Jezus onderwijst ons in ECIW over onze identiteit. Bij het lezen van ECIW is het altijd behulpzaam om goed in de gaten te houden vanuit welke houding je de boodschap ontvangt. Om, anders gezegd, je bewust te zijn van wat je over jezelf gelooft. Onze gewoonlijk onbewuste aanname is namelijk dat we zelfstandige, denkende, welwillende en onderzoekende wezens zijn. Bij het lezen van deze blog kun je aandachtig zijn, proberen de tekst te overdenken en te begrijpen en zo een beetje wijzer te worden. In algemene termen werkt het vanbinnen bij ons als volgt: “Als ik goed mijn best doe en het een beetje snap, kan ik weer een stapje verder komen.” Zo werkt het immers ook met alles wat we willen bereiken in ons dagelijks leven. We willen oprecht ons best doen om te verbeteren.
Als je vertrouwd bent of raakt met de boodschap van ECIW, dan kom je echter teksten tegen als: “Neem ontslag als je eigen leraar” en de werkboekles: “Ik doe een stap terug en laat Hem de weg wijzen.” We lezen over hulp vragen aan Jezus of aan de Heilige Geest en over de Wil van God. Jezus spreekt over ons autoriteitsprobleem, waarbij wij onszelf het centrum van het universum wanen. Het kleine zonnestraaltje meent dat het de zon is, de minuscule rimpeling van het wateroppervlak meent dat ze de oceaan is.
Als we dit zo lezen, kunnen we doorslaan naar het andere uiterste en ons een kleine, onwaardige minkukel vinden die misschien zelfs straf verdient vanwege deze verschrikkelijke hoogmoed. We zouden dan gerebelleerd hebben tegen God en Hem boos hebben gemaakt. Maar zelfs hierin klinkt de onbewuste arrogantie door. De zon en de oceaan raken heus niet van streek door een ondeugend zonnestraaltje en een waterrimpeling. Wij streven naar zelfverbetering, het liefst op eigen kracht. Maar Jezus vergelijkt onze vermeende kracht met de kleine vleugeltjes van een musje en nodigt ons uit om ons te laten dragen door de krachtige vleugels van een adelaar, van de Geest.
Het vergt nuance om het beeld helder te krijgen. Want ja, we overschatten de waarde van onze inspanningen om tot een beter begrip te komen en om een nobeler mens te worden. En nee, dit is geen arrogantie waar we ons schuldig over moeten voelen en waarvoor we straf verdienen die ons opgelegd zou worden door onze vertoornde Vader. Maar let op: we “straffen”, of beter gezegd “benadelen”, onszelf met ons dappere maar zinloze gezwoeg. Er wordt ons namelijk een krachtige Hand gereikt die we slechts hoeven aan te nemen.
Reeds in het begin van het werkboek probeert Jezus ons te wijzen op de beperkingen van onze uitgangssituatie, waarbij we menen te begrijpen wat we zien en hoe de wereld in elkaar steekt: niets wat ik zie betekent iets, ik heb zelf alles de betekenis gegeven die het voor mij heeft, mijn gedachten betekenen niets.
Hij doet dat niet om ons te kleineren of om ons schuldig te laten voelen. Hij doet dit om ons ware vergeving te leren. Hij nodigt ons uit om opzij te stappen en Hem de weg te laten wijzen. Om stil te worden. Niet omdat we minkukels zijn, maar om ruimte te bieden aan de herinnering dat we Zijn Kinderen zijn. Dat we gedragen worden door Zijn Liefde, de Liefde die onze ware Identiteit vormt. We vragen inderdaad niet te veel, maar veel te weinig. En deze boodschap klinkt door de hele cursus, ook in de werkboekles van vandaag:
Les 297
Vergeving is het enige geschenk dat ik geef.
Vergeving is het enige geschenk dat ik geef, want het is het enige geschenk dat ik verlang. En al wat ik geef, geef ik aan mijzelf. Dit is de eenvoudige formule voor verlossing. En ik, die verlost wil worden, wil me die eigen maken, zodat dit de manier wordt waarop ik in een wereld leef die verlossing nodig heeft en die verlost zal worden wanneer ik de Verzoening voor mezelf aanvaard.
Vader, hoe zeker zijn Uw wegen, hoe onbetwistbaar hun eindresultaat en hoe nauwgezet is iedere stap in mijn verlossing reeds vastgelegd en door Uw genade volbracht. Dank aan U voor Uw eeuwige gaven, en dank aan U voor mijn Identiteit.
De manier waarop wij over Jezus denken en over de manier waarop hij ons kan helpen is erg beperkt. Dit komt omdat wij, zonder dat we hiervan doordrongen zijn, over hem nadenken vanuit ons gebruikelijke, duale perspectief. Dat houdt in dat we snel denken aan een historische persoon die lang geleden in Israël rondliep en wijze lessen verkondigde. Daar is niks mis mee, maar het is slechts één aspect van zijn bestaan. Het andere uiterste bestaat eruit dat we het menszijn van Jezus ontkennen en hem uitsluitend als symbool zien. Zijn bestaan heeft, zoals we straks zullen zien, grote symbolische betekenis, maar we doen hem tekort als we hem tot dit abstracte aspect beperken.
In Het Handboek voor Leraren van ECIW, en specifiek in de Verklaring van Termen Hfst 5, staat dat ons Helpers gegeven zijn en dat Jezus één van hen is. Er staat:
“achter elk van hen staat een Gedachte van God”,
en dit is belangrijk omdat we hiermee direct aanlopen tegen de mystieke kern van de cursus. Deze luidt dat wij, alle mensen, Gedachten van God zijn. We zijn één Zoonschap dat toch bestaat uit vele Zonen, waarvan Jezus er dus één is, hoewel het etiket “Jezus” te klein is om Zijn Gedachte te dekken. Datzelfde geldt voor, bijvoorbeeld, het etiket “Simon”.
De Gedachte “Jezus” is dus echt, bestaand en op mysterieuze wijze zowel hetzelfde als verschillend van de Gedachte “Simon”. Daarom is het niet juist om het bestaan van de Gedachte “Jezus” tot symbool te willen reduceren. Jezus was, zo stelt ECIW, iemand die mens was, maar in alle broeders het gelaat van Christus zag. Dat wil zeggen dat hij voorbij de illusie kon kijken en dat hij voorbij het lichaam en etiket van, bijvoorbeeld, Simon, de Gedachte “Simon” kon zien; de echte Schepping en Zoon van God.
Dit schrijf ik in de verleden tijd, maar dat is onjuist. De Gedachte “Jezus” ziet nu dat hijzelf geen afgescheiden wezen is, maar dat hij op genoemde mysterieuze wijze één is met ons allen. Dat maakt hem een Verlosser, omdat hij voorbij de illusie van afgescheidenheid, de eenheid van hemzelf, met God en met ons ziet. Anders gezegd identificeert hij zichzelf niet met zijn lichaam, ziet hij zichzelf niet als afgescheiden, maar weet hij dat hij één is met de Christus (het Zoonschap).
Wij blijven sterk op tijdgebonden manier nadenken over Jezus; maar ECIW corrigeert dit als er staat: “Jezus werd wat jullie allen zijn”. En zelfs dat woord “werd” staat hier alleen om ons behulpzaam te zijn. Er is in werkelijkheid nooit iets gebeurd en de tijd is onderdeel van de illusie. Dat is nog zo’n raadsel waar ons denken op stukloopt.
Vooral bij het lezen van het boek “Een Cursus van Liefde” valt de vermeende grens tussen mij (ons) en Jezus weg. Dat wil niet zeggen dat we één ongedifferentieerde eenheid worden, maar dat we (meervoud!) beseffen dat we één zijn. En dit is fantastisch nieuws. Want hiermee mogen we ervan uitgaan dat de Verlossing die Jezus heeft gedemonstreerd, de onze mag zijn en reeds is. Geniet even met me mee:
5. Hij bood je een ultieme demonstratie dat het onmogelijk is Gods Zoon te doden, en dat zijn leven evenmin op enige manier door zonde en kwaad, kwaadwilligheid, angst of dood kan worden veranderd.
