Ik ervaar het niet!

Dat is een uitroep die ik vaak hoor in contact met medestudenten. Sommigen zijn al jaren bezig met ECIW maar ze ervaren de inzichten waar het boek over handelt toch voornamelijk als iets dat ze kunnen geloven of niet. Anders gezegd: de metafysica leeft niet voor hen. Uitspraken als “alles is denkgeest” staan dan ver af van onze eigen ervaring. Ons lichaam voelt verdraaid echt, vooral als het de aandacht vraagt via pijn en ziekte. Dan kun je nog zo hard roepen dat je niet je lichaam bent, maar de praktijk van alledag blijkt weerbarstig.

Ik zal proberen kort een paar invalshoeken te noemen die mij helpen om ECIW niet te zien als een nieuw geloof zonder hierbij volledigheid na te (kunnen) streven. Om te beginnen: hoe ver komen we met ons “gezonde verstand”, met de weg van begrijpen? Ons verstand kan zowel behulpzaam zijn als een blokkade vormen. Het Tekstboek van ECIW vergt van ons de bereidheid om de inzichten ervan tot ons te nemen. Jezus weet dat wij sterk geloof hechten aan een materialistisch wereldbeeld. Dit wereldbeeld vormt de basis van waaruit ook wetenschappers denken. Bedenk maar eens hoezeer wij menen dat we sterven als ons lichaam verongelukt. We denken dat materie primair is en bewustzijn secundair. Het Tekstboek geeft ons een ander paradigma: de (denk-)geest is primair en wat wij beschouwen als de fysieke werkelijkheid (de wereld, ons lichaam) is onze perceptie binnen deze denkgeest. Het is goed om te schudden aan ons bouwwerk van geloof in een materialistisch wereldbeeld. Dit is precies wat het Tekstboek doet.

Dat kan ons vergezocht overkomen. Als je meent dat het Tekstboek ver van de “normale wereld” afstaat dan heb je in zekere zin gelijk. Het merendeel van de mensen, en dus ook van de wetenschappers, gaat uit van een materialistische (“fysicalistische”) wereldvisie. De laatste jaren ben ik echter op het spoor gekomen van de filosofische stroming genaamd “idealisme”, niet te verwarren met hoe wij normaal gesproken aankijken tegen iemand die een idealist is. Idealisme is de filosofische stroming die ervan uit gaat dat de werkelijkheid “mentaal” van aard is, dus dat bewustzijn primair is, net zoals het Tekstboek ons leert. Ik ben erg gecharmeerd van de in Nederland wonende filosoof / computerwetenschapper Bernardo Kastrup. Hij leidt zijn publiek met behulp van logica naar het inzicht dat er in feite maar één zekerheid voor ons bestaat: het feit dat we iets gewaarzijn. Dat er zoiets bestaat als een op zichzelf staande materiële wereld is een geloof! Dus één manier om, middels je gezonde verstand, te ontdekken dat de metafysica van ECIW niet geloofd hoef te worden maar dat je dit voor jezelf kunt zien, is om de weg van het zorgvuldig redeneren te volgen waarin mannen als Bernardo Kastrup ons voorgaan.

Dit gezegd hebbende besef ik dat dit niet iedereen gegeven is. Op YouTube staan talloze filmpjes waarin Bernardo probeert zijn visie, die dus overeenstemt met de metafysica van ECIW, uit te leggen aan anderen. Ik zie dikwijls gebeuren dat zijn gesprekspartners hem niet kunnen volgen. Ze kunnen simpelweg niet aanvoelen wat hij bedoelt, ook niet langs de weg van logica die mij niet erg ingewikkeld overkomt. En Jezus in ECIW weet dit. Hij weet dat de meeste mensen niet genoeg hebben aan het Tekstboek. Daarom heeft hij ons het werkboek gegeven.

Je kunt het werkboek van ECIW zien als een methode om vastgeroest (materialistisch) denken te ontmantelen om ruimte te krijgen voor inzichten die verder gaan dan “conclusies over hoe het allemaal in elkaar steekt”. Het werkboek zorgt ervoor dat onze hersenen eens flink doorgespoeld worden en dat we niet langer gehinderd en zelfs geblokkeerd worden door oude overtuigingen. Het valt me op hoe weinig ECIW-studenten echt intensief bezig zijn met de werkboeklessen. Ik bedoel hiermee niet dat je er krampachtig mee om zou moeten gaan door je precies te willen houden aan instructies om bijvoorbeeld elk uur je een bepaalde uitspraak te herinneren. Maar ik bedoel wel dat je meer gevraagd wordt dan het slechts doorlezen van het werkboek zoals je ook het Tekstboek doorleest. Er zijn studenten die, bijvoorbeeld door wat ze gelezen hebben in boeken over Advaita, een weerzin hebben tegen oefenen. Dat zou de illusie overeind houden dat er een afgescheiden iemand is die iets zou kunnen bereiken. Zij menen dat alleen de directe “weg” van (direct) inzicht waar zou kunnen zijn. Hoewel zij theoretisch gelijk hebben is het paradoxale dat je juist door intensief de werkboeklessen te doen erachter kunt komen dat er eigenlijk niets gedaan had hoeven te worden. Het getuigt ook van (onschuldige) arrogantie om het werkboek niet echt te doen. Jezus geeft ons precieze instructies over het gebruik van het werkboek en wij komen met onze theorietjes die zeggen dat oefenen onzin is. Het staat ieder vrij om jarenlang (!) Satsang bijeenkomsten bij te wonen om die directe verlichting te bereiken maar besef dan wel dat dit wat anders is dan de cursus (!) in wonderen te volgen.

