Psychose of zelfrealisatie?

Vandaag staat in de Trouw een interessant artikel over Tim van Knoote die een psychose kreeg na gebruik van malariapillen in Ghana.

“Hij kon na de stem ineens de energie van mensen voelen. Liep over van inzichten en was alwetend. Hij zag kleuren zo helder en voelde intense eenheid met alles. Mensen, gebouwen, straten, deuren; ze liepen in elkaar over. Waar hij normaal barrières voelde, was alles nu ineens mogelijk”

Tim weigert dit als een ziekelijke aandoening te interpreteren en ziet het als een mooie, spirituele ervaring. Wat een fraaie illustratie van het verschil van perspectief tussen wat wij normaal noemen (de niveau II droomwereld) en waar we weinig benul van hebben (de niveau I werkelijkheid). Ik ben geen psychiater en wil allerminst psychoses in het algemeen als fraaie, spirituele ervaring neerzetten. Het gaat me in deze blog om onze gebruikelijke manier om over realisatie te denken.

Iets van de moeilijkheid om over de essentie van ECIW te spreken merkte ik eergisteren tijdens een filosofie-leeskring waar ik aan meedoe. Eén van de vragen van de avond was: “is de mensheid wreed”? Een lieve dame vond zichzelf niet wreed. Een ander trok het wat breder en wees op wat de mensheid de natuur aandoet. Bij mij borrelden ECIW-inzichten naar boven omtrent de liefde die we zijn en het geloof in afscheiding die de illusie van een wrede wereld met zich meebrengt. Maar probeer dat maar eens in een paar woorden uit te leggen.

“Ik geloof dat we liefde zijn maar dat we een kwaadaardige wereld projecteren met als doel om ons een afgescheiden entiteit te voelen. Dit kleine zelf kenmerkt zich door oordeel, aanval en verdediging en zou dus volgens de niveau-II criteria inderdaad als “wreed” bestempeld kunnen worden waarbij opgemerkt moet worden dat dit alles natuurlijk totaal illusoir blijft”.

Ik zwakte het maar behoorlijk af en gaf aan dat we het gevoel van verbondenheid met alles en iedereen wat kwijt zijn geraakt. Een niveau-II antwoord met de kiem van de vergevingsles erin verborgen.

Maar laten we onszelf niet rijk rekenen en menen dat wij als superieure ECIW-studenten nu de wereld kunnen beschouwen vanuit dat felbegeerde niveau-I. Dat kunnen “we” namelijk per definitie nooit en de illusie dat we wel enigszins vorderen en aardig op weg zijn op de ladder van zelfrealisatie is een ego-illusie die vergeven mag worden.

Wat ons als studenten van de Cursus kan overkomen is dat we beter in staat raken om te onderkennen wat niet bedoeld wordt met verlichting en realisatie. Het heeft niets te maken met meer verstandelijke kennis of begrip. Het heeft niets te maken met een zelf dat fantastische ervaringen heeft of wat nog meer zelfingenomen is geraakt. Het doen van de werkboeklessen en de vergevingslessen maakt één paradoxale kwestie steeds duidelijker: “ik hoef niks te doen”. Er ontstaat een vreemd, diep weten dat we slechts moeten stoppen om het licht dat in ieder van ons volop schijnt, te verduisteren met onze oordelen. Elke grief en elk beeld mag op het altaar van liefde gelegd worden en dan kan er iets moois gebeuren. Een besef groeit dat het mogelijk is dat liefde door je heen kan schijnen en handelen. Je kijkt vanuit je kleine zelf verbaasd toe hoe zich iets manifesteert waarvan je diep weet dat dit echt is, dat dit je diepste Wil en Identiteit betreft maar dat er niets van jouw bij zit, laat staan dat het iets van eigen verdienste zou zijn. Je herkent het dankbaar als totale genade, maar niet als de uitkomst van Goddelijke willekeur zoals genade van oudsher wordt gezien. Het is dankbaarheid voor het feit dat je liefde bent en dat dit voor alles en iedereen geldt. Daar hoeven we niks voor te doen, niks voor te bereiken en het is zo wonderlijk gewoon en speciaal tegelijkertijd dat we alleen maar dankbaar kunnen zwijgen of juist zingen van blijdschap. Het is het mysterie van de Schepping , van dat niveau I dat niks met niveaus te maken heeft.

Werkboek 241: Dit heilig ogenblik is het moment van verlossing.

Voorbij het concrete

Jezus wil in ECIW duidelijk maken dat de afscheiding niet heeft plaatsgevonden. Hij wijst ons op onze ware Identiteit: we zijn Zonen van God. Hij komt ons echter tegemoet precies daar waar wij ons menen te bevinden: in een lichaam, in de wereld, in tijd en ruimte. Kort gezegd: in een droomwereld met een droomidentiteit. In m’n blogs “Met wortel en al” probeerde ik te laten zien dat wij als Zonen van God ervoor kiezen om ons afgescheiden droomfiguren te voelen in de droomwereld. Hiertoe verkiezen we om te geloven dat we kwetsbare mensjes zijn en dit gevoel versterken we door een vijandige wereld met vijandige mensen te projecteren. Onze instrumenten hierbij zijn aanvallen, verdedigen, ons slachtoffer voelen, geloven in de echtheid van pijn, ziekte en sterfelijkheid.

