De Vader was nooit boos: gedachten over de kruisdood van Jezus.

Ik ben dol op het adagium: “Verwijder dat wat mensen van elkaar scheidt en zoek naar dat wat verbindt.” Wat zou de wereld er anders uitzien als politici dit als kompas zouden gebruiken. Maar hetzelfde geldt voor het gesprek tussen christenen en studenten van Een Cursus in Wonderen (ECIW) – voor zover er tussen die twee werelden überhaupt al sprake is van een dialoog. Meestal ligt de focus namelijk op de loopgraven: de onoverbrugbare verschillen tussen de Bijbelse boodschap en die van de Cursus.

De angst voor de ‘valse profeet’

Het thema kwam onlangs weer scherp bij me naar boven door een video van een gedreven vrouw. Na twintig jaar ECIW-student te zijn geweest, had zij plotseling het “licht” gezien: de Cursus was volgens haar letterlijk het werk van de duivel.

Wat mij intrigeert, zijn de aannames die tot zo’n radicale verharding leiden. Haar betoog rustte op de overtuiging dat de Bijbel de enige zuivere bron is. Vanuit die optiek is de mens een zondaar die redding nodig heeft door het bloed van Jezus. Wie beweert dat de mens in zijn ware natuur zondeloos is – zoals de Cursus leert – wordt weggezet als een dwaalleraar. De angst die uit zo’n boodschap spreekt, wordt vaak gezien als een “gezonde angst”: een noodzakelijke prikkel om je te bekeren tot de enige weg.

Twee verhalen, één kloof

Aan de andere kant staan de ECIW-studenten. Zij geloven dat God enkel Liefde is en geen bloed hoeft te zien om ons in de armen te sluiten. Voor velen van hen is zonde geen blijvende werkelijkheid maar een vergissing in perceptie; kwaad heeft geen zelfstandige macht en de kruisiging wordt gezien als een demonstratie van onkwetsbaarheid. Jezus is in die visie een oudere broer of een wijze leraar, maar geen plaatsvervangend offer in juridische zin.

In mijn beleving lopen beide groepen echter in dezelfde val wanneer zij hun overtuigingen reduceren tot een vaststaand narratief. Of je nu gelooft in een wraaklustige God die bloed eist, of in een abstracte liefde die het menselijk lijden ontkent; in beide gevallen kan het een “verhaaltje” in het hoofd worden. Het wordt dan niet langer diep doorleefd of belichaamd. Om in de terminologie van Een Cursus van Liefde te spreken: men leeft nog niet vanuit de “heelheid-van-hart”.

De Cursus zelf is echter geen nieuw verhaal, maar een correctie van waarneming — een uitnodiging om anders te zien.

De sleutel: Projectie en het “niet-pluis-gevoel”

De brug tussen deze twee werelden ligt volgens mij in het begrijpen van projectie.

Zowel de Bijbel als de Cursus spreken over een beweging waarin de mens meende “op eigen benen” te kunnen staan, los van zijn Bron. In de Bijbel heet dit de zondeval, in de Cursus de afscheiding. In de Cursus wordt echter benadrukt dat deze afscheiding geen feitelijke breuk is, maar een geloof in afscheiding — een denkbeeldige keuze.

Die beweging gaat gepaard met een diep ongemak: een gevoel van vervreemding, een “niet-pluis-gevoel”. Dat gevoel is geen straf van God en ook geen goddelijk oordeel, maar het natuurlijke signaal dat onze waarneming niet in overeenstemming is met onze ware aard. Het is het innerlijk besef dat we onszelf verkeerd zien.

Wanneer een ECIW-student dit ongemak ontkent via een spirituele bypass (“er is geen zonde”), kan hij voorbijgaan aan de kans tot correctie. Maar de correctie ligt niet in schuld of zelfveroordeling — zij ligt in het durven loslaten van de poging om zelfstandig te definiëren wie we zijn. Zoals de Verloren Zoon moest terug keren, niet om gestraft te worden, maar om te ontdekken dat hij nooit werkelijk verstoten was.

De fout die veel christenen maken, is dat ze hun eigen schuldgevoel projecteren op de Vader. Ze menen dat God boos is, omdat zij zich schuldig voelen. Maar de gelijkenis van de Verloren Zoon zegt iets anders: de Vader eist geen straf, Hij wacht met open armen. Hij wil geen bloed zien; Hij wil Zijn kind terug — of beter gezegd: Hij is het nooit kwijt geweest.

Het Kruis: Meer dan een symbool

Wat betekent de kruisiging dan nog?

Sommige ECIW-studenten spreken erover alsof het lijden er niet toe deed, omdat de wereld uiteindelijk geen zelfstandige werkelijkheid heeft. Maar dat kan gemakkelijk ontaarden in een ontkenning van menselijke ervaring.

De Cursus leert echter dat de kruisiging geen betaling was voor zonde, maar een demonstratie: aanval heeft geen werkelijke macht over de Zoon van God. Jezus liet zien dat Liefde onaangetast blijft, zelfs wanneer het lichaam wordt aangevallen. Hij toonde dat de afscheiding geen werkelijkheid is die overwonnen moet worden, maar een geloof dat kan worden losgelaten.

Zijn woorden: “Vader, vergeef hen, ze weten niet wat ze doen” verwijzen niet naar een goddelijke woede die gestild moet worden, maar naar onwetendheid die gecorrigeerd kan worden. Hij overwon geen juridische schuld; hij doorzag het geloof in schuld. Dat is geen “verhaaltje” waar je wel of niet in gelooft; het is een uitnodiging om dezelfde verschuiving in bewustzijn toe te laten.

Een gedeeld geschenk

De dankbaarheid van christenen voor wat Jezus aan het kruis volbracht, is dus begrijpelijk en oprecht. Maar wat hij demonstreerde, behoort niet exclusief tot hem alleen. Hij liet zien wat waar is voor ieder van ons. Hij stierf niet om een boze God tevreden te stellen, maar om te laten zien dat zelfs de uiterste projectie van angst de Werkelijkheid van Liefde niet kan aantasten. Er is geen sprake van goddelijke genoegdoening, maar van de onkwetsbaarheid van Gods Liefde.

Jezus nodigt ons uit – zowel in de Bijbel als in de Cursus – om zijn inzicht te delen, niet hem op afstand te vereren. “Wat ik ben, zijn jullie ook.” Het Licht schijnt in de duisternis. Of we hem nu ontmoeten in de eeuwenoude Schriften of in de lessen van de Cursus: Jezus Christus wijst naar verlossing, vergeving en eenheid — niet als uitzondering, maar als demonstratie van wat wij in waarheid zijn. Jezus Christus, wat een geschenk. Halleluja! Amen.

Mindblowing!

Het was grappig om uit de mond van een kwantumfysicus, Federico Faggin, te horen dat hij en zijn vakbroeders in wezen niets begrijpen van kwantumfysica. Ons denken is namelijk door en door gevormd en bepaald door de fysieke wereld waarmee we bekend zijn: de wereld van vormen, ruimte en tijd. Deze kwantumfysici zoeken de grens op van wat wij kennen als “materie” en komen tot een ontstellende ontdekking: materie blijkt op zichzelf niet te bestaan. Ze stuiten slechts op “velden”: velden van mogelijkheden. Deze velden lijken bovendien buiten ruimte en tijd te bestaan en laten zich uiteindelijk niet werkelijk bevatten of begrijpen. Wat wij zien als vormen in ruimte en tijd is hooguit een piepkleine, symbolische representatie van zo’n veld.

Federico stelt vast dat deze velden een opmerkelijke overeenkomst vertonen met wat wij kennen als onze binnenwereld, waarin we ons bewust zijn van percepties, gevoelens en gedachten. Neem bijvoorbeeld de smaak van een sinaasappel. Zo’n ervaring heeft ten diepste net zulke mysterieuze eigenschappen als een kwantumveld. Het is voor een buitenstaander eigenlijk onbegrijpelijk. Probeer maar eens aan iemand die nog nooit een sinaasappel heeft geproefd uit te leggen hoe die smaakt. Je kunt woorden gebruiken (“een beetje zurig maar ook zoet, verrassend, fris”), maar je weet dat die beschrijving nooit de echte ervaring kan vervangen.

