het vervangen van het ene beeld door het andere. Ook hier leidt ware vergeving tot een oplossen van dit soort schijndiscussies. De vragen en onrust verdwijnen simpelweg als het licht aangaat. Onze zogenaamd belangrijke vragen en discussiepunten blijken sneller te verdwijnen dan sneeuw voor de zon. Vrede en dankbaarheid vervullen ons hart.

Uit WB 197: De wereld moet jou dankbaar zijn wanneer je haar bevrijding schenkt van jouw illusies. Maar jouw dank komt ook jou toe, want haar bevrijding kan alleen de jouwe weerspiegelen. Jouw dankbaarheid is alles wat jouw geschenken nodig hebben om de blijvende gift te zijn van een dankbaar hart dat voor altijd bevrijd is uit de hel.

Over affirmeren, selfies, kritiek en goed doen

We kunnen niet beoordelen wat de drijfveer is die iemand beweegt iets te zeggen of te doen. De uiterlijke vorm die wij waarnemen zegt niks. Slechts degene die het betreft kan de denkgeest onderzoeken om te zien wie er aan het roer staat: het ego (angst) of de Heilige Geest (liefde). Toch vergeten we dit makkelijk en interpreteren wij het gedrag van een ander.

Eerst de hand in eigen boezem. Ik heb jaren geleden met iemand gecorrespondeerd over affirmatie. Ik meende daar een ontkenning in te zien gebaseerd op angst. Dus wanneer iemand pijn heeft en “ik ben niet dit lichaam” reciteert dan meende ik dat die persoon eigenlijk de angst niet onder ogen wilde zien (er bang voor was) en ervan weg wilde vluchten door deze, in psychologische termen, te overdekken met het tegendeel: “er is niks aan de hand, want ik ben denkgeest”. Ik vond dat je hiermee de pijn juist echt maakt en dat je deze beter kunt doorvoelen, aangaan en je dan openstellen voor liefde. Een lieve zuster vatte dit laatst samen met “feel it and heal it” (doorvoel het en laat het genezen).

Zat ik er met mijn interpretatie dan naast? Ik meen dat we affirmatie dikwijls misbruiken als angstige vorm van afweer maar natuurlijk kan ik dat alleen voor mezelf onderzoeken. Iemand kan, rustend in de pijn zonder ervan weg te lopen, zijn denkgeest herprogrammeren door kalm de zin “ik ben niet dit lichaam” te herhalen. Dit hoeft helemaal geen weglopen te zijn noch het “echt maken” van de pijn. Dat kan ik “van buitenaf” helemaal niet zien.

Nog zo’n voorbeeld: het maken van selfies en deze overdadig etaleren op FaceBook. Ik zie dit vaak als een schreeuw om liefde, een uiting van onzekerheid waarbij iemand bevestiging zoekt of juist wil tonen hoe vrij en ongedwongen hij of zij nu is. En wederom; dat kan zo zijn, maar als ik dit met stelligheid beweer dan is het een gevalletje van projectie. De betrokkene kan dit alleen voor zichzelf onderzoeken. Uit hij / zij op stralende wijze de opborrelende liefde of speelt er wat anders? Als ik me hieraan erger dan neem ik het nog serieus en meen ik dat iemand zich schuldig kan maken door overdadig zichzelf te portretteren. En zelfs deze kleine irritatie is een vorm van aanval van mij en mag vergeven worden als ik vrede wil ervaren.

Omgekeerd zie ik ook gebeuren dat broeders en zusters op mij projecteren en een aanval zien waar die er naar mijn beste weten niet is. Als ik beweer dat Wapnick zich in zijn latere werken uitdrukt op een manier die de deur naar misverstanden openzet dan is me een aanval op hem verweten. Gelukkig merk ik dat ik dit nu oké vind (ik voel me niet meer aangevallen) hoewel ik het wel spijtig vind dat er wat allergisch gereageerd wordt op een discussie over visie en inhoud. Zo ook met Gary Renard. Ik krijg de indruk dat sommige van zijn originele ideeën helemaal niet zo origineel zijn en dat hij leentjebuur heeft gespeeld in andere geschriften en zijn twee mysterieuze bezoekers vooral Wapnick laat citeren. Aanvankelijk koesterde ik wel degelijk aanvalsgedachten hierover en voelde ik een afkeur van deze plagiaatpleger. De grootste les die ik echter van hem mocht leren is dat hij een totaal schuldeloze broeder is, ook al harkt hij zijn inspirerende boodschap elders bij elkaar. De Heilige Geest werkt in en door een ieder van ons en trekt zich niks aan van onze zogenaamde onvolkomenheden. Geef me jullie zegen, heilige broeders Wapnick en Renard!