4. En daarom zijn al jouw zonden je vergeven, omdat ze in het geheel geen gevolgen hadden. En dus waren het slechts dromen. Sta op met hem die jou dit liet zien, want dat ben je verschuldigd aan hem die jouw dromen met je deelde, zodat ze verjaagd konden worden. En die ze nog steeds met jou deelt, om één met jou te zijn.
Lees die laatste zin nog eens door en zie wat een sleutel deze je biedt:
“En die ze (je dromen) nog steeds met jou deelt, om één met jou te zijn”.
De Gedachte “Jezus” is de ultieme wonderdoener door wiens blik wij genezen omdat hij ons herkent als Zijn Broeder. Hij demonstreert hiermee waartoe hij ons middels de cursus oproept: de ander te herkennen als onszelf en daarmee alles en iedereen te verlossen.
Lees verder en verheug je:
4. Hij zal bij je blijven om jou uit de hel die jij gemaakt hebt te leiden naar God. En wanneer je jouw wil met die van hem verenigt, zal zijn visie jouw zicht zijn, want de ogen van Christus worden gedeeld. Aan zijn zijde gaan is even natuurlijk als aan de zijde van een broer gaan die jij vanaf je geboorte kent, want dat is hij voorwaar. Wrange idolen zijn er gemaakt van hem die slechts een broeder voor de wereld wilde zijn. Vergeef hem jouw illusies en zie welk een dierbare broeder hij voor jou wil zijn. Want hij zal je denkgeest tenslotte tot rust brengen en die samen met jou naar jouw God toe dragen.
En met die oproep en uitnodiging wil ik eindigen: “verenig je wil met die van hem”. Hij heeft het voor ons, en in onze gemeenschappelijke mind, reeds volbracht. In zijn overgave aan de Vader (niet mijn wil maar Uw wil geschiede; in Uw armen beveel ik mijn geest; het is volbracht”), is onze overgave en verlossing besloten.
Nu mag je hem van mijn part als symbool zien, maar dan als symbool van werkelijke wijsheid, kracht en liefde. Zo werkelijk als een broer van ons die ons onvoorwaardelijk zal helpen omdat hij innig in mysterieuze eenheid met ons verbonden is. Halleluja!
In mijn vorige blog stond de neiging centraal om brede groepen als “fout” te bestempelen en hun verborgen kwade intenties toe te schrijven. Macht en zelfverrijking mogen we onderkennen en begrenzen, maar wanneer we mensen vooral door zo’n groepsbeeld bekijken, ligt een snelle veroordeling op de loer.
Als cursusstudenten worden we daarom uitgenodigd om te onderzoeken hoe wij ons tot zulke groepen en tot de mensen daarin verhouden. Ten diepste verschilt dat niet van de vraag hoe we ons tot ieder ander mens verhouden. Een Cursus in Wonderen (ECIW) brengt ons daarbij steeds terug bij onszelf: “Kijken wij vanuit angst of vanuit liefde?” Jezus spreekt in dit verband over de speciale haatrelatie en de speciale liefdesrelatie.
We kunnen denken dat een speciale liefdesrelatie te verkiezen is en daarom moet worden nagestreefd. In de genoemde blog van gisteren beschreef ik een astroloog die onderscheid maakt tussen mensen die volgens hem werkelijk het goede willen — hij noemt Trump, Poetin en Xi Jinping — en mensen die mogelijk van goede wil zijn, maar de zaken naar zijn oordeel fundamenteel verkeerd zien. Wanneer hij spreekt over vertegenwoordigers van de EU en onze premier, klinkt er duidelijke afkeer in zijn stem, al merkt hij erbij op dat hun intenties niet noodzakelijk kwaadaardig hoeven te zijn.
Het is aan ons om op te merken of we in dat geschetste drama meegaan en boosheid, argwaan, verontwaardiging of zelfs haat gaan koesteren jegens degenen die als “de slechteriken” worden aangewezen. In dit voorbeeld gelden de aanhangers van een multipolaire wereldorde als de goeden en de globalisten als de slechteriken. Vervolgens gebeurt er iets wezenlijks: individuele mensen worden niet meer op hun eigen woorden en daden beoordeeld, maar op het oordeel dat al over de groep is geveld.
Concreet betekent dit dat de genoemde leiders van grootmachten, als vertegenwoordigers van het multipolaire wereldbeeld, vrijwel bij voorbaat positief worden beoordeeld. Ook wanneer zij streven naar macht en afgescheidenheid of geweld niet schuwen, wordt dit uitgelegd als onderdeel van een groter plan en blijven zij tot “de goeden” behoren. Omgekeerd kan een Nederlandse premier zich fatsoenlijk presenteren en toch met dedain worden besproken, omdat hij tot het vermeende verkeerde kamp van de globalisten wordt gerekend.
Is dit de weg van Jezus zoals Hij die beschrijft in ECIW en in Een Cursus van Liefde (ECvL)? Ik meen van niet. Reeds in de Bijbel zegt Jezus dat je een boom aan zijn vruchten herkent. Oordelen, het koesteren van grieven, angst, oorlog en geweld zijn niet de vruchten van de boom der Liefde. Een oproep tot speciale haat- of liefdesrelaties is dat evenmin.
Wat dan wel? Ook hier geldt wat in elke relatie geldt: we worden uitgenodigd om te vergeven en voorbij de uiterlijke vorm te kijken. Betekent dit dat we naïef moeten zijn of alles wat anderen doen maar moeten goedkeuren? Nee. Liefde omvat iedereen, ook onszelf, en vraagt juist dat we zoeken naar manieren om haar zo eerlijk en zorgvuldig mogelijk vorm te geven in de werkelijkheid die wij kennen.
Dat betekent echter niet dat we broeders en zusters moeten volgen of aanmoedigen wanneer zij anderen veroordelen of wanneer hun woorden ruimte geven aan oorlog, geweld en rechteloosheid.
Het is aan ons om te onderzoeken of we de werkelijkheid van zonde en schuld aannemen en daarmee veroordeling, aanval, straf of zelfs het doden van een ander proberen te rechtvaardigen. Dat staat haaks op vergeving en op het streven naar een heilige relatie. De neiging tot macht, angst en uitsluiting die we bij bepaalde groeperingen of mensen menen te herkennen, kan ook in onszelf werkzaam zijn. Juist dat besef nodigt uit tot waakzaamheid zonder minachting.
Als ik de astrologen uit de blog van gisteren veroordeel of met minachting behandel, heb ook ik vergevingswerk te doen. De “heilige strijd” die we te voeren hebben, bestaat erin de egokrachten in onszelf op te merken en ze naar de liefde te brengen. Dat vraagt om helderheid over schadelijke ideeën en daden, zonder de mens erachter af te schrijven. Een ander schuldig verklaren en doden kan nooit helend zijn.
Graag sluit ik af door Jezus het woord te geven (Matteüs 5:43-48):
“U hebt gehoord dat gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief en bid voor wie u vervolgen, alleen dan bent u werkelijk kinderen van uw Vader in de hemel.”
Daarnaast brengt Jezus dit in de praktijk aan het kruis, waar Hij bidt voor de soldaten die Hem kruisigen (Lucas 23:34):
“Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.”