Zodra Jezus iets probeert uit te leggen in ECIW over de werkelijkheid, over onze onbegrensde liefdevolle aard, lopen we het “risico” dat we hem proberen te begrijpen vanuit ons beperkte en onjuiste droomperspectief. “Risico” staat tussen aanhalingstekens omdat er niks ernstigs gebeurt als we ons op deze manier vergissen. Het vertraagt echter wel het helder worden van onze ware natuur.

Voorbeeld: een bekende Cursus-wijsheid is: “ik ben niet een lichaam”. Vanuit onze droomidentiteit kijken we na het horen van deze woorden naar het fysieke lichaam waar we ons gewoonlijk mee identificeren. Wij kunnen dit fysieke lichaam inderdaad gebruiken als ultiem symbool van ons geloof in afgescheidenheid. Als het niet goed functioneert denken we dat “wij” ziek zijn en langs dezelfde lijn gedacht gaan wij dan dood als het fysieke lichaam koud en stijf wordt. Wat er kan gebeuren is dat we een stapje terug doen, van “ik ben dit lichaam” naar “ik heb een lichaam”. Dit kan zelfs als zodanig ervaren worden in de ervaring die bekend staat als “uittreding”. Dit wordt wel omschreven als “ik kon toekijken op het lichaam, ik zweefde er als het ware boven”.

Wellicht kan dit inzicht een opsteker zijn, een stapsteen naar dieper inzicht. Het is echter niet handig om nu te gaan geloven in een soort begrensde (!) geestelijke identiteit die een half uurtje  gelukzalige ontkoppel-momenten beleeft maar voor de overige 23,5 uur gewoon door zwoegt, lijdt en ploetert binnen de droom. Er is nog steeds vergevingswerk te doen. Dit komt steeds neer op het ontkennen van dat wat wij menen zo duidelijk voor ons te zien. Dat wat ruimtelijk is, dat wat tijdelijk is, dat wat begrensd is en “dat wat bedreigd kan worden” is niet werkelijk. Niets werkelijks kan bedreigd worden, niets onwerkelijks bestaat.

Dus ontkennen van het zogenaamd concrete is een goede stap maar het is onhandig om geloof in de echtheid van een fysiek lichaam te vervangen door geloof in de echtheid van een begrensd en kwetsbaar emotioneel of zelfs spiritueel lichaam. We moeten beseffen dat wat we ervoor in de plaats willen zetten slechts vaag en indirect met woorden geduid kan worden maar dat we hierin grote bescheidenheid en terughoudendheid moeten betrachten.  Het is een onvoorstelbaar mysterie. Lees als je wilt met me mee in les 91:

3De ogen van het lichaam nemen het licht niet waar.
4Maar ik ben niet een lichaam. 5Wat ben ik?

4Ik ben niet zwak, maar sterk.
5Ik ben niet hulpeloos, maar door en door krachtig.
6Ik ben niet begrensd, maar onbegrensd.
7Ik ken geen twijfel, maar ben zeker.
8Ik ben geen illusie, maar werkelijkheid.
9Ik kan in het duister niet zien, maar wel in het licht.

Na de ontkenningen worden woorden gebruikt als “sterk, door en door krachtig, zeker”. Maar pas op dat je hier geen nieuwe afgod van maakt en gaat denken aan een soort superman-achtige figuur. Laat je liever verbazen door het besef dat jouw fysieke ogen je werkelijkheid niet kunnen zien, dat je onbegrensd bent. Onbegrensd!

Dit is de onvoorstelbare tegenhanger van “afgescheiden”. Binnen de droomwereld kunnen wij ons dit niet voorstellen maar, goed nieuws, we kunnen er steeds meer feeling voor krijgen. ECIW spreekt van een universele ervaring. Deze treedt vanzelf op als we onze oordelen en onze schuld-projecties samen met Jezus los durven te laten. Dan ervaren we liefdevolle verbondenheid met onze Broeders en dit is binnen de droom de voorbode van de onvoorstelbare eenheid van Gods schepping. Wij willen onszelf verleiden om wat we in tijd en ruimte menen te zien met onze fysieke ogen serieus te nemen. En ook het serieus nemen van onze overtuigingen en emoties behoort tot de droomwereld. Dit alles mag naar het licht gebracht worden en we mogen er samen echt naar kijken door de ogen van liefde, de ogen van Jezus. Pas dan ervaren we de wonderlijke eenheid en vrede als voorbode van die laatste stap die geen stap meer is.

4Wonderen worden gezien in het licht. 5Laat ik vanwege verleidingen mijn ogen niet sluiten.

Met wortel en al (laatste deel:5)

We eindigden gisteren met de rare maar ware ECIW-constatering dat we vanuit de oneindige denkgeest een moment vergaten te lachen en onze projecties van tijd, ruimte en lichamelijkheid serieus namen. Een zeer effectieve manier om de nu verkregen illusie van afgescheidenheid te onderhouden en te versterken is door onszelf te zien als slachtoffer van vervelende, zogenaamd externe, gebeurtenissen. Dat kan van alles zijn; van boze buren tot een ziek lichaam. Hier komt dus een heel vreemd fenomeen aan het licht: binnen de droom beweren we dat we geen ellende willen maar juist op zoek zijn naar liefde. Tegelijkertijd zijn we onbeperkte liefde en hebben we vanuit deze ware Identiteit ervoor gekozen dit juist te vergeten door zogenaamd bedreigende projecties te maken van ellende die ons overkomt. Daarom sprak ik gisteren over “dweilen met de kraan open”.