Als laatste voorbeeld het waarschuwen tegen het helpen van andere mensen. Hierin vind ik dat Wapnick wat doorschiet en ego-motieven projecteert op gedrag van anderen. Wellicht moet ik het nog preciezer formuleren want, zoals gezegd, ik weet niet hoe Wapnick het “van binnen” beleeft. Maar ik zie wel dat zijn “hoed u voor weldoeners” studenten van de Cursus op het verkeerde been zet. “Weldoen” is een daad in de vorm en alleen de doener kan bepalen wat de bron is. We hoeven dus niet bang te zijn om goed te doen mits onze daad geïnspireerd wordt door liefde. Overigens zal in dit geval ook nooit sprake zijn van angst: liefde vloeit als vanzelf door je heen.

Samenvattend: we mogen wijzen op de ego-aspecten van affirmeren, selfies maken, het uiten van een andere mening en het helpen van anderen. Deze ego aspecten zijn dikwijls aanwezig.
Het wordt echter wat anders als we menen dat anderen zich hierdoor schuldig en minderwaardig kunnen maken. Voel ik me superieur ten opzichte van degene die affirmeert of zichzelf veelvuldig afbeeldt? En zie ik in de uiting van een andere mening een aanval? Zie ik in een helpende hand altijd het ego aan het werk? Dan heb ik vergevingswerk te doen omdat ik hiermee ervoor kies om vast te houden aan geloof in afscheiding en schuld.

WB 196: Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen

Toch!

Een paar jaar geleden had ik leuke discussies met medestudenten over “The end of death” van Nouk Sanchez. Het is een prachtig boek. Ik merkte echter dat ons ego het graag voor zijn karretje wil spannen. “Zie je nou wel; er is toch niks mis met streven naar lichamelijke genezing. Sterker nog, dit hoort er gewoon bij!”

Dit enthousiasme van broeders en zusters over de mogelijkheid van lichamelijke genezing maakte bij mij een “toch” wakker. Want toch is lichamelijke genezing nooit het doel maar hoogstens een prachtig bijproduct van een genezen denkgeest. Moeten we onze lichamelijke ongemakken dan maar voor lief nemen? Erin berusten? Nee, we mogen ze zien als leermiddelen. Ze illustreren ons geloof in lichamelijkheid en deze vergissing in onze denkgeest dient genezen te worden. We zijn geen lichamen en als we ons openen voor liefde dan kan ons dit getoond worden. Lichamelijke genezing kan daarbij een getuigenis vormen van de macht van de Zoon van God. Kijk maar naar Jezus in het Nieuwe Testament. Hij vergaf allereerst en bovenal zonden. Niet in de zin van het kwijtschelden van een welverdiende straf voor een moreel delict. Nee, hij wees erop dat het Koninkrijk reeds onder ons is; de afscheiding heeft niet plaatsgevonden. Vertrouwen hierop, overgave aan Jezus als symbool voor onze ware aard, herstelt het besef van onze ware identiteit. Zo genezen we werkelijk en hebben we geen behoefte meer aan een ziek lichaam om ons vast te houden in ons geloof in kwetsbaarheid en lichamelijkheid.

Laatste jaren reageer ik met evenveel passie op het andere uiterste, op doorgeschoten non-dualisme. Deze visie klinkt door in de latere werken van Ken Wapnick waarin een, in mijn ogen, eenzijdig accent wordt gelegd op het non-duale karakter van de werkelijkheid. Ik vermoed dat deze grote leraar een krachtig tegengeluid wilde laten horen aan ons ego dat zo geneigd is om op te splitsen en de droomwereld echt te maken. Er is geen opzichzelfstaande droomwereld. Om onze denkgeest te corrigeren heeft Wapnick (te?) zware accenten geplaatst:

  • Er zijn geen anderen
  • De Heilige Geest is slechts een herinnering aan de eenheid
  • De Heilige Geest handelt dus zeker niet in de wereld.
  • Sterker nog; God weet niks van onze wereld
  • Wij moeten geen “good-doers” worden; als je goed wilt doen in de wereld dan maak je deze echt. Het is een ego-gedoe, een valstrik.

Ook nu reageer ik met “toch”. Toch zijn er Broeders (meervoud), toch is de HG Gods schepping, toch handelt de HG in de droom zonder deze echt te maken, toch houdt de Vader van ons, toch mag liefde door onze genezen denkgeest naar onze broeders stromen en zich uitdrukken in de droom.

Toch!