Vandaag zag ik video’s van twee bekende astrologen. Ik wil even geen namen noemen, want het gaat me niet om de personen, maar om een manier van redeneren die ik vaker tegenkom. Beiden begonnen met een boodschap van liefde, verbinding en zorg voor elkaar, waarin ik me helemaal kan vinden. Vervolgens maakten ze een vertaalslag naar onderwerpen als klimaatverandering en geopolitiek. Daarbij werden groepen genoemd die negatieve krachten zouden vertegenwoordigen, zoals globalisten, de elite, het Vaticaan, de vrijmetselaars, het British Empire, banken en Europese, vooral Nederlandse politici. Eén van beide astrologen sprak daarnaast over “the good guys”: Trump, Poetin en Xi Jinping. Zij werden voorgesteld als verdedigers van een multipolaire wereldorde, die als een positieve ontwikkeling werd gezien.
Ik probeer zo onbevooroordeeld mogelijk te luisteren naar de sprekers. Daarbij vallen me een aantal zaken op.
Ze zijn zeer overtuigd van eigen gelijk en vinden dat anderen het simpelweg niet snappen en niet zien.
Complexe zaken, zoals klimaatverandering, worden gesimplificeerd en de wetenschappelijke consensus wordt aangevochten.
Van de genoemde wereldleiders worden vooral eigenschappen benadrukt die binnen dit wereldbeeld als positief gelden. Tegelijkertijd blijft in de video’s, voor zover ik kon nagaan, weinig ruimte over voor kritiek op hun omgang met tegenstanders, de vrije pers en de rechterlijke macht.
Hoewel ze zichzelf niet als complotdenkers zien, beschrijven ze wel verschillende groeperingen die volgens hen achter de schermen zouden samenwerken.
In de reacties onder deze video’s zie ik relatief weinig kritische vragen en veel instemming met de sprekers. De sprekers stellen dat ze beschikken over informatie van een hogere orde, of dat nu de stand van de planeten is of contact met verheven meesters, en dat ze op basis daarvan een overzicht hebben dat anderen niet hebben. Juist daardoor vind ik het belangrijk om alert te blijven op zwart-witdenken en op een al te scherpe verdeling tussen goeden en slechteriken.
Ik wil ze hier niet tegenspreken, maar oproepen om in contact te blijven met je eigen hart, je intuïtie en je gezonde verstand. Het is tevens een oproep tot nuance en het onderzoeken van je neiging om in te stemmen met mensen die je als autoriteit ziet omdat ze meer zouden weten dan jij zelf. Blijf dicht bij jezelf.
Als ik dat voornemen zelf toepas, ziet dat er ongeveer als volgt uit:
Hé, een broeder of zuster wil een visie met me delen. Hij of zij zegt info te hebben van een “hogere” orde, maar ik kan niet nagaan of dit klopt. Maar goed, ik ga eens rustig luisteren.
De spreker noemt enkele argumenten die volgens hem of haar aantonen dat de mens geen invloed heeft op het klimaat. Omdat er in de video niemand een wedervraag kan stellen, kan ik niet beoordelen hoe deze argumenten standhouden tegenover de bevindingen van klimaatwetenschappers. De spreker noemt klimaatverandering een hoax die in het leven zou zijn geroepen door mensen die eraan willen verdienen. Dat zou betekenen dat zeer veel onderzoekers, instellingen en vakbladen zich langdurig in dezelfde richting vergissen of doelbewust misleiden. Ik kan niet uitsluiten dat een wetenschappelijke meerderheid ernaast zit, maar voor zo’n verstrekkende verklaring zou ik overtuigend en controleerbaar bewijs willen zien.
Wat een opvallende visie, waarin mensen die verantwoordelijkheid dragen voor geweld, marteling en onderdrukking worden gezien als instrumenten van liefdevolle krachten en meesters. Dat vind ik moeilijk met elkaar te rijmen. Ik herken in ieder mens, ook in mezelf, ego-krachten en de neiging om te oordelen in termen van goed en kwaad. Het ego denkt in termen van aanvallen, overwinnen en uitschakelen. Zo ervaar ik liefde zelf niet. Mijn hart zegt me dat ik de genoemde wereldleiders als medemensen mag blijven zien, terwijl ik hun keuzes en machtsuitoefening scherp kan afwijzen. Voor mij kunnen beide waar zijn: iemand is mijn broeder, en diezelfde persoon kan vanuit verwarring of eigenbelang geweld en onderdrukking veroorzaken.
Er zijn, meen ik, zeker mensen en groeperingen die uit zijn op macht en geld. Dat heb je overigens overal en deze impulsen spelen bij ieder van ons, voor zover ik dat kan beoordelen. We moeten niet naïef zijn en mensen en bedrijven die doorslaan in machtswellust en zelfverrijking tot de orde roepen en terugfluiten. Maar het projecteren van geheime kwade intenties op zoiets vaags als bijvoorbeeld “de elite” is een weinig behulpzame veralgemenisering. Het suggereert bovendien een vermogen tot geheimhouding dat nauwelijks voorstelbaar is.
Dit is nogmaals mijn insteek, niet de zoveelste gezaghebbende uitspraak van een zelfbenoemde autoriteit. Ik ben ook maar een mens en kan me vergissen of dingen over het hoofd zien. Ik wil echter beweringen van astrologen die zeggen meer overzicht te hebben dan anderen, niet zomaar aannemen, zeker niet wanneer geweld en onderdrukking worden geduid als onderdeel van een groot en liefdevol plan. Dat botst met mijn ervaring van liefde. Tegelijkertijd hoor ik graag welke argumenten anderen overtuigend vinden, zolang we elkaar vragen mogen stellen en bereid blijven onze overtuigingen te toetsen.
Het is me duidelijk dat woorden tekortschieten om uit te leggen hoe de werkelijkheid in mijn beleving in elkaar zit. Toch zijn juist over dit onderwerp talloze boeken geschreven en ik zal daar met deze blog nog wat woorden aan toevoegen. Ik vind het namelijk een leuke uitdaging om de kern van de boeken en bronnen die ik ken toch stamelend te duiden aan de hand van symbolen die dikwijls meer zeggen dan woorden. Ik focus me daarbij op drie deelaspecten:
Onze relatie met God (ofwel met de Bron)
Onze relatie met elkaar
Onze eigen identiteit
1: Onze relatie met God
Afbeelding A symboliseert de absolute eenheid van de schepping. Sommigen stellen dat zij zelf eigenlijk niet bestaan omdat binnen absolute eenheid geen onderscheid kan bestaan; dus ook niet tussen God en de mens. In feite stellen aanhangers van A dat ze zelf niet bestaan en hun streven is erop gericht om “op te lossen in de oceaan”. Anders geformuleerd stellen ze dat ze één zijn met God.
Afbeelding B symboliseert een klassiek beeld van de schepping waarbij God ons, de kleine ovaaltjes, heeft gemaakt en er vervolgens los van staat. Dit is een duale visie op de schepping. Dit symbool stemt overeen met hoe wij God kunnen ervaren, als een entiteit los van ons die een plan met ons heeft en een mening heeft over ons gedrag.
Afbeelding C symboliseert de uitleg die Jezus ons geeft in ECIW en ECvL. God, de binnenste cirkel, is onze bron en wij zijn Zijn Gedachten (Zonen, Kinderen) die niet samenvallen met Hem maar wel onlosmakelijk met Hem zijn verbonden.
2: Onze relatie met elkaar
Bij afbeelding A is er ten diepste geen “elkaar”. Aanhangers van deze visie kunnen niet anders dan concluderen dat zij zelf God zijn en dat zogenaamde anderen als beeld verschijnen in hun Goddelijk bewustzijn. Ze stellen dan ook: “er zijn geen anderen”. Dit wereldbeeld staat bekend als solipsisme.
Bij afbeelding B menen de mensen los van elkaar te bestaan. Ze kunnen besluiten elkaar vriendelijk te behandelen, bijvoorbeeld als ze menen dat God dit van ze vraagt en hen daarvoor zal belonen. Maar ze kunnen ook vechten met elkaar waarbij ze menen dat het aanvallen en doden van een ander geen enkel effect op henzelf zal hebben. Dit is het meest gangbare wereldbeeld in onze tijd.
