Stop met piekeren!

Ik merk dat er veel verwarring bestaat in de ECIW-gemeenschap over de rol van het denken. Sommigen stellen dat ons denken de manier biedt om de cursus te leren; is ECIW geen training van de denkgeest? Anderen hebben ontdekt dat denken kan leiden tot ingewikkelde verhalen over metafysica en dat je daardoor “in je hoofd getrokken” wordt. Voordat je het doorhebt, meen je een keuze te moeten maken; vóór of tegen het verstand en het denken. Het wordt dan weer zo’n typisch of-of vraagstuk.

In talrijke gesprekken met een psychologisch-filosofisch ingestelde broeder heb ik gemerkt dat je eindeloos over de voor- en nadelen van de cursus kunt praten zonder een stap verder te komen. Eerlijk gezegd had ik dat al eerder ontdekt. In mijn boek “Een Christen op Satsang” uit 2008 sprak ik over de beperkte houdbaarheid van concepten. Daarmee bedoelde ik dat je het ene moment meent “aha, zo zit het volgens mij” en het volgende moment “oh nee, ik denk dat ik me vergist heb; het zit zo!”. Dit gebeurt als je de één of andere visie meent verstandelijk te begrijpen, zonder dat je deze doorleefd hebt. Je kunt dan bijvoorbeeld beweren dat de cursus zal leiden tot harteloosheid omdat je een passage hebt gelezen die stelt dat je alleen jezelf kunt kruisigen. Je denkt erover na en vindt het vervolgens wreed en beschuldigend.

Maar wat moet je dan? Moet je je denken overboord gooien? Dat is wat sommigen willen doen met de cursus. Ze vinden het tekstboek veel te ingewikkeld en zien het gevaar van overmatig piekeren en van het bouwen van uitgebreide theorieën. Het is toch heel simpel? Alles is liefde en luister maar gewoon naar je hart. Toch meende Jezus dat deze oneliners voor de meeste van ons niet voldoende zijn, anders had hij ons niet dikke boeken gegeven als Een Cursus in Wonderen en Een Cursus van Liefde (ECvL). Wat moeten we nu; wel of niet nadenken over de cursus?

Zowel ECIW als ECvL beantwoorden deze vraag. ECIW geeft ons werkboeklessen en vraagt ons om deze lessen te doen. Dat laatste woord “doen” is belangrijk. Er staat niet dat we eindeloos moeten gaan nadenken over de lessen maar Jezus vraagt ons enige bereidwilligheid, een klein beetje vertrouwen, om ons denken even te parkeren en de lessen uit te voeren zoals beschreven. De reden is simpel: slechts langs deze weg kunnen we gaan ervaren dat wat we lezen in de cursus klopt. Het voelt alsof het besef van de logica van de cursus groeit als we ons in vertrouwen openstellen. Op talloze manieren probeert Jezus ons te laten zien dat het niet op ons eigen gepieker aankomt. Hij spreekt van het autoriteit-probleem (wij willen het zelf uitdenken, zelf oplossen, zelf doen). Hij spreekt van jezelf afstemmen op de stille Stem van de Heilige Geest of om hemzelf, onze oudere broeder, om hulp te vragen. Maar laten dit nu net allemaal adviezen zijn waar ons ego een hekel aan heeft. Jezus wijst vlijmscherp op het adagium van het ego: “zoek, maar vind niet”.

In ECvL legt Jezus uit dat ECIW nodig is om het ego te verzwakken. Dat gebeurt niet door een ECIW-theoreticus te worden, integendeel. Dat gebeurt wel als je dat kleine beetje vertrouwen durft op te brengen, als je het ego-schild iets durft te laten zakken. Door in kleine situaties en in de werkboeklessen je vergevingsoefeningen te doen. Door je in elke situatie af te stemmen op eenheid en liefde, oftewel door wonderwerker te worden, groeit een innerlijke ervaring, groeit het vertrouwen en groeit het besef: “het klopt gewoon!”.

In ECvL wijst Jezus op de eenheid van onze “mind”. Hij noemt dit “eenheid van hoofd en hart” maar meestal kortweg: “heelheid-van-hart”. Als je ECIW echt doet, dan krijg je steeds meer “gevoel” voor wat deze heelheid-van-hart betekent. Dat gevoel blijft maar groeien en krijgt aspecten van bewondering, verwondering en dankbaarheid. Op rustige momenten schijnt het licht je mind binnen en begin je besef te krijgen wat de ECIW term “gedachten die je deelt met God” inhoudt. In ECvL spreekt Jezus van “de Kunst van Denken”. Ik noem dit voor mezelf een “klik-ervaring”. Tijdens zo’n ervaring klikken denkbeelden als het ware ineen, maar niet slechts op een conceptueel niveau. Nee; elke klik gaat gepaard met een diep en gelukzalig gevoel van helderheid. Je voelt dat iets overduidelijk is geworden maar tegelijkertijd merk je een onmacht om dit precies over te brengen aan de broeders en zusters met wie je in gesprek bent.

In ECvL legt Jezus uit dat het voelt alsof deze toestand “onderhoud” vergt. Dit onderhoud is geen zwaar werk maar is meer een jezelf herinneren om je af te stemmen op eenheid en liefde. Uiteindelijk gaat het steeds meer “van-Zelf”. Je ontwikkelt een soort antenne voor “ego-spanning” en bent sneller bereid de uitgestoken hand van Jezus aan te nemen. Uiteindelijk zal dit volgens ECvL leiden tot bestendiging. En zelfs als daar nu nog geen sprake van is, merk je duidelijk op dat het door je heen aan het gebeuren is. Niet door je eigen inspanning en wilskracht maar door vertrouwen en genade. Door de kracht van de Liefde die onze Schepper is.

Een God van liefde en haat?

Een paar weken geleden was ik jarig. Van een goedbedoelende verjaardagsgast kreeg ik het boek 77 moeilijke vragen van Christenen van Willem J. Ouweneel. De zevende ‘moeilijke vraag’ luidt: “God is liefde, maar Hij is ook een verterend vuur – hoe kunnen we dat met elkaar rijmen?”

Ouweneel betoogt dat deze twee eigenschappen elkaar niet tegenspreken. God is liefde, maar Hij is óók een ‘verterend vuur’. Dat vuur is, zo stelt hij, geen metafoor maar een realiteit: een God die uiteindelijk de goddelozen vernietigt. Hij verwijst daarbij naar diverse bijbelteksten uit het Oude Testament.

Volgens Ouweneel haat God niet alleen de zonde, maar ook de zondaar: ‘Hij haat de goddelozen, dus de mensen die zulke kwade dingen bedrijven.’ Dat God liefde is, betekent volgens hem geenszins dat God niet zou kunnen haten. Integendeel: liefde krijgt pas werkelijk betekenis wanneer zij wordt afgezet tegen haar tegendeel. Zonder haat zou liefde zelfs inhoudsloos worden.

