De Cursus heeft veel te melden over ‘ziekte’. Als wij over ziekte praten dan gaan we gewoonlijk uit van een lichamelijke aandoening. Daar valt veel over te schrijven maar ik breng het nu even terug naar mijn eigen houding tegenover lichamelijk ongemak. Misschien herkennen jullie het wel. Als ik bijvoorbeeld last heb van hoofdpijn dan meen ik dat ik als goede student moet zeggen dat ik gefopt wordt. De gedachtegang hierbij is als volgt:
Ik projecteer een buitenwereld en een hierbij horend lichaam als gevolg van geloof in mijn schuldgevoel. Het is een vlucht uit de denkgeest en niet echt. Mij foppen ze niet! Ik hoef me niks aan te trekken van die hoofdpijn want deze bestaat niet echt. Het is slechts een illusie.
Klinkt plausibel, toch? In hoofdstuk 2 van het Tekstboek staat echter:
8Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. 9Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. 10Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. 11Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. ‘2De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. 13Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.
Als ik dus die hoofdpijn ontken dan ben ik niet handig bezig. Diep van binnen meen ik dat de kwaal wel degelijk echt is maar dat ik er vanaf kan komen als ik maar hard tegen mezelf roep dat het allemaal onzin is. Bovenstaand citaat stelt dat ik mijzelf als het ware de macht ontzeg om een mis-creatie (projectie) in de vorm van ziekte te maken. Natuurlijk is die geprojecteerde hoofdpijn niet echt, maar als ik dat te snel roep ontken ik dat ik er wel degelijk in geloof. Door zo de macht van geloof te ontkennen, zelfs binnen de illusie, ontstaat het gevaar dat ik ook de echte scheppende macht van God (of Liefde) ontken. Ik spoel als het ware het kind met het badwater weg.
De Bijbel zegt het heel mooi dat wij onze zonden eerst moeten belijden voordat God deze kan vergeven. Natuurlijk wordt hier binnen de orthodoxie mee bedoeld dat we echt iets slechts gedaan hebben en dat een duale God hier zo z’n mening over heeft. Maar ook binnen de Cursus is het goed als we eerst ‘belijden’ dat we wel degelijk onze illusie van lichamelijk ongemak serieus nemen en deze niet te snel ontkennen. Ons gebed zou als volgt kunnen luiden:
Lieve God, Liefde, Eenheid die ik ten diepste ben. Ik ervaar hoofdpijn en dit voelt heel echt voor mij. Ik geloof wel degelijk dat dit lichaam heel echt is en pijn kan doen. Ik begrijp een klein beetje dat ik hier gek genoeg voor kies omdat zelfs pijn de illusie van mijn afgescheiden ik-gevoel bevestigt. Het is moeilijk voor mij om dit geloof los te laten want ik ben gewend om er zo naar te kijken. In de Cursus staat dat ik niet dit lichaam ben maar Liefde maar eerlijk gezegd zie ik dit nog niet zo duidelijk. Wilt u me laten zien dat ik me, hoe raar het ook klinkt, wat vasthoud aan de pijn en me helpen om te geloven in uw Liefde. Deze heeft me geschapen als U Zelf en dat betekent dat ik in plaats van een gevecht tegen pijn ook vrede kan ervaren. Heer ik wil graag stil zijn en U vertrouwen.
Het is belangrijk dat ‘het doel’ van het gebed overgave is om vrede te ervaren en gelukkig te zijn. Het doel is niet direct het beëindigen van de hoofdpijn. Dit kan gebeuren of niet, maar in geen van beide gevallen hoeven we bang te zijn. We zijn gericht op vrede zonder de hoofdpijn te ontkennen. We kiezen voor de echt scheppende kracht van de denkgeest die gepaard gaat met vergeving en geluk.
In ons dagelijkse denkbeeldige leven hangt de snelheid waarmee we iets leren af van ons talent en van onze inspanning. Denk bijvoorbeeld maar eens aan het leren van een sport als tennis. Balgevoel helpt en flink en vaak trainen ook. Het helpt zeker als we ook illusoire tijd besteden aan het bestuderen van de Cursus. Flink lezen in het blauwe boek, de werkboeklessen doen en bijeenkomsten bezoeken. Toch wil ik nog wel eens verzuchten dat het me allemaal niet snel genoeg gaat. Wat dat ‘het’ dan precies is wat niet snel genoeg gaat weet ik dan niet precies. En waar ‘het’ precies naar toe zou moeten gaan evenmin.
Het helpt om een beetje begrip te krijgen van de metafysica van de Cursus. Het kan je behoeden voor de vele trucjes die het ego met je probeert uit te halen. Zo leer je bijvoorbeeld dat je er voor kiest om je slachtoffer te voelen en waarom onze wereld zo doordrenkt is met het thema schuld. Je ziet wat je probeert de bereiken met je vele haat- en liefdesrelaties. Ga zo maar even door. Misschien doorzie je met deze kennis steeds sneller patronen binnen de illusie. Dat is mooi en er is niks mis mee. Maar toch. Toch kun je nog steeds het grootste deel van de dag in strijd zijn. In strijd met anderen, met de wereld en met jezelf. Je vecht als het ware nog steeds voor vrede. Anders gezegd; je doet je uiterste best om verlicht te worden. En dat is zo vermoeiend, weer ik uit eigen ervaring. Hoe kan dat toch? Waarom heb je het redelijk op een rijtje maar ervaar je niet de wonderstaat?