Dat betekent niet dat er geen enkele overlap zou bestaan tussen de hedendaagse op Advaita gebaseerde non-duale stromingen en visies en ECIW. ECIW kan mentaal overkomen ondanks het feit dat de mentale activiteit wordt ingezet om starre mentale structuren omver te werpen. In de ruimte die dan ontstaat zal ook de Advaita-student zich herkennen. Hier komt ook het boek Een Cursus van Liefde (ECvL) in beeld dat naadloos aansluit op ECIW en in mijn beleving zorgt voor verdere verdieping. Na ons opruimwerk en sloopwerk middels de werkboeklessen van ECIW blijft er ruimte en onbevangenheid over. Stilte is een kwaliteit van deze ruimte. Mensen die spanningsloos mediteren merken dat er een kwaliteit van toekijken is waarin dat wat zich voortdoet ons verwondert en ontroert. Je hoort mensen dingen zeggen als “hé, alles gebeurt gewoon” of “de vrije wil bestaat niet”. ECvL noemt dit “toegewijde waarneming” waarbij je als het ware toeziet op jezelf en hoe je onderdeel bent van het geheel. Er groeit een besef van tederheid, van een tedere verbondenheid met dat wat je waarneemt.

Hier komen verschillende lijnen bij elkaar. De wat mentale benadering van ECIW wordt gecomplementeerd door de “zachtere” (harts-)kwaliteit van ECvL. Dit is overigens precies dezelfde kwaliteit die ECIW studenten gevoelsmatig kunnen ervaren in de zachte Stem van de Heilige Geest waar ECIW over spreekt. Hier komen liefde en (heilige) relaties in beeld. ECIW heeft schoon schip gemaakt in onze mind. Sluiers zijn weggehaald en het licht van liefde komt (soms) binnen. ECvL is hier realistisch over een spreekt van glimpen van inzicht die zich steeds meer aaneen beginnen te rijgen.

Voor wie dit allemaal toch te mentaal klinkt wil ik graag afsluiten door te wijzen op de weg van devotie. Deze weg is behoorlijk universeel en we vinden hier veel “klassiek gelovigen” samen met ons op onze weg. Het is een weg gebaseerd op vertrouwen. Mogelijk vertrouwen we op een God, profeet of gids buiten ons. Of wellicht spreken we van vertrouwen in ons Zelf of over de welwillendheid van de schepping. Liefde is middel en doel en liefde en vertrouwen gaan hand in hand. Misschien kunnen we niet via ons denken gevoel krijgen voor onze verbondenheid met onze Vader en met onze broeders en zusters. Dit denken is echter een hulpmiddel en paradoxaal genoeg vooral handig om oude, blokkerende denkbeelden op te ruimen. Gerichtheid op dat wat ons bindt met onze Vader en met elkaar is wat echt besef en gevoel geeft van verbondenheid. Je voelt dat de liefde gaat stromen.

Er is niet één weg voor iedereen, geen one size fits all. In mijn beleving is het voor vrijwel al ons westerlingen goed om iets minder te geloven dat we lichamelijke wezens zijn met bewustzijn als een soort bijproduct. Alles (metafysica, idealisme, werkboeklessen) wat helpt om dit beeld te corrigeren en om ruimte te creëren in onze mind is behulpzaam. Het zoeken en creëren van momenten van rust en stilte is altijd heilzaam. Zoeken naar vereniging en verbinding blijkt een katalysator. Overgave aan liefde is, voor mij, essentieel. Liefde blijkt middel en doel. Daarom besluit ik deze lange blog met mijn favoriete werkboekles (360-365):

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.

Neemt U het in handen.

Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

En als ik een woord nodig heb om me te helpen, zal Hij het me geven. Als ik een gedachte nodig heb, geeft Hij me die ook. En als ik alleen maar stilheid nodig heb en een rustige, open denkgeest, dan zijn dat de gaven die ik van Hem ontvangen zal. Hij heeft de leiding, op mijn verzoek. En Hij zal me horen en antwoord geven, want Hij spreekt namens God, mijn Vader, en Zijn heilige Zoon.

Omgaan met onaangename emoties.

Op ons spirituele pad ontkomen we er niet aan om ons te bezinnen op onze houding ten opzichte van nare emoties. Toen ik nog Satsangs bezocht vond ik het fijn om te horen dat je niet je emoties bent maar dat je emoties hebt. Je bent dus niet bang maar je hebt angst. Je kunt erop toekijken. Het kan, zeker in eerste instantie, plezierig zijn om op deze wijze als het ware wat ruimte te ervaren, je voelt je iets minder geïdentificeerd met die nare emotie.