We lijken dus nu als lichamen te leven in tijd en ruimte en zijn onze onvoorstelbare grote, oneindige Identiteit vergeten. Sterker nog: we geloven dat ons echte leven gelijk staat met dit beperkte en lichamelijke leven en zijn bang om het geloof hierin op te geven. We vrezen lichaam-loosheid, grenzeloosheid, tijdloosheid en denken dat dit betekent dat “we” dan sterven. Zo komt de Cursus op die voor ons zo vreemde uitspraak dat we de Liefde vrezen die we ten diepste zijn. We vrezen God, onze Vader, ons Zelf.

Als we geconfronteerd worden met een ziek lichaam dan menen we dat het tegengestelde hiervan bestaat uit een gezond lichaam. Maar het verkrijgen van een gezond lichaam is niet per se ware genezing als je nog steeds gelooft in de echtheid van afgescheidenheid en dit nog zeer serieus neemt. Zie je het? Je werkt jezelf onbewust tegen als je streeft naar lichamelijke genezing zonder inzicht in de diepe verborgen motieven. Binnen de droom zeg je: ik wil een pijnloos lichaam. Dit is je kleine droom-wil. Maar in feite zeg je hiermee ook dat je het spel van afscheiding dus verder wilt spelen met hieraan verbonden die neiging om je schuldig te voelen en te kiezen voor straffende projecties om jezelf flink slachtoffer te voelen.

Ware genezing kan alleen maar plaatsvinden in de denkgeest, daar waar die merkwaardige keuze voor afscheiding wordt gemaakt en daar waar besloten wordt dit serieus te nemen. Maar ons kleine zelf, dat in feite helemaal niet bestaat, kan niets doen zonder de illusie erger te maken. Het is helemaal gegrondvest in de foute gedachte dat het een echte afgescheiden entiteit is die daadwerkelijk iets voor elkaar kan boksen in (niet bestaande) tijd en ruimte. Een ware oplossing bestaat niet uit een juiste actie van dit kleine niet-bestaande zelf maar uit het doorzien van de onechtheid ervan vanuit je ware Identiteit, vanuit de Liefde die je bent.

En dan zijn we aangeland bij vergeving: het binnenlaten van liefde in onze denkgeest. Liefde is zowel onze Identiteit, ons doel en het middel om het geloof in een klein lichamelijk en afgescheiden zelf te laten verdampen. In werkelijkheid hoeft ze niks te doen. Er zijn geen anderen die in morele zin door ons vergeven zouden moeten worden, er is geen ziek lichaam dat belangrijk is. Er zijn projecties vanuit onze verborgen agenda om de afscheiding te willen ervaren. Vergeven is zo bezien niets anders dan het loslaten van de weerstand tegen onze ware Identiteit. Zelfs de omschrijving “binnen laten van liefde” is nog te duaal gedacht. We zijn liefde en laten deze liefde de projecties oplossen die we zo lang gekoesterd hebben. Er valt niets te vrezen, niets te verdedigen wanneer we ons ontspannen en slechts “ja” zeggen tegen dit licht, deze warmte, deze liefde. Slechts dit kleine beetje bereidwilligheid.

Liefde, Vader, Heilige Geest, diepste Identiteit, Zelf; wees welkom en genees mijn denkgeest.

Les 233

Vandaag geef ik God mijn leven, opdat Hij het leidt.

 Vader, ik geef U vandaag al mijn gedachten. Ik wil er geen enkele hebben van mijzelf. Geef me in plaats daarvan de Uwe. Ik geef U ook al mijn daden, opdat ik Uw Wil mag doen in plaats van doelen na te jagen die niet kunnen worden bereikt en tijd te verspillen met nutteloze fantasieën. Vandaag kom ik tot U. Ik zal een stap terug doen en U eenvoudig volgen. Weest U de Gids, en ik de volgeling die de wijsheid van het Oneindige niet in twijfel trekt, noch de Liefde waarvan ik de tederheid niet bevatten kan, maar die toch Uw volmaakte gave is aan mij.

 Vandaag hebben we één Gids die ons verder leidt. En terwijl we samen onze weg gaan, zullen we deze dag zonder enig voorbehoud aan Hem geven. Dit is Zijn dag. En dus is het een dag van talloze gaven en weldaden voor ons.

Met wortel en al (deel 4)

We zijn bezig om erachter te komen waarom bidden om lichamelijke genezing gelijk staat aan dweilen met de kraan open. Hiertoe zijn we afgelopen dagen de metafysica van ECIW ingedoken waarbij we zagen dat vanuit een oneindige denkgeest gekozen hebben om onszelf te foppen en te fantaseren over lichamelijke afgescheidenheid. Om deze fantasie zo echt mogelijk te maken moesten we vergeten dat we onszelf nooit los kunnen denken van onze Goddelijke Bron, onze Vader, de eindeloze Liefde die we als Zijn Zoon eigenlijk zijn. We eindigden met dat lastig herkenbare begrip “schuld”. Onbewust geloven we dat we iets slechts gedaan hebben door ons zo los te denken van onze bron.

Een klein stapje terug nu. Hoe kunnen we onszelf zo goed mogelijk foppen als oneindig wezen wanneer we afgescheidenheid willen ervaren? Ik noem een paar manieren en wil je vragen of je kunt voelen hoe geloof hierin resulteert in een soort verkramping, een spanning, een geloof in “op jezelf te staan”.  Je meent dus na de denkbeeldige afscheiding dat je een lichaam bent dat zich beweegt in ruimte en tijd. Wat gebeurt er van binnen wanneer:

  • Je bang bent voor iets buiten jezelf?
  • Je boos bent op iemand anders of zelfs op jezelf?
  • Je jezelf schaamt?
  • Je pijn en lijden ervaart?