Gisteren schreef ik in een blog weer een keer over de vrijheid die we hebben om liefde zich te laten uitdrukken in de droomwereld. Niet als doel voor ons kleine zelf maar als expressie van haar ware natuur. Liefde wil uitbreiden, genezen, aanraken en is in het geheel niet bang om dat te symboliseren in onze wereld. Goddank! De Cursus is doordrongen van dit mysterie. Vanuit ons ego is het altijd “of of”. Of we mogen streven naar lichamelijke genezing of me mogen juist helemaal niks in de wereld. Lees met me mee in de werkboekles (193) van vandaag en vier feest samen met mij:

God heeft geen weet van leren. Toch breidt Zijn Wil zich uit tot wat Hij niet begrijpt, omdat Hij wil dat het geluk dat Zijn Zoon van Hem heeft geërfd, onverstoord blijft, dat het eeuwig is en altijd aan reikwijdte wint, eeuwig uitdijt in de vreugde van de volle schepping, en eeuwig open en volkomen grenzeloos is in Hem. Dat is Zijn Wil. En dus verschaft Zijn Wil het middel om te waarborgen dat die wordt volbracht.

Zie je het? Wapnick heeft helemaal gelijk als hij zegt dat God niet meegaat in onze illusie van de wereld. Maar dan het voor ons onbegrijpelijke: toch verschaft zijn wil ons een middel! Halleluja!

God ziet geen tegenstrijdigheden. Maar Zijn Zoon gelooft dat hij die ziet. Dus heeft hij Iemand nodig die zijn foutieve blik kan corrigeren en hem de visie kan geven die hem terugleidt naar waar waarneming ophoudt. God neemt in het geheel niet waar. Toch is Hij het die het middel verschaft waardoor waarneming waar en mooi genoeg gemaakt wordt om er het licht van de Hemel op te laten schijnen.

Nog een keer erop en erover: we krijgen Iemand, met een hoofdletter I: de Heilige Geest. En weer wordt er gesproken over “middel”.

God maakt dus onze illusie niet echt maar is toch niet bang om zich te verlagen via “middelen”, “iemand die komt corrigeren” en (hoewel voor God waarneming geen rol speelt) het corrigeren van onze waarneming. God reikt zich uit in onze droom om ons te helpen leren zien dat er niks te helpen valt. Dit is symbolisch voor de weg die ook wij mogen gaan. Nee, we hoeven niet vanuit ons kleine zelf te streven naar verbetering van de wereld. Maar “ja”; we mogen de liefde laten stromen en hoeven daar geen middel (=actie in de droom) voor te schuwen. Nog een citaat:

God ziet niet graag dat jij zo lijdt. Hij wil jou helpen jezelf te vergeven.

 En dát mag onze houding zijn naar onszelf en naar onze broeders. We mogen genezing van onze denkgeest voor onszelf aanvaarden en vervolgens gestalte geven aan onze ware natuur: wij willen onze broeders helpen zichzelf te vergeven en zij hebben iemand nodig die hen het middel verschaft om hun foute blik te corrigeren. We mogen onszelf en iedereen het wonder van vergeving bieden. In feite zit de hele paradoxale en mysterieuze oproep van de Cursus in die ene zin die herhaald wordt in deze les:

Ik zal vergeven en dit zal verdwijnen

 Het ego aan het woord:

“huh, er is toch niks dus ik hoef toch niks te doen?” Of juist: “Zie je nu wel, er is een groot probleem en daar moet ik vanaf!”

Nee, er is niks gebeurd en er is niks aan de hand maar binnen de droom lijkt het wel degelijk of er iets gecorrigeerd moet worden en daar hebben we hulp bij nodig van de Heilige Geest. Dus laat dat verstand van ons dat steeds maar wil kiezen zwijgen. Er is geen keuze tussen “alleen onze eigen perceptie corrigeren” en “liefde laten stromen, zelfs binnen de droomwereld”. Onze liefde mag omlaag gebracht worden naar de aarde om deze te verheffen tot de hemel!

Ik zal vergeven en dit zal verdwijnen.

Herhaal bij iedere ongerustheid, iedere zorg, en elke vorm van lijden precies deze zelfde woorden.  En dan heb je de sleutel in handen die de Hemelpoort opent en de Liefde van God de Vader eindelijk naar de aarde omlaagbrengt om haar tot de Hemel te verheffen. God Zelf zal deze laatste stap zetten. Weiger de kleine stapjes niet die Hij jou vraagt naar Hem te zetten.

 

Vergeef, zwijg en doe niks!

Dat is ongeveer het resultaat van een eenzijdige versie van ECIW die zich uitsluitend richt op het corrigeren van de perceptie ten behoeve van eigen vrede en gemoedsrust. Dit corrigeren van eigen perceptie is inderdaad een zeer belangrijke stap in het vergevingsproces maar het einddoel is niet een happy de peppie zelfingenomen en passief zelf met een kleine z. Liefde kan zichzelf wel degelijk uiten in de droom en zo de mysterieuze eenheid en verbondenheid zelfs in de droomwereld illustreren.

