Een droom-ik in een droomwereld.

Inleiding

Wanneer ik op Facebook lange berichten tegenkom, merk ik vaak weerstand om ze te lezen. Ik wil snel begrijpen wat de schrijver me duidelijk wil maken. Ik ben me er dus van bewust dat ook deze blog, door zijn lengte, niet meteen uitnodigt. Toch post ik hem.

De reden daarvoor is dat ik heb gemerkt dat veel mensen – inclusief ECIW-studenten en ikzelf – zich onvoldoende realiseren hoe wij eigenlijk kijken naar wat we ‘de werkelijkheid’ noemen. We nemen meestal vanzelfsprekend aan dat er een materiële wereld buiten ons bestaat, waaruit we ons af en toe terugtrekken om “naar binnen te kijken”. Die aanname wordt zelden onderzocht.

In deze blog wil ik laten zien dat die tegenstelling misleidend is. Er is geen ‘buiten’ waar we ons toe verhouden en geen ‘binnen’ waar we af en toe naartoe gaan. Er is alleen een binnen. Wat wij doorgaans ‘de materiële werkelijkheid’ noemen, is volgens Bernardo Kastrup een gepercipieerde wereld, en volgens Een Cursus in Wonderen zelfs een door ons gedroomde wereld.

Mijn excuses voor de lengte van dit stuk, maar ik beschouw dit thema als fundamenteel. Zonder inzicht hierin blijven we onszelf en de wereld waarin we menen te leven verkeerd begrijpen.

PS: Deze blog is een uitgewerkte versie van het eerdere bericht: Ons hardnekkig geloof in een materiële werkelijkheid.

Daar gaan we 😉

Twee drempels

Er zijn twee fundamentele drempels die het ons moeilijk maken om een dieper besef te krijgen van onze ware identiteit en van de aard van de werkelijkheid:

  1. het geloof in materialisme
  2. onwetendheid over het principe dat projectie perceptie is (inclusief onwetendheid over onze intentie)

1. Ons geloof in materialisme

Het materialistische wereldbeeld houdt in dat we onszelf vanzelfsprekend beschouwen als lichamelijke wezens die leven in een wereld van tijd, ruimte en vormen, geregeerd door natuurwetten zoals causaliteit. Binnen dit denken wordt bewustzijn gezien als een bijproduct van materie, voortkomend uit de werking van het brein.

Dit lijkt overtuigend. Wanneer onze hersenen beschadigd raken, kunnen we bewusteloos raken. En als het lichaam sterft, zo nemen we aan, eindigt het bewustzijn. Dat lijkt een logisch en zelfs onontkoombaar gevolg.

Door de geschiedenis heen heeft men echter vaak vermoed dat er naast de materiële werkelijkheid ook nog een geestelijk domein zou moeten zijn. Dat leidt meestal tot een hybride visie: een materiële wereld en daar ergens “boven” of “achter” een bewustzijnsdomein. Een bekend voorbeeld hiervan is de metafoor uit Het ultieme geheim van Dan Brown, waarin de hersenen worden voorgesteld als een radio-ontvanger die signalen van een vormloos bewustzijn opvangt en vertaalt naar ervaringen.

De filosofische stroming die bekendstaat als het idealisme gaat een stap verder. Zij stelt dat de werkelijkheid in haar geheel geestelijk van aard is. Een hedendaagse vertegenwoordiger hiervan is Bernardo Kastrup, die deze visie aanduidt als analytisch idealisme. Hoewel hij vele boeken nodig heeft gehad om het materialistische wereldbeeld te weerleggen, is zijn kernpunt in feite eenvoudig en voor iedereen zelf te onderzoeken.

Alles wat wij weten over de zogenaamd materiële wereld van vormen, tijd en ruimte, komt namelijk voort uit gewaarwording. We hebben visuele, auditieve, gevoelsmatige, geur- en tastpercepties, en op basis daarvan concluderen we dat er materiële objecten bestaan.

Aan de basis van al deze kennis liggen onze gewaarwordingen: ons bewustzijn van “iets”, al dan niet via meetinstrumenten.  Pas daarna maken we, meestal ongemerkt, een extra stap. We concluderen dat dit “iets” dat we waarnemen een materiële wereld is die buiten ons bestaat en los van ons staat. Die stap zelf is echter geen waarneming, maar een geloofsaanname.