Kun je het voelen? Kun je voelen dat je veroordeling van iemand anders of van jezelf resulteert in een verharding van je binnenste? Dat dit je illusie van afscheiding bevestigt? Voel je dat angst, schaamte, pijn en lijden hetzelfde effect hebben? En nu volgt een belangrijke clou die we vanuit ons droomperspectief zo snel missen. Wij denken altijd dat anderen ons boos of bang maken en dat pijn, ellende en ziekte ons van buitenaf overkomen. Maar ECIW leert ons dat het 180 graden omgekeerd is. Wij projecteren ruimte, tijd, een buitenwereld, nare anderen en ellende die ons overkomt juist met als reden om ons gevoel van afscheiding te versterken.  Anders gezegd: wij kiezen onbewust voor ellende om ons extra afgescheiden te voelen. We willen, gek genoeg, een hulpeloos slachtoffer van de omstandigheden zijn om het gevoel van afscheiding te versterken.

En omdat we ook nog eens last hebben van een verborgen schuldgevoel (we zouden gerebelleerd hebben tegen de eenheid, tegen onze Vader) neigen we al helemaal sterk naar het maken van nare projecties die ons de straf lijken te geven waarvan we denken dat we deze verdienen. Dus ziekte, pijn, rampen, ellende en uiteindelijk de dood projecteren we om ons super afgescheiden, fout en kwetsbaar te voelen. Dit is een diepe boodschap van het Tekstboek van ECIW die ons werkelijk verder kan helpen op onze leerweg. Voor vandaag wil ik eindigen met twee tegenwerpingen die ons ego nu graag naar voren brengt:

  1. “Pfff, ik vind dit veel te ingewikkeld. Als ik problemen ervaar dan vraag ik gewoon de HG om me te helpen”. Maar als je niet ziet dat je die problemen ten diepste gewenst hebt om jezelf afgescheiden te voelen en te straffen dan kan de HG niks voor je doen. Vergeet niet dat de HG (Jezus) je ook het Tekstboek gegeven heeft, juist met als doel om je waarlijk te helpen en te laten stoppen met het vasthouden aan onzinnige en onnodige projecties.
  2. “Oh, is het nu allemaal mijn eigen schuld wat me allemaal overkomt. Dat vind ik een harteloze boodschap!”. Dit is een hele listige truc van het ego. Heel de boodschap van ECIW is erop gericht om ons te leren dat er geen “eigen” schuld bestaat. Dat “eigen” duidt op geloof in een afgescheiden zelf dat daadwerkelijk iets fout gedaan zou kunnen hebben. En dat is nu juist niet Het is weer volledig omgekeerd. Wij willen onbewust kwetsbaar en schuldig zijn omdat dit zou bevestigen dat de afscheiding gelukt zou zijn. Maar er bestaat geen afgescheiden, sterfelijk, kwetsbaar schuldig zelf dat straf verdient. Dat is juist het beste nieuws wat we kunnen krijgen!

Binnenkort: Hoe kunnen we onszelf en anderen dan wél werkelijk behulpzaam zijn?

 

Met wortel en al (deel 3)

In onze zoektocht naar de wortels van onze pijn en lijden hadden we het gisteren over het onvoorstelbare verschil tussen onze droomidentiteit (afgescheiden, begrensd, levend in tijd en ruimte) en onze werkelijke Identiteit (onbegrensde liefde die niets te maken heeft met tijd en ruimte). We kunnen proberen ons voor te stellen hoe het zou zijn om te leven vanuit onze werkelijke Identiteit maar ons droom-voorstellingsvermogen schiet hierbij tekort. Zodra we bijvoorbeeld spreken over “mijn ware Identiteit”  dan kunnen we heel stoer Identiteit met een hoofdletter I schrijven, als aanduiding van die onbegrensdheid, maar door er het bezittelijk voornaamwoord “mijn” voor te zetten geven we direct te kennen dat we de plank misgeslagen hebben. Dat “mijn” suggereert wederom een afgescheidenheid die juist niet echt is.

Dan toch die poging tot uitleg in ECIW over het schijnbare ontstaan van onze nep-identiteit, het geloof in een afgescheiden en lichamelijk ikje. Jezus zegt dat er in die oneindige en mysterieuze denkgeest die we werkelijk zijn een nietig dwaas ideetje opkwam: “hoe zou het zijn om begrensd te zijn, afgescheiden van de Vader, afgescheiden van de mysterieuze eenheid die ik werkelijk ben?”. Het is een belachelijk idee wat onmogelijk is. Er worden dikwijls gelijkenissen gebruikt om de onzinnigheid van deze poging uit te leggen. Kan een zonnestraal zich afscheiden van de zon? Kan een golf bestaan los van de oceaan? En dus in ECIW-termen: kan de Zoon bestaan los van de Vader?

Er is maar één antwoord mogelijk: nee. Het kan gewoonweg niet. We zijn onlosmakelijk verbonden met onze Schepper, we zijn als het ware van het zelfde Goddelijke materiaal als Hijzelf. Daarom legt Jezus in ECIW uit dat de vraag “hoe kon de afscheiding gebeuren?” geen valide vraag is. De afscheiding is immers niet gebeurd, het is niet mogelijk. Toch hebben wij in de droomstaat heel sterk de indruk dat de afscheiding wél heeft plaatsgevonden en dat we ons best moeten doen om de eenheid te herstellen. Hoe kan dit?