Vanuit de optiek van het afgescheiden zelf is het voldoende om zelf gelukkig en tevreden te zijn, bestaat er geen buitenwereld en geen anderen en hoef je dus ook niks te doen. Dit klopt deels en tevens schuilt er een ego-list achter. Want jij hoeft inderdaad niks te doen vanuit het kleine zelf, maar dat wil niet zeggen dat er niet van alles via dit kleine zelf binnen onze droomwereld gedaan kan worden vanuit liefde, vanuit het ondeelbare Zelf. De vraag is vanwaar het handelen in de droom komt: vanuit geloof in afgescheidenheid (angst) of vanuit liefde.

Waarom dit epistel? Omdat ik merk dat sommige cursusstudenten iedere actiebereidheid lijken te veroordelen als uiting van het ego. Strijd jij nog voor het behoud van bomen? Dan geloof je nog dat de droomwereld echt is en heb je vergevingswerk te doen in je denkgeest! Er zijn geen bomen, er is geen lichaam dat bedreigd kan worden door een vervuilde aarde. Alles gebeurt immers in die denkgeest en daar is genezing nodig.

Het is een vorm van niveauverwarring. Op niveau I is er inderdaad geen belang van een dode boom oorlog, dierenleed, egocentrisme, narcisme, ziekte en dood. Als we het geloof hierin echter hebben laten genezen dan kan liefde (en niet angst) handelend optreden in onze droomwereld. Dat vind ik zo heerlijk aan Jezus in het Nieuwe Testament. Hij zag dat de hemel hier al is en toch voedde hij de hongerige mensen en genas hij zieken. Hij corrigeerde niet slechts zijn perceptie, bleef niet zelfingenomen en tevreden zitten om te laten zien dat niks zijn innerlijke rust kon verstoren. Liefde sprak en handelde door hem heen.

Zo ook met ons. We kunnen “strijden” in woord en daad binnen de droom en onze broeders waarschuwen tegen de “gevolgen” van ego-gericht denken. Op niveau I zijn er inderdaad geen gevolgen, op niveau II mogen we liefde echter de functie laten vervullen die ze wil illustreren in de droom. We dienen hierbij steeds te onderzoeken naar welke stem we hierbij luisteren; die van ons ego (angst) of de zachte stem van de Heilige Geest (liefde).

Omgekeerd hoeven we onze broeders niet te corrigeren als we hen bezig zien met “actievoeren” en menen dat we hen moeten aansporen zich vooral te beperken tot het corrigeren van hun perceptie. Nee, misschien inspireert de liefde ons ook wel om op te staan, ons uit te spreken en de handen uit de droom-mouwen te steken. De vorm doet er niet toe; de bron des te meer.

“Vergeef en spreek en handel gerust als liefde je dit ingeeft”

Les 192: Ik heb een functie die God me graag vervullen ziet.

Gevangen in pijn?

Les 190; houd je vast:

“Pijn is een verkeerd perspectief. Wanneer ze in enige vorm ervaren wordt is dat een bewijs van zelfbedrog. Ze is in het geheel geen feit. Ze neemt geen vorm aan die niet zal verdwijnen als die juist wordt bezien.”

 Lekkere binnenkomer! Jezus parachuteert ons in deze les direct in het hart van de metafysica van de Cursus. Hoe reageren we op deze openingszinnen? Misschien wel met boosheid. Dit mag je toch niet zomaar zeggen? Hoe wreed is dit wanneer je het uitspreekt tegen iemand die ligt te kronkelen van de pijn? Het is ook niet de bedoeling dat wij, terwijl we eventjes nergens last van hebben, deze woorden uitspreken tegen iemand die hevige pijn ervaart en al helemaal niet tegen iemand die geen cursusstudent is. Deze waarheid is onderdeel van onze leerweg. Wij mogen ermee aan de gang, ons erover verwonderen en desnoods ons er boos over maken.

Een uitspraak zoals deze tilt ons boven ons droomniveau uit. Binnen de droom ervaren we pijn. We hebben het idee dat de narigheid in de droom ons gevangen houdt maar ook hier maakt de Cursus korte metten mee:

“Pijn is slechts een getuige van de vergissingen die de Zoon maakt in wat hij denkt dat hij is.”

 Die Zoon, dat zijn wij. Dus wij vergissen ons als we menen dat er ellende is die ons overkomt. Merk op hoe dit verschilt van ons diep verankerde geloof in slachtofferschap. Kijk naar binnen en zie dat je het idee hebt dat je wel verlichting wilt maar dat het nog niet lukt. En wat is verlichting anders dan afkomen van een vorm van pijn? Lichamelijke, psychische of emotionele pijn, het doet er niet toe. Jezus zegt hierover:

“Het zijn alleen jouw gedachten die je pijn bezorgen. Niets buiten je denkgeest kan jou op enigerlei wijze schaden of verwonden. Er is geen oorzaak buiten jezelf die op je neer kan komen en bedruktheid kan brengen. Niemand anders dan jij beïnvloedt jou. Er is niets ter wereld dat de macht heeft jou ziek, bedroefd, zwak of fragiel te maken.”

