Ten diepste draait Een Cursus in Wonderen (ECIW) om de vraag wat onze ware identiteit is. Ons zogenaamd normaal menselijke gevoel stelt dat we ikjes zijn die rondwandelen in de wereld. De Cursus noemt dit echter het ego. Hardcore non-dualisten schieten soms door naar het andere uiterste en stellen dat elke vorm van individuatie onzin is. In die visie zijn we arrogante druppeltjes water die uiteindelijk weer zullen terugvloeien in die ene oceaan.
Voor mij is het behulpzaam uit te gaan van een en-en-visie die mijn verstand niet echt kan begrijpen, maar waardoor ECIW zich wél krachtig aan mij kan openbaren. Deze visie neemt genoegen met het mysterie dat we geïndividueerde denkgeesten zijn (“Zielen” in de oorspronkelijke ECIW-vertaling), die in eenheid verbonden zijn in het Zoonschap. Vanuit dit perspectief kan ik de hele tekst van ECIW direct binnen laten komen.
Ik hoef dan niet mee te gaan in zienswijzen die stellen dat Jezus in de Cursus weliswaar in meervoudsvormen spreekt (Zielen, Gedachten van God, Zonen), maar dat hij dat eigenlijk niet zo bedoelt omdat “in werkelijkheid alles één is”. Nee — Jezus spreekt vrijuit over de paradox van de Schepping. Dat betekent dat hij meervoud en enkelvoud door elkaar gebruikt, omdat het en-en is en niet of-of.
Het aanvaarden van dit mysterie brengt voor mij ook helderheid in heikele ECIW-vraagstukken. Neem bijvoorbeeld werkboekles 31: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.” Gewoonlijk valt deze uitspraak binnen ons ego-denken. Dan concluderen we dat wijzelf, als ikje, alle ellende over onszelf hebben afgeroepen. De andere kant van dezelfde ego-medaille is de gedachte dat we vervolgens ook een feestje kunnen bouwen door allerlei plezierige ego-cadeautjes te manifesteren. Immers: als we onze ellende zelf veroorzaken, dan moeten we ons geluk ook zelf kunnen afdwingen.
Houd ik hier het en-en-mysterie tegenaan, dan zie ik dat de eenheid van de denkgeest uit beeld is verdwenen. Want onze ervaring “hier” — waarin we menen een ikje te zijn dat slachtoffer is van iets buiten onze macht — is het gevolg van een collectieve droom, een droom van het Zoonschap. ECIW spreekt niet over een vergissing van het ego, maar over een vergissing van de Zoon, van het Zoonschap, waardoor de illusie ontstond dat er echte ego’s bestaan: afgescheiden eilandjes. Ons kleine zelfgevoel en slachtofferschap zijn dus niet het uitgangspunt van de discussie, maar het gevolg van een collectief dwaas idee.
Omgekeerd is bij manifestatie niet het ultieme doel om de macht van de ego-denkgeest te illustreren en daarmee het ego te versterken. Manifesteren is juist een afstemming op het geheel, op het collectieve belang, zodat je kunt ervaren dat je onderdeel bent van een groter geheel: dat er voor je gezorgd wordt, dat je gedragen wordt door een liefdevolle Bron en Schepping.
En wat gebeurt er dan meestal? Een 180-gradendraai terug naar de of-of-visie. Het ego zegt: “Aha, ik ben dus tóch een slachtoffer — namelijk van het collectief!” Of: “Aha, ik mag dus niets positiefs wensen en mijn geluk doet er niet toe!” Het ligt subtiel. Wat het ego hier doet, is afstand nemen van gedeelde verantwoordelijkheid. Het ruilt verantwoordelijkheid in voor slachtofferschap, of voor zelfverloochening. Daarmee verliest het opnieuw het geheel uit het oog: de en-en-verantwoordelijkheid.
Onze huidige situatie is zoals zij schijnbaar is: we geloven in afgescheidenheid. Dus hebben we ons voorlopig te verstaan met wat ons ogenschijnlijk als individu overkomt en met wat wij als individu denken nodig te hebben voor geluk. Dat betekent dat we aan de slag moeten met het vergeven van ons individuele zonde- en schuldgevoel. We kunnen nog niet anders dan denken in termen van beperkt belang — mijn belang. Het ego-standpunt werkt als een magneet, en we zijn verslaafd aan deze aantrekkingskracht.
Onze strubbelingen hebben daarom iets dubbels. We worstelen met het denkbeeldige onderscheid tussen individuele schuld en slachtofferschap, tussen eigen belang en algemeen belang. Dat illustreert precies onze verwarring. De handvatten die ECIW ons aanreikt — vergeving en het aanbieden van wonderen — zijn precies bruikbaar in dit schijnbare tussengebied.
Telkens benadrukt Jezus dat geven en ontvangen in waarheid één zijn. Als wij onszelf vergeven en beseffen dat we niet zondig en schuldig zijn, dan is daarmee de ander en het hele Zoonschap geholpen. We vergeven dan ook de schijnbare zonden van onze Broeders. En als wij leren vertrouwen op de overvloed van liefde in ons eigen leven, hoeven we geen beperkte ego-doelen meer na te streven in de veronderstelling dat die ons waar geluk zullen brengen. Dan zien we dat jouw geluk niet losstaat van mijn geluk.
Dit alles voert ons uiteindelijk terug naar het besef van onze ware Identiteit — met hoofdletter I.
Wij zijn Kinderen van de Vader, Broeders binnen het Zoonschap.