Er is maar één manier waarop wij dat vreemde spel van afscheiding dat we even wilden spelen vanuit onze oneindige Identiteit, geloofwaardig konden maken voor onszelf. We moesten de onzinnige gedachte van de afscheiding serieus nemen, we moesten vergeten te lachen om de onmogelijkheid ervan. Daarom lijkt het nu allemaal zo echt voor ons. We zijn ons niet langer bewust dat we onszelf willen foppen. Onze echte Goddelijke Wil is hetzelfde als die van onze Vader: we willen scheppen, de wonderlijke eenheid nog verder uitbreiden door onze altijd gevende liefde, onze ware aard, te laten stromen. Maar in een ondeelbaar klein moment kozen we ervoor om deze ware Wil even te vergeten. We wilden ons afgescheiden wanen van onze bron, we wilden weten hoe het zou zijn om op eigen beentjes te staan, een eigen nep-wil te hebben.

Tegelijk met het ontstaan van die onmogelijke grap, de ervaring om los te kunnen staan van onze Schepper, bedachten we de manier waarop we dat schijnbaar voor elkaar konden krijgen. In één klap, een soort big bang, fantaseerden we tijd en ruimte. Nu hebben we eindelijk de (schijnbare) grenzen die we wilden ervaren: een lichaam (fysiek-, gevoels-, mentaal-, spiritueel-lichaam) afgescheiden van een nep-buitenwereld en nep-anderen dat zich beweegt in nep-tijd. Om het zo echt mogelijk te laten voelen kozen we vrijwillig voor vergeetachtigheid. Het zogenaamd echte gevoel van afscheiding werkt niet als we weten dat we onszelf voor de gek houden. Vergelijk het verschil tussen onze dagdromen (fantasieën) en onze nachtdromen.  Die nachtdromen lijken zo echt juist omdat we niet beseffen dat we dromen.

Hoewel het onmogelijke niet kan plaatsvinden (zie beelden van zonnestralen en golven) denken we dat we het toch voor elkaar hebben gekregen, mede door onze zelf verkozen vergeetachtigheid. We denken dat we het echt geflikt hebben: we staan los van onze Schepper, los van God, los van de Vader. Onze rebellie lijkt gelukt en we zijn tegelijkertijd trots maar hebben onbewust het gevoel dat we onze Vader in de steek hebben gelaten, bedrogen hebben. We menen als het ware dat we iets van zijn Goddelijke licht hebben kunnen pikken en voor onszelf houden. Dit is de oerzonde, de oerschuld waar boeken als de Bijbel over spreken. Uit bovenstaand stukje blijkt dat ze onwerkelijk zijn, want het onmogelijke is niet gebeurd. Maar diep in ons onderbewustzijn sluimert ze wel degelijk.

Later meer over deze vermeende schuld en de manier waarop we de afscheiding zo echt mogelijk voor onszelf maken.

Met wortel en al (deel 2)

Gisteren stelden we vast dat we ECIW willen gebruiken om van lichamelijke pijn en ziekte af te komen (zie deel 1). Hoewel dit begrijpelijk is en niet fout of zelfs zondig, krijgen we met deze wens toch niet de wortel boven de grond die de werkelijke oorzaak is van ons lijden binnen onze (droom)wereld. Vandaag duiken we dus dieper. Dit doen we door een vreemde kwestie te onderzoeken, de kwestie van onze “wil”.

Onze “gewone wil” is hetzelfde als onze kleine “droom-wil”. Deze droom-wil is gebaseerd op de vaste overtuiging dat we lichamelijke wezens zijn. Dat “lichamelijke” moeten we hierbij zo breed zien als we maar kunnen. Nu zal ik even abstract klinken maar probeer alsjeblieft bij me te blijven. Ons vaste geloof, onze stellige overtuiging is dat we begrensde, tijdelijk wezens zijn die losstaan van andere mensen en zelfstandig, met een eigen wil, rondlopen op deze planeet. De begrenzing betreft niet alleen ons fysieke lichaam (mijn lichaam) maar ook de gevoelens (mijn gevoelens), de gedachten (mijn gedachten) en zelfs zoiets als de spirituele lichamelijkheid (mijn Zelf). Kijk eens voor een moment “naar binnen” om hier feeling mee te krijgen. Voel als het ware je geloof in afgescheidenheid van alles om je heen.

Jij voelt immers pijn? Jij doet toch immers ECIW? Jouw lichaam doet toch pijn? Jij moet toch iets doen om te genezen? Anderen hebben toch niet jouw last te dragen? Jij zit nu toch te puzzelen wat deze schrijver nu precies wil zeggen? Jij moet dit toch zien te begrijpen? Enzovoorts.

We gaan nog dieper. Ons idee van onszelf is dus vrijwel helemaal gebaseerd op het geloof in deze vanzelfsprekend lijkende echtheid van ons lichamelijke (in de breedste zin) afgescheiden zelf. Het is uiterst belangrijk om hier niet te snel verstandelijk “ja” of “oké dan” tegen te zeggen maar om dat diepe geloof in de echtheid van dat afgescheiden “ikje” in al zijn facetten te doorvoelen. Erken dat je ten diepste jezelf een afgescheiden, kwetsbaar wezentje voelt dat een tijdje mag leven in tijd en ruimte maar dat helaas tijdens zijn of haar leven gekweld kan worden door pijn en ziekte en dat helaas uiteindelijk, hopelijk pas na een jaar of 100, toch zal sterven. Voel je hoe diep de wortels van dit geloof in lichamelijkheid reiken? Hoe enorm “echt” en vanzelfsprekend dit voor je voelt?