 Dit is zo enorm confronterend voor ons ego. Het is een bron van grote verontwaardiging. Is dit dan ons eigen schuld? Nee, schuld niet, onbewuste keuze wel. Pijn heeft een functie voor het ego. Jezus zegt dat pijn een valse getuige is. Waarvan getuigt deze pijn dan zo valselijk? Pijn vertelt ons dat ons iets overkomt wat we niet willen. Jezus leert ons echter in de Cursus dat we stiekem wél de boodschap van deze valse getuige willen geloven. De verborgen boodschap is namelijk: doordat je pijn ervaart word je bevestigd in het geloof een afgescheiden, kwetsbaar zelf te zijn. Onderzoek dit aspect voor jezelf. Wat zegt die hoofdpijn je? Is het niet dat je een lichaam bent met een hoofd en dat dit lichaam pijnlijk kan lijden? Wat blijft er over van hoofdpijn als je lichaam niet echt is? Vervolgens trekt Jezus alle registers open en spaart hij ons niet:

“Pijn is het losgeld dat jij graag betaald hebt om niet vrij te zijn.”

 Wij kiezen graag (!) voor pijn om onvrijheid (afgescheidenheid) te ervaren. Hoe bizar is dit? Het ego is nu helemaal in het nauw gedreven. Merk je weerstand op, je vragen, je aanklacht tegen deze woorden en daarmee tegen God.

Maar dan straalt Jezus’ liefde ons met onweerstaanbare kracht tegemoet uit de werkboekles. Hij roept ons op om te stoppen met de waanzin met krachtige en beeldende woorden:

“Leg het wrede zwaard des oordeels neer dat je tegen je eigen keel houdt, en stop de vernietigende aanslagen waarmee jij je heiligheid probeert te verbergen.”

Hij brengt onze geheime agenda aan het licht: het verbergen van onze heiligheid, onze heelheid, eenheid, onbegrensdheid, onkwetsbaarheid. Niets werkelijks kan bedreigd worden; wij kunnen niet bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat: ons kwetsbare sterfelijke lichaam bestaat niet. Het feest kan beginnen:

“Dit is de dag waarop het jou gegeven is de les te begrijpen die heel de kracht van de verlossing bevat. Het is deze: pijn is illusie, vreugde werkelijkheid. Pijn is niets dan slaap, vreugde is ontwaken. Pijn is bedrog, alleen vreugde is waarheid.”

 Gesel jezelf niet als je pijn ervaart. Je bent niet schuldig en zelfs niet stom of traag van begrip. Weet je wat je bent? Je bent een geliefd kind van de Vader, mijn broeder, mijn zuster. Geloof je pijn desnoods voor 99% maar nooit voor 100%. En til met je laatste kracht die 1% omhoog, naar Hem vanuit je wanhoop. “Heer ik twijfel zo, ik vecht zo en slechts dit kleine procentje hoop kan ik nu opbrengen en U aanbieden. Neem het aan uit mijn bevende handen en vermenigvuldig het. Maak van het ene visje een maaltijd voor velen, vermenigvuldig dit brood, verander water in wijn, laat uit dit mosterdzaadje van minuscule hoop een machtige boom van liefde groeien.” Wat kan ik nog zeggen? Alleen dit:

Laat onze dankbaarheid jegens onze Leraar ons hart vervullen, nu we vrij zijn onze vreugde te kiezen in plaats van pijn, onze heiligheid in plaats van zonde, de vrede van God in plaats van strijd, en het licht van de Hemel in plaats van de duisternis van de wereld.

 

Willen we boos zijn?

We kunnen boos zijn op een ander of op onszelf. Voorbeelden van boosheid gericht op een ander hoef ik niet te geven. Boosheid gericht op jezelf kan vormen aannemen als zelfverwijt, spijt of schaamte. Als men ons vraagt of we blij zijn met boosheid dan antwoorden we snel dat we liever niet boos zouden zijn. En dit antwoord geloven we zelf.

Maar wat als de vraagsteller ons dan voorstelt om de boosheid eens gewoon los te laten? Voorbeeld: je vindt dat iemand zich aan zijn afspraak had moeten houden en je hebt een uur voor niks gewacht. Een “goede” reden blijkt er niet te zijn geweest. “Gewoon vergeten”, krijg je te horen. Niet eens met “sorry” erbij. Je bent gewoon boos. Terecht! Of je bent zelf degene die de afspraak vergeten was. Die ander heeft een uur bij de bushalte gewacht maar je kwam maar niet. Je hebt je uitgeput in verontschuldigingen maar hoe kon je zo stom zijn?