Gods liefde is in deze visie bovendien niet universeel. Zij geldt uitsluitend voor hen die zich voor die liefde openstellen. Wie zich bewust afsluit, wie rebelleert tegen God, plaatst zichzelf buiten die liefde en wordt object van Gods haat en wraak. Ouweneel verbindt dit expliciet met Bijbelse taal over vergelding en stelt dat God niet alleen rechtvaardig straft, maar zelfs als een ‘grimmige Wreker’ kan worden aangeduid.

Deze manier van denken is herkenbaar binnen een klassieke, orthodox-Bijbelse theologie. Toch schuurt hier iets fundamenteels – althans, wanneer je kijkt vanuit de visie van Een Cursus in Wonderen (ECIW).

Liefde zonder tegendeel

ECIW stelt onomwonden: liefde heeft geen tegendeel. Liefde is wat God is. Niet liefde én iets anders, maar liefde alleen. Waar liefde is, kan haat eenvoudigweg niet bestaan. Niet als onderdrukte tegenpool, niet als noodzakelijke schaduwzijde, en ook niet als ‘gerechtvaardigde afkeer’.

De Cursus is daarin radicaal consequent. Elk idee van haat, wraak, straf of vergelding kan volgens haar onmogelijk uit God voortkomen, omdat zulke begrippen alleen zin hebben binnen een denkraam van afgescheidenheid, angst en schuld. En dát denkraam is precies wat ECIW beschrijft als de vergissing van de Zoon van God.

Projectie en het godsbeeld

Vanuit die vergissing – het geloof dat we afgescheiden zijn van onze Bron – ontstaat een wereldbeeld waarin schuld reëel lijkt en straf logisch wordt. In zo’n wereld projecteert de mens zijn innerlijke conflict op God. De God die ‘haat’, ‘wreekt’ en ‘vernietigt’ is, vanuit de visie van ECIW, geen openbaring van God Zelf, maar een spiegel van de innerlijke angst van de mens.

Met name in het Oude Testament zien we dit mechanisme sterk terug. God wordt daar voorgesteld als jaloers, woedend, straffend en soms meedogenloos. Niet omdat God zo is, maar omdat Hij zo gezien wordt door een mensheid die leeft vanuit het geloof in zonde en schuld.

ECIW zegt het scherp: wat wij menen te zien in God, zegt alles over onze eigen denkgeest. Een angstige geest kan geen liefdevolle God waarnemen.

Geen spoor van duisternis

Interessant is dat ook de Bijbel zelf een heel andere toon kent dan die van een God die haat. In de Eerste brief van Johannes lezen we:

“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1 Johannes 1:5)

Niet: God is liefde én haat. Niet: God is licht mét een donkere zijde. Maar: geen spoor van duisternis. Dat is opmerkelijk. Het suggereert een Godsbeeld dat veel dichter ligt bij de visie van ECIW dan bij het idee van een God die Zijn liefde ‘balanceert’ met haat.

Liefde hoeft geen contrast

Het idee dat liefde pas betekenis krijgt door haar tegendeel is diep menselijk, maar volgens ECIW ook diep misleidend. Het is het denken van de wereld van dualiteit: licht tegenover donker, goed tegenover kwaad, liefde tegenover haat. God echter kent geen dualiteit. Liefde heeft geen contrast nodig om liefde te zijn.

Wanneer Ouweneel stelt dat God de goddelozen haat omdat zij zich afsluiten voor Zijn liefde, blijft hij denken binnen dit dualistische kader. ECIW zou zeggen: wie zich afsluit voor liefde, ervaart geen liefde – maar dat betekent niet dat de liefde zich heeft teruggetrokken, laat staan veranderd is in haat. De zon blijft schijnen, ook als iemand de gordijnen sluit.

Mijn hoop

Ik schrijf dit niet om Willem J. Ouweneel te corrigeren of te overtuigen. Zijn werk komt voort uit een oprechte betrokkenheid bij het christelijk geloof. Wat ik wel hoop – zacht en zonder haast – is dat ook hij misschien steeds meer gevoel krijgt voor een God die werkelijk niets anders is dan liefde. Een liefde die niet dreigt, niet wreekt, niet verteert, maar eenvoudig is.

Wat mij raakt in het werk van Willem J. Ouweneel is zijn duidelijke ernst en zijn verlangen om God recht te doen. Mijn hoop is dat hij, misschien wel via ECIW, mag ontdekken dat God niets anders kan zijn dan liefde. Niet een liefde die selecteert, maar een liefde die nooit opgeeft. Niet een liefde die straft, maar een liefde die herinnert. Een liefde die geen tegenpool nodig heeft om zichzelf te zijn. Misschien vraagt dat niet zozeer om scherpere dogma’s, maar om een zachter vertrouwen: dat God werkelijk beter is dan wij Hem ooit hebben durven voorstellen.

De Wereld Anders Zien: Inpluggen op het Veld van Liefde

We lopen vaak door het leven met een soort ‘tunnelvisie van afscheiding’. We ervaren onszelf als een klein eiland van bewustzijn in een oceaan die soms vriendelijk, maar vaker onverschillig of zelfs dreigend aanvoelt. Onze gebruikelijke manier van kijken bevestigt dit voortdurend: ik ben hier, de wereld is daar, en er zit een dikke glazen wand tussen ons in.

Les 33 van Een Cursus in Wonderen nodigt ons uit om die bril af te zetten. De eenvoudige zin “Er is een andere manier om naar de wereld te kijken” is in feite een radicale interventie. Het is een uitnodiging om de stekker van ons ego uit het stopcontact van afscheiding te trekken en in te pluggen op het ‘veld van liefde’.

De Omslag in Waarneming

Wat deze les zo krachtig maakt, is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wat we ‘buiten’ ons zien en wat we ‘binnen’ in onszelf ervaren. De rommel op je keukentafel en de rommelige gedachte in je hoofd worden met precies dezelfde ongedwongenheid bekeken.

Het doel is om een zekere afstand te bewaren—een onthechtheid. Maar let op: hier schuilt een groot misverstand. Onthechtheid wordt vaak verward met onverschilligheid, en dat is precies wat deze les niet beoogt.

Waarom Onverschilligheid de Ultieme Afscheiding is

Onverschilligheid is niet het tegenovergestelde van angst of woede; het is er een vermomming van. Wanneer we onverschillig zijn, zeggen we eigenlijk: “Jij of dat daarbuiten raakt mij niet, want ik heb mijzelf veilig opgesloten in mijn eigen burcht.” Het suggereert een ultieme afscheiding: het ego versus de rest van de wereld.

De ‘andere manier van kijken’ waar de les over spreekt, is juist diep verbonden. Het is kijken vanuit een perspectief waarin de scheidslijn tussen jou en de ander vervaagt. Als je kijkt vanuit het veld van liefde, kun je niet onverschillig zijn, omdat je erkent dat alles wat je ziet een deel van het geheel is waar jij ook toe behoort. Je kijkt mét de wereld, in plaats van tégen de wereld.