Dan is het nu tijd voor een stukje metafysica. Jezus wijst ons er in ECIW op dat onze ware Identiteit anders is en niet met ons alledaagse droom-gevoel overeenstemt. Hij spreekt wonderlijke woorden hierover die voor ons, vanuit ons geloof in afgescheidenheid, niet echt voorstelbaar zijn. Hij beweert dat we scheppingen zijn van de liefde (Zonen van de Vader) en dat we onbegrensd zijn en niet gebonden door tijd en ruimte. Sterker nog, hij zegt dat tijd en ruimte niet bestaan, dat er slechts tijd- en ruimteloosheid is en dat dit ons ware Thuis is. We zijn grenzeloos, tijdloos, ruimte-loos. We zijn een mysterie.

Onze woorden schieten tekort omdat ze gebaseerd zijn op- en voortkomen uit onze droomwereld van tijd en ruimte. Het zijn begrensde concepten waarmee we proberen te wijzen op iets (eigenlijk juist een een niet-iets) dat tijd en ruimte te boven gaat en grenzeloos en eeuwig is. Wij kunnen slechts woorden gebruiken die gebaseerd zijn op tegenstellingen die er niet zijn. Bij eeuwig leven denken we bijvoorbeeld toch aan heel lang leven in tijd en ruimte. Een wijze zei ooit dat woorden zijn als een vinger die wijst naar de maan. Wij staren naar de vinger die ons zo bekend is maar worden gevraagd als het ware door dit symbool heen te kijken en te beseffen dat de vinger zelf niets voorstelt. We moeten ons hoofd opheffen en omhoog kijken.

Wordt vervolgd. Wat is de ware Wil? Wat is ons geheime doel als we, zoals de Cursus zegt, “vergeten te lachen om de droom”. En vooral: hoe nu verder?

Met wortel en al (deel I)

 

Het vergt radicale eerlijkheid ten opzichte van onszelf om te zien wat het nu is dat we echt zoeken. Zolang er niks aan de hand is, kabbelt ons leven lekker verder maar dat verandert wanneer we geconfronteerd worden met een probleem. Laten we pijn of een lichamelijk ongemak als slapeloosheid noemen als voorbeelden die iedereen wel kent. Onze agenda is op zo’n moment heel eenduidig: we willen dat het probleem opgelost wordt, we willen er vanaf. Het ongemak lijkt ons te overkomen, we willen het niet en het moet zo snel mogelijk weg.

Even pas op de plaats. Is de wens om van ongemak af te komen dan zo raar of verkeerd? Zeker niet en binnen ons droomleven mogen we “normaal” doen. Dat betekent dat we een boterham eten als we honger hebben, opzij stappen als er een auto aankomt, een pilletje nemen tegen de hoofdpijn en bij ernstigere klachten even langs de dokter gaan.

Maar vooral bij lichamelijke klachten komt voor ons, studenten van ECIW, ook de Cursus in beeld. Ze vormen een trigger om onszelf te onderzoeken en om vergevingslessen te leren. Ook nu moeten we oppassen dat we niet uit de bocht vliegen. Want spreken over “vergevingslessen” suggereert dat we ergens schuldig aan zijn , hiervoor gestraft worden door het ongemak, en dat we daarom iets te vergeven hebben. Hoewel in de Cursus de lichamelijke klachten inderdaad gekoppeld worden aan “schuld” is het verhelderend om te beseffen dat de Cursus hiermee bedoelt: “ons geloof in schuld”. We zijn dus allerminst schuldig maar geloven dat we schuldig zijn.

Als regel herkennen we dit helemaal niet. “huh, ik voel me nergens schuldig over en toch heb ik pijn..”. Hier hebben we het Tekstboek nodig dat licht schijnt op onze verborgen motieven. Want pas als we beseffen waar we onbewust mee bezig zijn en hoe dit leidt tot pijn en ziekte kunnen we kiezen voor echte genezing. Want echte genezing is genezing van een hardnekkig bijgeloof in de denkgeest. In dit bijgeloof ligt de wortel van wat we lijken mee te maken in de wereld, zoals het lijden aan ziekte en pijn.

Waarom moeten we zo diep graven? Moet ons dan eerst een schuldcomplex worden aangepraat? Maar oké dan maar, laat ik maar een beetje aan vergeven doen om van die pijn of van dat probleem af te komen. “Lieve Heer, hier ben ik. Neem de pijn alstublieft van me weg want ik heb er enorm veel last van”. Laten we onszelf hierbij eerlijk onderzoeken. Onderzoek met radicale eerlijkheid je motieven waarmee je de Cursus inschakelt. Wees dan voor jezelf zo eerlijk om telkens op te merken dat je simpelweg van de pijn af wilt om rustig verder te kunnen leven in een klachtenvrij lichaam. Dit is niet fout of stom maar een diep en eerlijk inzicht hierin opent de deur naar de denkgeest en het probleem hierin.

Wat is er dan echt aan de hand in die denkgeest? Wat is de wortel van het probleem en wat is de echte uitnodiging? Wordt vervolgd.

 

Wat zegt de Bijbel of Cursus hierover?