Bij afbeelding C is er niet alleen een besef van de innige relatie die we hebben met God maar weten we ons ook innig verbonden met onze medemens. We beseffen dat differentiatie en individuatie mogelijk zijn met behoud van eenheid en verbondenheid.
3: Onze eigen identiteit
Aanhangers van A stellen dat er geen sprake kan zijn van een eigen identiteit omdat er in absolute eenheid niet zoiets kan bestaan.
Aanhangers van visie B hechten, bewust of onbewust, geloof aan afgescheidenheid. Men meent op eigen benen te staan en als het ware een tamelijk afgerond geheel te vormen met eigen lichamelijke sensaties, gevoelens en gedachten. Dit wil niet zeggen dat men meent beperkt te zijn tot het lichamelijke aspect van een mens, want er kan ook ruimte zijn voor het hebben van een ziel en een geest. Over het hebben van een eigen wil bestaat niet echt consensus.
Bij visie C is sprake van een groeiend besef van eenheid en verbondenheid van de eigen identiteit met die van God (de Bron) en met die van de Schepping en de andere Kinderen van God. Men weet dat de zogenaamde eigen identiteit zijn eigenheid slechts krijgt in relatie met God en de Ander. Er is sprake van individuatie met behoud van eenheid. In ECIW spreekt Jezus van de Heilige Relatie en in ECvL zegt hij zelfs: je bent relatie.
Hoe weet je nu of het A, B of C is?
Dit alles kan overkomen als louter theorie die je al dan niet kunt aannemen. Maar deze opvatting is in feite typerend voor aanhangers van visie B die gewend zijn aan denken in concepten en deze al dan niet geloven. Ik durf te stellen dat zogenaamde aanhangers van A in feite ook tot categorie B behoren omdat hun eenheidsfilosofie conceptueel van aard is en ook berust op geloof. In absolute eenheid kan geen sprake zijn van iemand die iets ervaart en er bestaat dus per definitie geen vertegenwoordiger die echt thuishoort in groep A en dit uit ervaring kan onderschrijven.
Mijn stelling is dat wij allemaal vanuit positie B leven en ervaringen kunnen krijgen die ons bekend maken met visie C. Visie C gaat namelijk gepaard met de ervaring van verbondenheid, jezelf herkennen in anderen, jezelf gedragen weten door God en Liefde en het steeds sterker wordende besef dat je vanuit een stille tijdloosheid de ervaringen van tijd, ruimte, oorzaak en gevolg ervaart die zo typisch zijn voor visie B. Deze ervaring van toenemende heelheid (ofwel heiligheid) kan ervoor zorgen dat je vermoedt uiteindelijk op te zullen gaan lossen in eenheid (visie A), maar dat is, zogezegd, een aanname, een geloof.
Een sleutelcitaat bij de hoe-vraag uit ECIW luidt als volgt (uit de Inleiding bij de Verklaring van Termen):
“Een universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar noodzakelijk.”
In deze inleiding legt de Cursus uit dat theologische overwegingen altijd aanleiding geven tot discussie en verdeeldheid, omdat ze gebaseerd zijn op overtuigingen en concepten die men kan aanvaarden of verwerpen. Het doel van ECIW is dan ook niet het bouwen van een nieuw dogmatisch of theologisch systeem, maar het gidsen van de student naar een directe, universele innerlijke ervaring van vrede en eenheid. Pas op dat ervaringsniveau verdwijnt alle onzekerheid.
Ter afsluiting van deze lange blog zal ik kort en in algemene termen proberen te duiden hoe men tot (een benadering van) deze universele ervaring kan komen of, iets minder ambitieus gesteld, wat in mijn beleving behulpzaam is en wat niet.
Wegwijzers naar de Universele Ervaring
1. De Innerlijke Houding: Openheid en Ont-leren
Geen dogma’s nodig: Je hoeft niets op gezag aan te nemen of als een nieuw theologisch stelsel te geloven.
Houd een ‘open mind’: Stellig geloven dat de ervaring van vereniging (Visie C) onmogelijk is, werpt vanzelf een blokkade op.
Onderzoek je overtuigingen: Durf je eigen aannames en oordelen ter discussie te stellen. Dit is precies de training die plaatsvindt wanneer je de Werkboeklessen van ECIW volgt.
2. De Paradox van Overgave en Leiding
Neem ontslag als je eigen leraar: De neiging van het ego om alles “op eigen beentjes” of in je eentje te willen oplossen, vloeit rechtstreeks voort uit wat ECIW het autoriteitsprobleem noemt (de illusie dat we onze eigen auteur zijn).
Sta open voor duale leiding: In het begin is het enorm behulpzaam om leiding te vragen aan Iets of Iemand ‘buiten’ je kleine zelf, zoals Jezus of de Heilige Geest.
De ego-valkuil vermijden: Te vroeg beweren dat je puur vanuit je “Zelf” handelt terwijl je onbewust nog gedreven wordt door ego-belangen, houdt je gevangen in de illusie van afscheiding (Visie B).
De grote paradox: Pas wanneer we de eigenwijsheid van het kleine zelf opgeven (“het sterven van het ego”), ontdekken we dat we dragen worden door Liefde. Door onze eigen wil “op te offeren”, blijkt onze werkelijke Wil naadloos samen te vallen met de Wil van God.
3. De Dagelijkse Praktijk in het Hart
Spoor oordeel op bij jezelf: Let op wat het veroordelen van anderen van binnen met je doet; je kunt de verkramping en verharding letterlijk voelen.
Ervaar het bevrijdende effect van vergeving: Merk op hoe vergeving je hart direct opent en je gevoel van verbondenheid met anderen, God en de schepping herstelt.
Beoefen toegewijde waarneming:Een Cursus van Liefde noemt dit het liefdevol waarnemen vanuit het hart (heelheid-van-hart), waarin hoofd en hart verenigd zijn.
4. De Uitbreiding van Liefde
De Zon met Stralen: Zoals in afbeelding C te zien is, breidt Liefde zich van nature uit als een Zon met haar Stralen. God draagt ons, en door Zijn Liefde te beantwoorden en door te geven, worden we deelgenoot van de universele ervaring zelf Liefde te zijn.
De Wet van de Schepping: Beide cursussen vatten deze bevrijdende ervaring samen in die ene fundamentele wet: Geven en ontvangen zijn in waarheid één.
Lieve lezers,
Hopelijk kunnen jullie voorbij de woorden kijken en er niet door in verwarring gebracht worden. Dit schrijfsel is verre van volledig en kan niet meer zijn dan een vingerwijzing. De symbolen A, B en C zijn voor mij fijne wegwijzers, niet meer en niet minder. Misschien heb je er wat aan.
Het is de kunst om gevoel te krijgen voor de cursus. Daarmee bedoel ik dat je niet alleen nadenkt over de inhoud ervan, maar deze als het ware doorvoelt, oftewel je eigen maakt. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, en dat kan ik uit eigen ervaring zeggen. Ook ik meende lange tijd levensvraagstukken als het ware te kunnen oplossen, een conclusie te kunnen trekken en dan te zeggen: “Zo zit het!” Acht jaar geleden schreef ik hier een blog over die nog steeds actueel is: https://eciwcoach.com/2018/09/06/zo-zit-het-vergeven/
In mijn beleving kan de inhoud van de cursussen gaandeweg steeds dieper binnenkomen. Een enkele keer lijkt dat met een sprongetje te gaan, en dat kun je als een verlichtingservaring beleven. Bij sommigen kan dit een grote sprong zijn, met het risico dat zij zichzelf dan “compleet verlicht” voelen. In enkele ontmoetingen met dergelijke leraren viel me op dat deze verlichting, voor zover ik dat natuurlijk kan beoordelen, toch relatief lijkt te zijn. Jezus zou hierop wel eens de uitzondering kunnen zijn.