Oefenen in het Moment

De les vraagt ons om deze nieuwe blik te trainen, vooral op de momenten dat we uit ons lood geslagen worden. Wanneer de irritatie opborrelt omdat de trein te laat is, of wanneer een collega een scherpe opmerking maakt, is dat het moment om de knop om te zetten.

Door tegen jezelf te zeggen: “Er is een andere manier om hiernaar te kijken,” geef je jezelf toestemming om de oude reflex van aanval of verdediging te pauzeren. Je kiest ervoor om de situatie niet te zien als een bewijs van jouw afscheiding, maar als een kans om de onderliggende verbondenheid te herinneren. Het is een zachte herinnering dat de vrede die je zoekt niet afhankelijk is van hoe de wereld zich gedraagt, maar van de manier waarop jij bereid bent de wereld te aanschouwen.

Ben ik verantwoordelijk voor eigen ellende en geluk?

Ten diepste draait Een Cursus in Wonderen (ECIW) om de vraag wat onze ware identiteit is. Ons zogenaamd normaal menselijke gevoel stelt dat we ikjes zijn die rondwandelen in de wereld. De Cursus noemt dit echter het ego. Hardcore non-dualisten schieten soms door naar het andere uiterste en stellen dat elke vorm van individuatie onzin is. In die visie zijn we arrogante druppeltjes water die uiteindelijk weer zullen terugvloeien in die ene oceaan.

Voor mij is het behulpzaam uit te gaan van een en-en-visie die mijn verstand niet echt kan begrijpen, maar waardoor ECIW zich wél krachtig aan mij kan openbaren. Deze visie neemt genoegen met het mysterie dat we geïndividueerde denkgeesten zijn (“Zielen” in de oorspronkelijke ECIW-vertaling), die in eenheid verbonden zijn in het Zoonschap. Vanuit dit perspectief kan ik de hele tekst van ECIW direct binnen laten komen.

Ik hoef dan niet mee te gaan in zienswijzen die stellen dat Jezus in de Cursus weliswaar in meervoudsvormen spreekt (Zielen, Gedachten van God, Zonen), maar dat hij dat eigenlijk niet zo bedoelt omdat “in werkelijkheid alles één is”. Nee — Jezus spreekt vrijuit over de paradox van de Schepping. Dat betekent dat hij meervoud en enkelvoud door elkaar gebruikt, omdat het en-en is en niet of-of.

Het aanvaarden van dit mysterie brengt voor mij ook helderheid in heikele ECIW-vraagstukken. Neem bijvoorbeeld werkboekles 31: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.” Gewoonlijk valt deze uitspraak binnen ons ego-denken. Dan concluderen we dat wijzelf, als ikje, alle ellende over onszelf hebben afgeroepen. De andere kant van dezelfde ego-medaille is de gedachte dat we vervolgens ook een feestje kunnen bouwen door allerlei plezierige ego-cadeautjes te manifesteren. Immers: als we onze ellende zelf veroorzaken, dan moeten we ons geluk ook zelf kunnen afdwingen.

Houd ik hier het en-en-mysterie tegenaan, dan zie ik dat de eenheid van de denkgeest uit beeld is verdwenen. Want onze ervaring “hier” — waarin we menen een ikje te zijn dat slachtoffer is van iets buiten onze macht — is het gevolg van een collectieve droom, een droom van het Zoonschap. ECIW spreekt niet over een vergissing van het ego, maar over een vergissing van de Zoon, van het Zoonschap, waardoor de illusie ontstond dat er echte ego’s bestaan: afgescheiden eilandjes. Ons kleine zelfgevoel en slachtofferschap zijn dus niet het uitgangspunt van de discussie, maar het gevolg van een collectief dwaas idee.

Omgekeerd is bij manifestatie niet het ultieme doel om de macht van de ego-denkgeest te illustreren en daarmee het ego te versterken. Manifesteren is juist een afstemming op het geheel, op het collectieve belang, zodat je kunt ervaren dat je onderdeel bent van een groter geheel: dat er voor je gezorgd wordt, dat je gedragen wordt door een liefdevolle Bron en Schepping.

En wat gebeurt er dan meestal? Een 180-gradendraai terug naar de of-of-visie. Het ego zegt: “Aha, ik ben dus tóch een slachtoffer — namelijk van het collectief!” Of: “Aha, ik mag dus niets positiefs wensen en mijn geluk doet er niet toe!” Het ligt subtiel. Wat het ego hier doet, is afstand nemen van gedeelde verantwoordelijkheid. Het ruilt verantwoordelijkheid in voor slachtofferschap, of voor zelfverloochening. Daarmee verliest het opnieuw het geheel uit het oog: de en-en-verantwoordelijkheid.

Onze huidige situatie is zoals zij schijnbaar is: we geloven in afgescheidenheid. Dus hebben we ons voorlopig te verstaan met wat ons ogenschijnlijk als individu overkomt en met wat wij als individu denken nodig te hebben voor geluk. Dat betekent dat we aan de slag moeten met het vergeven van ons individuele zonde- en schuldgevoel. We kunnen nog niet anders dan denken in termen van beperkt belang — mijn belang. Het ego-standpunt werkt als een magneet, en we zijn verslaafd aan deze aantrekkingskracht.

Onze strubbelingen hebben daarom iets dubbels. We worstelen met het denkbeeldige onderscheid tussen individuele schuld en slachtofferschap, tussen eigen belang en algemeen belang. Dat illustreert precies onze verwarring. De handvatten die ECIW ons aanreikt — vergeving en het aanbieden van wonderen — zijn precies bruikbaar in dit schijnbare tussengebied.

Telkens benadrukt Jezus dat geven en ontvangen in waarheid één zijn. Als wij onszelf vergeven en beseffen dat we niet zondig en schuldig zijn, dan is daarmee de ander en het hele Zoonschap geholpen. We vergeven dan ook de schijnbare zonden van onze Broeders. En als wij leren vertrouwen op de overvloed van liefde in ons eigen leven, hoeven we geen beperkte ego-doelen meer na te streven in de veronderstelling dat die ons waar geluk zullen brengen. Dan zien we dat jouw geluk niet losstaat van mijn geluk.

Dit alles voert ons uiteindelijk terug naar het besef van onze ware Identiteit — met hoofdletter I.
Wij zijn Kinderen van de Vader, Broeders binnen het Zoonschap.