In eerdere blogs schreef ik over “het risico” van het gebruik van ontkenning. De bekendste ECIW-toepassing is de bekende zin: “Ik ben niet dit lichaam”. De primaire “methode” van ECIW is niet zozeer ontkenning maar vergeving. Vergeving is “veiliger” dan ontkenning omdat je er niet zo snel mee in de valkuil van de dualiteit stapt. Toegepast op “Ik ben niet dit lichaam” kun je via ontkenning de indruk krijgen dat jijzelf (denk-)geest bent en dat je niks te maken hebt met de fysieke wereld in het algemeen en je fysieke lichaam in het bijzonder. In plaats van ontkenning is het echter handiger om ons geloof in afgescheidenheid te vergeven. Wat dan duidelijk kan worden klinkt ongeveer als volgt: “Ik val niet samen met dat wat ik percipieer als mijn fysiek lichaam”. Door het zo te formuleren krijg je gevoel voor het feit dat jij als geestelijk wezen geloof hecht aan je projectie van een lichaam. Door te kort door de bocht het lichaam te ontkennen zonder te beseffen dat dit lichaam je eigen projectie is, ontken je de macht van je eigen denkgeest.

Je gewaarzijn van je lichaam verschilt niet fundamenteel van het gewaarzijn van nare emoties. Tegen deze emoties zeggen we in de eerste alinea: “ik ben niet deze emoties”. Net als de uitspraak “Ik ben niet dit lichaam” is “ik ben niet mijn emoties” zonder meer waar in de zin dat je niet beperkt bent tot deze emoties. Je valt niet samen met je lichaam noch met, bijvoorbeeld, je angst. Maar als de ontkenning resulteert in een neiging om er afstand van te nemen dan maak je de illusie van afgescheidenheid echt voor jezelf.

De reden dat ik weer over deze belangrijke kwestie begin is bijgevoegde video waarin Deepak Chopra in gesprek is met Rupert Spira. Na een (te) lange inleiding door Deepak (ca 6 minuten) bespreekt Rupert op zijn heldere manier twee manieren om om te gaan met nare emoties. De eerste duidt hij aan als de vedanta-manier. Dit is wat Advaita-studenten al herkend zullen hebben in mijn “ik ben niet…”-beschrijving. Het is de neti-neti aanpak die, zoals gezegd, niet zozeer verkeerd is maar wel kan leiden tot een duale, afstandelijke blik. In mijn beleving is de tweede houding die Rupert beschrijft, hij duidt deze aan als de tantra-benadering, meer in lijn met de benadering van Jezus in ECIW en zeker met de visie van Een Cursus van Liefde (ECvL). Het is een “aanpak” waarin een niet-oordelende houding centraal staat, een omarming van de zogenaamd negatieve emotie.

Als we naar de emotie toe bewegen (of naar het lichaam) en deze omarmen dan merken we dat wij het label “negatief” inderdaad “zo genaamd (genoemd)” hebben maar dat bij vergeving van dit oordeel een naamloze kwaliteit overblijft waarmee wij in eenheid verbonden zijn. Het onderscheid tussen ervaarder en ervaring valt weg. We zien dan dat, in de woorden van Rupert, de stroming in de oceaan niet verschilt van de oceaan zelf. Zo verschilt de stroming in de oceaan die wij duiden als “ons lichaam” ook niet van de oceaan zelf, (denk-)geest genoemd. Er is maar één werkelijkheid en deze is geestelijk. Het is lastig om dit te ervaren langs de weg van afstand nemen en ontkenning. Daarmee creëren we een onderscheid tussen oceaan en stroming alsook tussen denkgeest en een gepercipieerde emotionele of fysieke vorm binnen deze denkgeest.

Deze neiging tot afstand nemen gaat ver. Bovenstaand betoog kan ook opgehangen worden voor uitspraken als “er zijn geen anderen” of “god weet niets van de wereld”. Voor de goede verstaander, voor de student die middels vergeving het mysterie van de heilige relatie ervaart, zijn deze uitspraken parels van vreugde. Voor de student die nog redeneert vanuit afgescheidenheid bestaat echter de valkuil van dissociatie.

Je kan het ook als volgt aanvliegen. ECIW gebruikt de term kruisigen voor de ellende die we ervaren als gevolg van ons geloof in afgescheidenheid. Je kunt vanuit een verstandelijk begrip van de metafysica roepen dat er in werkelijkheid niks gebeurt, dat er niemand bestaat die gekruisigd kan worden. Dit kan nog zo waar zijn, maar hoe behulpzaam is het als je dit niet werkelijk doorleeft?

Ook binnen de Joods mystieke stroming, de Kabbala, ontkent men het lijden niet maar  ziet men het als het ware als doorgang. Ook Rupert deinst niet achteruit voor emoties maar gaat er naar toe om er als het ware doorheen te gaan. Niet door (angstige?) ontkenning en achteruitlopen zal de alchemistische transformatie van dergelijke gevoelens plaatsvinden maar door oordeelloze, liefdevolle omarming. Rupert beschrijft hoe dan de lelijke kikker verandert in een mooie prins. ECIW geeft aan dat ons zogenaamde lichaam een liefdevol communicatiemiddel kan worden waarmee we onze functie, om het licht van de wereld te zijn, kunnen vervullen. ECvL spreekt van het verheven Zelf van vorm. Voor ECIW-studenten die gecharmeerd zijn van de weg van ontkenning is dit vloeken in de ECIW-kerk: het Zelf zou niks met vorm te maken kunnen hebben. Laat ik afsluiten met een prachtig citaat uit ECvL (Dialogen 3:18).