Kwantumfysici proberen deze velden te beschrijven met ingewikkelde wiskunde. Ze kunnen er getallen en eigenschappen aan toeschrijven, maar daarmee ontstaat nog geen directe beleving van wat zo’n veld “is”. Federico ziet hierin een analogie met bewustzijnstoestanden en maakt vanuit die vergelijking een filosofische sprong: misschien kan de diepste werkelijkheid beter worden begrepen als een soort subjectieve binnenwereld dan als objectieve materie.

Die ultieme werkelijkheid omschrijft hij als “Één”: een ongedeelde, subjectieve eenheid. ECIW spreekt van God. Deze Één lijkt Zichzelf te willen kennen, en dat kan alleen door Zichzelf als het ware uit te breiden en Zichzelf in die uitbreiding te ervaren. ECIW spreekt in dat verband over de Schepping, waarin de Vader Zich uitbreidt in Zijn Zonen. Elk deel bevat het geheel; de Vader leeft in de Zoon.

Onze fysieke wereld zou dan een symbolische weerspiegeling kunnen zijn van deze drang tot uitbreiding, waarin het geheel zichzelf leert kennen door interactie tussen delen. Federico verwijst naar de cellen van ons lichaam: elke cel bevat de informatie van het geheel waaruit zij voortkomt (elke cel draagt bijvoorbeeld hetzelfde DNA als de eerste bevruchte eicel) en staat voortdurend in relatie tot andere cellen. Op celniveau is dat moeilijk invoelbaar, maar op het niveau van organismen — planten, dieren, mensen — kunnen we ons makkelijker voorstellen hoe we als onderdeel van een groter geheel via interactie en ervaring groeien in bewustzijn.

Ik kan natuurlijk niet in een korte blog uiteenzetten wat Federico nauwelijks met woorden kan uitleggen in dikke boeken. Maar voor mij ontstaat hier wel een duidelijke resonantie met de werkboeklessen die we deze dagen doen.

Omdat wij materialistisch zijn gaan denken, zien we onszelf als lichamen die bewustzijn produceren. Daardoor ervaren we onszelf als op onszelf staand. Vanuit dat perspectief lijkt het alsof we in gevecht zijn met onze omgeving en alsof we moeten aanvallen en verdedigen om ons afgescheiden wezentje veilig te stellen. We zien onszelf niet als aspecten van die Ene, van dat tijdloze bewustzijn, maar als individuele dragers van individueel bewustzijn. Anders gezegd: we zijn het gevoel kwijtgeraakt dat we onlosmakelijk verbonden zijn met onze Bron. Ons denken raakt daardoor vooral gericht op controle, zelfbehoud en het veiligstellen van een eigen koers.

De werkboekles van gisteren (Les 45: God is de Denkgeest waarmee ik denk) nodigde ons uit om ons opnieuw bewust te worden van de grote Mind waartoe we behoren. De werkboekles van vandaag (Les 46: God is de Liefde waarin ik vergeef) verschuift vervolgens de focus: als onderdeel van het geheel hoeven we ons niet te richten op oordelen over anderen en de wereld, en dus ook niet op het versterken van afscheiding, maar op vergeving — het herstellen van verbinding door lief te hebben. Zo laten Les 45 en 46 samen de twee kernaspecten van het wonder zien: correctie van perceptie (denken) en uitbreiding van liefde (het openen van het hart).

Vanuit kwantumperspectief zouden we kunnen zeggen dat wij ons ten onrechte een afgescheiden deeltje wanen binnen een veld. Deeltjes blijken immers niet op zichzelf te bestaan; ze lijken vorm te krijgen in relatie tot observatie en meting — een fenomeen dat de klassieke natuurkunde moeilijk kan plaatsen. Waar die klassieke visie uitgaat van vaste objecten buiten onszelf, suggereert de kwantumfysica dat wat we waarnemen mede afhankelijk is van hoe we waarnemen. Voor mij ontstaat hier een opvallende resonantie met de metafysica van ECIW. Als onze intentie gericht is op het bevestigen van afgescheidenheid, ervaren we een wereld van strijd. Maar wanneer we onze innige verbondenheid herinneren, kan een andere ervaring zichtbaar worden: een wereld waarin eenheid en liefde voor onze ogen verschijnen.

Federico wijst op het bekende en-en-fenomeen: we zijn zowel observator als geobserveerde; als schijnbaar deeltje onderdeel van het veld. Vanuit dat besef kan het inzicht groeien dat onze identiteit gedeeld is. ECIW spreekt in dat verband over de Heilige Relatie: de geheelde, liefdevolle relatie die visie mogelijk maakt. Een Cursus van Liefde (ECvL) stelt dat het mogelijk is te leven als “het verheven Zelf van vorm”: als vorm die zich bewust is van de eenheid en innige verbondenheid met de Bron en met elkaar.

De Engelsen hebben hier zo’n mooi woord voor: mindblowing!

De startbaan van liefde.

In onze beleving zit er iets dubbels in Een Cursus in Wonderen (ECIW). Dat “dubbele” aspect spreekt ook uit de werkboekles van vandaag; Les 43, “God is mijn Bron. Los van Hem kan ik niet zien. ”Kort samengevat komt dit dubbele erop neer dat we moeten proberen om ons waarnemen te corrigeren opdat we erachter kunnen komen dat er feitelijk niets waar te nemen valt. Er is een grote kans dat veel lezers nu al de neiging krijgen om af te haken; “Oh, als we die kant op gaan dan wordt het voor mij te abstract en hoeft het niet meer van mij!”. En het goede nieuws is dat als het je niet fascineert dat het dan ook helemaal niet hoeft. Wat je wilt!

Ooit zei Copernicus dat de zon niet om de aarde draait maar dat het omgekeerd is; de aarde draait om de zon. Is dit waar? Ja; het is waar. Is het heel erg als je dit de ver van je bed show vindt en dat je naar een zonsopkomst blijft kijken vanuit het geloof dat de aarde het middelpunt van het heelal is? Praktisch gezien niet. Het leven gaat verder.

Iets dergelijks is nu aan de gang in de natuurkunde en de filosofie. In feite is nu wel bewezen dat het materialisme onzin is, dat bewustzijn primair is en dat de klassieke natuurkunde die zich beweegt op het gebied van vormen, tijd en ruimte een erg beperkte blik op de werkelijkheid biedt. Echter; 95% van de mensen, inclusief wetenschappers, denken en handelen nog steeds volgens de lijnen van het klassieke materialisme en de klassieke natuurkunde. Is dat erg? Nee hoor; het heeft ons veel opgeleverd en dat doet het nog steeds. Het leven gaat verder.

Terug naar de Cursus. De cursus is niet uniek in haar wereldbeeld, dat besef ik, maar ze herhaalt met grote kracht en helderheid een Copernicaanse boodschap: mijn ik (ego) is niet een losstaande entiteit in een materialistische wereld. Net als 500 jaar geleden met Copernicus, net als met het materialisme en de klassieke natuurkunde, worden we bedrogen door onze zintuigen. Onze ogen, oren, neus, tastzin en smaakzin proberen ons allemaal hetzelfde te vertellen: jij bent een afgescheiden subject dat objecten buiten jezelf waarneemt. IK hier, de WERELD daar. IK hier, JIJ daar. Zo is het!

En ja; zo lijkt het inderdaad. Stel je nu eens een tijdgenoot van Copernicus voor die weigert om hem te geloven. Zo iemand kan makkelijk zeggen: “Oh ja; leg het me dan maar uit!”. Hetzelfde geldt nu als we aan een filosoof die de visie van het analytisch idealisme voorstaat (bijvoorbeeld Bernardo Kastrup) die vraag stellen. Een vraag die 1000 vormen kan aannemen, zoals: “Oh ja? Volgens mij produceren onze hersenen bewustzijn, want als ik een kogel door je hoofd schiet is je bewustzijn weg!”. En ook voor de kwantumfysica geldt dat deze contra- intuïtief is; lastig invoelbaar.