Een worstelende broeder,

Drie jaar geleden zocht een man, laat ik hem maar even Piet noemen, contact met me per mail omdat hij worstelde met groot persoonlijk leed. Hij wilde hiermee aan de slag met behulp van Een Cursus in Wonderen (ECIW). Ik antwoordde hem toen het volgende:

Als ik ga proberen de waaromvraag te beantwoorden dan verval ook ik in metafysische gemeenplaatsen waar je weinig aan zult hebben. Kun je ook maar één antwoord bedenken dat je tevreden zou kunnen stellen? Christenen zouden zoiets zeggen als “De mens wikt maar God beschikt”. ECIW-studenten komen met “de droom waarom de Zoon van God vergat te lachen”. Etc Ik wil met alle liefde de visie van ECIW op ons lichamelijk en emotioneel lijden voor je samenvatten, maar zit je hier op te wachten? De belangrijkste vraag is hoe jij je kunt verhouden tot de nare privé-gebeurtenissen die nu in je leven spelen. Deze in een conceptueel metafysisch kader plaatsen biedt gewoonlijk weinig soelaas.

 Mag ik aan je vragen hoe intensief je met ECIW bezig bent? Probeer je echt de denkgeest te trainen door het volgen van de werkboeklessen? Zonder deze toepassingsgerichte werkboeklessen zullen “kloppende” ECIW-antwoorden je niets bieden. Concreet kan ik deze vraag herformuleren door te vragen of je de ECIW-wijze van vergeven al toepast in je leven. Zo ja; wat is dan je ervaring hiermee? Wat brengt dit je?

Er zijn nu bijna drie jaren verstreken en Piet is een felle bestrijder geworden van de metafysica van ECIW. Ik heb talloze malen geprobeerd om mijn eerste, bovenstaande, antwoord dusdanig te formuleren dat Piet geholpen zou zijn. Mijn kortst mogelijke antwoord zou zijn: “geef je over aan de kracht en troost van liefde”. Piet blijft echter strijden en komt met de meest doorwrochte redeneringen die moeten aantonen dat de cursus niet klopt en wreed is. Ook andere ECIW-leraren kunnen vooralsnog Piet niet echt bereiken.

Er komen een aantal vragen bij me naar boven naar aanleiding van Piets worsteling:

  1. Wat weerhoudt hem om te vertrouwen op de Heilige Geest?
  2. Wat drijft mij en andere ECIW-studenten om telkens weer met hem in debat te gaan?
  3. Is er een manier om hem te helpen?

Bij het beantwoorden van deze vragen meen ik dat het goed is om als eerste de denkbeeldige kloof tussen Piet en mij te dichten en te beseffen dat we dezelfde ego-krachten delen en dezelfde liefde. Want de worsteling met de cursus vindt niet alleen plaats in de denkgeest van Piet maar in de gedeelde denkgeest van ons allemaal. Piet is, anders gezegd, het ultieme symbool van de verstandelijke worsteling met de metafysica van de cursus. Niet alleen Piet, maar wij allemaal aarzelen om ons over te geven aan liefde en koesteren onze grieven tegen de cursus.

En dit verklaart dan het tweede punt. Als wij onze worsteling en moeilijke vragen over de cursus verdringen dan bestaat de kans dat wij ze op Piet projecteren. Onze heftige reactie wordt dan gevoed door de onbewuste angst dat hij ergens een punt heeft. Maar is dit het hele verhaal? Ik vermoed het niet. We kunnen immers echt geraakt worden als we een broeder ontmoeten met een zo luide roep om liefde. En een dergelijke roep om liefde vraagt bij ons een respons. Het achtste wonderprincipe luidt:

“Wonderen genezen doordat ze een gemis aanvullen; ze worden door hen die tijdelijk meer hebben, verricht voor hen die tijdelijk minder hebben.”

En dat brengt me bij het derde punt. ECIW geeft geen pasklare voorschriften hoe te handelen in elke specifieke situatie. Het is dan ook goed mogelijk dat indien ik aan de HG vraag hoe ik hier waarlijk behulpzaam kan zijn, ik een ander antwoord krijg dan een andere “hulpverlener”, ofwel broeder of zuster.

Zelf heb ik moeten leren dat het lastig is om een ander via logica van de waarde van ECIW te overtuigen. Niet dat ECIW ten diepste onlogisch is. In tegendeel, het is in mijn beleving voor de meeste van ons haast te logisch; we willen de waarheid liever niet horen. Maar het risico van meegaan in verstandelijke discussies is dat ik daarmee de illusie bij mijn broeder versterk dat de cursus verdedigd zou moeten worden. In werkboekles 153 zegt Jezus:

7. Een verdedigende houding is zwakheid. Ze verkondigt dat jij de Christus hebt verloochend en Zijn Vaders woede bent gaan vrezen. Wat kan jou nu verlossen van je waanidee van een boze god, wiens vreeswekkend beeld jij aan het werk meent te zien in alle kwaad ter wereld? Wat anders dan illusies kunnen jou nu verdedigen, wanneer het slechts illusies zijn die jij bestrijdt?

Wij, en Piet, zijn dol op het spel van aanval en verdediging, zelfs als we dit een dialoog zouden noemen. Het is een manier om onze grieven te koesteren en ons ego te verharden.

Het is aan ons om op te merken of, en zo ja hoe, we dreigen te verzanden in het meespelen van het spel van het ego. Het ego wil strijden, beargumenteren, slim zijn en winnen. Dit terwijl de ware antwoorden pas gevonden worden in verdedigingsloosheid, in bereidwilligheid en overgave. Jezus wordt het lam Gods genoemd en niet de discussiekampioen Gods. Maar zelfs Jezus merkte in het Nieuwe Testament op dat zonder enige bereidwilligheid en vertrouwen in zijn woord, het evangeliseren (=het brengen van het goede nieuws) zinloos was. Zijn woorden kunnen zelfs wat hard klinken:

“En zo wie u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, gaat uit van dat huis of van die stad, en schudt het stof uwer voeten af.” (Mattheüs 10:14)

Wij kunnen hiervan schrikken en ons afvragen of we zo Piet niet in de steek zouden laten. Stoppen met argumenteren wil echter niet zeggen stoppen met liefhebben. Maar we hoeven niet naïef te zijn en te menen dat we iemand die ervoor kiest om, al is het maar voorlopig en als vertragingsmanoeuvre, de controverse op te zoeken, tegen zijn eigen (onbewuste) keuze in kunnen helpen. Laat iedereen echter zijn of haar eigen hart volgen in de omgang met onze eigen controverses en die van Piet waarbij we het volgende ECIW-citaat in gedachten houden:

2. Alle termen zijn in aanleg controversieel, en zij die de controverse zoeken zullen die vinden. Maar zij die verheldering en verklaring zoeken zullen die eveneens vinden. Ze dienen echter bereid te zijn aan controversen voorbij te zien in het besef dat die een verweer zijn tegen de waarheid in de vorm van een  vertragingsmanoeuvre. Theologische overwegingen als zodanig zijn per definitie controversieel, aangezien ze op geloof berusten en daarom aanvaard of verworpen kunnen worden. Een universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk. Het is deze ervaring waarop de cursus aanstuurt. Alleen hier is consistentie mogelijk, want alleen hier komt aan onzekerheid een eind.