Die eventuele sprongsgewijze verdieping, waarbij je met een steeds groter deel van je wezen de waarheid van de cursussen kunt aanvoelen, wordt in Een Cursus van Liefde heelheid van hoofd en hart genoemd, kortweg: “heelheid-van-hart”. Waarschijnlijk is ieders weg hierin uniek. Ik kan alleen in grote lijnen aangeven wat voor mij in deze fase van verdieping behulpzaam is.
Jarenlang moesten verschillende concepten als het ware botsen in mijn hoofd en daar onrust veroorzaken. Ik meende onoverbrugbare verschillen te zien, bijvoorbeeld tussen het christelijk geloof en Advaita, en ik zag mezelf voor de keuze gesteld. Dit proces beschreef ik eerder als het doormaken van loopings; dan weer was ik overtuigd van A, dan weer van B, dan weer van A, et cetera. Totdat de relativiteit van wat ik aanduid als conceptuele waarheden in een sprongervaring een stukje duidelijker voor me werd. Ik verwoordde dit in het boek “Een Christen op Satsang”. Dit voelde als een opluchting, als een soort verlichting. Toch bleek het slechts een stapje op een weg die ik nog steeds bewandel. Een wandeling die minder gehaast en minder streberig is geworden, en waarbij ik leer te genieten van het wandelen zelf in plaats van ernaar te streven de ingebeelde plaats van bestemming zo snel mogelijk te bereiken.
De boeken van Bernardo Kastrup helpen me om via logische stappen af te dalen in de subjectieve aard van de werkelijkheid. Hierin lijkt een paradox te zitten. Bernardo benadert de grote vragen van het leven (wat is de werkelijkheid, God, mijn plaats in het geheel, et cetera) met denkkracht en geeft aan niet “verlicht” te zijn of zo. Hij biedt dus een “derdepersoonsperspectief”: beschouwend, als het ware van buitenaf. Hij voert gesprekken met Rupert Spira, iemand die vanuit ervaring en een eerstepersoonsperspectief spreekt, en samen komen ze verder. Zo komen ze tot een soort heelheid-van-hart ervaring. Mooi om naar te luisteren.
Onlangs zag ik een video waarin de visies van Spinoza en Carl Gustav Jung naast elkaar werden gelegd. Dit had hetzelfde effect op mij. Spinoza ziet God en de natuur niet als van elkaar gescheiden. Ik ken zijn werk nauwelijks, moet ik erkennen, maar zijn insteek kwam, althans in deze video, op mij over als “van buitenaf”, dus weer dat derdepersoonsperspectief. Jung komt tot dezelfde en aanvullende inzichten “van binnenuit”, dus weer het eerstepersoonsperspectief, hoewel hij dit haast wetenschappelijk, dus beschouwend, weet te duiden.
Het fijne is echter dat je, naarmate je eigen heelheid-van-hart zich verdiept, steeds makkelijker aanvoelt wat anderen proberen te duiden en te beschrijven. Een heel prettige bijwerking is dat zaken die ik eerst als conflictueus zag, op hun plek vallen. Dat betreft ook en vooral vermeende strijdpunten binnen de cursusgemeenschap. Zonder in details te verzanden, kun je zeggen dat het bijvoorbeeld de visie van Ken Wapnick versus die van Robert Perry betreft, of die van Een Cursus in Wonderen-leraren die menen te moeten ageren tegen het boek Een Cursus van Liefde.
Ik heb overwogen of ik oudere blogs die ik over deze kwesties schreef van mijn website zou moeten halen. Maar afgezien van het feit dat dit onbegonnen werk is, besloot ik het niet te doen. De blogs illustreren mijn eigen weg en de kwesties waarmee ik worstelde. Ook lezers van blogs kunnen menen te moeten kiezen tussen A en B, en wellicht moet deze strijd er eerst zijn om er vervolgens moe van te worden en de onzinnigheid ervan te kunnen doorzien. Het blijft in mijn beleving een functie hebben om uitgedaagd te worden door een ogenschijnlijk tegengestelde visie als je jezelf vastklampt aan een bepaald standpunt.
Deze aanpak vormt ten slotte ook de basis van ECIW, waarin het denksysteem van het ego door elkaar wordt geschud en afgebroken. Ons hoofd, ons denken, is niet inherent schuldig aan verwarring, maar helaas wat arrogant geworden. Wat afgescheiden van de heelheid, losgezongen van het hart. Het is prima als het even oververhit raakt, zolang het hieruit de juiste les trekt, zijn eigenlijke plaats vindt en als het ware onder curatele van het hart komt te staan.
Zodra het hoofd zich voegt naar het hart, naar de Liefde, blijken zelfs hoofd en hart geen A-en-B-kwestie meer te vormen, maar als mannelijkheid en vrouwelijkheid samen vrucht te kunnen dragen. Dan wordt het kerstkindje geboren: klein en teder. Dit kindje mag groeien in eenieder van ons en hopelijk in velen, opdat de wereld zachter en liefdevoller mag worden.
In programma’s van de EO komt regelmatig de vraag voorbij: “Geloof je in God?” De antwoorden variëren van “ja” en “nee” tot “ik geloof wel dat er iets is”.
Wie ooit een communicatiecursus heeft gevolgd, weet dat deze vraag in de categorie “gesloten vragen” valt. Op zulke vragen volstaat een kort antwoord; ze nodigen niet werkelijk uit tot een goed gesprek.
Bij het beantwoorden van de vraag “Geloof je in God?” zoeken mensen het antwoord al snel in hun hoofd. Ongemerkt geven ze dan een antwoord dat losstaat van hun gevoel of, beter gezegd, van hun hele wezen. In het hoofd van de ondervraagde ontstaat een beeld van wat hij of zij onder “God” verstaat. Niet zelden is dat het klassieke godsbeeld uit de Bijbel: een God buiten ons, die ons gemaakt zou hebben en ons gedrag goedkeurt en beloont of afkeurt en bestraft. Als dit concept ons niet aanspreekt en ons, terecht, ongeloofwaardig voorkomt, antwoorden we dat we niet in zo’n God kunnen geloven. Daarmee kan de kwestie voor de ondervraagde zijn afgedaan: “Ik geloof niet in God en ga nu over tot de orde van de dag, tot het echte leven.”
Het zou al een verbetering zijn als we een opener vraag stelden: “Hoe kijk jij naar God?” Hoewel het antwoord nog steeds direct door een negatief godsbeeld kan worden bepaald en iemand meteen kan zeggen niet in God te geloven, neemt de kans op een genuanceerder en uitgebreider antwoord toe. Vaak klinkt dan de eerdergenoemde reactie: “Ik geloof wel dat er iets is.” Het waardevolle van dit antwoord is dat er al iets van gevoel in doorklinkt en dat iemand minder bevooroordeeld is en meer openstaat voor nieuwe inzichten en ervaringen.
Juist omdat zoveel mensen op conceptuele wijze over God “nadenken” en daarbij stuiten op onbewuste vooroordelen die voortkomen uit een geloof in afgescheidenheid — ik hier en God daar — vermijden veel stromingen het beladen woord “God” en kiezen ze liever een andere term. Denk aan de Bron, de Oorsprong, de Natuur of het Al. Deze termen roepen direct een gevoel van verbondenheid en relatie op. Je bent immers verbonden met jouw bron, jouw oorsprong, de natuur en het al. Zelfs het bezittelijk voornaamwoord “jouw” benadrukt die verbondenheid.
Jezus heeft in het Nieuwe Testament geprobeerd het stoffige, conceptuele godsbeeld te vervangen door een doorleefde, relationele en warme term: “Abba”. Een dominee legde mij ooit uit dat zelfs de vertaling “Vader” nog te afstandelijk is; “Papa” zou beter zijn. Het risico blijft echter dat mensen die een moeizame relatie met hun biologische vader hebben gehad, opnieuw met een beladen term worden geconfronteerd.
