Met wortel en al (deel 2)

Gisteren stelden we vast dat we ECIW willen gebruiken om van lichamelijke pijn en ziekte af te komen (zie deel 1). Hoewel dit begrijpelijk is en niet fout of zelfs zondig, krijgen we met deze wens toch niet de wortel boven de grond die de werkelijke oorzaak is van ons lijden binnen onze (droom)wereld. Vandaag duiken we dus dieper. Dit doen we door een vreemde kwestie te onderzoeken, de kwestie van onze “wil”.

Onze “gewone wil” is hetzelfde als onze kleine “droom-wil”. Deze droom-wil is gebaseerd op de vaste overtuiging dat we lichamelijke wezens zijn. Dat “lichamelijke” moeten we hierbij zo breed zien als we maar kunnen. Nu zal ik even abstract klinken maar probeer alsjeblieft bij me te blijven. Ons vaste geloof, onze stellige overtuiging is dat we begrensde, tijdelijk wezens zijn die losstaan van andere mensen en zelfstandig, met een eigen wil, rondlopen op deze planeet. De begrenzing betreft niet alleen ons fysieke lichaam (mijn lichaam) maar ook de gevoelens (mijn gevoelens), de gedachten (mijn gedachten) en zelfs zoiets als de spirituele lichamelijkheid (mijn Zelf). Kijk eens voor een moment “naar binnen” om hier feeling mee te krijgen. Voel als het ware je geloof in afgescheidenheid van alles om je heen.

Jij voelt immers pijn? Jij doet toch immers ECIW? Jouw lichaam doet toch pijn? Jij moet toch iets doen om te genezen? Anderen hebben toch niet jouw last te dragen? Jij zit nu toch te puzzelen wat deze schrijver nu precies wil zeggen? Jij moet dit toch zien te begrijpen? Enzovoorts.

We gaan nog dieper. Ons idee van onszelf is dus vrijwel helemaal gebaseerd op het geloof in deze vanzelfsprekend lijkende echtheid van ons lichamelijke (in de breedste zin) afgescheiden zelf. Het is uiterst belangrijk om hier niet te snel verstandelijk “ja” of “oké dan” tegen te zeggen maar om dat diepe geloof in de echtheid van dat afgescheiden “ikje” in al zijn facetten te doorvoelen. Erken dat je ten diepste jezelf een afgescheiden, kwetsbaar wezentje voelt dat een tijdje mag leven in tijd en ruimte maar dat helaas tijdens zijn of haar leven gekweld kan worden door pijn en ziekte en dat helaas uiteindelijk, hopelijk pas na een jaar of 100, toch zal sterven. Voel je hoe diep de wortels van dit geloof in lichamelijkheid reiken? Hoe enorm “echt” en vanzelfsprekend dit voor je voelt?

Dan is het nu tijd voor een stukje metafysica. Jezus wijst ons er in ECIW op dat onze ware Identiteit anders is en niet met ons alledaagse droom-gevoel overeenstemt. Hij spreekt wonderlijke woorden hierover die voor ons, vanuit ons geloof in afgescheidenheid, niet echt voorstelbaar zijn. Hij beweert dat we scheppingen zijn van de liefde (Zonen van de Vader) en dat we onbegrensd zijn en niet gebonden door tijd en ruimte. Sterker nog, hij zegt dat tijd en ruimte niet bestaan, dat er slechts tijd- en ruimteloosheid is en dat dit ons ware Thuis is. We zijn grenzeloos, tijdloos, ruimte-loos. We zijn een mysterie.

Onze woorden schieten tekort omdat ze gebaseerd zijn op- en voortkomen uit onze droomwereld van tijd en ruimte. Het zijn begrensde concepten waarmee we proberen te wijzen op iets (eigenlijk juist een een niet-iets) dat tijd en ruimte te boven gaat en grenzeloos en eeuwig is. Wij kunnen slechts woorden gebruiken die gebaseerd zijn op tegenstellingen die er niet zijn. Bij eeuwig leven denken we bijvoorbeeld toch aan heel lang leven in tijd en ruimte. Een wijze zei ooit dat woorden zijn als een vinger die wijst naar de maan. Wij staren naar de vinger die ons zo bekend is maar worden gevraagd als het ware door dit symbool heen te kijken en te beseffen dat de vinger zelf niets voorstelt. We moeten ons hoofd opheffen en omhoog kijken.

Wordt vervolgd. Wat is de ware Wil? Wat is ons geheime doel als we, zoals de Cursus zegt, “vergeten te lachen om de droom”. En vooral: hoe nu verder?