Gisteravond zag ik een programma over LHBT-ers die als kinderen opgroeiden in klassiek christelijke geloofsgemeenschappen. Wat een worsteling hebben deze mensen achter de rug. Mij trof de schrik en de aarzeling binnen conservatieve Biblebelt-gemeenten op het moment dat iemand “uit de kast komt”. Mag de persoon in kwestie nog belijdenis doen, werken met kinderen, optreden op het podium, deelnemen aan het heilig avondmaal enzovoort. De kerkleiding moet nu een standpunt bepalen dat gebaseerd moet zijn op de Bijbel, Gods woord. Nu wordt het dikwijls tenenkrommend. Men mag zich wel LHBT voelen maar het niet praktiseren. Soms worden er zelfs boekjes aangeboden waarin staat hoe genezing van de vreemde geaardheid kan plaatsvinden.

Te snel kunnen we als studenten van de Cursus menen dat we dit stadium gepasseerd zijn. Wij veroordelen LHBT-ers immers niet meer? Het zijn toch ook schuldeloze kinderen van onze Vader? Vervolgens veroordelen we de starre gelovigen of vragen we ons af wat de Cursus zegt over andere kwesties zoals ziekte en medicijngebruik, het eten van vlees en ga zo maar door. Staat hier iets over in de Cursus? Wat zeggen bekende Cursus-leraren hierover?

In genoemde serie sprak een dominee die een zoon had die op mannen bleek te vallen. De gemeenteleden vonden dat de dominee wel erg koos voor het standpunt van zijn zoon. Toen, heel mooi, zei de dominee dat het helemaal niet ging om het onderschrijven van een standpunt maar om de vraag of LHBT-ers een plaats mogen hebben in de gemeente. Mogen ze er helemaal bij horen? En nu naderen we wél de kern van de kwestie. Het gaat nooit om het vinden van een verstandelijke waarheid. Zo’n “wet” leidt tot oordelen en strijd. Wat wij ergens over denken, al dan niet gebaseerd op een Boek met hoofdletter B of op de mening van een dominee, leraar of priester, is totale willekeur en kan ons niet leiden op een manier die vrede biedt aan alle betrokkenen. Opvattingen  over goed en kwaad blijken te werken als  fragmentatiebommen die binnen de droom slechts schade aanrichten.

Gisteravond werd het Bijbels voorbeeld van de steniging van de prostituee  genoemd. Een boze menigte kwam met de vrouw naar Jezus en vroeg zijn akkoord om haar de doodstraf te geven die tenslotte voorgeschreven wordt door de Bijbel. “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”, sprak Jezus, en de menigte droop af. We kunnen deze gebeurtenis in eerste instantie verstandelijk en oppervlakkig tot ons nemen en beseffen dat wij vast ook wel morele smetjes hebben en daarom anderen niet mogen veroordelen. Maar de Cursus helpt ons op weg naar de kern van de zaak. “Zonde” wordt hierin veel breder getrokken en getoond als ons geloof in afscheiding. We menen los te staan van onze Vader en van onze broeders en zijn het besef, het gevoel van eenheid en verbondenheid kwijt geraakt. Het is niet fout om verward te raken als we geconfronteerd worden met iets “afwijkends” in de wereld waarin we menen te leven: een andere geaardheid, ziekte of een andere dreigend uitziende vorm. De hamvraag is hoe we reageren op dat nare, bedreigende gevoel. Ons ego-verstand zegt ons dat er een moreel goede- en foute manier is om te reageren maar het heeft geen benul hoe het nu verder moet. Dus gaat het naarstig op zoek naar “het antwoord” in de Bijbel of in de Cursus. Op zich prima om deze boeken open te slaan, maar de vraag is of de woorden die we hier lezen gebruikt worden om ons te laten leiden naar de liefde of dat we ze gaan hanteren als harde waarheden om deze vervolgens als stenen te werpen naar onze broeders.

Zodra we verward zijn en merken dat we op zoek gaan naar wat nu goed en wat nu fout is mogen we dit zien als een uitnodiging tot een vergevingsles in de niet-morele betekenis van het woord. Er zijn geen morele zonden die bedekt moeten worden met de mantel der liefde maar er is sprake van een vergissing waarin wij menen afgescheiden te zijn van onze broeders en van de wereld die we menen te zien. We mogen dit leren herkennen als het koesteren van onze denkbeeldig afgescheiden staat. Voel wat er van binnen met je gebeurt als je grabbelend op zoek bent naar wat goed en wat fout is en naar wat je dus zou moeten doen. Probeer door te krijgen dat je neiging om te veroordelen precies is wat het ego wil: het vieren van het hellefeest van afscheiding. En dan verrek je het simpelweg om hierin mee te gaan. Je laat de Bijbel en de Cursus je werkelijk inspireren in hun oproep tot het luisteren naar de Stem van de Heilige Geest. En deze Stem oordeelt nooit maar spreekt woorden ter genezing van onze eenzaamheid. Ze leert ons dat in de omarming van onze broeders niet (alleen) hun genezing schuilt maar evenzeer onze genezing. Wij mogen genezen worden van onze zonde, ons geloof in afscheiding. Wij mogen ons laten volstromen met de liefde die we zijn en dan zullen we weten, vanuit ons hart, wat we mogen doen in de ontmoeting met broeders en alle situaties in onze droomwereld. We mogen leren dat elk etiket dat we ergens op willen plakken en waar we een oordeel aan koppelen totaal nergens op slaat. Wat gebeurt er met ons als we geloven in de echtheid van etiketten als “LHBT” of “Biblebelt”? Hoe voelt dat? We slaan slechts onszelf nodeloos met stenen omdat we onze droom van afgescheidenheid overeind willen houden. Laat de HG elk etiket, elk oordeel, losweken opdat we mogen genezen en genieten van elke kleur van de regenboog.