Dit is niet bedoeld om een onderscheid tussen het Zelf en het verheven Zelf van vorm te maken, maar om aan te tonen dat er een verschil in vorm bestaat tussen het Zelf en het verheven Zelf van vorm. Het Zelf was en blijft altijd meer dan het lichaam. Het lichaam, echter, is ook vernieuwd het Zelf. Het lichaam is ook, vernieuwd, één lichaam, één Christus.

Zijn ECIW-studenten elitair?

Ik zag een post van iemand die stelde dat “ECIW-mensen zich gedragen als een elitair groepje nep-volgelingen van Jezus”. Als reden gaf hij aan dat deze mensen neer zouden kijken op het Nieuwe Testament. Ik probeerde hem erop te wijzen dat er binnen de ECIW-gemeenschap verschillend wordt aangekeken tegen de Bijbel. De schrijver meende dat ik de kwestie bagatelliseerde.

De werkboeklessen waar we nu mee bezig zijn (vanaf nummer 61) dragen titels die de stelling van de schrijver lijken te bevestigen:

61: Ik ben het licht van de wereld
62: Vergeving is mijn functie als het licht van de wereld.
63: Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving.

Tjonge jonge; als dit geen mateloze zelfoverschatting is!

Jezus ziet natuurlijk ook dat deze titels koren op de molen van het ego kunnen zijn. In WB 61: 2 stelt hij dan ook:

“Voor het ego is het idee van vandaag het toppunt van zelfverheerlijking”.

Het vergt aandacht, geduld en de bereidheid je open te stellen voor de hele boodschap van ECIW om dit soort uitspraken op waarde te kunnen schatten. Pas dan kun je zien dat het hier niet gaat om enige vorm van eigen verdienste. In tegendeel. De echte arrogantie zit hem in onze overtuiging dat we ons hebben kunnen afscheiden van onze Vader. Dat we op eigen beentjes kunnen staan, speciaal zijn en beter dan onze broeders en zusters. Maar Jezus geeft deze werkboeklessen niet aan mij alleen of mij in het bijzonder. Hij geeft de boodschap aan al de mensen, aan al de Kinderen van de Vader.

Hij toont in deze lessen wat onze ware aard is. Een aard die zichtbaar kan worden indien we ons eigen oordeel aan de kant schuiven en ons open durven te stellen voor de leiding van het licht, van de liefde. Deze afhankelijkheid van onze Vader blijkt bijvoorbeeld uit de titel van werkboekles 65:

Mijn enige functie is die welke God mij gaf.

In deze les spreekt Jezus over de noodzaak van onze totale toewijding aan verlossing. Wij wijden ons in het dagelijks leven toe aan alles en nog wat, aan het verkrijgen van zekerheid, het nastreven van heerlijke sensaties en naar het verkrijgen van macht. Wat vraagt Jezus echter van ons?

Om onze ware functie duidelijk te maken wijst Jezus ons in werkboekles 67 op onze ware aard: Liefde schiep mij als zichzelf. Hij geeft prachtige verwante gedachten:

Heiligheid schiep mij heilig.
Vriendelijkheid schiep mij vriendelijk.
Behulpzaamheid schiep mij behulpzaam.
Volmaaktheid schiep mij volmaakt.

Als we als ECIW-studenten elitair overkomen dan mag dit ons iets duidelijk maken. Want wat de schrijver stelt bevat een kern van waarheid. Wij kunnen menen de waarheid in pacht te hebben. We kunnen de Bijbel zien als een minder zuivere weergave van de boodschap van Jezus en we kunnen gelovigen en anders denkenden beschouwen als mensen die zich vergissen. Voor dat je het weet sluipt er een gevoel van superioriteit de denkgeest binnen. Ik herken dit en sta hier zelf ook niet met schone handen. Les 69 geeft hiervan de consequentie:

Mijn grieven verbergen het licht van de wereld in mij.

En, zoals daarvoor gesteld in werkboekles 68: Liefde koestert geen grieven.

De Cursus vraagt ons niet om overal dezelfde mening over te hebben. De één kan inspiratie vinden in de Bijbel, een ander in ECIW of in beide boeken. De uitspraak van de schrijver die ons elitair noemt kan overkomen als een grief; dat is een zaak van de schrijver zelf. Voor ons mag het duidelijk maken dat onze houding kennelijk niet als liefdevol werd ervaren. Laten we onszelf onderzoeken. Voelen wij ons superieur aan andersdenkenden?

In een Cursus van Liefde stelt Jezus het zo mooi: “Allen zijn geroepen”. De uitnodiging om zich open te stellen voor liefde, voor onze ware identiteit, is voor iedereen. Het is onze houding die “jaloers” moet maken, in positieve zin. Als wij gaan stralen doordat we het licht niet langer in de weg staan dan kan dit opgemerkt worden door onze naasten. Dan vervullen we onze functie. Dan ervaren we werkboekles 66: Mijn geluk en mijn functie zijn één. Daarom sluit ik graag af met les 64: Laat me mijn functie niet vergeten.

Geboren worden en doodgaan.