Het thema “geloof” in de context van ECIW

In de wereld van Een Cursus in Wonderen is geloof veel meer dan een abstract religieus concept of een passieve overtuiging. Het wordt gepresenteerd als een dynamische en fundamentele kracht van de menselijke geest. Vaak denken we dat we het vermogen tot geloven zijn kwijtgeraakt, of dat we sceptisch en nuchter in het leven staan. De Cursus stelt echter dat het onmogelijk is voor de mens om géén geloof te hebben. De vraag is nooit óf we geloven, maar waar we onze kracht van geloof in investeren.

Op dit moment hebben we ons geloof bijna volledig geschonken aan de illusies van de wereld: aan het lichaam, aan pijn, aan het verleden en aan de vele beperkingen die we om ons heen zien. We zijn zelfs uiterst getrouw in onze toewijding aan deze beperkingen. We geloven zo rotsvast in onze eigen zwakte en in de schuld die we bij anderen waarnemen, dat dit voor ons de enige werkelijkheid is geworden. Wat we ‘ongeloof’ noemen, is in feite niets anders dan een krachtig geloof in het niets, een investering in wat niet waar is. De weg naar innerlijke vrede begint dan ook niet bij het vergaren van nieuw geloof, maar bij het zorgvuldig terugtrekken van onze investeringen uit de illusies van het ego.

Dit proces van verandering vraagt om een verschuiving van de blik. Waar het ego ons vertelt dat we pas moeten geloven als we de bewijzen met onze eigen ogen zien, draait de Cursus dit principe om. Wat we geloven, bepaalt namelijk wat we waarnemen. Als we ervoor kiezen om ons geloof te schenken aan de heiligheid van onze medemens, in plaats van aan hun fouten, zal onze waarneming van de wereld transformeren. Dit is de kern van de relatie met de ander. Door voorbij het fysieke lichaam en de uiterlijke verschijning van een broeder of zuster te kijken, herkennen we een gedeelde essentie die de fysieke wetten overstijgt.

Geloof fungeert hierbij als de motor achter het wonder. Er wordt wel gezegd dat geloof bergen kan verzetten, en binnen de context van de Cursus is dit geen metafoor maar een spirituele wetmatigheid. De ‘bergen’ die verzet worden, zijn de massieve blokkades van angst en schuld die we in onze eigen geest hebben opgeworpen. Wanneer we zelfs maar een klein beetje van ons geloof aan de visie van de Heilige Geest schenken, bieden we de ruimte waarin genezing kan plaatsvinden. Dit kleine beetje bereidheid is voldoende om een proces in gang te zetten dat ons terugvoert naar de herinnering aan onze oorsprong.

Een troostrijke gedachte in dit proces is dat we er niet alleen voor staan. Juist op momenten dat ons eigen vertrouwen wankelt en we overmand worden door zelftwijfel, mogen we leunen op een kracht die groter is dan die van onszelf. Jezus en de Heilige Geest worden beschreven als degenen die een onwankelbaar en volmaakt geloof in ons blijven houden, ook als wij dat geloof in onszelf al lang verloren zijn. Hun vertrouwen in onze goddelijke natuur dient als een brug voor de momenten dat wij de weg even niet meer zien. Het is alsof zij ons geloof tijdelijk voor ons bewaren, totdat we weer in staat zijn het zelf op te eisen.

Uiteindelijk is geloof echter een tijdelijk hulpmiddel. Het is de gids die ons door de mist van perceptie en interpretatie leidt. In de werkelijke wereld, de staat van zijn die de Cursus ‘Kennis’ noemt, is geloof niet langer nodig. Je hoeft immers niet te geloven in wat direct en onomstotelijk aanwezig is. Zodra de waarheid volledig is geaccepteerd en de illusies van afscheiding zijn opgelost, maakt geloof plaats voor een diep en stil weten. Tot die tijd is het onze krachtigste bondgenoot: een bewuste keuze om elke dag opnieuw te vertrouwen op de liefde, in plaats van op de angst die de wereld ons spiegelt.

Een kijkje in mijn binnenste.

Sommigen beweren dat Een Cursus in Wonderen (ECIW) bedoeld is om het denken aan te spreken en te corrigeren. In mijn beleving is dit slechts deels waar en schuilt er ook een “gevaar” in deze denkwijze. Dit bestaat eruit dat je te veel over de cursus gaat nadenken en zo als het ware “aan de buitenkant” ervan blijft. Dit illustreer je dan weer door een mening te vormen over de cursus en daarmee in feite afstand creëert.

Het Engelse “mind-training” omvat echter meer dan het gaan koesteren van wat nieuwe meningen. In het Nederlands is dit “mind” vertaald met “denkgeest” en misschien zet dit ons op het verkeerde been. In Een Cursus van Liefde (ECvL; het vervolg op ECIW) maakt Jezus aanvankelijk onderscheid tussen het hoofd- en het  hartaspect van deze mind. Het is echter de bedoeling om uiteindelijk te gaan leven vanuit heelheid-van-hart; een situatie waarbij het hoofd als het ware onder curatele is geplaatst van het hart.

Gisteren schreef ik over “Onze intieme omgang met ECIW” en wees ik ook op het dubbelaspect van het wonder: het corrigeren van de perceptie (waarbij het hoofd behulpzaam is) en het laten stromen van liefde (waarin het hart een hoofdrol speelt). Ik wees erop dat eenzijdigheid een valkuil vormt.

Je kunt eindeloos blijven malen in je hoofd over die buitenkant van de cursus en dit zie ik helaas ook gebeuren bij sommige medestudenten. De eenzijdigheid van de aanpak met het verstand leidt tot worstelingen met de metafysica van de cursus. Deze worsteling is prima want hij toont aan dat je een aspect over het hoofd ziet, namelijk het hart-aspect. Dit hart-aspect vindt “vanbinnen” plaats, een plek die de cursus aanduidt als je innerlijk altaar.

We schrijven en delen in mijn beleving te weinig over onze intieme omgang met de cursus waardoor de verstandelijke buitenstaanders geen gevoel krijgen voor de liefdevolheid van de boodschap van Jezus. We zullen elkaar een inkijkje moeten geven over hoe vergeving werkt in onze mind. In feite is dit niet anders dan elkaar meer vertellen hoe we de werkboeklessen innerlijk toepassen.

Stel dat ik boos ben omdat ik me onheus bejegend voel. Iemand die de cursus vanaf de buitenkant bekijkt, zal gaan verdedigen dat deze boosheid gerechtvaardigd kan zijn. Dat kan zo zijn en ik gun hem zijn opvatting, maar ik wil met deze boosheid aan de slag. Dat kan beginnen met mijn verstand. Ik ga dit niet helemaal uitschrijven hier, wellicht een andere keer, maar ik besef dat ik me alleen aangevallen en daardoor boos kan voelen als ik geloof dat ik afgescheiden ben van de ander en dat ik een kwetsbaar, sterfelijk wezentje bent. “Dat ben je ook!”, zal de verstandige buitenstaanderroepen. Maar Jezus vraagt me in ECIW om opnieuw te kijken en iets anders te overwegen. Ik hoef dit niet te begrijpen, maar mij wordt, dus vooral in de werkboeklessen, gevraagd dit serieus te overwegen en te vertrouwen. “Maar dat is het einde van het denken en een nieuw geloof!”, roept de verstandige. “Noem het zoals je wilt, vriend, maar ik ga dit experiment aan”, antwoord ik.