Advertenties

Met wortel en al (deel I)

 

Het vergt radicale eerlijkheid ten opzichte van onszelf om te zien wat het nu is dat we echt zoeken. Zolang er niks aan de hand is, kabbelt ons leven lekker verder maar dat verandert wanneer we geconfronteerd worden met een probleem. Laten we pijn of een lichamelijk ongemak als slapeloosheid noemen als voorbeelden die iedereen wel kent. Onze agenda is op zo’n moment heel eenduidig: we willen dat het probleem opgelost wordt, we willen er vanaf. Het ongemak lijkt ons te overkomen, we willen het niet en het moet zo snel mogelijk weg.

Even pas op de plaats. Is de wens om van ongemak af te komen dan zo raar of verkeerd? Zeker niet en binnen ons droomleven mogen we “normaal” doen. Dat betekent dat we een boterham eten als we honger hebben, opzij stappen als er een auto aankomt, een pilletje nemen tegen de hoofdpijn en bij ernstigere klachten even langs de dokter gaan.

Maar vooral bij lichamelijke klachten komt voor ons, studenten van ECIW, ook de Cursus in beeld. Ze vormen een trigger om onszelf te onderzoeken en om vergevingslessen te leren. Ook nu moeten we oppassen dat we niet uit de bocht vliegen. Want spreken over “vergevingslessen” suggereert dat we ergens schuldig aan zijn , hiervoor gestraft worden door het ongemak, en dat we daarom iets te vergeven hebben. Hoewel in de Cursus de lichamelijke klachten inderdaad gekoppeld worden aan “schuld” is het verhelderend om te beseffen dat de Cursus hiermee bedoelt: “ons geloof in schuld”. We zijn dus allerminst schuldig maar geloven dat we schuldig zijn.

Als regel herkennen we dit helemaal niet. “huh, ik voel me nergens schuldig over en toch heb ik pijn..”. Hier hebben we het Tekstboek nodig dat licht schijnt op onze verborgen motieven. Want pas als we beseffen waar we onbewust mee bezig zijn en hoe dit leidt tot pijn en ziekte kunnen we kiezen voor echte genezing. Want echte genezing is genezing van een hardnekkig bijgeloof in de denkgeest. In dit bijgeloof ligt de wortel van wat we lijken mee te maken in de wereld, zoals het lijden aan ziekte en pijn.

Waarom moeten we zo diep graven? Moet ons dan eerst een schuldcomplex worden aangepraat? Maar oké dan maar, laat ik maar een beetje aan vergeven doen om van die pijn of van dat probleem af te komen. “Lieve Heer, hier ben ik. Neem de pijn alstublieft van me weg want ik heb er enorm veel last van”. Laten we onszelf hierbij eerlijk onderzoeken. Onderzoek met radicale eerlijkheid je motieven waarmee je de Cursus inschakelt. Wees dan voor jezelf zo eerlijk om telkens op te merken dat je simpelweg van de pijn af wilt om rustig verder te kunnen leven in een klachtenvrij lichaam. Dit is niet fout of stom maar een diep en eerlijk inzicht hierin opent de deur naar de denkgeest en het probleem hierin.

Wat is er dan echt aan de hand in die denkgeest? Wat is de wortel van het probleem en wat is de echte uitnodiging? Wordt vervolgd.

 

Wat zegt de Bijbel of Cursus hierover?

Gisteravond zag ik een programma over LHBT-ers die als kinderen opgroeiden in klassiek christelijke geloofsgemeenschappen. Wat een worsteling hebben deze mensen achter de rug. Mij trof de schrik en de aarzeling binnen conservatieve Biblebelt-gemeenten op het moment dat iemand “uit de kast komt”. Mag de persoon in kwestie nog belijdenis doen, werken met kinderen, optreden op het podium, deelnemen aan het heilig avondmaal enzovoort. De kerkleiding moet nu een standpunt bepalen dat gebaseerd moet zijn op de Bijbel, Gods woord. Nu wordt het dikwijls tenenkrommend. Men mag zich wel LHBT voelen maar het niet praktiseren. Soms worden er zelfs boekjes aangeboden waarin staat hoe genezing van de vreemde geaardheid kan plaatsvinden.

Te snel kunnen we als studenten van de Cursus menen dat we dit stadium gepasseerd zijn. Wij veroordelen LHBT-ers immers niet meer? Het zijn toch ook schuldeloze kinderen van onze Vader? Vervolgens veroordelen we de starre gelovigen of vragen we ons af wat de Cursus zegt over andere kwesties zoals ziekte en medicijngebruik, het eten van vlees en ga zo maar door. Staat hier iets over in de Cursus? Wat zeggen bekende Cursus-leraren hierover?