In Een Cursus in Wonderen (ECIW) vernieuwt Jezus niet alleen ons godsbegrip, maar stoft hij ook veel Bijbelse termen af: vergeving, zonde, Heilige Geest en verlossing krijgen een nieuwe, frisse en vreugdevolle betekenis. ECIW is zo’n dik boek omdat het kennelijk veel moeite kost om ons vastgeroeste, door vooroordelen beheerste denken te herprogrammeren en open te breken, zodat er een frisse wind — een helende geest — doorheen kan waaien. Wie de 365 werkboeklessen dagelijks volgt en op 1 januari met les 1 is begonnen, is nu bij les 277 aangekomen. Zoals in elke les klinkt ook vandaag de boodschap van vrijheid door. Zo staat er: “Uw Zoon is vrij, mijn Vader.” Ik durf te stellen dat een christen die ECIW onbevangen leest, haast niet anders kan reageren dan met blijdschap en herkenning. In ECIW spreekt de Jezus uit het Nieuwe Testament opnieuw, met een warm en liefdevol gezag. De krachtige werkboeklessen en affirmaties schudden ons wakker, waardoor de korst van een verhard en conceptueel bijgeloof kan openbreken en goddelijk licht, liefde en warmte kunnen binnenstromen.
Er ontstaat een beweging van hoofd naar hart. ECIW heft blokkades op die we zelf hebben opgeworpen tussen ons en God, de Bron, Liefde en het Al. In werkboekles 277 klinkt dat als volgt: “Laat ik me niet verbeelden dat ik hem (= de Zoon, wie we echt zijn) heb gebonden met de wetten die ik heb gemaakt om het lichaam te regeren.” Deze wetten berusten op ons vaste geloof in afgescheidenheid: het geloof dat we kwetsbare, lichamelijke en sterfelijke wezens zijn die moeten opzien tegen een strenge God buiten onszelf.
In het vervolg op ECIW, Een Cursus van Liefde (ECvL), wordt het feest compleet. Al lezend groeit ons gevoel van verbondenheid met de Vader, met Jezus en met elkaar. We worden heel letterlijk en daadwerkelijk geheeld: heelheid van hart. Het gevolg is dat je bijna moet lachen wanneer iemand vraagt of je in God gelooft. Je weet je immers steeds meer gedragen door de kracht van Liefde. Je voelt je daadwerkelijk verbonden met de Bron en met de Vader. De vraag wordt dan net zo onzinnig als de vraag of je in je vader, moeder, kinderen of beste vriend gelooft: “Ik weet dat ze bestaan en ik voel mijn liefde voor hen; wat is dit toch voor een gekke vraag?”
De vraag “Geloof je in God?” en vooral de manier waarop velen daarover gaan “nadenken”, laten zien dat we helaas zijn losgeraakt van ons diepe besef van verbondenheid met God, de Vader, de Bron, Liefde en elkaar. Het is eigenlijk geen vraag, maar een symptoom van de vervreemding van onze tijd. De tijd is aangebroken om deze vraag te vervangen door een getuigenis: “Ik vertrouw mijn Bron en ik vertrouw jou, mijn broeder, mijn zuster, omdat wij één zijn.” Of, zoals ECvL het zo mooi verwoordt: “We zijn elkaars eigen.”
Gisteravond woonde ik een lezing bij van een dierbare broeder over het thema ‘Ken uzelf’. Een uur lang sprak hij bevlogen en deelde hij zijn inzichten met muziek, uitleg, schema’s en symbolen. Ik was moe en had moeite om zijn gedachtegang te volgen en te doorvoelen. Toch merkte ik hoe oprecht hij zijn inzichten en ervaringen met zijn publiek wilde delen. Zijn boodschap kwam het directst bij mij binnen toen hij muziek liet horen en ons vroeg de ogen te sluiten.
Vanmorgen dacht ik hierdoor aan een opmerking van iemand in een Facebookgroep, die het taalgebruik in Een Cursus van Liefde (ECvL) wat ‘wollig’ noemde. Ik besefte opnieuw hoe gebrekkig onze communicatie vaak verloopt. Daarbij zijn steeds twee partijen betrokken: de zender en de ontvanger. Beiden brengen hun eigen inzichten en ervaringen mee, waaruit een uitwisseling kan ontstaan. Omdat die inzichten en ervaringen in de loop van de tijd veranderen en hopelijk verdiepen, kan ook ons begrip van een boodschap veranderen.
Dat merk ik sterk bij zowel Een Cursus in Wonderen (ECIW) als ECvL. ECIW wordt in eerste instantie vaak gezien als een training voor de denkgeest. Wanneer we het boek voor het eerst openslaan, proberen we het vooral te begrijpen. We denken na over de betekenis van wonderen, zonde, vergeving en verlossing, om maar enkele termen te noemen. Gelukkig biedt ECIW voldoende handvatten voor studie. Zo zijn er leraren die met uitgebreide schema’s de metafysica van ECIW proberen uit te leggen. Dat oogt aangenaam concreet: een wonder is een uiting van liefde, zonde is het geloof in afgescheidenheid en vergeving is niet langer geloven in de droom. Het blijft een hele kluif om overzicht te krijgen, maar wie volhoudt, kan zijn verworven begrip uiteindelijk aan anderen proberen uit te leggen.
Vrijwel iedere ECIW-student zal al snel merken dat intellectueel begrip behulpzaam kan zijn, maar dat het daar niet bij blijft. Er ontstaat een overkoepelend inzicht, waardoor je verbanden gaat zien tussen begrippen die aanvankelijk los van elkaar leken te staan. Ten diepste krijg je gevoel voor de waarheid achter de woorden. Dat gevoel groeit door de ervaringen die voortkomen uit het toepassen van de werkboeklessen. Je hoeft dan niet langer te piekeren over de betekenis van cursustermen; ze beginnen voor je te leven.
Bij een herlezing van ECIW merk je dat je met nieuwe ogen leest. Misschien denk je: ‘O, nu snap ik het pas!’ Veel studenten herkennen die bijzondere ervaring. Al snel blijkt ook dit slechts een tussenstadium, want bij een volgende herlezing komt dezelfde gedachte op, en daarna opnieuw. De tekst blijft dezelfde, maar jij, de ontvanger, verandert en groeit. Daardoor lijkt de boodschap telkens nieuw.
Bij ECvL ervaar ik dit nog sterker. Het woord ‘wollig’ paste ook bij mijn eerste lezing. Gaandeweg groeide echter mijn diepe bewondering voor de manier waarop Jezus in de tekst met ons in gesprek gaat. Zijn woorden sluiten op indrukwekkende wijze aan bij de gebeurtenissen in mijn leven en de ervaringen die daarmee samenhangen. Het lijkt wel maatwerk, volledig toegesneden op wat zich in en door mij voltrekt. Steeds weer denk ik: ‘Wat slaat hij hier de spijker precies op zijn kop.’ Het zogenaamd wollige taalgebruik blijkt juist van een onvoorstelbare precisie. Er staat geen woord te veel.
Dan is er nog iets wat me met blije verwondering vervult: ECIW en ECvL beginnen in elkaar over te vloeien. In ECvL zegt Jezus dat ‘mind’ en ‘heart’ een eenheid vormen. In het Nederlands is ‘mind’ vertaald als ‘denkgeest’. De vertalers moesten een keuze maken, en voor die keuze valt veel te zeggen. Gaandeweg ontdek je echter dat ons aardse, conceptuele denken tekortschiet om werkelijk inzicht te bieden. Daarin schuilt iets dubbels: hoewel woorden diep inzicht nooit volledig kunnen weergeven, kunnen we bijna niet anders dan ze toch gebruiken. Daarom is het niet verstandig ons eraan vast te klampen of een beperkt intellectueel begrip als het hoogst haalbare te beschouwen.