ECIW probeert ons enig gevoel bij te brengen voor onze ware identiteit. Met woorden is dat niet zo heel ingewikkeld en klinkt het ongeveer als volgt: “jullie zijn onsterfelijke en tijdloze Kinderen van de Vader”. Maar ook voor Jezus geldt dat hij als het ware zijn tijd ver vooruit is en praat tegen ongelovigen; wij dus. Voor ons klinkt genoemde ECIW-samenvatting net zo ver van ons bed als het klassieke narratief: “als je stout bent ga je naar de hel en als je braaf bent naar de hemel”. Overigens zit hier ook een diepe waarheid achter verborgen, maar dit terzijde.

Ook nu zie je broeders en zusters die ervoor kiezen om zich maar niet bezig te houden met “abstracte metafysische uitspraken” uit ECIW en sommigen zullen dit onderbouwen door erop te wijzen dat Jezus in de Cursus ook ergens stelt dat de ultieme waarheid buiten de scope van de cursus ligt en niet te onderwijzen valt. Maar hierin zit dan direct weer dat dubbele, want Jezus vindt het kennelijk toch behulpzaam om ons wel degelijk die stip op de horizon voor ogen te houden. Ik ga dit hier niet verder voor je uitpluizen en proberen te bewijzen; je hoeft Les 43 maar even door te lezen en op te merken wat Jezus zegt over het einde van waarneming en over kennis.

Het unieke van ECIW, in mijn beleving, is dat Jezus ons zowel uitleg geeft over die stip op de horizon, de realisatie van onze ware identiteit, als een startbaan biedt om vaart te maken opdat we eens kunnen opstijgen en verlossing deelachtig worden; een startbaan van liefde.  Dat vaart maken gebeurt in de werkelijkheid zoals wij die kennen door wonderwerkers te worden waarbij vergeving en het manifesteren van liefde centraal staan. Door zo te zoeken naar verbinding en weg te nemen wat ons van elkaar en de wereld scheidt, komen glimpen van die horizon ons bewustzijn binnen.

Samen met Jezus vind ik het belangrijk om de kop niet in het zand te steken. De baan van de aarde om de zon, het primaat van bewustzijn en de wondere wereld van de kwantumfysica mogen met bewondering erkend, bestudeerd en ervaren worden. Weer komt de waarde van de en-en visie naar boven: we mogen én een zo goed en liefdevol (droom-)leven nastreven (de startbaan) én weten dat we bezig zijn om vaart te ontwikkelen om op te stijgen. En daarom ageer ik, hopelijk niet al te ongeduldig, tegen mensen die óf elke meta-visie (de stip op de horizon) afwijzen óf vroegtijdig willen wegzweven (de startbaan overslaan) van planeet aarde.

Ons is een mooie brug gegeven: de Heilige Geest. Graag sluit ik af met een citaat uit Les 43:

2. In God kun je niet zien. Waarneming heeft geen functie in God en bestaat niet. Toch heeft waarneming in de verlossing, het ongedaan maken van wat nooit heeft bestaan, een groots doel. Door de Zoon van God gemaakt voor een onheilig doel, moet ze nu het middel worden waarmee hij zich zijn heiligheid weer bewust wordt. Waarneming heeft geen betekenis. Toch geeft de Heilige Geest er een betekenis aan, heel dicht bij die van God. Genezen waarneming wordt het middel waardoor de Zoon van God zijn broeder en zo zichzelf vergeeft.

De tragedie van het menselijk bestaan

De titel van deze blog is wat grotesk en past eerder bij een dik boek dan bij een korte blog. Toch kwam hij bij me op toen ik terugdacht aan de dag van gisteren. Gesprekken over verlies en verdriet, berichten over worstelingen en herstel, zorgen om ouder wordende geliefden en kwetsbare lichamen — en ’s avonds een presentatie over schoonheid, vol beelden die ontroerden en stil maakten. Zomaar een dag uit het leven.

Elk mens heeft zich hiertoe te verhouden. Lief en leed, zogezegd. En wij, als cursusstudenten, proberen dit te doen met Een Cursus in Wonderen (ECIW) als onze leidraad. Voor mij is de omgang met de cursus in de eerste plaats een innerlijke, bijna stille aangelegenheid. Ik probeer de wijsheid en liefde die Jezus in de cursus aanreikt niet zozeer te verkondigen, maar te laten doorwerken in mijn dagelijks handelen. Ik wil voorkomen dat ik woorden gebruik die ik zelf nog niet werkelijk heb doorleefd, zeker wanneer die woorden raken aan de menselijke conditie die voor velen — en ook voor mij — de tastbare realiteit van het bestaan vormt.

Toch klinkt er in mijn binnenruimte steeds weer een zacht “maar toch…”. Een uitnodiging om voorbij de vanzelfsprekendheid van onze ervaringen te kijken. Dat “maar toch” is geen ontkenning van wat wij meemaken, maar een opening naar een mogelijkheid die we misschien nog niet volledig kennen. Het is een hypothese van het hart: iets wat we nog niet volledig ervaren, maar wel voorzichtig durven overwegen.

Ons werkveld is inderdaad de menselijke conditie. We worden telkens geconfronteerd met kwetsbaarheid — die van onszelf en die van anderen. We lijden, we zien lijden, we verliezen geliefden en weten dat ook ons eigen leven eindig is. Vaak hopen we op een bestaan waarin, naast het onvermijdelijke lijden, voldoende momenten van schoonheid en verbondenheid aanwezig zijn. Naarmate we ouder worden, groeit vaak het besef dat deze momenten vooral ontstaan in relatie tot anderen. Misschien wijst dit erop dat we, ondanks alles, een innerlijk richtingsgevoel behouden hebben. Uiteindelijk lijkt het steeds weer om liefde te draaien.

Nu ik zelf een leeftijd heb bereikt waarop veel van mijn tijdgenoten terugkijken op een lang geleefd leven, merk ik hoe eenvoudig samenzijn aan waarde wint. Samen koffie drinken, herinneringen delen, lachen om herkenbare verhalen. Het zijn ogenschijnlijk kleine momenten, maar ze dragen een stille betekenis. In zulke ontmoetingen krijgt liefde een tastbare vorm.

Als christen en student van de leringen van Jezus probeer ik de menselijke conditie niet te ontvluchten, maar juist te doorleven. In dat doorleven ontstaat soms een merkwaardige verschuiving: kwetsbaarheid krijgt een andere kleur en lijkt zich te verbinden met een vorm van tederheid. Het is moeilijk precies te verwoorden. Alsof binnen de dualiteit van het bestaan — met zijn scherpe contrasten en schurende ervaringen — een verborgen schoonheid aanwezig is die zich niet direct laat vastleggen.

Tijdens de presentatie over schoonheid werd dit thema zichtbaar gemaakt aan de hand van foto’s van bekende mensen, getoond in hun jeugd en op latere leeftijd. Ons oog wordt vaak vanzelf aangetrokken door jeugdige schoonheid. Toch raakte mij vooral de doorleefde schoonheid van ouder geworden gezichten: sporen van geleefd leven, van vreugde en verlies, van tijd die zich in lijnen en plooien heeft gegrift. Wat is schoonheid eigenlijk?

De spreker stelde dat schoonheid slechts kan bestaan binnen dualiteit, met lelijkheid als noodzakelijke tegenhanger. Die gedachte liet mij niet los. Is de duale wereld werkelijk het laatste woord? Is het delen van liefde en leed, elkaar dragen binnen de grenzen van een sterfelijk bestaan, het hoogste wat voor ons mogelijk is? Dat zou ik niet willen bagatelliseren — integendeel. Het doorleven van ons leven kan intens rijk en betekenisvol zijn. En toch blijft er dat zachte “maar toch…”.

De Cursus wijst op een dimensie voorbij onze gebruikelijke interpretaties. Jezus ontkent niet dat wij dualiteit ervaren; hij gaat niet voorbij aan ons menselijk gevoel van vreugde en verdriet. Maar hij nodigt ons uit om te overwegen dat wij misschien niet de kwetsbare, afgescheiden wezens zijn waarvoor wij ons houden. Dat ons bestaan meer omvat dan het zo goed mogelijk omgaan met omstandigheden tot het moment waarop we moe worden en loslaten.