Les 222: God is met mij. Ik leef en beweeg in Hem.

Vader, we hebben geen andere woorden op onze lippen en in onze denkgeest dan Uw Naam, nu wij in stilte in Uw Tegenwoordigheid komen en vragen om even in vrede te mogen rusten bij U.

Besef van diepe verbondenheid

Twintig dagen lang dezelfde titel in de herhalingslessen:

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij.

Kennelijk weet Jezus hoe hardleers we zijn en hoezeer we geloven dat we wél een lichaam zijn. Met “lichaam” kunnen we in eerste instantie aan ons fysieke lichaam denken. Dat wat we iedere ochtend in de spiegel zien. We zeggen zo makkelijk dingen als “ik word oud” of “ik ben wat dikker geworden”. Het eerste stapje in het loslaten van de identificatie met het lichaam is niet zo moeilijk om te zetten. Al snel klinken dan zinnen als: ik ben geen lichaam maar ik heb een lichaam.

Bij de volgende stap kijken we verder dan dat fysieke lichaam en raakt het inzicht ook onze gevoelens: ik ben niet bang maar er is angst die ik kan waarnemen, waar ik me bewust van kan zijn. En iets wat je kunt waarnemen kun je per definitie niet zien: er is dan immers een subject (de waarnemer die je bent) en een object, dat wat waargenomen wordt. Dat object kan een fysiek lichaam zijn, gevoelens en zelfs gedachten. Ook gedachten worden waargenomen en kunnen dus niet zijn wat jij ten diepste bent. We mogen de werkboekles dus heel breed trekken: ik ben niet een fysiek lichaam, noch een emotioneel lichaam, noch de gedachten die zo rondrazen in het hoofd.

Wat er gebeurt is een soort achteruit lopen. “Je” neemt steeds meer afstand tot wat zich voort lijkt te doen in bewustzijn. Je distantieert je als het ware van alles wat zich in deze wereld voortdoet, inclusief de sensaties van je lichaam, je gevoelens en gedachten. Enthousiast roep je dat niets je meer kan raken en dat je boven het slagveld zweeft. Het maakt je niks meer uit wat anderen van je vinden. Het valt me op dat broeders en zusters die vanuit deze gedissocieerde toestand leven zich soms totaal onaangepast kunnen gedragen. Dit is een oordeel, ik weet het, en niet meer dan mijn interpretatie van hun gedrag. Maar losgeslagen zijn is totaal wat anders dan innig verbonden zijn met je medemens en dit is ook zonder morele veroordeling duidelijk voelbaar in het contact met deze, totaal schuldloze, “verstandelijk verlichte” medemensen.

Het achteruitlopen en toezien op lichaam, gevoelens en gedachten kan behulpzaam zijn om enige ruimte te creëren. Het eindeloos vergroten van deze ruimte totdat “je” als verloren en losgeslagen astronaut ergens ver weg in de ruimte zweeft is echter geen realisatie, geen verzoening. Ik duid het graag aan met de term “doorgeslagen non-dualisme” en dit is in feite het toppunt van dualisme: een keihard puntje in een oneindige ruimte. Er mist nu iets in die ruimte die gecreëerd werd door achteruit te lopen. Er is uitsluitend gefocust op: “ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij”. Er staat echter iets achter: “Want ik blijf wat ik ben zo schiep God mij”. Je bent niet alleen waarheid maar ook liefde. Niet alleen verstand maar ook hart, in overdrachtelijke betekenis. Prima om met het verstand ruimte te maken maar verzet je niet tegen het binnenstromen van de liefde die je bent. Je bent de Zoon van de Vader, verbinding zoekend, liefdevol.

En dat voelt anders, totaal anders, niet alleen voor “jezelf” maar ook voor de mensen die op je pad gebracht worden. Van “binnenuit” merk je dat je niet een hard ikje bent dat naar buiten zit te loeren. Je merkt dat dit kleine zelf zacht wordt overgenomen door een liefdevolle Kracht die mysterieus is, maar vertrouwd. Je begint gevoel te krijgen voor die grote Wil en er groeit ware bescheidenheid omdat je merkt dat er 0% eigen verdienste aan te pas komt. Er vindt een shift plaats van “mijn wil geschiede” naar “Uw Wil geschiede”. En ja, ook dan kan je gedrag vreemd overkomen op je broeders. Maar onder dat “onaangepaste” gedrag is een liefdevolle intentie voelbaar en geen kille, harde afstandelijkheid.

Ik moet het bij mezelf houden en begeef me op glad ijs wanneer ik het heb over hoe je overkomt op anderen. Maar herken je het lieve lezer, herken je het voor jezelf? Er is een hemelsbreed verschil tussen duale dissociatie en non-duale liefdevolle en mysterieuze verbondenheid in eenheid. Het “ikje” dat mag doen en zich gedragen zoals het wil is een lofzang van het ego en gebaseerd op geloof in afscheiding. Het is niet moreel fout maar eerder triest, koud en eenzaam. “Vrij zijn” is het einde van geloof in dualiteit; het onderkennen dat jouw willetje een schijn-wil is en dat er geen grotere geluk bestaat dan het steeds dieper binnenkomen van het inzicht dat je echte Wil hetzelfde is als Zijn Wil. Daarin ligt echte vrijheid. Het is een mysterieuze paradox: totale vrijheid in het besef van totale verbondenheid en eenheid. We mogen 100% liefde geven om te beseffen dat we 100% liefde zijn.