Als wij nadenken over deze thema’s dan doen we dat met een vanzelfsprekendheid die volgens ECIW helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Want hoe kijken wij tegen ons verschijnen op deze wereld aan? We menen dat er miljarden jaren aan onze geboorte zijn vooraf gegaan. Toen werden wij geboren. Vervolgens hopen we een jaar of negentig min of meer gelukkig te leven om daarna het hoofd te rusten te leggen.

Soms verruimen we onze blik een beetje. We kunnen geloven in de beloning voor een goed leven in de vorm van een “eeuwig durend leven” na onze dood. Misschien vindt er eerst een soort beoordeling plaats en een opwekking, maar daarna begint dan een oneindig lange rit vol vreugde in een soort paradijs. Of misschien geloven we in reïncarnatie. Dan worden we in de loop der vele eeuwen niet één keer geboren maar meerdere keren totdat we onze lessen geleerd hebben en niet meer hoeven te incarneren. Dan mogen we ook verder leven in een soort geestelijk domein.

Herken je deze opvattingen? Is het niet hoe we, ongeveer, aankijken tegen ons geboren worden, ons leven en onze dood? Misschien vergeet ik nog wel de belangrijkste mogelijkheid. Toen ik als kind aan mijn vader vroeg wat er na de dood was toen antwoordde hij: “niets. Wij geloven dat er na de dood niets is”. Nou, dat was dan helder.

Onze blinde vlek bestaat eruit dat wij bij “eeuwigheid” of bij “eeuwig leven” denken aan een heel lang, ontelbare jaren durend, leven. Wij introduceren ongemerkt hiermee de factor tijd. Ons hele denken is gebaseerd op tijd. Eeuwigheid is voor ons dus synoniem aan een hele lange tijd. Maar ECIW en andere filosofische visies onderwijzen ons dat tijd geen basisgegeven is. Voor ons is het het fundament van het ons bekende leven en van onze manier van denken. Maar met eeuwigheid wordt tijdloosheid bedoeld.

Dus laten we nu nogmaals naar onze geboorte kijken of, preciezer gezegd, naar onze schepping. Zelfs als wij uitzoomen en niet al te fysiek denken dan nog denken wij dat er eerst zoiets als een schepper was en dat deze (na enige tijd!) eens besloot nakomelingen of een universum te scheppen. Maar ook bij deze gedachtegang hebben we de tijd weer geïntroduceerd als werkelijke factor. Raar hé?

Schepper en schepsels (wij dus als Kinderen van God) zijn tijdloos en daarmee “gelijktijdige” wezens. In een tijdloze realiteit is er zowel sprake van Schepper en schepping. Nu neig ik ertoe om te zeggen: “dat is altijd zo geweest en zal altijd zo zijn”, maar dan stap ik direct weer in de tijdgebonden manier van denken.

Nu naderen wij het mysterie van de schepping en daarmee de grens van ons denkvermogen en ons voorstellingsvermogen. God is zijn, maar niet een tijdgebonden zijn. Maar wat kunnen wij ons voorstellen bij dit zijn als we niet mogen terugvallen op de factor tijd? Een Cursus van Liefde (ECvL) leert ons dat God niet alleen zijn is maar dat hij liefde is. Omdat God liefde is breidt hij uit zonder dat we hier moeten denken aan een tijdsgebonden (of ruimtegebonden) proces. In deze tijdloze uitbreiding zijn wij. In feite schiet dus zelfs het woord schepping tekort. Wij zijn omdat God is. De laatste hoofdstukken van ECvL zijn wat dit betreft pure poëzie en ik ken geen ander geschrift dat met woorden zo dicht bij dat komt wat niet met woorden uit te drukken is. Over de Vader en ons wordt gezegd: “wij zijn elkaars eigen”. Raadselachtig, mysterieus, intiem en prachtig. Wij zijn omdat God is. Dit is een enorme troost en bemoediging in onze huidige droom van tijd en ruimte. De droom van geboorte en sterven, zowel die van onszelf en die van onze dierbaren en anderen, is niet meer dan een perspectief dat plaatsvindt tegen de achtergrond van dit tijdloze zijn, van deze omarmende liefde.

Als ik me goed herinner was het de filosoof Bernardo Kastrup die iets wonderlijks zei over het sterven. Hij zei: “valt het je niet op dat het altijd anderen zijn die sterven en niet jij?”. Gek hé? Hiermee wordt de dood die wij om ons heen zien teruggebracht tot een perspectief dat zich voortdoet in die tijdloze denkgeest. Ik worstel dan zelf altijd wat met de droomloze slaap, met coma of met volledige narcose. Dan ben ik toch duidelijk even “out” geweest, dus niet bewust? Heb ik dan mijn bewustzijn en daarmee “mijn zijn” niet verloren? Hij heeft daar een verklaring voor waarbij hij onderscheid maakt tussen bewustzijn en zelfbewustzijn maar dat voert hier te ver om toe te lichten.

Zowel ECIW als ECvL (als Bernardo Kastrup) wijzen ons erop dat ons zijn een gegeven is dat niet onderworpen is aan dat wat wij percipiëren als geboorte en dood. En dit brengt me bij een wat vreemd en wellicht onbevredigend eind van deze blog. Wij willen ons een voorstelling maken van een leven na de dood (en voor onze geboorte). Maar wij kunnen ons niets voorstellen bij een tijdloos bestaan. Dat wat wij leven noemen is nu eenmaal een leven in tijd en ruimte. Hoe is het om tijdloos te zijn? Valt er dan nog iets te ervaren? Is er dan nog een “ik” die zich bewust is van zijn/mijn bestaan? Wat een mysterie! Maar één ding geeft troost: “ik” word tijdloos gedragen in de armen van liefde, anders zou ik nu niet kunnen zijn, dromend over onvoorstelbare kwesties.