Dat dit geloof zo diep verankerd is, verklaart waarom de boeken van Bernardo nodig zijn. Niet omdat zijn redenering zo ingewikkeld is, maar omdat we de denkfouten die voortkomen uit ons materialistische uitgangspunt nauwelijks nog herkennen. In deze blog kan ik onmogelijk alle argumenten bespreken, maar één voorbeeld maakt het probleem duidelijk.

Meestal beschrijven we waarneming als volgt: een object weerkaatst licht, dat licht komt via onze ogen binnen, in de retina worden elektrische impulsen opgewekt, deze worden verwerkt in specifieke hersengebieden, en vervolgens worden we ons bewust van een object. De conclusie lijkt vanzelfsprekend: ik neem een materieel object waar dat zich buiten mij bevindt.

Maar wat weten we hier nu eigenlijk met zekerheid?

Het enige wat onbetwistbaar vaststaat, is dat elk element in dit hele verhaal zelf een waarneming is. Ik neem een vorm waar, ik neem licht waar, ik neem ogen en een retina waar, ik neem elektrische impulsen waar en ik neem hersengebieden waar. Ook processen als ‘weerkaatsing’ en ‘verwerking in de hersenen’ zijn constructies die voortkomen uit waarneming.

Met andere woorden: aan alles wat we menen te weten over de wereld ligt perceptie ten grondslag. Perceptie is niet een onderdeel van onze kennis van de werkelijkheid, maar haar onvermijdelijke fundament.

Daarmee ontkent het analytisch idealisme niet dat er “iets” is waartoe wij ons als waarnemer verhouden. Kastrup ontkent niet het bestaan van een wereld buiten mijn individuele perspectief. Hij stelt echter dat dit “iets” geen materiële substantie is, maar een gebeurtenis binnen een veld van bewustzijn, die wij vervolgens als materieel interpreteren.

Een hamer is dan een fenomeen in en van bewustzijn. Wanneer dit fenomeen samenvalt met datgene wat wij als onze vinger waarnemen, gebeurt er iets binnen bewustzijn dat wij percipiëren als pijn.

Kort gezegd: wij zijn mentale wezens in een mentale werkelijkheid. Alles wat we in onze ervaring tegenkomen kan verklaard worden zonder het aannemen van een zelfstandige, niet‑geestelijke materiële wereld. Ons idee dat materie primair is, is geen waarneming maar een geloof. Wat we daadwerkelijk zeker weten, is slechts dit: er is perceptie, er is bewustzijn van iets. Dat is de enige vaste grond.

2. Onwetendheid over het principe: projectie is perceptie

(inclusief onwetendheid over onze intentie)

Waar het analytisch idealisme van Bernardo Kastrup laat zien dat alles wat wij ‘materie’ noemen uiteindelijk perceptie is, gaat Een Cursus in Wonderen (ECIW) nog een stap verder. ECIW stelt niet alleen dat de wereld die wij ervaren perceptueel van aard is, maar ook dát deze perceptie het resultaat is van projectie.

Volgens ECIW is alleen de denkgeest, de mentale werkelijkheid, werkelijk. Het lichaam en de wereld die wij waarnemen zijn geen objectieve, zelfstandige werkelijkheden, maar ervaringen binnen de denkgeest. Aanvankelijk nemen veel lezers dit aan als een spirituele openbaring die aan Jezus wordt toegeschreven. Pas door het doen van de werkboeklessen krijgt men er geleidelijk meer gevoel en inzicht voor.

Het interessante is dat waar ECIW deze visie als spirituele teaching presenteert, Kastrup vanuit filosofische en rationele argumentatie tot een vergelijkbare conclusie komt. Zijn analytisch idealisme maakt inzichtelijk dat deze visie logisch, begrijpelijk en zelfs het meest voor de hand liggend is, zodra we onze materialistische aannames loslaten.

Toch zit er een wezenlijk verschil tussen beide benaderingen.

Kastrup concludeert dat alles wat wij ervaren perceptie is van een mentale werkelijkheid die in zichzelf neutraal is. ECIW daarentegen stelt dat deze mentale werkelijkheid niet simpelweg ‘is’, maar dat zij gedroomd wordt. Met andere woorden: onze waarneming is niet slechts passief, maar actief voortgebracht. Zij is “onze” projectie.