In genoemde serie sprak een dominee die een zoon had die op mannen bleek te vallen. De gemeenteleden vonden dat de dominee wel erg koos voor het standpunt van zijn zoon. Toen, heel mooi, zei de dominee dat het helemaal niet ging om het onderschrijven van een standpunt maar om de vraag of LHBT-ers een plaats mogen hebben in de gemeente. Mogen ze er helemaal bij horen? En nu naderen we wél de kern van de kwestie. Het gaat nooit om het vinden van een verstandelijke waarheid. Zo’n “wet” leidt tot oordelen en strijd. Wat wij ergens over denken, al dan niet gebaseerd op een Boek met hoofdletter B of op de mening van een dominee, leraar of priester, is totale willekeur en kan ons niet leiden op een manier die vrede biedt aan alle betrokkenen. Opvattingen  over goed en kwaad blijken te werken als  fragmentatiebommen die binnen de droom slechts schade aanrichten.

Gisteravond werd het Bijbels voorbeeld van de steniging van de prostituee  genoemd. Een boze menigte kwam met de vrouw naar Jezus en vroeg zijn akkoord om haar de doodstraf te geven die tenslotte voorgeschreven wordt door de Bijbel. “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”, sprak Jezus, en de menigte droop af. We kunnen deze gebeurtenis in eerste instantie verstandelijk en oppervlakkig tot ons nemen en beseffen dat wij vast ook wel morele smetjes hebben en daarom anderen niet mogen veroordelen. Maar de Cursus helpt ons op weg naar de kern van de zaak. “Zonde” wordt hierin veel breder getrokken en getoond als ons geloof in afscheiding. We menen los te staan van onze Vader en van onze broeders en zijn het besef, het gevoel van eenheid en verbondenheid kwijt geraakt. Het is niet fout om verward te raken als we geconfronteerd worden met iets “afwijkends” in de wereld waarin we menen te leven: een andere geaardheid, ziekte of een andere dreigend uitziende vorm. De hamvraag is hoe we reageren op dat nare, bedreigende gevoel. Ons ego-verstand zegt ons dat er een moreel goede- en foute manier is om te reageren maar het heeft geen benul hoe het nu verder moet. Dus gaat het naarstig op zoek naar “het antwoord” in de Bijbel of in de Cursus. Op zich prima om deze boeken open te slaan, maar de vraag is of de woorden die we hier lezen gebruikt worden om ons te laten leiden naar de liefde of dat we ze gaan hanteren als harde waarheden om deze vervolgens als stenen te werpen naar onze broeders.

Zodra we verward zijn en merken dat we op zoek gaan naar wat nu goed en wat nu fout is mogen we dit zien als een uitnodiging tot een vergevingsles in de niet-morele betekenis van het woord. Er zijn geen morele zonden die bedekt moeten worden met de mantel der liefde maar er is sprake van een vergissing waarin wij menen afgescheiden te zijn van onze broeders en van de wereld die we menen te zien. We mogen dit leren herkennen als het koesteren van onze denkbeeldig afgescheiden staat. Voel wat er van binnen met je gebeurt als je grabbelend op zoek bent naar wat goed en wat fout is en naar wat je dus zou moeten doen. Probeer door te krijgen dat je neiging om te veroordelen precies is wat het ego wil: het vieren van het hellefeest van afscheiding. En dan verrek je het simpelweg om hierin mee te gaan. Je laat de Bijbel en de Cursus je werkelijk inspireren in hun oproep tot het luisteren naar de Stem van de Heilige Geest. En deze Stem oordeelt nooit maar spreekt woorden ter genezing van onze eenzaamheid. Ze leert ons dat in de omarming van onze broeders niet (alleen) hun genezing schuilt maar evenzeer onze genezing. Wij mogen genezen worden van onze zonde, ons geloof in afscheiding. Wij mogen ons laten volstromen met de liefde die we zijn en dan zullen we weten, vanuit ons hart, wat we mogen doen in de ontmoeting met broeders en alle situaties in onze droomwereld. We mogen leren dat elk etiket dat we ergens op willen plakken en waar we een oordeel aan koppelen totaal nergens op slaat. Wat gebeurt er met ons als we geloven in de echtheid van etiketten als “LHBT” of “Biblebelt”? Hoe voelt dat? We slaan slechts onszelf nodeloos met stenen omdat we onze droom van afgescheidenheid overeind willen houden. Laat de HG elk etiket, elk oordeel, losweken opdat we mogen genezen en genieten van elke kleur van de regenboog.

Les 222: God is met mij. Ik leef en beweeg in Hem.

Vader, we hebben geen andere woorden op onze lippen en in onze denkgeest dan Uw Naam, nu wij in stilte in Uw Tegenwoordigheid komen en vragen om even in vrede te mogen rusten bij U.

Besef van diepe verbondenheid

Twintig dagen lang dezelfde titel in de herhalingslessen:

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij.