Ons beperkte gezichtspunt.

Als we praten over God, Jezus en de Heilige Geest (HG) dan doen we dat met een vanzelfsprekendheid die voor verwarring kan zorgen. We vergeten namelijk makkelijk om ons eigen standpunt in ogenschouw te nemen. Dat standpunt wordt, zeker aanvankelijk, bepaald door ons geloof een afgescheiden zelf te zijn, een ikje. Vanuit ons zelf gaan we nadenken over God, Jezus en de HG. Dit doen we op een duale manier die ook nog eens tijdgebonden is: Eerst was er God, die schiep de Zoon (dat zijn wij), de Zoon beging een vergissing en bedacht de 3D-wereld, toen kwam onze oudere broer Jezus als ons voorbeeld en om ons, samen met de HG, de terugweg te wijzen. Soms voegen we nog een tussenstap toe waarbij de ene Zoon zich splitst in een zoonschap met vele zonen. De werkboekles van vandaag (Nr 45) corrigeert dit duale beeld door te stellen: “God is de Denkgeest waarmee ik denk”. Hierin staat een mooie, haast mysterieuze, zin:

“Zoals jij deel van Zijn Denkgeest bent, zo zijn jouw gedachten deel van Zijn Denkgeest”.

De werkboekles benadrukt de eeuwigheid, de tijdloosheid en heiligheid, van onze ware aard, van onze essentie. De hele Cursus is erop gericht om ons deze heiligheid weer te laten herinneren, om de sluier van onwetendheid op te lichten en ons niet langer te laten foppen door onze duale manier van denken, door onze beperkte nep-gedachten.

Laat ik proberen met een voorbeeld ons beperkte gezichtspunt duidelijk te maken. Zoals we nu leven, dus vanuit ons ikje, lijkt ons van alles te overkomen waar we helemaal niet op zitten te wachten. We voelen ons “slachtoffer van de wereld die we zien”. Jezus legt echter uit dat “wij onszelf kruisigen”. “We” doen onszelf alle leed van de wereld aan. Maar wie is die “we” dan? Nu kunnen we een klein beetje uitzoomen. We kunnen zien dat het ikje, ons ego, niet meer is dan een denkbeeld in de geest van de Zoon van God. ECIW leert ons dat we als Zoon van God, als een soort collectief, een nare wereld bedenken. We zijn ons hiervan niet bewust dus vanuit ons ego-standpunt lijkt ons van alles te overkomen en beseffen we niet dat “we” eigenlijk onszelf voor de gek houden. Kortom: vanuit het ego voelen we ons slachtoffer omdat we het grote plaatje niet zien. Omdat we niet beseffen dat we veel ruimer zijn dan ons kleine zelf, dat we een Zelf zijn met hoofdletter Z, ofwel een Zoon van God.

De nachtmerrie-wereld die we als Zoon Zelf bedenken blijkt een soort dubbelfunctie te hebben. Aan de ene kant biedt deze wereld ons de illusie van lijden, maar omdat onze draagkracht beperkt is worden we het leed zat en raken we bereid om ons open te stellen voor correctie. Die correctie komt vanuit die ene Denkgeest waar we onderdeel van vormen. Vanuit ons beperkte perspectief voelt dit als iets wat na de vergissing komt en als iets wat van buitenaf komt: de Heilige Geest als corrigerende entiteit. In werkelijkheid gebeurt dit alles NU, in dit ondeelbare ogenblik. In ene is in de denkgeest van de Zoon zowel de vergissing als de correctie.

In ditzelfde ogenblik is er ook die ene Zoon die het hele zogenaamde drama doorzien heeft. Deze Zoon heet Jezus. Dit doorzien van de illusie, deze onmiddellijke correctie door hem, kun je ook Heilige Geest noemen. In de Bijbel wordt dat in een chronologisch verhaal uitgedrukt: Jezus stijgt op naar de Hemel (Hemelvaart, besef van eenheid binnen de Denkgeest) en laat ons de HG na om ons verder te helpen (in die ene Denkgeest “leeft” de Heilige Geest, onze innerlijke Stem).

In vele geloven gaat men ervan uit dat God de wereld heeft geschapen en dat de ellende die we ervaren een straf van God is. Wij als cursusstudenten vinden het prettig om “de fout” bij onszelf te leggen, bij onze ego-neigingen. Zoals net uitgelegd kunnen we het ook “iets hoger op” zoeken: bij de Zoon. De Zoon heeft de wereld gemaakt, de Zoon vergist zich en droomt (“schept”) de illusoire wereld. Hoe dan ook; vanuit ons kleine zelf voelt het alsof de nachtmerrie, “de straf” van buitenaf komt.