Binnen onze wereld maken wij zelfs van liefde vaak een duaal begrip. Liefde wordt een ruilmiddel, een subtiel contract: ik geef jou iets, en verwacht — al dan niet onbewust — iets terug. Liefde tegenover haat, nabijheid tegenover afwijzing. Maar de Cursus wijst naar een liefde die geen tegenpool kent. Een liefde die niet afhankelijk is van voorwaarden en die daarom niet kwetsbaar is op de manier waarop wij dat gewend zijn te denken.

Misschien is dat wat het “maar toch” in mij wakker houdt: een stille herinnering dat de schoonheid die wij zien slechts een weerspiegeling kan zijn van iets dat dieper en fundamenteler is. Niet als ontkenning van onze ervaringen, maar als een zachte verruiming ervan.

Ik eindig mijn mijmeringen met werkboekles 259. Mij helpt het om overal waar “zonde” staat te lezen: “ons geloof een afgescheiden en kwetsbaar wezentje te zijn”. Ik ben dankbaar voor deze woorden: “want liefde kent geen tegendeel”.

Les 259
Laat ik me herinneren dat er geen zonde is.

Zonde is de enige gedachte die maakt dat God als doel onbereikbaar lijkt. Wat anders zou ons blind kunnen maken voor wat voor de hand ligt, en duidelijker doen lijken wat vreemd is en vervormd? Wat anders dan zonde veroorzaakt onze aanvallen? Wat anders dan zonde kan de bron zijn van schuld, die straf en lijden eist? En wat anders dan zonde kan de bron zijn van angst, die Gods schepping verduistert en aan liefde de eigenschappen van angst en aanval toebedeelt?

Vader, ik wil vandaag niet waanzinnig zijn. Ik wil niet bang voor liefde zijn, noch een toevlucht zoeken in haar tegendeel. Want liefde kent geen tegendeel. U bent de Bron van al-wat-is. En al-wat-is blijft bij U, en U bij al wat is.

Jezus in de Bijbel en in ECIW.

Zowel Ken Wapnick als Robert Perry, twee bekende ECIW-leraren, hebben zich uitgelaten over de verschillen en overeenkomsten tussen (de boodschap van) de Jezus uit het Nieuwe Testament en de Jezus uit ECIW. Ik heb hun standpunten door AI voor je laten samenvatten. (Opmerking: ik durf dit te doen omdat ik zelf voldoende bekend ben met de opvattingen van deze mannen om de samenvatting te checken):

Ken Wapnick: De Breuk (Discontinuïteit)

Wapnick benadrukt vooral de verschillen. Voor hem is de Jezus van het Nieuwe Testament grotendeels een creatie van de vroege kerk en het ego.

  • De Bijbelse Jezus: Wapnick ziet hem als een figuur die verbonden is met concepten als zonde, schuld, opoffering en een oordelende God. Dit noemt hij de “Jezus van de religie.”
  • De ECIW-Jezus: Dit is de “ware” Jezus die de fouten van de Bijbel corrigeert. In Wapnicks visie is de Cursus puur non-dualistisch; de Jezus van de Cursus heeft niets te maken met de fysieke wereld of een God die offers eist.
  • Focus: De Cursus is een radicale breuk met het traditionele christendom.

Robert Perry: De Lijn (Continuïteit)

Perry benadrukt juist de overeenkomsten. Hij gelooft dat de historische Jezus en de Jezus van de Cursus in wezen dezelfde stem en dezelfde boodschap hebben.

  • De Bijbelse Jezus: Perry maakt gebruik van historisch-kritisch onderzoek om de “oorspronkelijke” Jezus te vinden. Hij stelt dat de werkelijke leringen van Jezus (zoals vergeving en liefde voor vijanden) de kiem vormen van wat we in de Cursus lezen.
  • De ECIW-Jezus: Perry ziet de Cursus als een moderne update of een “voltooiing” van de oorspronkelijke missie van Jezus. Voor hem is ECIW de logische voortzetting van wat Jezus 2000 jaar geleden probeerde te vertellen, maar wat toen door zijn volgelingen verkeerd werd begrepen.
  • Focus: De Cursus is een herstel en verdieping van de oorspronkelijke christelijke mystiek.

Voor niet-Christenen is dit een non-issue maar voor mensen met een Christelijke achtergrond, zoals ikzelf, speelt de vraag naar de (dis)continuïteit tussen de Bijbelse en ECIW-Jezus wel degelijk. Persoonlijk kan ik me veel beter vinden in de opvatting van Robert Perry. Hij baseert zich namelijk op de complete editie van ECIW en laat het boek voor zichzelf spreken.

Ken Wapnick ageert vooral tegen wat mensen door de eeuwen heen gemaakt hebben van de boodschap van Jezus en daarin kan ik me dan weer helemaal vinden in zijn kritiek. Maar net zoals Ken Wapnick in mijn beleving te drastisch is geweest in het “opzuiveren” van het originele dictaat van Helen Schucman bij het samenstellen van de FIP-editie van ECIW, zo vind ik dat hij ook te grof te werk gaat bij zijn beeldvorming van de Bijbelse Jezus.

Mijn mening en gevoel hierover worden sterk bevestigd door een recent verschenen boek van Geurt Henk van Kooten: “Echo’s van het goede nieuws”. Over dit boek:

“In ‘Echo’s van het goede nieuws’ werpt Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten nieuw licht op de Evangeliën door ze te plaatsen in hun oorspronkelijke, historische context. Dat geeft een andere kijk op de zaak. Zo laat Van Kooten op overtuigende wijze zien hoe Jezus religie en politiek van elkaar scheidde en een innerlijke zoektocht naar waarheid opende. Op basis van gedegen bronnenonderzoek stelt Van Kooten het Evangelie van Johannes zelfs voor als het oudste – een uitdagende visie op vertrouwde opvattingen. Dit boek nodigt uit om de blijvende kracht van de evangelische boodschap in onze tijd te herontdekken.”

Waarom zou die vetgedrukte zin belangrijk zijn in deze kwestie? De meeste wetenschappers denken dat het Johannes evangelie dateert van na 110 na Christus. Christenen zijn bekend met het verschil in toon tussen aan de ene kant de evangeliën van Marcus, Lucas en Mattheus en aan de andere kant dat van Johannes. In mijn eigen woorden uitgelegd: men gaat er dan vanuit dat Johannes een schrijver is geweest die, uitgaande van oudere bronnen, een fraai spiritueel klinkend verhaal heeft gemaakt van Jezus’ leven. Maar volgens Van Kooten heeft Johannes zijn evangelie geschreven in 65 na Christus en was hij “Johannes de Oudere”, de geliefde apostel van Jezus en daarmee dus ooggetuige. Dat betekent dat het Johannes-evangelie geen construct is geschreven door een enthousiaste fan maar de diepe overtuiging van een ooggetuige.

Dit werpt een heel ander licht op de zaak. Als Johannes inderdaad een directe getuige was en zijn evangelie al zo vroeg schreef, dan is die diepe, mystieke toon van Jezus geen latere ‘vergeestelijking’ door de vroege kerk, maar de kern van zijn oorspronkelijke onderricht. Het betekent dat de Jezus die spreekt over eenheid met de Vader en een koninkrijk dat niet van deze wereld is, niet een theologische uitvinding is, maar de Jezus zoals hij werkelijk was.

Voor mij slaat dit de brug waar Robert Perry over spreekt. De Jezus uit het Johannes-evangelie spreekt namelijk een taal die voor iedere ECIW-student onmiddellijk herkenbaar is. Het is de taal van non-dualisme, innerlijke vrede en de herkenning van onze goddelijke oorsprong.