Met die projectie wordt niet bedoeld dat “ik”, als persoon of ego, bewust de wereld bedacht heb. Daarom zette ik het woord “onze” hier tussen aanhalingstekens. Het gaat niet om Simon, of om jou als individu. ECIW verwijst hiermee naar een veel groter geestelijk geheel, aangeduid als de Zoon van God: één denkgeest die zich wil ervaren als velen.

Dit geestelijke geheel heeft, volgens ECIW, de wens gekoesterd zich afgescheiden te voelen van zijn bron (God, de Vader). Die wens is een keuze in de denkgeest. Het resultaat van die keuze is een ervaring van afzondering, verbeeld in een wereld van tijd, ruimte en vormen.

Een behulpzame vergelijking is die met onze nachtelijke dromen. Wanneer we dromen, geloven we tijdelijk dat we een afzonderlijk personage zijn in een wereld die zich onafhankelijk van ons ontvouwt. We beleven ontmoetingen, emoties en gebeurtenissen alsof ze werkelijk plaatsvinden. Pas bij het ontwaken realiseren we ons dat zowel het droom-ik als de droomwereld voortkwamen uit dezelfde geest.

Volgens ECIW is onze zogenaamde wakkere toestand hiermee volledig vergelijkbaar. Ook nu dromen we een avatar — een lichaam met een naam, geschiedenis en persoonlijkheid — die zich beweegt in een droomwereld die we voor absoluut werkelijk houden. Het verschil met de nachtelijke droom is slechts dat deze droom consistenter en collectiever is.

Het geloof in deze wereld krijgt extra kracht doordat het nauw samenhangt met het idee van kwetsbaarheid en sterfelijkheid van het lichaam. Het lichaam lijkt het bewijs van onze afgescheidenheid. Tegelijkertijd weet de denkgeest, diep vanbinnen, dat deze afscheiding gebaseerd is op een vergissing. Dat innerlijke weten manifesteert zich als onbewuste schuldgevoelens en de neiging tot zelfveroordeling en zelfbestraffing.

Hier wordt het verschil tussen Kastrup en ECIW opnieuw duidelijk. Waar Kastrup spreekt over dissociatie als een neutraal gegeven — een splitsing binnen bewustzijn — stelt ECIW dat er intentie aan ten grondslag ligt. De afscheiding is niet slechts iets dat gebeurde, maar iets waarvoor gekozen werd, en die keuze wordt vervolgens systematisch verhuld.

Samenvattend: perceptie is niet alleen de basis van onze ervaring van de wereld, zij is ook projectie. We nemen niet zomaar waar wat er is; we nemen waar wat we, op een dieper niveau van de denkgeest, willen waarnemen. Zolang we dit niet onderkennen, blijven we gevangen in een wereld die we voor buiten onszelf houden, terwijl zij in werkelijkheid binnen de denkgeest verschijnt.

Het is een lang en intens betoog; daar ben ik me van bewust. Toch is deze lengte geen toeval. De manier waarop wij naar onszelf en naar de werkelijkheid kijken, is zo diep verankerd dat oppervlakkige correcties niet volstaan. Wat hier verkend wordt, raakt aan de kern van onze identiteit en aan het fundament van onze ervaring.

Om duidelijk te maken dat dit geen persoonlijke speculatie is, maar nauw aansluit bij de visie van Een Cursus in Wonderen, wil ik afsluiten met een passage uit hoofdstuk 19 van het Tekstboek. Deze passage verwoordt, in meer existentiële en poëtische taal, precies datgene wat in deze blog rationeel is onderzocht:

Dit is de donkerste sluier, die door het geloof in de dood wordt hooggehouden, en door zijn aantrekkingskracht wordt beschermd. De toewijding aan de dood en aan zijn oppermacht is slechts een plechtige gelofte: de belofte aan het ego, in het geheim gedaan, deze sluier nooit op te lichten, hem niet te na te komen, of zelfs maar te vermoeden dat hij er is. Dit is het geheime akkoord dat met het ego is gesloten om wat zich achter de sluier bevindt voor altijd aan het zicht onttrokken en in vergetelheid te houden. Dit is jouw belofte om nooit toe te laten dat eenheid jou uit de afscheiding wegroept; het grote geheugenverlies waarin de Godsherinnering volkomen vergeten lijkt; de breuk tussen je Zelf en jou; de angst voor God — de slotstap in je dissociatie.

Plaats een reactie