Kun je van het ene op het andere moment de beschuldiging loslaten? Besluiten dat de ander nul schuld heeft of dat je zelf nul schuld hebt. Dat het slechts een vergissing betrof? Het moment dat de mogelijkheid tot een dergelijke totale vergeving opkomt in de denkgeest is interessant. Kijk er maar eens naar. Zie je dat het makkelijker is gezegd dan gedaan? Dat de neiging om te blijven beschuldigen aan je vast lijkt te kleven? Zo maar de schuldige “off the hook” laten? Dat is toch je kop in het zand steken. Dat is toch haast ongepast? Dat is toch een vrijbrief voor totaal asociaal en onaangepast gedrag?

Dat kan maar hoeft dus niet. De vraag is wie er aan het roer staat. Het ego kan ook, vooral bij een beschuldiging aan het adres van een ander, zoiets zeggen als: Barst maar, zak er maar in! Maar dit is een verheerlijking van de afscheiding en voelt als verharding. Maar vergeving komt niet voort uit onverschilligheid maar uit liefde. Dus experimenteer eens met het binnen laten van liefde.

Nu kan je iets raars opmerken. Je wilt je boosheid helemaal niet loslaten en de liefde de vrede laten herstellen. Die ander is gewoon hartstikke fout! Of dat schuldgevoel lijkt te plakken aan jezelf. Je bent er als het ware een slachtoffer van en het achtervolgt je, je ligt er wakker van. Kun je die weerstand tegen de liefde ervaren? Raar toch?

Wat je zo doet is het blootleggen van de drijfveer van het ego. Gek genoeg maakt het voor het ego niet veel uit wie we schuldig verklaren. Die ander, jezelf, God of omstandigheden. Iemand of iets moet schuldig zijn. Schuldgevoel is een feestje voor het ego, voor het gevoel van afscheiding en daarom wil het niets weten van het binnenlaten van liefde. Dat kun je ervaren. En nu ben je op een sleutelpunt. De vraag die de Cursus ergens stelt: wil je gelijk hebben of vrede ervaren? Het is nu duidelijk wat je kleine wil is: gelijk hebben; ik versus de ander of desnoods ik versus mezelf.

Als je hier bent aangekomen mag je glimlachen en met een kleine bereidheid de liefde toch uitnodigen. Ga je niet opnieuw schamen over die neiging om je vast te klampen aan het beschuldigen.

“Kom maar liefde, kom maar Heilige Geest. Vanuit mijn kleine zelf wil ik vasthouden aan mijn boosheid maar nu kies ik voor Uw kracht, Uw Liefde. Kom maar en genees me opdat ik mijn echte Wil mag leren kennen. Om de vrede te ervaren die alle verstand te boven gaat”.

 

Psychische- en lichamelijke ziekten

Aandoeningen als depressie en angststoornissen kun je wél genezen door positief denken maar puur lichamelijke ziekten zoals HIV of een gebroken been niet. Dit was ruwweg de strekking van de aflevering van “Yes ik ben” die ik gisteren bekeek. De reden hiervoor zou duidelijk zijn: via je gedachten kun je invloed uitoefenen op bepaalde stofjes in je hersenen die te maken hebben met zaken als stemming en angst. Maar dit geldt niet bij de harde fysieke kwalen. In genoemd programma werd gewezen op het gevaar van vertrouwen op positief denken bij lichamelijke ziekten zoals kanker. Bij mij komt dan Sylvia Millecam in gedachten die vertrouwde op genezing door bezoek aan het medium Jomanda en toch overleed.

In genoemd programma kwam een vrouw aan het woord die genezen was van kanker maar helemaal niets moest hebben van die nadruk op genezen door positief denken. Ze wees op het gevaar van het omkeren van deze manier van denken: als je ziek wordt of blijft heb je kennelijk niet positief genoeg gedacht.

Ik merk dat in Cursus-land ook verwarring bestaat over genezing door de toepassen van de Cursus. Het zijn steeds weer dezelfde vragen die naar boven komen:

  • Ik ben ziek maar het wonder van genezing blijft uit terwijl ik toch zo hard m’n best doe met de Cursus.
  • Zit er dan toch nog ergens verborgen schuld?
  • Hoe kan het toch dat ook Cursus-leraren sterven aan kanker; dat klopt toch helemaal niet met wat ze onderwijzen?