Om deze verbinding tastbaar te maken, heb ik een aantal citaten uit het Johannes-evangelie op een rij gezet. Wanneer je deze leest met de Cursus in je achterhoofd, hoor je bijna letterlijk de stem van de Jezus die we in ECIW zo goed hebben leren kennen:

  • Over onze identiteit en eenheid:

“Ik en de Vader zijn één.” (Johannes 10:30)

“Op die dag zul je weten dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben.” (Johannes 14:20)

  • Over de aard van de wereld en de waarheid:

“Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld.'” (Johannes 18:36)

“U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.” (Johannes 8:32)

  • Over de innerlijke bron van vrede:

“Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan.” (Johannes 14:27)

  • Over onze oorsprong:

“Zij zijn niet van de wereld, zoals ik niet van de wereld ben.” (Johannes 17:16)

Deze woorden zijn voor mij meer dan religieuze teksten; het zijn de eerste ‘echo’s’ van de universele boodschap die in Een Cursus in Wonderen in alle helderheid wordt uitgewerkt. Het laat zien dat Jezus toen, net als nu, ons maar één ding probeerde te vertellen: we zijn nooit gescheiden geweest van onze Bron. De continuïteit is er, mits we bereid zijn te luisteren naar de stem die door de eeuwen heen onveranderd is gebleven.

Ik wil wat jij hebt!

Het blijft een lastige vraag hoe we ons als ECIW-studenten te verhouden hebben tot mensen als Epstein, Trump, Poetin en vergelijkbare figuren. Gewoonlijk passeert Hitler ook nog even de revue. Misschien biedt het wat helderheid als ik begin met twee uiterste visies;

  1. De klassiek duale visie: Vanuit deze visie zien we schurken die ten koste van anderen aan hun gerief proberen te komen. Ze willen bijvoorbeeld respectievelijk het lichaam van jonge meisjes, ik-gerichte deals en het land van de buurman.
  2. De ontspoorde ECIW-visie: “Er zijn helemaal geen foute anderen, ik zie alleen maar de projectie in die ene (lees: “mijn”) denkgeest. Vergeving betreft alleen mijn eigen foute gedachten.

Mij help het om, zoals ik ook in andere blogs heb beschreven, alert te blijven op deze zogenaamde of-of-vraagstukken. In dit geval lijkt de keuze te zijn om óf alle schuld buiten onszelf te zien (“de foute ander”) óf om alles binnen onze eigen denkgeest te zien (“er zijn geen anderen, ik zie alleen mijn eigen perverse denkgeest”).

Aangezien jij als lezer van deze blog een ECIW-student bent, mag ik ervan uitgaan dat je in elk geval niet helemaal meer denk langs de lijnen van de klassiek duale visie. Dus ergens heb je het besef dat wat je buiten je meent te zien, in dit geval de “schurken”, ook iets te maken heeft met jezelf. En dat is in mijn beleving ook zo, maar het behoeft nuancering en een beter begrip van- en gevoel voor de metafysica van de cursus.

Visie 2 wordt verdedigd door ECIW-leraren die de hyper abstracte theorie van absolute eenheid voorstaan. Dan ontwikkelt zich de volgende gedachtegang:

  1. Alles is één, er is één denkgeest
  2. Dus mijn denkgeest is die ene denkgeest
  3. Alles wat ik zie is mijn projectie
  4. Dus “foute anderen” zijn mijn projectie
  5. Het wonder is slechts een correctie van mijn perceptie

De metafysische vergissin die hier begaan wordt, is dat de persoon die dit zegt, meent dat zijn denkgeest samenvalt met de Denkgeest van God, zijn Schepper. Hij denkt dan in feite dat zijn broeders zijn projecties zijn. Dan reduceert hij “foute broeders” tot “foute nepfiguren”.  Maar volgens mij leert ECIW ons iets anders, namelijk:

  1. God is de Ene Denkgeest
  2. Wij zijn Gedachten van God, uitbreidingen van Liefde, Zonen van God, in wonderlijke eenheid verbonden met Hem en met elkaar.
  3. Als Zoonschap vergissen we ons collectief; elke Zoon vergist zich
  4. Ten diepste is elke vergissing een geloof in afgescheidenheid en een roep om liefde.
  5. Het wonder is zowel een correctie van perceptie (“jij bent niet anders dan ik”) en de onderkenning van de roep om liefde van de “andere” Zoon (vergeving: liefde weer laten stromen).

Wat is nu het fundamentele verschil tussen deze twee zienswijzen? Bij de doorgeschoten, hyper-abstracte eenheidstheorie, zien we in feite geen echte Broeder en menen we een figurant in onze droom te zien. Bij de en-en visie (mijn Broeder is één met mij en (toch) een echte (“andere”) Zoon van God; komen we echte “anderen” tegen die, zoals genoemde mannen, behoorlijk in de war kunnen zijn. Anders gezegd: we ontmoeten medemensen die een duidelijke roep om liefde laten horen.

Het ligt subtiel broeders en zusters, en de deur naar discussies zwaait nu wijd open. Dat is inherent aan dat en-en-aspect waar ons denken niet bij kan. De hyper-abstracte eenheidstheorie is juist ontstaan om ons duale denken en het geloof in afgescheidenheid te corrigeren. Daarom schrijf ik steeds “anderen” tussen aanhalingstekens, om hiermee die onbegrijpelijke verbondenheid met elkaar niet uit het oog te verliezen.

Tot zover de “theorie”, de metafysica; maar wat moeten we nu in de praktijk? Toch alles maar met de mantel der liefde bedekken omdat deze lievertjes dit nodig hebben? ECIW geeft geen gedragsregels en natuurlijk heb ik ook geen pasklare antwoorden over hoe om te gaan met deze verdwaasde broeders. Ik wil me beperken tot het schetsen van twee situaties die wellicht enige inspiratie en stof tot reflectie kunnen geven.

Ter inspiratie: Ik heb vroeger zowel op karate als op Aikido gezeten. Ik ervaarde bij de beoefening hiervan verschillende energieën; vermoedelijk bepaald door de leraar die ik had. Bij karate probeer je de aanval van de ander af te weren om daarna een tegenaanval te plaatsen en de ander uit te schakelen. Hard tegen hard. Bij Aikido luidde de instructie om de verwarde ander met zachte hand naar de grond te begeleiden zodat hij daarna zichzelf en anderen geen kwaad meer kon doen. Voel je het verschil? Voorzichtig zie ik een parallel met een lijfstraf aan de ene kant en gevangenisstraf aan de andere kant.

Tenslotte stof ter reflectie en daarmee een uitdrukking voor mijn sympathie ook voor de “vergeef je eigen denkgeest”-gedachte: Ik ging met een grote groep vrienden ergens koffie drinken en we besloten er een gebakje bij te nemen. Het appelgebak zag er heerlijk uit maar het aantal beschikbare stukken was beperkt. Ik zat aan het einde van de lange tafel en halverwege het opnemen van de bestellingen gaf de serveerster aan dat er nog maar twee punten appelgebak over waren. “Wie wil er nog appelgebak?”, vroeg ze. Het “ik, ik, ik..” was niet van de lucht, en ook mijn vinger schoot de lucht in. Maar helaas; ik moest het doen met een taartje dat niet echt mijn voorkeur had. Ik merkte irritatie bij mezelf die wat versterkt werd toen ik de tevreden blik bij de anderen zag die “nog net op tijd” waren geweest. Vervolgens werd ik kwaad op mijzelf. In Oekraïne sterven mensen door bommen en granaten en zitten in de barre kou en ik zit jaloers te zijn op een appelgebakje. Ongelofelijk!

Maar het heeft zo moeten zijn, hoe pijnlijk het ook is om zo geconfronteerd te worden met de ego-krachten in onszelf. Want ten diepste zag ik bij mezelf “in het klein” exact hetzelfde thema: “Ik wil wat jij hebt!”. Dus de illusie dat ik gelukkiger zou zijn met een stukje surrogaat-liefde. Gevolgd door de irritatie dat niet ik maar die ander het begeerde “schaarste-artikel” veroverde. Deze hebzucht, waar ik gelukkig snel om kon lachen, is van exact dezelfde kwaliteit als die van genoemde mannen. Zij denken ook gelukkig te worden van surrogaat-liefde (seks, geld, macht etc) en worden boos als ze hun zin niet krijgen. Het is voor mij veel fijner om deze boeven of mijn appeltaart-vrienden te beschuldigen van hebzucht en ego-gericht gedrag, maar ik dien deze neiging te herkennen en erkennen in mijn denkgeest en hier te vergeven.

