Een paar weken geleden was ik jarig. Van een goedbedoelende verjaardagsgast kreeg ik het boek 77 moeilijke vragen van Christenen van Willem J. Ouweneel. De zevende ‘moeilijke vraag’ luidt: “God is liefde, maar Hij is ook een verterend vuur – hoe kunnen we dat met elkaar rijmen?”
Ouweneel betoogt dat deze twee eigenschappen elkaar niet tegenspreken. God is liefde, maar Hij is óók een ‘verterend vuur’. Dat vuur is, zo stelt hij, geen metafoor maar een realiteit: een God die uiteindelijk de goddelozen vernietigt. Hij verwijst daarbij naar diverse bijbelteksten uit het Oude Testament.
Volgens Ouweneel haat God niet alleen de zonde, maar ook de zondaar: ‘Hij haat de goddelozen, dus de mensen die zulke kwade dingen bedrijven.’ Dat God liefde is, betekent volgens hem geenszins dat God niet zou kunnen haten. Integendeel: liefde krijgt pas werkelijk betekenis wanneer zij wordt afgezet tegen haar tegendeel. Zonder haat zou liefde zelfs inhoudsloos worden.
Gods liefde is in deze visie bovendien niet universeel. Zij geldt uitsluitend voor hen die zich voor die liefde openstellen. Wie zich bewust afsluit, wie rebelleert tegen God, plaatst zichzelf buiten die liefde en wordt object van Gods haat en wraak. Ouweneel verbindt dit expliciet met Bijbelse taal over vergelding en stelt dat God niet alleen rechtvaardig straft, maar zelfs als een ‘grimmige Wreker’ kan worden aangeduid.
Deze manier van denken is herkenbaar binnen een klassieke, orthodox-Bijbelse theologie. Toch schuurt hier iets fundamenteels – althans, wanneer je kijkt vanuit de visie van Een Cursus in Wonderen (ECIW).
Liefde zonder tegendeel
ECIW stelt onomwonden: liefde heeft geen tegendeel. Liefde is wat God is. Niet liefde én iets anders, maar liefde alleen. Waar liefde is, kan haat eenvoudigweg niet bestaan. Niet als onderdrukte tegenpool, niet als noodzakelijke schaduwzijde, en ook niet als ‘gerechtvaardigde afkeer’.
De Cursus is daarin radicaal consequent. Elk idee van haat, wraak, straf of vergelding kan volgens haar onmogelijk uit God voortkomen, omdat zulke begrippen alleen zin hebben binnen een denkraam van afgescheidenheid, angst en schuld. En dát denkraam is precies wat ECIW beschrijft als de vergissing van de Zoon van God.
Projectie en het godsbeeld
Vanuit die vergissing – het geloof dat we afgescheiden zijn van onze Bron – ontstaat een wereldbeeld waarin schuld reëel lijkt en straf logisch wordt. In zo’n wereld projecteert de mens zijn innerlijke conflict op God. De God die ‘haat’, ‘wreekt’ en ‘vernietigt’ is, vanuit de visie van ECIW, geen openbaring van God Zelf, maar een spiegel van de innerlijke angst van de mens.
Met name in het Oude Testament zien we dit mechanisme sterk terug. God wordt daar voorgesteld als jaloers, woedend, straffend en soms meedogenloos. Niet omdat God zo is, maar omdat Hij zo gezien wordt door een mensheid die leeft vanuit het geloof in zonde en schuld.
ECIW zegt het scherp: wat wij menen te zien in God, zegt alles over onze eigen denkgeest. Een angstige geest kan geen liefdevolle God waarnemen.
Geen spoor van duisternis
Interessant is dat ook de Bijbel zelf een heel andere toon kent dan die van een God die haat. In de Eerste brief van Johannes lezen we:
“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1 Johannes 1:5)
Niet: God is liefde én haat. Niet: God is licht mét een donkere zijde. Maar: geen spoor van duisternis. Dat is opmerkelijk. Het suggereert een Godsbeeld dat veel dichter ligt bij de visie van ECIW dan bij het idee van een God die Zijn liefde ‘balanceert’ met haat.
Liefde hoeft geen contrast
Het idee dat liefde pas betekenis krijgt door haar tegendeel is diep menselijk, maar volgens ECIW ook diep misleidend. Het is het denken van de wereld van dualiteit: licht tegenover donker, goed tegenover kwaad, liefde tegenover haat. God echter kent geen dualiteit. Liefde heeft geen contrast nodig om liefde te zijn.
Wanneer Ouweneel stelt dat God de goddelozen haat omdat zij zich afsluiten voor Zijn liefde, blijft hij denken binnen dit dualistische kader. ECIW zou zeggen: wie zich afsluit voor liefde, ervaart geen liefde – maar dat betekent niet dat de liefde zich heeft teruggetrokken, laat staan veranderd is in haat. De zon blijft schijnen, ook als iemand de gordijnen sluit.
Mijn hoop
Ik schrijf dit niet om Willem J. Ouweneel te corrigeren of te overtuigen. Zijn werk komt voort uit een oprechte betrokkenheid bij het christelijk geloof. Wat ik wel hoop – zacht en zonder haast – is dat ook hij misschien steeds meer gevoel krijgt voor een God die werkelijk niets anders is dan liefde. Een liefde die niet dreigt, niet wreekt, niet verteert, maar eenvoudig is.
Wat mij raakt in het werk van Willem J. Ouweneel is zijn duidelijke ernst en zijn verlangen om God recht te doen. Mijn hoop is dat hij, misschien wel via ECIW, mag ontdekken dat God niets anders kan zijn dan liefde. Niet een liefde die selecteert, maar een liefde die nooit opgeeft. Niet een liefde die straft, maar een liefde die herinnert. Een liefde die geen tegenpool nodig heeft om zichzelf te zijn. Misschien vraagt dat niet zozeer om scherpere dogma’s, maar om een zachter vertrouwen: dat God werkelijk beter is dan wij Hem ooit hebben durven voorstellen.