We kunnen het fijn vinden om God via onze metafysica (het verhaal van de zich vergissende Zoon) schone handen aan te bieden. We zeggen dan dat niet God zich vergist (“Hij weet niets van deze wereld”), maar de Zoon. Toch kunnen we simpel inzien dat zowel voor ECIW-studenten als voor klassiek gelovigen geldt dat ze de indruk hebben dat de ellende hen overkomt, dat het leed van hoger hand komt. ECIW studenten geloven dat de Zoon zich vergist, klassiek gelovigen menen dat God hen straft.

Zie je dat er eigenlijk vanuit ons beperkte perspectief geen verschil bestaat tussen deze standpunten? Vanuit ons kleine zelf ervaren we dat ons “van buitenaf” leed wordt aangedaan. ECIW stelt dat dit komt van het niveau van de Zoon en vele gelovigen menen dat dit komt vanuit een boze God die zich opwindt over onze zonde (=onze keuze voor afscheiding).

Het aardige is dat in het begin van de oorspronkelijke en complete versie van ECIW tekstfragmenten staan die stellen dat God ons de wereld biedt ter correctie (zie blog:Schiep God ruimte en tijd? – ECIW coach ). Het is ons duale denken dat krampachtig probeert onderscheid te maken tussen God, Zoon, ego, Jezus en HG en “de fout” bij het ego of hooguit bij de Zoon wil leggen maar zeker niet bij God. Maar het hele “proces” vindt schijnbaar plaats binnen die ene Denkgeest waar de werkboekles van vandaag op doelt. ECIW wil ons duidelijk maken dat er in werkelijkheid, dus in de ene Denkgeest, niets aan de hand is. Wij ervaren ellende en maken er een verhaal van dat varieert van “De Zoon vergat te lachen” tot “De mens wikt maar God beschikt”.

Momenteel lees ik het een en ander over Kabbala. Ook hierin worden prachtige metaforen gebruikt om uit te leggen “wat er gebeurd is”. Zo las ik dat God zich terugtrok opdat er een ruimte kon ontstaan waarin het besef ontstond een afgescheiden entiteit te zijn. Deze entiteit is volgens de bedoeling van God egoïstisch met een ingebakken verlangen om (liefde) te willen ontvangen. God wordt gezien als onvoorwaardelijk schenkende liefde. De terugweg voor de mens bestaat uit het overstijgen en transformeren van het kleine verlangen naar aards geluk tot een groot verlangen naar de Schepper en door te leren dat “geven”, onvoorwaardelijke liefde, de terugweg biedt waarbij de gelijkvormigheid aan de Schepper hervonden wordt.

Het is allemaal prachtige en behulpzame beeldspraak. Ik ervaar het als verrijkend om voorbij de ogenschijnlijke verschillen tussen klassiek geloof, ECIW en Kabbala de rode heilige Draad te zien. Ik kan hierover blijven schrijven maar zal toch afronden. Alle stromingen wijzen erop dat ons diepe verlangen alleen vervuld kan worden door liefde. Liefde voor Hem, liefde voor ons Zelf en liefde voor onze naasten. Liefde is middel en doel. Wat een heerlijkheid.

PS: Een Cursus van Liefde (ECVL) biedt een prachtige verheldering van onze (heilige-) relatie met Jezus en met God. Van harte aanbevolen.  

De door ons gemaakte absolute-eenheid-god.

Ooit verliet ik de kerk omdat ik moeite had met het beeld van een God die behoefte zou hebben aan offers. Ik vond de paasdiensten bijna niet om aan te horen. Ik ontdekte dat elk beeld dat wij ons vormen van wie of wat God is, tekortschiet en schreef daar twee boeken over (Een Christen op Satsang, Geen beeld van God). Het hielp mij om God meer te zien als symbool van de eenheid en ik zag overeenkomsten tussen bepaalde Bijbelpassages en de Advaita leer. Kort daarna ontdekte ik Een Cursus in Wonderen (ECIW) en ik ervoer het lezen hiervan als een feest van herkenning.

Onze neiging om God te willen begrijpen blijft echter bestaan. Het duurde even voordat ik besefte dat de voorstelling van God als “eenheid” in feite een nieuw beeld inhoudt. Ik ontdekte dit in talloze gesprekken met medestudenten van de Cursus. In deze gesprekken kreeg ik een “niet pluis” gevoel. Cursus-studenten geloven gelukkig niet meer in een wraaklustige God die ons zou willen straffen. In plaats hiervan wordt God nu echter niet zelden afgeschilderd als “iemand” die niets afweet van de wereld die Zijn Zoon aan het dromen is.

Langzaam maar zeker begin ik te zien dat dit nieuwe godsbeeld invloed uitoefent op hoe wij in het leven staan. Bij een klassiek godsbeeld van een rechter-god proberen wij braaf te leven volgens regels die wij aan deze god toeschrijven. Bij het beeld van een absolute-eenheid-God gebeurt er iets anders. Het kan gebeuren dat dit beeld bij studenten de neiging oproept om alles wat niet in overeenstemming is met ons begrip van absolute eenheid te ontkennen. In absolute eenheid kan per definitie niets gebeuren (dus we kunnen niets doen), er kan geen wereld bestaan waarin sprake is van differentiatie en individuatie (“God weet niets van deze wereld”) en er kan geen sprake zijn van andere mensen die in nood verkeren (“als je wilt helpen maak je de illusie echt”).