Jezus kent onze neiging tot projectie. In het Nieuwe Testament brengen omstanders een overspelige vrouw naar hem toe die ze willen stenigen. Zijn antwoord? Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen!”. Of: “We zien wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de balk in eigen oog”.

Dus, moeten we alles maar goed vinden? Nee; er zijn broeders en zusters die op destructieve wijze om liefde roepen en die, voor eigen – en ieders bestwil, “begeleid” moeten worden; dus zo liefdevol mogelijk gestopt. Maar dat gezegd hebbende mogen we de blik naar binnen slaan. Dit vergt radicale eerlijkheid. Zien we daar niet dezelfde ego-impulsen? Wil ik hebben wat jij hebt omdat ik meen dat dit mij gelukkig zal maken? Tja…

Werkboekles 38 – Er is niets wat mijn heiligheid niet kan

“Er is niets wat mijn heiligheid niet kan.”
Het is een zin die gemakkelijk groots gaat klinken in het hoofd. Voor sommigen werkt hij bemoedigend, voor anderen roept hij verwarring op, en voor weer anderen ontstaat er een stille maar hardnekkige vraag: wat betekent dit concreet?

Wie deze les serieus neemt, komt vroeg of laat uit bij Jezus. Niet uit verering, maar uit logica. Als de Course zegt dat onze heiligheid onbeperkt is, en als Jezus in de Course wordt neergezet als iemand die dit volledig belichaamde, dan lijkt de conclusie onvermijdelijk: zou dat voor ons dan niet ook moeten gelden? Inclusief genezing, inclusief wonderen die zichtbaar zijn in de wereld?

Het antwoord is genuanceerder dan een simpel ja of nee, en juist die nuance is de kern van deze les.

De Course spreekt over heiligheid niet als een eigenschap van een persoon, maar als een toestand van onverdeeldheid. Heiligheid is niet iets wat je ontwikkelt of activeert; het is wat overblijft wanneer je ophoudt jezelf als een autonoom handelend “ik” te beschouwen. In die zin is heiligheid geen kracht die je bezit, maar een openheid waarin niets meer wordt tegengehouden.

Dat is ook hoe Jezus in de Course wordt beschreven. Niet als iemand met uitzonderlijke vermogens, maar als iemand die geen privé-wil meer had. Hij probeerde niet te genezen, hij streefde geen uitkomst na, hij gebruikte geen methode. Hij luisterde, en hij liet dat wat hij hoorde volledig tot uitdrukking komen. Waar die afstemming ononderbroken was, kon conflict geen stand houden. En waar conflict verdwijnt, verdwijnt soms ook de lichamelijke uitdrukking ervan.

Maar hier ontstaat gemakkelijk een misverstand. Want zodra dit wordt opgevat als iets wat jij moet kunnen doen, verschuift de aandacht ongemerkt weer naar het ego. Dan wordt heiligheid een doel, genezing een criterium, en innerlijke vrede iets wat pas mag volgen als de vorm zich heeft aangepast. De Course draait dit precies om.

Genezing, zoals de Course die begrijpt, vindt altijd plaats in de geest. Het lichaam is niet de oorzaak, maar het toneel waarop een innerlijke splitsing zichtbaar wordt. Wanneer die splitsing wordt gecorrigeerd, kan het lichaam daarop reageren met herstel, maar dat is geen vereiste en geen maatstaf. Soms verdwijnt een ziekte. Soms verandert alleen de beleving. Soms wordt het lichaam losgelaten. Vanuit het perspectief van de Course zijn dit geen verschillende uitkomsten, maar verschillende vormen waarin dezelfde genezing zich voltrekt.

Dat maakt les 38 minder spectaculair dan sommigen hopen, maar ook veel radicaler. De les belooft geen macht over de wereld, geen vermogen om vorm naar believen te manipuleren. Ze wijst op iets anders: dat waar heiligheid volledig wordt toegelaten, geen enkele vorm van angst, schuld of conflict kan blijven bestaan. En omdat de wereld zoals wij die ervaren uit die conflicten is opgebouwd, kan de wereld daar niet onveranderd blijven.

De werkelijke vraag die deze les stelt is dan ook niet of jij fysieke genezing kunt bewerkstelligen. De vraag is of je bereid bent vrede te laten voorgaan boven uitkomst. Of je bereid bent niets te willen bewijzen. Of je kunt verdragen dat heiligheid haar werk doet zonder dat jij bepaalt hoe dat eruit moet zien.

Wanneer die bereidheid er is, verliest de vraag “wat kan mijn heiligheid?” vanzelf haar urgentie. Niet omdat er minder mogelijk is, maar omdat controle geen rol meer speelt. Wat dan gebeurt, gebeurt niet door jou, maar ook niet buiten jou om. Het gebeurt omdat er niets meer is dat het tegenhoudt.

Misschien is dat de meest eerlijke manier om les 38 te lezen: niet als een belofte van wat jij zult kunnen, maar als een uitnodiging om te ontdekken waar jij nog denkt dat iets van jou afhangt. Precies daar begint het loslaten. En precies daar krijgt heiligheid de ruimte om te doen wat zij altijd al deed.

Van veel problemen naar één oplossing.

Toen ik begon met het posten van berichten over mijn ervaringen met Een Cursus in Wonderen (ECIW) beschreef ik dikwijls mijn ervaringen uit het dagelijkse leven waarin ik de lessen van de Cursus mocht leren en toepassen. Zowel studenten als niet-studenten van de cursus zoals mijn partner, vonden deze berichten leuk en aansprekend. De praktijk gerichte toepassing van de cursus is de enige weg om de effecten ervan zelf te ervaren. Daarom wordt er in ECIW-studiegroepen, bijvoorbeeld die welke gegeven worden door Koos Janson, steeds gevraagd of iemand een concrete situatie heeft in te brengen. Ook in de fijne Facebook-groep “Gelukkig in het dagelijks leven met ECIW” zit het juiste startpunt van onze beoefening verweven in de naam van de groep: “in het dagelijks leven”.

Door telkens opnieuw en in elke situatie waarin je lijkt te botsen met anderen en de wereld om je heen je vergevingsoefeningen te doen, begin je te ontdekken dat de verscheidenheid van al je problemen terug te brengen is tot één grote vergissing: de illusie dat je een afgescheiden wezentje bent. Het is totaal iets anders om dat slechts te lezen in het Tekstboek en om even met die gedachte te spelen, vergeleken met het ontstaan van de doorleefde ervaring dat dit werkelijk zo is. Door de jaren heen groeien de ervaring en het inzicht dat dit geloof in afgescheidenheid daadwerkelijk ten grondslag ligt aan alle worstelingen. Door dit groeiende inzicht krijg je steeds meer “gevoel” voor de diepe waarheid en eenvoud van de boodschap in het Tekstboek.

Als je dit gaat merken bij jezelf dan maakt dit enthousiast en ontstaat de behoefte om dit enthousiasme te delen. Daarbij loop ik zelf tegen een karaktereigenschap aan die niet altijd even behulpzaam is, een soort liefdevol ongeduld. Daarbij wil ik mijn broeders en zusters helpen tijd te besparen door hen te wijzen op de gemene deler van al onze strubbelingen opdat ook zij hier zo snel mogelijk “gevoel” voor krijgen. Want met de toename van het inzicht in die ene oorzaak, ons geloof in afgescheidenheid, komt ook de oplossing steeds sneller en gemakkelijker binnen handbereik: je de heelheid (heiligheid) van alles in herinnering brengen.