Kennelijk weet Jezus hoe hardleers we zijn en hoezeer we geloven dat we wél een lichaam zijn. Met “lichaam” kunnen we in eerste instantie aan ons fysieke lichaam denken. Dat wat we iedere ochtend in de spiegel zien. We zeggen zo makkelijk dingen als “ik word oud” of “ik ben wat dikker geworden”. Het eerste stapje in het loslaten van de identificatie met het lichaam is niet zo moeilijk om te zetten. Al snel klinken dan zinnen als: ik ben geen lichaam maar ik heb een lichaam.

Bij de volgende stap kijken we verder dan dat fysieke lichaam en raakt het inzicht ook onze gevoelens: ik ben niet bang maar er is angst die ik kan waarnemen, waar ik me bewust van kan zijn. En iets wat je kunt waarnemen kun je per definitie niet zien: er is dan immers een subject (de waarnemer die je bent) en een object, dat wat waargenomen wordt. Dat object kan een fysiek lichaam zijn, gevoelens en zelfs gedachten. Ook gedachten worden waargenomen en kunnen dus niet zijn wat jij ten diepste bent. We mogen de werkboekles dus heel breed trekken: ik ben niet een fysiek lichaam, noch een emotioneel lichaam, noch de gedachten die zo rondrazen in het hoofd.

Wat er gebeurt is een soort achteruit lopen. “Je” neemt steeds meer afstand tot wat zich voort lijkt te doen in bewustzijn. Je distantieert je als het ware van alles wat zich in deze wereld voortdoet, inclusief de sensaties van je lichaam, je gevoelens en gedachten. Enthousiast roep je dat niets je meer kan raken en dat je boven het slagveld zweeft. Het maakt je niks meer uit wat anderen van je vinden. Het valt me op dat broeders en zusters die vanuit deze gedissocieerde toestand leven zich soms totaal onaangepast kunnen gedragen. Dit is een oordeel, ik weet het, en niet meer dan mijn interpretatie van hun gedrag. Maar losgeslagen zijn is totaal wat anders dan innig verbonden zijn met je medemens en dit is ook zonder morele veroordeling duidelijk voelbaar in het contact met deze, totaal schuldloze, “verstandelijk verlichte” medemensen.

Het achteruitlopen en toezien op lichaam, gevoelens en gedachten kan behulpzaam zijn om enige ruimte te creëren. Het eindeloos vergroten van deze ruimte totdat “je” als verloren en losgeslagen astronaut ergens ver weg in de ruimte zweeft is echter geen realisatie, geen verzoening. Ik duid het graag aan met de term “doorgeslagen non-dualisme” en dit is in feite het toppunt van dualisme: een keihard puntje in een oneindige ruimte. Er mist nu iets in die ruimte die gecreëerd werd door achteruit te lopen. Er is uitsluitend gefocust op: “ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij”. Er staat echter iets achter: “Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij”. Je bent niet alleen waarheid maar ook liefde. Niet alleen verstand maar ook hart, in overdrachtelijke betekenis. Prima om met het verstand ruimte te maken maar verzet je niet tegen het binnenstromen van de liefde die je bent. Je bent de Zoon van de Vader, verbinding zoekend, liefdevol.

En dat voelt anders, totaal anders, niet alleen voor “jezelf” maar ook voor de mensen die op je pad gebracht worden. Van “binnenuit” merk je dat je niet een hard ikje bent dat naar buiten zit te loeren. Je merkt dat dit kleine zelf zacht wordt overgenomen door een liefdevolle Kracht die mysterieus is, maar vertrouwd. Je begint gevoel te krijgen voor die grote Wil en er groeit ware bescheidenheid omdat je merkt dat er 0% eigen verdienste aan te pas komt. Er vindt een shift plaats van “mijn wil geschiede” naar “Uw Wil geschiede”. En ja, ook dan kan je gedrag vreemd overkomen op je broeders. Maar onder dat “onaangepaste” gedrag is een liefdevolle intentie voelbaar en geen kille, harde afstandelijkheid.

Ik moet het bij mezelf houden en begeef me op glad ijs wanneer ik het heb over hoe je overkomt op anderen. Maar herken je het lieve lezer, herken je het voor jezelf? Er is een hemelsbreed verschil tussen duale dissociatie en non-duale liefdevolle en mysterieuze verbondenheid in eenheid. Het “ikje” dat mag doen en zich gedragen zoals het wil is een lofzang van het ego en gebaseerd op geloof in afscheiding. Het is niet moreel fout maar eerder triest, koud en eenzaam. “Vrij zijn” is het einde van geloof in dualiteit; het onderkennen dat jouw willetje een schijn-wil is en dat er geen grotere geluk bestaat dan het steeds dieper binnenkomen van het inzicht dat je echte Wil hetzelfde is als Zijn Wil. Daarin ligt echte vrijheid. Het is een mysterieuze paradox: totale vrijheid in het besef van totale verbondenheid en eenheid. We mogen 100% liefde geven om te beseffen dat we 100% liefde zijn.