ECIW spreekt over de Gedachten die je met God denkt, en ECvL over de kunst van het Denken. Beide wijzen op een verandering van bron. Ons kleine zelf kan met woorden slechts beperkte beelden vormen. Op een gegeven moment komen gedachten echter uit een diepere laag, uit onze Bron. Dan worden verbanden niet alleen gezien, maar ook doorleefd, en vallen allerlei zaken op hun plaats. Daarvoor hoeven we niet te zwoegen of te presteren. Zoals beide cursussen zeggen, mogen we terugtreden als onze eigen leraar.
Misschien zegt het oordeel ‘wollig’ daarom minder over de tekst dan over het moment waarop we haar lezen. Woorden die eerst ontoegankelijk lijken, kunnen later precies benoemen wat we intussen zelf hebben ervaren. De tekst is dan niet veranderd; onze manier van luisteren wel. Zoals bij de muziek tijdens de lezing kan een boodschap ineens voorbij het denken raken en herkenning oproepen. Op zo’n moment hoeven we de woorden niet meer vast te pakken. We laten ze binnenkomen.
Een Cursus in Wonderen (ECIW) vergt van zijn lezers de nodige intellectuele arbeid. Daarom stellen sommige critici dat de cursus je “naar je hoofd trekt”. En dat kan ook zeker gebeuren. Toch vind ik de cursus ervaringsgericht. Je kunt proberen te begrijpen waarom het vellen van een oordeel over anderen jouzelf geen goed doet, maar als je een beetje oplet, kun je ook direct voelen wat het vanbinnen met je doet. Hetzelfde geldt voor vergeving zoals de cursus deze onderwijst. Je kunt simpelweg opmerken dat je je blijer voelt als je in de ander geen dader ziet, maar een mogelijk verward en toch liefdevol Kind van God herkent. ECIW vraagt dus niet om een keuze tussen een benadering via het hoofd of via het hart; beide zijn betrokken bij het doen van de cursus.
In Een Cursus van Liefde (ECvL) wordt het prachtig verwoord: het hoofd dient onder curatele van het hart geplaatst te worden. Als dat gebeurt, is er sprake van eenheid van hoofd en hart; kortweg aangeduid als heelheid-van-hart. Om te voorkomen dat je hoofd nu protesteert, voeg ik graag toe dat hoofd (mind) en hart (heart) geen gescheiden zaken zijn. Juist omdat wij in deze termen denken, gebruikt Jezus ze om ons het een en ander uit te leggen.
Ik moest aan deze hoofd-en-hartkwestie denken toen ik nadacht over onze relatie met de Heilige Geest. Ik heb daar meerdere blogs over geschreven en aanvankelijk gebeurde dit volgens een patroon dat ik onbewust vaker volg. Als iemand stellig beweert: “het is A!”, dan heb ik de neiging om te roepen: “nee hoor, B kan ook!”; en omgekeerd.
Dus toen een bekende cursusleraar stelde dat de Heilige Geest geen aparte “entiteit” binnen de Drie-eenheid is, maar onze herinnering aan eenheid, voelde ik me (in lijn met de visie van Robert Perry) geroepen om te protesteren. Die omschrijving voelde voor mij te klein en ik zag het risico dat we, vanuit ons geloof in afgescheidenheid, minder geneigd zouden zijn om ons over te geven aan de leiding van zoiets als onze herinnering. Deze omschrijving maakte de Heilige Geest voor mij te klein, te beperkt, te menselijk.
Maar ook het omgekeerde voelt voor mij niet goed. Als leraren beweren dat de Heilige Geest apart door God geschapen is en ons als aparte entiteit te hulp kan komen, dan is zijn grootsheid wel gered, maar sluipt er een afstandelijkheid naar binnen die wringt. Weliswaar groeit mijn bereidheid om me over te geven aan de Heilige Geest wanneer deze wordt voorgesteld als een soort afgezant van God, maar er treedt ook vervreemding op en daarmee een soort niet-pluisgevoel.
In ECvL wordt voor de Heilige Geest de term “intermediair” gebruikt en er wordt gesteld dat de tijd van de intermediair voorbij is. Nu is het moment om direct vanuit het Christusbewustzijn te gaan leven. En dat gebeurt ook meer en meer, maar nu wordt het lastig om de juiste woorden te vinden.
Het is namelijk gemakkelijk om van een uitspraak te zeggen dat deze niet klopt en dat er ook iets waars zit in het schijnbare tegendeel ervan. Maar zodra je woorden probeert te geven aan hoe het voelt om geleid te worden door de Heilige Geest, of om te leven vanuit het Christusbewustzijn, wordt het lastiger. Toch doe ik een poging.
Want wat er vanuit onze Bron, die Liefde is, door mij heen stroomt, is altijd hetzelfde geweest. Het is het perspectief van waaruit ik deze stroom ervaar dat een schijnbaar onderscheid maakt. Als ik mezelf vooral vanuit een (onbewust) gevoel van afgescheidenheid wil overgeven, helpt het me om me toe te vertrouwen aan iets dat groter is dan mijn kleine zelf. Dan helpt het mij, en dit is persoonlijk, om Hem als anders en groter dan mijn kleine zelf te zien. Ik neem dan als het ware genoegen met een wat duaal beeld van de Heilige Geest, omdat dit simpelweg voor mij werkt.
Wanneer ik mijn hart op die manier durf te openen voor Liefde, ontdek ik dat deze Liefde mijn Basis is, mijn Bron, en dat zij dus niet los van mij staat maar mij draagt. Deze Liefde is intiemer met mij dan wat dan ook; zij draagt mij en omarmt mij.
Nu ik toch zo aan het stamelen ben, stamel ik nog even verder. Aanvankelijk leek het een soort stappenplan. Ik liep ergens tegenaan, merkte onrust op en zag tegelijk dat ik daar zelf weinig aan kon doen. Ik riep de hulp in van de Heilige Geest, vertrouwde op Hem en na enige tijd verzachtte ik wat.
Maar gaandeweg treedt er een soort onmiddellijkheid op. Liefde draagt mij een situatie binnen, ontmoet deze en gaat er direct een intieme relatie mee aan. Gebeurt dit altijd zo makkelijk, snel en harmonieus? Nee hoor; zeker niet. Oude ego-patronen zijn mij niet vreemd en op zulke momenten val ik ontspannen terug op mijn stappenplan. Ik erken dan dat ik er zelf natuurlijk weer eens niet veel van bak, dat ik mezelf beschuldig en veroordeel, en meer van dit soort ongein.
Gelukkig breekt de glimlach sneller door, samen met het besef dat het hele duale rattenplan liefdevol gedragen wordt door Liefde. Het gevoel zelf iets voor elkaar te moeten boksen, slinkt als sneeuw voor de Zon. Tegelijkertijd groeit de dankbaarheid hiervoor. “Neem ontslag als je eigen leraar” voelt als genade, als verlossing. Ik mag minder worden, Hij zal groeien. En dat blijkt mijn grootste geluk. Paradoxaal, maar waar.
Ik bekeek een video met een recente toespraak van Willem Glaudemans, medevertaler van Een Cursus in Wonderen (ECIW) en een gerespecteerd cursusleraar van het eerste uur. Hij sprak daarin over lichamelijke ziekteverschijnselen en herinnerde aan een centrale gedachte uit de cursus: ik ben niet dit lichaam. Die herinnering kan bijzonder behulpzaam zijn. Zij kan ons bevrijden van de neiging om onszelf of anderen schuldig te verklaren aan lichamelijke pijn, ziekte of ongemak. De hele bedoeling van ECIW is immers juist dat we de pijnlijke, onheilige driehoek van zonde, schuld en angst leren doorzien als de bron van onze nachtmerrie.