Zo word ik helemaal enthousiast van Werkboekles 36: “Mijn Heiligheid omsluit alles wat ik zie”. Stiekem ben ik blij dat ook Jezus in zijn liefde om ons te helpen er niet voor terugdeinst om deze grote en algemene waarheid al zo snel in de cursus gewoon direct en zonder reserves te benoemen. Het leuke en knappe is dat hij aangeeft dat we de waarheid van die ultieme verbondenheid van onszelf met alles en iedereen helemaal niet hoeven te snappen of te geloven, maar ons terugwerpt in onze alledaagsheid en ons laat kauwen op een zin zoals : “mijn heiligheid omsluit dat tapijt”. Briljant! Als je erover gaat zitten piekeren word je gillend gek (zie mijn blog van gisteren: Stop met piekeren!). Nee, gewoon DOEN en dan volgt het ervaren waarna deze ervaringen langzaam maar zeker “veralgemeniseerd” worden.

De genialiteit van Jezus slaat alles als hij in de Werkboekles van vandaag de metafysische wijsheid van “Liefde is zowel middel als doel” vertaalt naar: “Mijn heiligheid zegent de wereld”. Als je de cursus langere tijd bestudeerd hebt, dan weet je hopelijk vanuit ervaring dat er maar één snelweg naar verlossing is, namelijk het herkennen van de Christus in jezelf en in je broeder: we zijn één. En om dat te ervaren dien je je oordeel te laten vallen en liefde te laten stromen. Dezelfde liefde die de bron is van jouw eigen bestaan. En moet je nagaan; Jezus wijst hier al naar op dag 37 van de cursus. Hij zegt:

1: In dit idee schuilt de eerste glimp van je werkelijke functie in de wereld, de reden waarom jij hier bent. Jouw doel is het de wereld via je eigen heiligheid te zien. Zo worden jij en de wereld tezamen gezegend.

Sommigen zeggen dat je de werkboeklessen niet jaar in, jaar uit moet blijven doen. Dat dit kan neerkomen op een vertragingstactiek. Zo ervaar ik het niet: ik vier gewoon dagelijks een klein feestje met de woorden van mijn dierbare broeder Jezus voor die dag. Halleluja; dank je Jezus!

Maar ik dwaal af: Ik zeg “sorry” voor mijn lezers die mijn blogs te lang vinden en niet praktisch genoeg. Vergeef me mijn ongeduld en enthousiasme en breng de situaties uit je dagelijks leven gerust ter sprake in deze Facebook-groep of in de bovengenoemde groep. Maar ik gun iedereen, inclusief mijzelf, de blijdschap van het steeds meer gaan herkennen van die ene oorzaak van de ellende (geloof in afscheiding) en de ene oplossing (heilige waarneming, zegening). Lees, als je wilt, met die bril op eens onderstaande citaten uit het Tekstboek en geniet van de liefdevolle schoonheid ervan.

Hartegroet,

Simon

Txt 12: VII:I: 1. Wonderen tonen aan dat het leerproces onder de juiste leiding heeft plaatsgevonden, want het leren zelf is onzichtbaar, terwijl datgene wat geleerd werd alleen aan zijn effecten kan worden herkend. De veralgemening ervan wordt gedemonstreerd naarmate jij er in steeds meer situaties gebruik van maakt. Je zult inzien dat je geleerd hebt dat wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen, wanneer je ze in alle situaties toepast. Er is geen situatie waarop wonderen niet van toepassing zijn, en door ze op alle situaties toe te passen, zul je de werkelijke wereld verwerven. Want in die heilige waarneming zul je heel worden gemaakt, en de Verzoening zal van jouw eigen aanvaarding daarvan uitstralen naar eenieder die de Heilige Geest je zendt om door jou te worden gezegend. In ieder kind van God is Zijn zegen aanwezig, en in jouw zegening van Gods kinderen ligt Zijn zegen voor jou.

Txt 12:VI: 6. Ieder kind van God is één in Christus, want zijn wezen is in Christus zoals dat van Christus is in God. Christus’ Liefde voor jou is Zijn Liefde voor Zijn Vader, en die kent Hij, want Hij kent Zijn Vaders Liefde voor Hem. Wanneer de Heilige Geest je uiteindelijk tot Christus heeft geleid bij het altaar voor Zijn Vader, versmelt waarneming tot kennis, want waarneming is zo heilig geworden dat haar overgang tot heiligheid niets meer is dan haar natuurlijke uitbreiding. Liefde gaat zonder enige belemmering in liefde over, want de twee zijn één. Naarmate je meer en meer gemeenschappelijke elementen in alle situaties ziet, neemt onder de leiding van de Heilige Geest de overdracht van de training toe en wordt die veralgemeend. Stapsgewijs leer je die toepassen op alles en iedereen, want de toepasbaarheid ervan is universeel. Wanneer dit is volbracht, komen waarneming en kennis zozeer overeen dat ze de eenmaking delen van de wetten van God.

Stop met piekeren!

Ik merk dat er veel verwarring bestaat in de ECIW-gemeenschap over de rol van het denken. Sommigen stellen dat ons denken de manier biedt om de cursus te leren; is ECIW geen training van de denkgeest? Anderen hebben ontdekt dat denken kan leiden tot ingewikkelde verhalen over metafysica en dat je daardoor “in je hoofd getrokken” wordt. Voordat je het doorhebt, meen je een keuze te moeten maken; vóór of tegen het verstand en het denken. Het wordt dan weer zo’n typisch of-of vraagstuk.

In talrijke gesprekken met een psychologisch-filosofisch ingestelde broeder heb ik gemerkt dat je eindeloos over de voor- en nadelen van de cursus kunt praten zonder een stap verder te komen. Eerlijk gezegd had ik dat al eerder ontdekt. In mijn boek “Een Christen op Satsang” uit 2008 sprak ik over de beperkte houdbaarheid van concepten. Daarmee bedoelde ik dat je het ene moment meent “aha, zo zit het volgens mij” en het volgende moment “oh nee, ik denk dat ik me vergist heb; het zit zo!”. Dit gebeurt als je de één of andere visie meent verstandelijk te begrijpen, zonder dat je deze doorleefd hebt. Je kunt dan bijvoorbeeld beweren dat de cursus zal leiden tot harteloosheid omdat je een passage hebt gelezen die stelt dat je alleen jezelf kunt kruisigen. Je denkt erover na en vindt het vervolgens wreed en beschuldigend.

Maar wat moet je dan? Moet je je denken overboord gooien? Dat is wat sommigen willen doen met de cursus. Ze vinden het tekstboek veel te ingewikkeld en zien het gevaar van overmatig piekeren en van het bouwen van uitgebreide theorieën. Het is toch heel simpel? Alles is liefde en luister maar gewoon naar je hart. Toch meende Jezus dat deze oneliners voor de meeste van ons niet voldoende zijn, anders had hij ons niet dikke boeken gegeven als Een Cursus in Wonderen en Een Cursus van Liefde (ECvL). Wat moeten we nu; wel of niet nadenken over de cursus?

Zowel ECIW als ECvL beantwoorden deze vraag. ECIW geeft ons werkboeklessen en vraagt ons om deze lessen te doen. Dat laatste woord “doen” is belangrijk. Er staat niet dat we eindeloos moeten gaan nadenken over de lessen maar Jezus vraagt ons enige bereidwilligheid, een klein beetje vertrouwen, om ons denken even te parkeren en de lessen uit te voeren zoals beschreven. De reden is simpel: slechts langs deze weg kunnen we gaan ervaren dat wat we lezen in de cursus klopt. Het voelt alsof het besef van de logica van de cursus groeit als we ons in vertrouwen openstellen. Op talloze manieren probeert Jezus ons te laten zien dat het niet op ons eigen gepieker aankomt. Hij spreekt van het autoriteit-probleem (wij willen het zelf uitdenken, zelf oplossen, zelf doen). Hij spreekt van jezelf afstemmen op de stille Stem van de Heilige Geest of om hemzelf, onze oudere broeder, om hulp te vragen. Maar laten dit nu net allemaal adviezen zijn waar ons ego een hekel aan heeft. Jezus wijst vlijmscherp op het adagium van het ego: “zoek, maar vind niet”.