Vervolgens stelt Jezus voor om zijn hulp in te roepen of die van de Heilige Geest, vertegenwoordigers van onvoorwaardelijke liefde. Ik mag hen vragen om anders te kijken naar de situatie en naar die ander. Nu komt er protest naar boven bij me en weerstand. Als ik heel eerlijk ben wil ik dit helemaal niet. Ik zie die ander waarvan ik denk dat deze me boos gemaakt heeft nu helder voor ogen en wil vasthouden aan mijn nijd. De cursus zegt dat we onze grieven willen koesteren en, helaas, ik moet erkennen dat ik ondanks mijn mooie praatjes over liefde nu ook wil vasthouden aan mijn gelijk. Dan komt een cursus-tekst naar boven: “Wil je gelijk hebben of vrede ervaren?”. “Liefst allebei”, is mijn antwoord, maar ik moet er zelf een beetje om lachen. Nu zie ik dat ik mezelf boos houd door deze grief te koesteren. Aaij, aij; Jezus heeft gelijk. Ik doe dit uiteindelijk mezelf aan, ik kruisig mezelf en houd mezelf af van innerlijke vrede.

Ik geef mijn eigen geploeter op en vraag met toenemende oprechtheid om de genezing van mijn vijandige blik. Ik word stiller en plotseling gebeurt het wonder. Ik kan het niet beter omschrijven dan dat de bodem uit mijn haat wegvalt en er die vrede ontstaat die alle verstand te boven gaat. Tegelijkertijd is er een golf van dankbaarheid en er ontstaat een opening naar mijn broeder. Ik kijk nu anders naar hem en voel mededogen. Ik herken in zijn ego-uiting op pijnlijke wijze hoe zeer we eigenlijk op elkaar lijken. Het is dubbel. Aan de ene kant is het helemaal niet fijn om zo in de spiegel mijn eigen ego-trekjes te zien en zelfs een vorm van schijnheiligheid. Maar diep vanbinnen weet ik dat deze “biecht”, dit eerlijk naar binnen kijken nodig is om “absolutie” , vergeving, te verkrijgen. Niet zozeer van moreel verwerpelijk gedrag maar van een pijnlijke vergissing.

Het blijft oefenen maar langzaam groeit door ervaring de overtuiging dat Jezus me in Een Cursus in Wonderen en in Een Cursus van Liefde de meest kostbare en dierbare handreiking biedt die ik me maar kan wensen. Een ongelofelijke combi van waarheid en liefde. Samen. Dank.

Onze intieme omgang met de cursus.

Je kunt op twee manieren met ECIW aan de haal gaan.

  1. Je focust je alleen op het non-duale karakter van de cursus waarbij je meent dat alleen absolute eenheid bestaat. Je stelt vervolgens dat binnen deze eenheid geen enkele tegenstelling kan bestaan. Er is dan geen goed en geen kwaad, geen ik en God en geen ik en de ander. Vervolgens doe je alles wat je ziet af als illusie en als een droom.
  2. Je focust je alleen op de liefdesboodschap van de cursus, maar je ziet liefde te beperkt, als aardig doen tegen elkaar. Dikwijls is deze liefde voorwaardelijk omdat we haar duaal zien: je kunt lief doen en onaardig doen.

Jezus kent natuurlijk beide valkuilen en probeert ons ervoor te behoeden door reeds in het begin van ECIW zo goed mogelijk uit te leggen wat hij verstaat onder “het wonder”. Als je de wonderprincipes goed bestudeert, liever in de originele uitgave van de cursus dan in de beknopte FIP-editie, dan zie je bovengenoemde twee punten duidelijk terugkeren:

  1. Het wonder is een correctie van perceptie
  2. Het wonder is een uiting van liefde

Wonderen spelen zich af in het domein van tijd en ruimte; het domein waarvan Jezus ons vertelt dat het een gebeuren is in onze mind en dat niet de ultieme werkelijkheid is. Hetzelfde geldt voor vergeving die ook alleen betekenis heeft binnen de ons bekende wereld.

Om enig benul te krijgen van het feit dat het hele aardse gebeuren zich afspeelt in onze mind dienen we wonderwerkers te worden en vergeving te beoefenen. Als  we dit doen kunnen we een glimp opvangen van een werkelijkheid die tijdloos is en waar we ons gewoonlijk niet van bewust zijn.

Maar terug naar de werkwijze van ECIW: wonderwerker worden en vergeving beoefenen. In feite zou elke ECIW-student zich de vraag moeten stellen hoe dit nu precies “van binnen” in zijn werk gaat. Aanvankelijk lijkt dit verwarrend omdat zich talloze verschillende situaties lijken voor te doen in ons leven. Maar door het doen van de werkboeklessen kun je er als het ware gevoel voor krijgen dat elk probleem uiteindelijk terug te voeren is op een soort oer-vergissing: we denken dat we afgescheiden zijn van onze Vader, onze Bron die Liefde is, en van elkaar.

We moeten ons van binnen als het ware steeds die twee aspecten op intieme wijze eigen maken:

  1. Ik corrigeer mijn perceptie: ik meen waar te nemen dat jij en ik verschillen, dat ik op gespannen voet sta met een van mij gescheiden buitenwereld, maar ik overweeg de mogelijkheid dat ik dit verkeerd zie. Ik ben bereid mijn waarneming te laten corrigeren.
  2. Ik realiseer me dat alles wat ik zie een uiting van liefde is of een roep om liefde. Jezus heeft laten zien dat angst, zonde en schuld vergeven mogen worden en oplossen in het licht van liefde. Ik stel me open voor deze liefde, verbind me ermee. Ik stel me open voor hulp van de Heilige Geest, Jezus, Liefde, de Vader, de harmonie van het Al.

De Cursus is een intieme metgezel die ons glimpen kan bieden van een diepe waarheid over onze identiteit, een waarheid die we uit het oog verloren zijn. Als dit gebeurt gaat liefde stromen en word je dankbaar.