Tegelijk merkte ik dat juist deze ogenschijnlijk bevrijdende gedachte ook een nieuwe spanning kan oproepen. Wanneer ik ben niet dit lichaam te eenzijdig of te afstandelijk wordt opgevat, kan er ongemerkt opnieuw een tweedeling ontstaan: hier het lichaam, daar de geest; hier het ego, daar het ware zelf. Iets vergelijkbaars proef ik soms in de manier waarop over het ego wordt gesproken, alsof het iets is waar we afstandelijk naar kunnen kijken of ons van moeten ontdoen, terwijl precies die afstandelijkheid opnieuw een subtiele vorm van dualiteit kan worden.
Het is vanuit het nadenken over dit soort vragen dat ik deze blog schrijf. Willems video bracht mij opnieuw bij een bredere vraag die na vijftig jaar A Course in Miracles actueel blijft: hoe bewaren we de radicale bevrijding van non-dualiteit zonder haar te laten verharden tot een hyperabstract systeem? Hoe voorkomen we dat “niet twee” ongemerkt verandert in een nieuw dogma van “alleen maar één”?
De cursus beoogde, en beoogt nog steeds, een foutief duaal beeld dat we hebben van God en van onszelf te corrigeren. Dat beeld bestaat uit het geloof dat God ons en de wereld heeft gemaakt, dat wij ongehoorzaam werden en ons vervolgens van Hem afkeerden. Daarmee zou de mens fundamenteel zondig zijn en straf verdienen. Om dit belastende, duale Godsbeeld te ontmantelen, is destijds een zo kernachtig mogelijke versie van ACIM uitgegeven: de zogenoemde Foundation for Inner Peace (FIP)-versie.
Die krachtige versie was nodig om ons diep verankerde duale Godsbeeld aan het wankelen te brengen. Je kunt deze aanpak heel kort samenvatten met de slogan: “niet twee, maar één!” ACIM was en is primair bedoeld om ons geloof in dualiteit te doorbreken. Je zou dit als volgt kunnen samenvatten:
Alleen Geest is werkelijk.
Tijd, ruimte en vorm zijn illusies.
God en Zijn Zoon zijn onverdeeld één.
De afscheiding heeft metafysisch nooit plaatsgevonden.
God kent de fysieke wereld van vorm niet.
Er bestaat geen afgescheiden ‘ander’.
De uiterlijke wereld is louter een droom van de gespleten denkgeest
Ik heb deze krachtige en absolute visie eerder omschreven als hyperabstract eenheidsdenken. Die krachtige taal had haar functie: zij hielp om ons geloof in afgescheidenheid, ook wel het “geloof in het ego”, te verzwakken en te doorbreken.
Ongeveer twintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie begon met name Robert Perry erop te wijzen dat deze visie weliswaar waardevol was, maar mogelijk absoluter en abstracter dan de oorspronkelijke tekst die Jezus aan Helen Schucman had gedicteerd. Vanuit de kring rond de FIP-editie kwam stevig verzet tegen dit kritische tegengeluid, uiteindelijk zelfs in de vorm van juridische procedures.
Ongeveer vijfentwintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie verscheen A Course of Love (ACOL). Dit boek is enkele jaren geleden in Nederland verschenen als Een Cursus van Liefde (ECvL). Het spreekt naast ons verstand ook ons hart aan, waardoor de toon minder hyperabstract, zachter en intuïtiever is. Ook hierop volgde stevige kritiek vanuit de hoek van de FIP-uitgevers. Hun zorg was dat wij mensen de neiging hebben om de strenge non-duale boodschap van ECIW af te zwakken en er een verwaterd compromis van te maken.
En die zorg is niet zonder grond. Wij mensen hebben die neiging ongetwijfeld, en het is goed om daar alert op te blijven. Tegelijkertijd bestaat er volgens mij ook een andere neiging die ons — en helaas ook sommige ECIW-leraren — gemakkelijk als blinde vlek parten kan spelen. We kunnen ons eigen verstand heilig en maatgevend verklaren en daarbij vergeten dat ons menselijk denken zelf duaal van aard is. Ons denken laat maar beperkt ruimte voor het onbegrijpelijke, voor het mysterie van de schepping.
Daarom lijkt het mij belangrijk dat aanhangers van hyperabstract eenheidsdenken opnieuw stilstaan bij de subtiliteit van het begrip non-dualiteit; letterlijk: “niet twee”. “Niet twee” is toch gewoon één? Waarom spreken we dan over non-duaal en niet simpelweg over eenheid? Het antwoord is dat ook “één” de lading niet volledig dekt. Wanneer je zegt dat alles één is, kan er nauwelijks nog ruimte overblijven voor het mysterie van schepping. Schepping verwijst juist naar dat wonder waarbij binnen eenheid toch iets kan worden ervaren dat aanvoelt als twee. En dat “gevoel” verdient het niet om te snel te worden weggezet als een menselijke tekortkoming of als een illusie die zo snel mogelijk ontkend moet worden.
Misschien had zo’n radicale, hyperabstracte eenheidstheorie ooit haar functie in het corrigeren van ons bijgeloof in de absoluutheid van twee, maar we hoeven daar niet in door te schieten. Die twee is onderdeel van het wonder van ons bestaan en onlosmakelijk verbonden met — en opgenomen in — één.
Daarbij ligt er volgens mij nog een subtieler gevaar op de loer. Het gevaar zit zowel in verwatering als in het maken van een abstracte leerstelling van non-dualiteit. ECIW is niet bedoeld als een systeem van ideeën dat we correct moeten leren begrijpen. De woorden en ideeën van de cursus hebben uiteindelijk geen waarde als ze alleen maar ons denken vullen met een ander, spiritueler wereldbeeld. Hun functie is dat we ze werkelijk gaan leven en dat ze ons helpen om anders te gaan kijken, anders te gaan ervaren en ons in het dagelijks leven te openen voor wat waar is.
Een nuancering van de eerdere opsomming zou dan als volg klinken:
De fysieke wereld is een waardevolle expressie binnen de geestelijke werkelijkheid.
Tijd en vorm zijn leermiddelen op weg naar de verheffing van het Zelf.
God en de Zoon zijn in liefdevolle eenheid én relatie verbonden.
De schepping is geen verleden fout, maar een voortdurend gebeuren in het heden.
God openbaart Zich direct in en door de menselijke ervaring.
Mens en medemens ontmoeten elkaar in een heilige, onafscheidelijke relatie.
Binnenwereld en buitenwereld weerspiegelen elkaar (“Zo binnen, zo buiten”)
Ook dit zijn woorden die per definitie tekortschieten, maar ze kunnen helpen voorkomen dat we als ECIW-studenten wegvluchten in een collectieve spirituele bypass. Dan zouden we onszelf in feite opnieuw verliezen in een duaal geloof, doordat we onze menselijke ervaring loskoppelen van wat we als geestelijke realiteit zien.
Misschien is daarom de belangrijkste vraag niet of we “twee” of “één” moeten geloven. Want ook “één” kan een concept worden waarachter we ons verschuilen. De werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer we stil genoeg worden om niet langer vast te houden aan onze ideeën over wat de werkelijkheid zou moeten zijn. Is “niet twee, maar één” uiteindelijk een waarheid die je moet geloven — of een uitnodiging om zó stil te worden dat je zelf ontdekt dat er inderdaad nooit twee zijn geweest?
Ik eindig met een mooie passage uit ECvL die dit kernachtig samenvat:
“Vervolgens heb jij jezelf nog meer in verwarring gebracht door te accepteren dat je uit twee zelven bestaat: een ego zelf, dat wordt vertegenwoordigd door het lichaam en een spiritueel zelf, dat de vertegenwoordiger is van een onzichtbare wereld waarin je kunt geloven maar waar je geen deel van kunt uitmaken. Daarmee heb je het ego en de geest lijnrecht tegenover elkaar geplaatst in een conflict waarin het ego vecht tegen een onzichtbare interne vijand. […] De waarheid verenigt. Zij verdeelt niet.”