In ECvL legt Jezus uit dat ECIW nodig is om het ego te verzwakken. Dat gebeurt niet door een ECIW-theoreticus te worden, integendeel. Dat gebeurt wel als je dat kleine beetje vertrouwen durft op te brengen, als je het ego-schild iets durft te laten zakken. Door in kleine situaties en in de werkboeklessen je vergevingsoefeningen te doen. Door je in elke situatie af te stemmen op eenheid en liefde, oftewel door wonderwerker te worden, groeit een innerlijke ervaring, groeit het vertrouwen en groeit het besef: “het klopt gewoon!”.

In ECvL wijst Jezus op de eenheid van onze “mind”. Hij noemt dit “eenheid van hoofd en hart” maar meestal kortweg: “heelheid-van-hart”. Als je ECIW echt doet, dan krijg je steeds meer “gevoel” voor wat deze heelheid-van-hart betekent. Dat gevoel blijft maar groeien en krijgt aspecten van bewondering, verwondering en dankbaarheid. Op rustige momenten schijnt het licht je mind binnen en begin je besef te krijgen wat de ECIW term “gedachten die je deelt met God” inhoudt. In ECvL spreekt Jezus van “de Kunst van Denken”. Ik noem dit voor mezelf een “klik-ervaring”. Tijdens zo’n ervaring klikken denkbeelden als het ware ineen, maar niet slechts op een conceptueel niveau. Nee; elke klik gaat gepaard met een diep en gelukzalig gevoel van helderheid. Je voelt dat iets overduidelijk is geworden maar tegelijkertijd merk je een onmacht om dit precies over te brengen aan de broeders en zusters met wie je in gesprek bent.

In ECvL legt Jezus uit dat het voelt alsof deze toestand “onderhoud” vergt. Dit onderhoud is geen zwaar werk maar is meer een jezelf herinneren om je af te stemmen op eenheid en liefde. Uiteindelijk gaat het steeds meer “van-Zelf”. Je ontwikkelt een soort antenne voor “ego-spanning” en bent sneller bereid de uitgestoken hand van Jezus aan te nemen. Uiteindelijk zal dit volgens ECvL leiden tot bestendiging. En zelfs als daar nu nog geen sprake van is, merk je duidelijk op dat het door je heen aan het gebeuren is. Niet door je eigen inspanning en wilskracht maar door vertrouwen en genade. Door de kracht van de Liefde die onze Schepper is.

Een God van liefde en haat?

Een paar weken geleden was ik jarig. Van een goedbedoelende verjaardagsgast kreeg ik het boek 77 moeilijke vragen van Christenen van Willem J. Ouweneel. De zevende ‘moeilijke vraag’ luidt: “God is liefde, maar Hij is ook een verterend vuur – hoe kunnen we dat met elkaar rijmen?”

Ouweneel betoogt dat deze twee eigenschappen elkaar niet tegenspreken. God is liefde, maar Hij is óók een ‘verterend vuur’. Dat vuur is, zo stelt hij, geen metafoor maar een realiteit: een God die uiteindelijk de goddelozen vernietigt. Hij verwijst daarbij naar diverse bijbelteksten uit het Oude Testament.

Volgens Ouweneel haat God niet alleen de zonde, maar ook de zondaar: ‘Hij haat de goddelozen, dus de mensen die zulke kwade dingen bedrijven.’ Dat God liefde is, betekent volgens hem geenszins dat God niet zou kunnen haten. Integendeel: liefde krijgt pas werkelijk betekenis wanneer zij wordt afgezet tegen haar tegendeel. Zonder haat zou liefde zelfs inhoudsloos worden.

Gods liefde is in deze visie bovendien niet universeel. Zij geldt uitsluitend voor hen die zich voor die liefde openstellen. Wie zich bewust afsluit, wie rebelleert tegen God, plaatst zichzelf buiten die liefde en wordt object van Gods haat en wraak. Ouweneel verbindt dit expliciet met Bijbelse taal over vergelding en stelt dat God niet alleen rechtvaardig straft, maar zelfs als een ‘grimmige Wreker’ kan worden aangeduid.

Deze manier van denken is herkenbaar binnen een klassieke, orthodox-Bijbelse theologie. Toch schuurt hier iets fundamenteels – althans, wanneer je kijkt vanuit de visie van Een Cursus in Wonderen (ECIW).

Liefde zonder tegendeel

ECIW stelt onomwonden: liefde heeft geen tegendeel. Liefde is wat God is. Niet liefde én iets anders, maar liefde alleen. Waar liefde is, kan haat eenvoudigweg niet bestaan. Niet als onderdrukte tegenpool, niet als noodzakelijke schaduwzijde, en ook niet als ‘gerechtvaardigde afkeer’.

De Cursus is daarin radicaal consequent. Elk idee van haat, wraak, straf of vergelding kan volgens haar onmogelijk uit God voortkomen, omdat zulke begrippen alleen zin hebben binnen een denkraam van afgescheidenheid, angst en schuld. En dát denkraam is precies wat ECIW beschrijft als de vergissing van de Zoon van God.

Projectie en het godsbeeld

Vanuit die vergissing – het geloof dat we afgescheiden zijn van onze Bron – ontstaat een wereldbeeld waarin schuld reëel lijkt en straf logisch wordt. In zo’n wereld projecteert de mens zijn innerlijke conflict op God. De God die ‘haat’, ‘wreekt’ en ‘vernietigt’ is, vanuit de visie van ECIW, geen openbaring van God Zelf, maar een spiegel van de innerlijke angst van de mens.

Met name in het Oude Testament zien we dit mechanisme sterk terug. God wordt daar voorgesteld als jaloers, woedend, straffend en soms meedogenloos. Niet omdat God zo is, maar omdat Hij zo gezien wordt door een mensheid die leeft vanuit het geloof in zonde en schuld.

ECIW zegt het scherp: wat wij menen te zien in God, zegt alles over onze eigen denkgeest. Een angstige geest kan geen liefdevolle God waarnemen.

Geen spoor van duisternis

Interessant is dat ook de Bijbel zelf een heel andere toon kent dan die van een God die haat. In de Eerste brief van Johannes lezen we:

“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1 Johannes 1:5)

Niet: God is liefde én haat. Niet: God is licht mét een donkere zijde. Maar: geen spoor van duisternis. Dat is opmerkelijk. Het suggereert een Godsbeeld dat veel dichter ligt bij de visie van ECIW dan bij het idee van een God die Zijn liefde ‘balanceert’ met haat.

Liefde hoeft geen contrast

Het idee dat liefde pas betekenis krijgt door haar tegendeel is diep menselijk, maar volgens ECIW ook diep misleidend. Het is het denken van de wereld van dualiteit: licht tegenover donker, goed tegenover kwaad, liefde tegenover haat. God echter kent geen dualiteit. Liefde heeft geen contrast nodig om liefde te zijn.

Wanneer Ouweneel stelt dat God de goddelozen haat omdat zij zich afsluiten voor Zijn liefde, blijft hij denken binnen dit dualistische kader. ECIW zou zeggen: wie zich afsluit voor liefde, ervaart geen liefde – maar dat betekent niet dat de liefde zich heeft teruggetrokken, laat staan veranderd is in haat. De zon blijft schijnen, ook als iemand de gordijnen sluit.

Mijn hoop

Ik schrijf dit niet om Willem J. Ouweneel te corrigeren of te overtuigen. Zijn werk komt voort uit een oprechte betrokkenheid bij het christelijk geloof. Wat ik wel hoop – zacht en zonder haast – is dat ook hij misschien steeds meer gevoel krijgt voor een God die werkelijk niets anders is dan liefde. Een liefde die niet dreigt, niet wreekt, niet verteert, maar eenvoudig is.

Wat mij raakt in het werk van Willem J. Ouweneel is zijn duidelijke ernst en zijn verlangen om God recht te doen. Mijn hoop is dat hij, misschien wel via ECIW, mag ontdekken dat God niets anders kan zijn dan liefde. Niet een liefde die selecteert, maar een liefde die nooit opgeeft. Niet een liefde die straft, maar een liefde die herinnert. Een liefde die geen tegenpool nodig heeft om zichzelf te zijn. Misschien vraagt dat niet zozeer om scherpere dogma’s, maar om een zachter vertrouwen: dat God werkelijk beter is dan wij Hem ooit hebben durven voorstellen.