Er zijn geen anderen en geen afgescheiden ikje.

In gesprekken met andere ECIW-studenten merk ik dat het oppassen geblazen is met het interpreteren van uitspraken die zij doen. Zeker als het kernachtige oneliners betreft zoals: “Er zijn geen anderen”. Zonder verdere context is het namelijk niet mogelijk om na te gaan hoe je gesprekspartner zijn of haar uitspraak beleeft. Om daar achter te komen dien je verder te praten met elkaar waarbij je, zo goed en kwaad als dit lukt met onze beperkte taal en woorden, uitwisselt met elkaar hoe je deze uitspraak beleeft. Ook geldt dat men de boom herkent aan zijn vruchten. Laat me dit toelichten.

De uitspraak “Er zijn geen anderen” is in het slechtste geval een uitspraak van iemand die zich totaal identificeert met zijn kleine zelf. Dit houdt in dat deze persoon om zich heen kijkt en anderen beschouwt als nep-figuren, als figuranten in zijn droom. Dit geloof, deze boom, brengt de giftige vrucht van onverschilligheid voort. Hiermee bedoel ik dat iemand die dit gelooft vanuit identificatie met zijn eigen kleine lichaam en wezen zich afvraagt of het helpen van anderen wel nodig is. In de meest radicale versie van dit geloof gaat deze persoon zitten lachen om de ellende die hij ziet; zo van “ik laat me niet foppen door deze waanbeelden van mezelf!”. Een vreemdere variant van dit geloof is dat de persoon besluit om niet te helpen omdat hij daarmee de illusie van degene die hulp nodig heeft zou versterken. Het enige lichtpuntje hierbij is dat er in elk geval nog van wordt uitgegaan van een echte ander die een les te leren heeft. Toch is het in mijn beleving niet handig om maar niks te doen uit angst een illusie echt te maken. Want hoe komt dit over op die ander? Zal hij zich innig verbonden en geliefd voelen door jou als je met je handen op je rug toekijkt hoe hij lijdt? Jezus stelt dat het aanbieden van wonderen neerkomt op uitingen (!) van liefde. Want zelfs als je zelf begint door te krijgen dat je niet samenvalt met je kwetsbare lichaam is liefde, tact en geduld en door de Heilige Geest geïnspireerde actie richting een om hulp vragende broeder of zuster als regel behulpzamer dan je afwenden van die ander. Hiermee wil ik geen gedragsregel introduceren maar wel een oproep doen om je af te stemmen op de Heilige Geest (Jezus, Liefde, de Vader) en te luisteren naar wat er van je gevraagd wordt. Zelf hoor ik dan nooit het advies om die ander maar te laten barsten omdat het een nepfiguur zou zijn  of om de illusie van hem niet echt te maken.

Dezelfde uitspraak: “Er zijn geen anderen”, kan echter ook de uiting zijn van iemand die zich in hoge mate verbonden weet met de mensen die hij ontmoet. In de ontmoeting met zo’n medestudent voel je warmte en bewogenheid, je ervaart de liefde die van hem uitgaat. Je voelt je in gesprek met zo’n broeder of zuster gehoord en begrepen. Deze boom heeft zoete vruchten. Dat wil niet zeggen dat hij (of zij) zich net zo verliest in bepaalde gebeurtenissen als de hulpvrager. Maar er is wel de erkenning, meestal gebaseerd op herkenning, van de kwestie waar de hulpvrager mee worstelt. Ik moet denken aan de volgende wonderprincipes (hoewel er veel meer van toepassing zijn):

8. Wonderen genezen doordat ze een gemis aanvullen; ze worden door hen die tijdelijk meer hebben, verricht voor hen die tijdelijk minder hebben

18. Een wonder is een dienst. Het is de maximale dienst die jij een ander kunt bewijzen. Het is een manier om je naaste lief te hebben als jezelf.  Je herkent op hetzelfde moment je eigen waarde en die van je naaste.

Er is een manier om te voorkomen dat je in de valkuil trapt om met de uitspraak “Er zijn geen anderen” aan de haal te gaan. Het is een kleine toevoeging die een wereld van verschil kan betekenen en je bovendien een sleutel kan bieden om gevoel te krijgen voor belangrijke metafysische vragen. Gebruik, als je wilt, liefst de volgende uitspraak:

Er zijn geen anderen en geen afgescheiden ikje.

Je trekt hiermee in één beweging het tapijt onder de voeten van het ego vandaan en plaatst je direct in het mysterie van de heilige relatie: mijn Broeder en ik zijn één.

Ook kan het je helpen bij zo’n lastige vraag als “Heb ik mijn eigen ellende veroorzaakt?”, die zo velen tot wanhoop voert en leidt tot schuldgevoel. Want er is geen afgescheiden ikje dat de hele wereld droomt met daarin de anderen. Die anderen en ikzelf zijn één (het Zoonschap) en hoewel “ik” hier deel van uitmaak is het potsierlijk om alles af te doen als een droom van mijn afgescheiden ikje. We zijn niet alleen één met al onze Broeders maar we dromen ook als één, met al onze Broeders. Door besef te krijgen van die voor ons verstand zo onbegrijpelijke eenheid (waar ons hart overigens minder moeite mee heeft) vallen zo veel kwesties op hun plek. Om deze blog echter niet nog langer te maken, sluit ik af met een prachtige vraag die Jezus beantwoordt in de Cursus:

“Hoeveel leraren van God zijn er nodig om de wereld te redden?”

Het antwoord, zo kun je hieronder lezen, is “één”. Maar die ene kan niet het in afgescheidenheid gelovende kleine ikje zijn. Dat zal nu hopelijk duidelijk zijn. Lees s.v.p. zelf maar.

1. Het antwoord op deze vraag is: één. Eén geheel volmaakte leraar, wiens leerproces voltooid is, volstaat. Deze ene, geheiligd en verlost, wordt het Zelf dat Gods Zoon is. Hij die altijd al totaal geest was, ziet zichzelf nu niet langer als een lichaam of zelfs maar als in een lichaam. Daardoor is hij onbegrensd. En omdat hij onbegrensd is, zijn zijn gedachten voor eeuwig en altijd verenigd met die van God. Zijn waarneming van zichzelf is op Gods Oordeel gebaseerd, niet op dat van hemzelf. Zo deelt hij de Wil van God, en brengt hij Diens Gedachten naar denkgeesten die nog steeds in waan verkeren. Hij is voor eeuwig één, want hij is zoals God hem schiep. Hij heeft Christus aanvaard, en hij is verlost.

Plaats een reactie