Het woord wat telkens weer van toepassing is op deze vragen, discussies en twijfels is: Niveauverwarring. Maar ook hier moeten we oppassen dat we niet schermen met een kreet en denken dat hiermee de kous af is. Pas als we iets gaan ervaren van dat mysterieuze niveau 1, de absolute liefde die je bent, kun je zicht krijgen op deze kwesties. Het lastige is dat wanneer ik er zo droog over schrijf, het mysterie teruggebracht dreigt te worden tot niveau 2 en daarmee voer wordt voor het ego dat er verward mee aan de haal wil. Toch een poging:

  • Zowel onze psychosomatische- als onze fysieke kwalen behoren volgens de Cursus tot illusoire beelden binnen onze droom. Het onderscheid wat wij binnen deze droom maken is dat tussen ziektes die te beïnvloeden zijn door endorfinen, neurotransmitters enzovoorts en zaken als beenbreuken. Wij introduceren dus op onze beurt ook twee niveaus (psychosomatisch en puur fysiek) maar dit zijn niveaus 2a en 2b. Ze hebben niks te maken met niveau 1. Wij zijn geen lichaam
  • Volgens de Cursus kan de denkgeest ziek zijn en menen dat er sprake is van afscheiding. Om dit voor zichzelf te bewijzen heeft het onder andere lichamen geprojecteerd. Zowel het gezonde lichaam als het ziek lichaam is illusoir en geloof erin is dus geloof in de echtheid van de afscheiding. Dit geloof mag vergeven , genezen worden.
  • Zowel een gezond lichaam als een ziek lichaam is neutraal en het is de betekenis die wij eraan geven die bepalend is. Als wij geloven dat we een lichaam zijn dan buigen we voor de afgod van dit lichaam. Dat doen we als we erg bezig zijn met het koesteren van dit lichaam en vooral als we sidderen voor ziekte en dood. NB: dit is gewoonlijk het moment dat het ego de boel wil omkeren en zich boos afvraagt of genieten van een gezond lichaam dan zondig is. Nee dus. Zonde is synoniem met geloof in afscheiding, niet meer dan een vergissing, en geloven in het belang van gezondheid of het belang van ziekte kan ons nooit schuldig maken.
  • Genezing is niet het genezen van een ziek lichaam. We mogen blij zijn over een gezond lichaam en feest vieren binnen de droom maar onze grenzeloze opluchting dat we eindelijk weer een gezond lichaam hebben kan duiden op een sterke identificatie met dat lichaam. De denkgeest is dan allerminst genezen.
  • Een totaal genezen denkgeest kan vanuit niveau 2 bezien gewoon sterven. Hij legt dan vredig zijn communicatiemiddel, het lichaam, af. Dan roepen we toch ook niet dat er kennelijk iets fout is gegaan?
  • Was dit niet de ultieme boodschap van Jezus? Hij leek te sterven aan het kruis maar dat bleek niet zo echt te zijn als wij dachten. Hij bouwde na zijn “dood” gewoon weer even een lichaam op om te communiceren met zijn volgelingen.
  • Hoe moeten we dan omgaan met al die klachten? Zowel de psychosomatische als de puur fysieke? Voor beiden (dus 2a en 2b) mogen we normaal (=illusoir) doen en, vanuit niveau 1 bezien, kiezen voor een magische aanpak: naar een psycholoog of dokter gaan of medicijnen slikken. Niks mis mee, niet zondig of minderwaardig.
  • Ziekte en lichamelijk ongemak is echter uiteindelijk een uitnodiging om een vergevingsles te leren. Onze niveau 2 ervaring probeert ons te bestendigen in ons geloof in lichamelijkheid. Dit is een gelegenheid om liefde uit te nodigen om ons een andere visie op onze Identiteit te leren. De belangrijke vraag is of we de liefde durven binnen te laten in onze situatie of in de situatie die we zien bij onze dierbaren in schijnbare nood. Geloven we de valse getuigen of de Stem in ons? Geloven we dat we lichamen zijn of Zonen van God?

En wat gebeurt er dan, als we vertrouwen op liefde en deze laten stromen? Alles is mogelijk en als het nodig is dat we communiceren met onszelf of anderen via een genezen fysiek droomlichaam dan kan dat, maar dit is niet ons kleine zelfgerichte doel. We kunnen werkelijk genezen in de denkgeest en toch lijken te sterven.

Waar focus je op?

We menen dat we aandacht geven aan wat zich aan ons voordoet. Toch? Zoals zo vaak stelt de Cursus dat het net omgekeerd is: wat zich aan ons voordoet is waar we voor gekozen hebben om aandacht aan te geven. Best vreemd. Wij denken dat het nare gedrag van iemand ons behoorlijk in beslag kan nemen. Waarom doet die vrouw zo afstandelijk? Heb ik iets verkeerd gedaan? Heeft ze geen zin meer in contact met mij? Is onze relatie dan niet meer belangrijk voor haar? Als ze zo blijft doen dan bekijkt ze het maar en heb ik ook geen zin meer om nog in onze relatie te investeren! We ervaren afstand en boosheid. We zeggen dan bijvoorbeeld dat die ander ons flink irriteert of op de zenuwen werkt.