Hopelijk is dit behulpzaam bij het voorkomen van een onvolledige of moeizame omgang met de cursus. Deze is terug te voeren op eenzijdigheid. Ook hier twee uitersten:

  1. Je ziet de cursus als een soort nieuw en conceptueel geloof en gaat er verstandelijk mee aan de haal of er juist mee in gevecht. Als je ermee aan de haal gaat dan verlies je de intieme omgang ermee uit het oog en doorleef je de cursus niet. Er treedt afstandelijkheid op en haast een soort wreedheid. Want waarom zou je anderen helpen als er geen anderen zijn en alles een droom is? Doordat deze ontsporing heeft plaatsgevonden krijg je als een soort corrigerende maar verwarrende reactie, mensen die de hele cursus af willen doen als een hyper-abstracte en wrede uitwas. Beide reacties zien de intieme en warme liefdescomponent van de cursus over het hoofd.
  2. Maar je kunt deze liefde-component ook te veel ontdoen van de metafysische diepte ervan. Dit is waar Ken Wapnick tegen waarschuwde toen hij zei: hoed u voor de weldoeners. Wat je krijgt als je de metafysica te veel uit het oog verliest is een uitgeklede versie van ECIW met een zware spruitjeslucht, een gezapig lief doen om lief gevonden te willen worden. Het gevaar bestaat dat de radicale visie van de cursus en de oproep tot echte verlossing en ontwaken uit het oog worden verloren.

Het blijkt erg lastig om onze houding te bepalen zo tussen droom en werkelijkheid. Het lijkt erop alsof we moeite moeten doen om onze ware aard die we niet kunnen kwijtraken te herontdekken. Het vergt genezing van onze hele mind, van hoofd en hart. Ons hoofd dient te wennen aan de gecorrigeerde perceptie waarbij het verbinding leert zien in plaats van afgescheidenheid. En tegelijkertijd dient ons hart zich te openen om weer kanaal van liefde te worden en te ontdekken dat liefde zowel middel als doel is.

De “oerzonde” is ons geloof dat we afgescheiden, op onszelf staande wezentjes zijn die zichzelf moeten verlossen. Maar alles wat ik hierboven gezegd heb, is bedoeld om ons terug te brengen tot het besef dat we juist verbonden zijn met de Vader en met elkaar (gecorrigeerde perceptie: er zijn geen anderen want WE zijn één) en dat deze verbinding niet abstract is maar een liefdesband (liefde is middel en doel).

Dank.

De metafysische kern van ECIW versus psychologisch realisme

In de dialoog tussen de psychologische praktijk en Een Cursus in Wonderen (ECIW) ontstaat vaak verwarring over de aard van de werkelijkheid. Waar de psychologie het individu tracht te begrijpen en te versterken binnen de wereld, nodigt de Cursus ons uit om diezelfde wereld te beschouwen als een gezamenlijke droom van afscheiding, waaruit wij samen kunnen ontwaken.

Deze twee benaderingen spreken niet zozeer over hetzelfde onderwerp met verschillende antwoorden, maar vertrekken vanuit verschillende niveaus van vraagstelling. Verwarring — en vaak ook onnodige polarisatie — ontstaat wanneer inzichten van het ene niveau worden ingezet om het andere te weerleggen.

Om ECIW‑studenten handvatten te bieden voor een zuivere dialoog, volgen hieronder vier cruciale toetspunten om de metafysische visie van de Cursus te onderscheiden van psychologisch realisme, zonder de menselijke ervaring te ontkennen.

1 De status van de wereld: een gezamenlijke droom

De visie van ECIW
Volgens de Cursus is de wereld niet de creatie van een individuele geest, maar de uiterlijke manifestatie van de gedachte aan afscheiding in het Zoonschap. Zij is een collectieve droom van fragmentatie. Verlossing bestaat niet uit het verbeteren van deze droom, maar uit het gezamenlijk herkennen dat zij niet waar is. Hiertoe worden wij uitgenodigd wonderwerkers te zijn: het wonder is een verandering van perspectief waarin wij onze onderlinge verbondenheid erkennen en liefde laten stromen.

De Cursus ontkent hiermee niet dat de wereld functioneel en ervaarbaar is, maar stelt dat haar ultieme status niet ligt op het niveau waarop psychologie, ethiek en maatschappelijk functioneren opereren.

De kritische tegenwerping
Vanuit psychologisch realisme wordt de wereld gezien als een objectieve, onafhankelijke realiteit. Het idee dat de wereld een droom zou zijn, wordt dan opgevat als een vlucht uit de werkelijkheid die verantwoordelijkheid en betrokkenheid ondermijnt.

Het toetspunt
Wordt de wereld gezien als een ‘echte’ plaats waar wij ons definitief moeten handhaven, of als een ‘onwerkelijke’ context waarbinnen ontwaken mogelijk is? Is de focus gericht op tijdelijk welzijn binnen de droom, of op verlossing uit de droom door vergeving?

2. De ander: projectie of de Christus?

De visie van ECIW
De ander is binnen de Cursus niet louter een projectie van het persoonlijke ego, maar een Broeder die deel uitmaakt van hetzelfde Zoonschap. Hoewel de vorm waarin de ander verschijnt tot de droom behoort, is de inhoud van de ander de Christus Zelf. Wij ontmoeten geen vreemden, maar delen van de ene Zoon van God. In de Heilige Relatie wordt de ander het middel waardoor wij onze eigen heelheid hervinden.

Hier is een belangrijk onderscheid van belang: waar psychologie spreekt over projectie als een verdedigingsmechanisme van het ego, spreekt de Cursus over projectie als het kosmische gevolg van een collectieve denkfout. Deze begrippen delen een woord, maar niet hetzelfde niveau.

De kritische tegenwerping
De ander wordt gezien als een autonoom individu met een eigen geschiedenis, grenzen en kwetsbaarheid. De visie van de Cursus zou de ‘echte ander’ ontkennen en de ethische ontmoeting reduceren tot een innerlijk spiegelspel.

Het toetspunt
Wordt de ander primair benaderd als losstaand object (het ego‑perspectief), of is er oog voor die diepere verbondenheid van denkgeesten waarin de Broeder wordt gezien als onmisbare metgezel in de terugkeer naar de Heilige Relatie en de eenheid van het Zoonschap?

3. Lijden en slachtofferschap: de roep om liefde

De visie van ECIW
Volgens de Cursus kan geen enkele Broeder ons in waarheid iets aandoen, omdat onze Werkelijkheid in God onveranderlijk is. Wat wij ‘aanval’ noemen, is in wezen een roep om liefde van een Broeder die vergeten is wie hij is. Slachtofferschap is de ontkenning van onze gedeelde kracht als Kinderen van God. Jezus’ vergevende houding ten opzichte van zijn beulen bij de kruisiging en zijn opstanding dienen binnen de Cursus als illustratie hiervan.

Hier spreekt de Cursus niet normatief — je mág je niet slachtoffer voelen — maar ontologisch: in waarheid bén je geen slachtoffer. Dat onderscheid is essentieel.

De kritische tegenwerping
Er bestaat objectief onrecht en feitelijk slachtofferschap. Het ontkennen van dader‑ en slachtofferrollen, met name in contexten van trauma, wordt gezien als moreel problematisch en psychologisch schadelijk.

