De titel van deze blog is wat grotesk en past eerder bij een dik boek dan bij een korte blog. Toch kwam hij bij me op toen ik terugdacht aan de dag van gisteren. Gesprekken over verlies en verdriet, berichten over worstelingen en herstel, zorgen om ouder wordende geliefden en kwetsbare lichamen — en ’s avonds een presentatie over schoonheid, vol beelden die ontroerden en stil maakten. Zomaar een dag uit het leven.
Elk mens heeft zich hiertoe te verhouden. Lief en leed, zogezegd. En wij, als cursusstudenten, proberen dit te doen met Een Cursus in Wonderen (ECIW) als onze leidraad. Voor mij is de omgang met de cursus in de eerste plaats een innerlijke, bijna stille aangelegenheid. Ik probeer de wijsheid en liefde die Jezus in de cursus aanreikt niet zozeer te verkondigen, maar te laten doorwerken in mijn dagelijks handelen. Ik wil voorkomen dat ik woorden gebruik die ik zelf nog niet werkelijk heb doorleefd, zeker wanneer die woorden raken aan de menselijke conditie die voor velen — en ook voor mij — de tastbare realiteit van het bestaan vormt.
Toch klinkt er in mijn binnenruimte steeds weer een zacht “maar toch…”. Een uitnodiging om voorbij de vanzelfsprekendheid van onze ervaringen te kijken. Dat “maar toch” is geen ontkenning van wat wij meemaken, maar een opening naar een mogelijkheid die we misschien nog niet volledig kennen. Het is een hypothese van het hart: iets wat we nog niet volledig ervaren, maar wel voorzichtig durven overwegen.
Ons werkveld is inderdaad de menselijke conditie. We worden telkens geconfronteerd met kwetsbaarheid — die van onszelf en die van anderen. We lijden, we zien lijden, we verliezen geliefden en weten dat ook ons eigen leven eindig is. Vaak hopen we op een bestaan waarin, naast het onvermijdelijke lijden, voldoende momenten van schoonheid en verbondenheid aanwezig zijn. Naarmate we ouder worden, groeit vaak het besef dat deze momenten vooral ontstaan in relatie tot anderen. Misschien wijst dit erop dat we, ondanks alles, een innerlijk richtingsgevoel behouden hebben. Uiteindelijk lijkt het steeds weer om liefde te draaien.
Nu ik zelf een leeftijd heb bereikt waarop veel van mijn tijdgenoten terugkijken op een lang geleefd leven, merk ik hoe eenvoudig samenzijn aan waarde wint. Samen koffie drinken, herinneringen delen, lachen om herkenbare verhalen. Het zijn ogenschijnlijk kleine momenten, maar ze dragen een stille betekenis. In zulke ontmoetingen krijgt liefde een tastbare vorm.
Als christen en student van de leringen van Jezus probeer ik de menselijke conditie niet te ontvluchten, maar juist te doorleven. In dat doorleven ontstaat soms een merkwaardige verschuiving: kwetsbaarheid krijgt een andere kleur en lijkt zich te verbinden met een vorm van tederheid. Het is moeilijk precies te verwoorden. Alsof binnen de dualiteit van het bestaan — met zijn scherpe contrasten en schurende ervaringen — een verborgen schoonheid aanwezig is die zich niet direct laat vastleggen.
Tijdens de presentatie over schoonheid werd dit thema zichtbaar gemaakt aan de hand van foto’s van bekende mensen, getoond in hun jeugd en op latere leeftijd. Ons oog wordt vaak vanzelf aangetrokken door jeugdige schoonheid. Toch raakte mij vooral de doorleefde schoonheid van ouder geworden gezichten: sporen van geleefd leven, van vreugde en verlies, van tijd die zich in lijnen en plooien heeft gegrift. Wat is schoonheid eigenlijk?
De spreker stelde dat schoonheid slechts kan bestaan binnen dualiteit, met lelijkheid als noodzakelijke tegenhanger. Die gedachte liet mij niet los. Is de duale wereld werkelijk het laatste woord? Is het delen van liefde en leed, elkaar dragen binnen de grenzen van een sterfelijk bestaan, het hoogste wat voor ons mogelijk is? Dat zou ik niet willen bagatelliseren — integendeel. Het doorleven van ons leven kan intens rijk en betekenisvol zijn. En toch blijft er dat zachte “maar toch…”.
De Cursus wijst op een dimensie voorbij onze gebruikelijke interpretaties. Jezus ontkent niet dat wij dualiteit ervaren; hij gaat niet voorbij aan ons menselijk gevoel van vreugde en verdriet. Maar hij nodigt ons uit om te overwegen dat wij misschien niet de kwetsbare, afgescheiden wezens zijn waarvoor wij ons houden. Dat ons bestaan meer omvat dan het zo goed mogelijk omgaan met omstandigheden tot het moment waarop we moe worden en loslaten.
Binnen onze wereld maken wij zelfs van liefde vaak een duaal begrip. Liefde wordt een ruilmiddel, een subtiel contract: ik geef jou iets, en verwacht — al dan niet onbewust — iets terug. Liefde tegenover haat, nabijheid tegenover afwijzing. Maar de Cursus wijst naar een liefde die geen tegenpool kent. Een liefde die niet afhankelijk is van voorwaarden en die daarom niet kwetsbaar is op de manier waarop wij dat gewend zijn te denken.
Misschien is dat wat het “maar toch” in mij wakker houdt: een stille herinnering dat de schoonheid die wij zien slechts een weerspiegeling kan zijn van iets dat dieper en fundamenteler is. Niet als ontkenning van onze ervaringen, maar als een zachte verruiming ervan.
Ik eindig mijn mijmeringen met werkboekles 259. Mij helpt het om overal waar “zonde” staat te lezen: “ons geloof een afgescheiden en kwetsbaar wezentje te zijn”. Ik ben dankbaar voor deze woorden: “want liefde kent geen tegendeel”.
Les 259
Laat ik me herinneren dat er geen zonde is.
Zonde is de enige gedachte die maakt dat God als doel onbereikbaar lijkt. Wat anders zou ons blind kunnen maken voor wat voor de hand ligt, en duidelijker doen lijken wat vreemd is en vervormd? Wat anders dan zonde veroorzaakt onze aanvallen? Wat anders dan zonde kan de bron zijn van schuld, die straf en lijden eist? En wat anders dan zonde kan de bron zijn van angst, die Gods schepping verduistert en aan liefde de eigenschappen van angst en aanval toebedeelt?
Vader, ik wil vandaag niet waanzinnig zijn. Ik wil niet bang voor liefde zijn, noch een toevlucht zoeken in haar tegendeel. Want liefde kent geen tegendeel. U bent de Bron van al-wat-is. En al-wat-is blijft bij U, en U bij al wat is.