Ondertussen weten we wel wat de Cursus ons probeert wijs te maken: die ander is een totaal schuldeloos kind van God. Zo’n standpunt kunnen we makkelijk onderschrijven als er geen kwesties spelen in ons leven maar zo simpel is het toch niet met dit mens. Ik ben ook niet de enige die dit vind, anderen hebben ook moeite met haar. Het ligt dus echt niet aan mij.

En ook dat klopt. Die vrouw is schuldeloos en jij bent dat ook. Wij kiezen er echter voor om het schuld-spel te spelen. Er moet iemand schuldig zijn en ons verdiende oordeel ondergaan. Jezus leert ons echter dat wij ervoor kiezen ons te focussen op zonde en schuld. Wij zijn geen slachtoffer van de grillen van een ander. Voor ons is dit in eerste instantie onzin. Er moet iemand fout zijn; hetzij die ander of ik. Zeker als die ander iets daadwerkelijk heeft gedaan wat echt niet kan. Het kost weinig moeite om voorbeelden te bedenken variërend van uitschelden, via een rake klap tot verkrachting en moord. Hier is toch zeker duidelijk sprake van schuld? Dit is toch niet slechts een kwestie dat ik iemand niet zo graag mag? Die ander heeft duidelijk iets verkeerds gedaan.

Gezien vanuit ons alledaagse droomniveau klopt dit. En laten we op dit niveau vooral normaal blijven doen. Het ego houdt van uitersten en wil na zo’n uiteenzetting graag verontwaardigd uitroepen dat het belachelijk is dat alles “maar moet kunnen”. Wat als het jouw kind of partner betreft? Dan piep je wel anders!

Terug naar de Cursus. Deze leert ons dat wij ervoor gekozen hebben om onze focus te richten op zonde en op schuld. Wij hebben een intentie, een verborgen agenda, een blinde vlek. We zijn namelijk verslaafd aan het ik-versus-de-ander gevoel. We hunkeren naar de illusie van afscheiding. Vanuit de eenheid, onze ware staat, wilden we ons los-denken. We wilden ons een afgescheiden zelf voelen en niet langer dat Zelf dat in eenheid verbonden is met onze Vader en met onze broeders. Deze oer-vergissing geeft ons een gevoel van oerschuld. Ook deze zijn we ons niet bewust, dat vinden we veel te heftig. Dat diepe schuldgevoel moet de denkgeest uit, dus projecteren we anderen. We projecteren geen andere broeders met wie we wonderlijk verbonden zijn in eenheid. Nee, we projecteren van ons gescheiden anderen, zondige anderen, schuldige anderen.

We projecteren lichamen, van onszelf en van anderen, die aangevallen kunnen worden. Je voelt je namelijk super afgescheiden als je kwetsbaar bent en aangevallen kunt worden. Aangevallen door anderen of door ziekte, dat doet er niet toe. Als we maar kwetsbaar zijn, slachtoffer, sterfelijk. Alles wat we menen te zien, wat onze focus heeft, schreeuwt het uit: je bent afgescheiden, kwetsbaar, sterfelijk. Die vrouw die je afstandelijk bejegent. Die lichamelijke klacht waar je zo lang last van hebt. Tot aan de koelkast die kapot gaat. Wat hebben al deze zaken met elkaar gemeen? Ze overkomen jou, jij bent de dupe. Dit horen we liever niet. We willen toch juist niet de dupe zijn? We willen toch juist goede relaties, een gezond lichaam en een goed werkende koelkast? En precies hierin zit onze blinde vlek, onze weerstand.

Moet je dit zomaar geloven van me. Nee hoor. Je kunt iets van die weerstand heel makkelijk direct ervaren. Neem maar eens iemand in gedachten met wie het momenteel niet zo botert. Dooorvoel je gevoelens en zeg dan eens tegen jezelf: “jij bent liefde, net als ik”. Bam, merk je die weerstand? Je vindt die ander helemaal geen liefde, je vindt haar schuldig. Nu is het tijd om te glimlachen. Wil je iets van de vrede ervaren, van de liefde die je bent? Verschuif dan je aandacht bewust naar de werkelijkheid. Lees werkboekles 181, die gaat hierover. Er staat:

Dit is niet wat ik wil zien. Ik vertrouw mijn broeders, zij zijn één met mij”.

Er wordt ons in deze les een sleutel aangereikt. Een machtige oplossing voor ons gevoel van slachtofferschap. Dit is vergeving. Dit is het middel om de ego-gewoonte te doorbreken en je focus te verleggen van oordeel op liefde. Alles in ons kleine zelf begint te sputteren en te protesteren. Het is aandoenlijk om te zien. Maar richt je op de liefde. Ze is middel en doel wat dus wil zeggen dat er maar één manier is om te ervaren dat je liefde bent: door liefde te geven. Amen.