Het toetspunt
Ligt de nadruk op het herstellen van rechtvaardigheid binnen de droom (ego‑herstel), of op het herkennen van de onschendbaarheid van de Geest die boven de droom verheven is? Wordt metafysische waarheid onderscheiden van psychologische nood?

4. Identiteit: het ego of de relatie met de Vader?

De visie van ECIW
Schepping is uitbreiding. De Vader breidt Zichzelf uit in Zijn Kinderen, en de Kinderen breiden hun liefde uit naar elkaar. Onze werkelijke identiteit is deze eeuwige relatie. Het ego probeert deze eenheid te vervangen door isolatie, tijdgebonden persoonlijkheid en een verhaal van afgescheiden bestaan.

De kritische tegenwerping
De mens wordt gezien als product van tijd, biologie en omgeving. Psychische gezondheid betekent een goed functionerend ego dat zich kan verhouden tot de eisen van de wereld.

Het toetspunt
Wordt er gewerkt aan een ‘beter ik’ binnen de wereld, of aan het opheffen van de blokkades die de ervaring van onze natuurlijke staat van Liefde en verbondenheid verhinderen? Wordt er expliciet onderscheid gemaakt tussen ego‑ontwikkeling en verlossing?

Conclusie

Wanneer een criticus stelt dat de Cursus onzinnig of zelfs krankzinnig is omdat zij de werkelijkheid van de wereld of de ander zou ontkennen, spreekt hij doorgaans vanuit een perspectief waarin afscheiding functioneel als uitgangspunt wordt genomen. Dat perspectief is noodzakelijk en zinvol binnen psychologie en ethiek, maar het is niet het metafysische vertrekpunt van ECIW.

De Cursus ontkent onze ervaring van lichaam, wereld en ander niet, maar duidt deze als symptomen van een geloof in afgescheidenheid — als een gekleurd perspectief. Zij stelt dat een ander perspectief mogelijk is en dat wij dit kunnen leren ontvangen door vanuit Liefde, met behulp van de Heilige Geest en Jezus, anders te leren kijken. Dit is geen ontkenning van ervaring, maar een transformatie van perspectief.

Voor studenten van de Cursus is het daarom niet nodig psychologische kritiek te weerleggen. Vaak volstaat het te verduidelijken dat men verschillende vragen beantwoordt. Waar psychologie vraagt: ‘Hoe functioneert de mens in de wereld?’, vraagt de Cursus: ‘Wat is de wereld zelf?’ Verwarring ontstaat wanneer antwoorden op de ene vraag worden gebruikt om de andere te ontkrachten.

Een zuivere dialoog begint niet bij verdediging, maar bij onderscheid.

Tussen Psychologie en Metafysica: Het Proces en het Doel

Onder serieuze en gedreven studenten van Een Cursus in Wonderen (ECIW) zie je vaak twee uitersten die op gespannen voet met elkaar lijken te staan:

  1. De psychologische visie: Deze studenten focussen op gelukkig worden met de Cursus in het dagelijks leven.
  2. De metafysische visie: Deze studenten richten zich primair op de verlossing uit het dagelijks leven.

In mijn beleving is het essentieel om beide visies in het vizier te houden. Zodra we eenzijdig worden, gaan we hopeloos langs elkaar heen praten en vliegen de verwijten over en weer.

De spanning tussen twee werelden

Aanhangers van de psychologische visie verwijten de metafysische groep vaak dat ze harteloos zijn en “niet van deze wereld”. Zij wijzen erop dat er op het alledaagse vlak eerst nog heling nodig is van jeugdtrauma’s, karmische schuld en andere onverwerkte kwesties. Voor hen voelen uitspraken als “ik ben niet dit lichaam” of “ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie” als een ontkenning van hun pijn.

In zekere zin hebben ze gelijk: de Cursus roept ons niet op om het lichaam of de wereld simpelweg te negeren. Wonderen betekenen juist dat we verbondenheid zien en reageren op de roep om liefde — en dat gebeurt gewoon in het dagelijks leven, droom of geen droom.

Aan de andere kant wijzen aanhangers van de metafysische visie er terecht op dat het einddoel van ECIW verder gaat dan de overgang van een nachtmerrie naar een gelukkige droom. Het uiteindelijke doel is ontwaken uit de droom. Het is de ontdekking dat je geen afgescheiden wezentje bent wiens hoogste doel een “gelukkig ego” is. We zijn één met de Vader: één Zoonschap. De Zoon van God is onkwetsbaar; hij kan niet ziek zijn of sterven, maar hij kan dit wel allemaal dromen.

Voor de psychologische visie is dit soms een gruwel, omdat zij deze uitspraak betrekken op het kleine ‘zelf’. Zij zien nog niet dat dit kwetsbare, sterfelijke zelf precies de droomfiguur is die de Zoon heeft bedacht om de afscheiding als echt te kunnen ervaren.

Het onderscheid: Proces versus Doel

Om deze twee visies te verenigen, moeten we een helder onderscheid maken tussen het proces en het doel.

  • Het Proces is onze weg: vergeving beoefenen en een wonderwerker zijn. Dit speelt zich af op psychologisch niveau, binnen de droom van tijd en ruimte. Dit proces vergt liefde, tact en soms professionele hulp. Hier zijn radicale, metafysische uitspraken zelden behulpzaam; ze kunnen zelfs schadelijk zijn als ze als wapen worden gebruikt.
  • Het Doel is de staat van zijn: de herinnering aan wat we werkelijk zijn. Dit is het metafysische niveau, de absolute Waarheid.

Dat deze waarheden tijdens het proces niet altijd voor iedereen even behulpzaam zijn, betekent niet dat we ze moeten vergeten of bestrijden. We proberen vaak met ons “verstand” tegen de metafysica te redeneren, maar dat verstand functioneert enkel binnen het niveau van tijd en ruimte — het niveau waarvan de Cursus ons nu juist leert dat het een droom is, voortgekomen uit ons geloof in afscheiding.

De weerstand tegen de waarheid

De diepste strekking van ECIW is dat we deze droom juist dromen omdat we onszelf ervan willen overtuigen dat de scheiding gelukt is. We klampen ons vast aan de overtuiging:

“Wij zijn werkelijk dit kleine zelf en wij kunnen wel degelijk bedreigd worden. Deze wereld is echt en wij zijn het slachtoffer van alle ellende die ons ongevraagd overkomt!”

Het is precies deze overtuiging die de Cursus zachtjes probeert te ontmantelen.

Samenvattend

Ja, we ervaren de wereld als echt.

Ja, op het niveau van het proces moeten we soms hard werken aan die ervaring en onze trauma’s.

En ja, Cursus-oneliners zijn daar op dat moment niet altijd behulpzaam.

Maar laten we, terwijl we het proces aangaan, nooit het doel uit het oog verliezen:

Niets werkelijks kan bedreigd worden.

Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.

Amen.