Klopt dat nieuwe Godsbeeld dan niet? Dat beeld van absolute eenheid? We denken dat dit terechte vragen zijn. We menen onbewust nog steeds dat het mogelijk zou zijn om een juist godsbeeld te vormen, om god te begrijpen. We overschatten, anders gezegd, de reikwijdte van ons verstand, van ons denkvermogen. Dit denken kan behulpzaam zijn om ons te leren hoe dingen niet in elkaar zitten. Het kan ons erop wijzen wat het geloof in bepaalde godsbeelden met ons doet, zoals ik in dit stukje probeer te doen. Hopelijk ontstaat hierdoor enige ruimte in onze mind om gevoel te krijgen voor dat wat niet meer te omschrijven is.

Dit proces wordt omschreven in Een Cursus van Liefde (ECvL). Dit wonderlijke boek ligt prachtig in het verlengde van ECIW. Jezus vertelt ons in ECvL dat ECIW het ego-bolwerk danig heeft verzwakt en ons voor een brug heeft geplaatst. Dankzij ECIW heeft er een grote schoonmaakactie plaatsgevonden in de mind. Op zich is dit voldoende om de weg voor liefde vrij te maken. Als je mij vraagt of ECIW een complete leerweg is dan antwoord ik die vraag met een volmondig “ja”. Waarom dan toch ECvL? Ik vermoed dat Jezus ziet dat we nog steeds te veel waarde hechten aan de macht van ons denkvermogen. We denken dat we met het nieuwe godsbeeld, dat van een absolute-eenheid-god, de brug kunnen oversteken. We zien echter niet dat de kans bestaat dat dit beeld averechts kan werken en de illusie van afgescheidenheid kan versterken. We menen dat een afstandelijke Godheid ons voorbeeld is en dat wij ons afstandelijk dienen op te stellen jegens de wereld en jegens anderen. Helaas is er een nieuw duaal geloof ontstaan met aan de ene kant de waarheid en aan de andere kant de illusie, aan de ene kant een onwetende God en aan de andere kant onze wereld. Op grond hiervan menen we dat we maar het beste Gods voorbeeld kunnen volgen en deze wereld ontkennen. In een eerdere blog heb ik de gevolgen van dit “destructief gebruik van ontkenning” beschreven.

Wat dan wel? ECvL helpt ons om het enige behulpzame beeld van God, het belangrijkste beeld van God in de Bijbel en in ECIW, weer in herinnering te roepen: het beeld van God als Liefde, als liefdevolle Vader. De “methode” van ECIW is vergeven en deze vergeving draagt het karakter van “nuttige ontkenning”: er is geen schuld en er zijn geen echte grenzen. Maar deze ontkenning heeft niet tot doel om ons los te maken van God, van anderen of van de wereld maar juist om ons ultieme verbondenheid en relatie met onze Bron en met elkaar te herinneren.

Niet “een juist Godsbeeld”, niet een nieuw geloof in absolute eenheid, noch ontkenning is de veilige weg die Jezus ons aanraadt. Liefde is zowel middel als doel. ECvL wijst ons erop dat wij de diepe betekenis van het woord “liefde” niet meer beseffen. Het woord is wat sleets geworden. Maar in liefde ligt het hele mysterie van schepping besloten. Volgens ons verstand kan er in absolute eenheid helemaal niets gebeuren. In absolute eenheid is “alles” en “niets” precies hetzelfde.

Het enorme wonder van de Schepping is dat er vanuit dit ogenschijnlijke niets toch alles is ontstaan. Liefde breidt uit, geeft zichzelf weg in een eenheid waarin uitbreiding en geven (en ontvangen) volgens ons denken onmogelijk zijn. Het simpele feit dat we weten dat er “iets” is zou ons geloof in een abstracte, koude en absolute eenheid moeten ontmantelen. We kunnen het beste in ontzag zwijgen voor dit enorme mysterie. God is en Hij is Liefde.

God heeft geen weet van vorm dus kan nooit in vorm zijn?

Dit is de strekking van de reactie die iemand gaf naar aanleiding van de werkboeklessen van gisteren en vandaag (29 en 30). Hoewel ik de intentie van de schrijfster meen te herkennen, zie ik de achterdeur naar een duaal godsbeeld alweer opengaan.

De uitnodiging en uitdaging is om bij het lezen van ECIW en bij uitspraken zoals “God kan niet in een tafel zijn” de blik naar binnen te slaan in plaats van naar buiten. We menen te snel dat wij iets over zowel God als over de tafel kunnen zeggen en dreigen dan te vervallen in een onzinnige discussie. Over die tafel lijken de meeste studenten het wel eens te zijn: het is een fysieke vorm dus niet echt. Vervolgens lijkt het appeltje eitje: God is geest en hij kan dus nooit letterlijk in een vorm zitten. Logisch toch? Het enige wat dan nog recht gepraat moet worden is de kwestie dat Jezus in werkboekles 29 ons wel letterlijk laat oefenen met een zin als: “God is in deze kleerhanger”. Maar ook hier hebben we een oplossing voor bedacht: “Jezus zegt het wel, maar alleen om ons iets te leren waar we nu eigenlijk nog niet helemaal bij kunnen. Maar eigenlijk is het (natuurlijk?) niet waar”. Waarom zeggen we dit? Wat proberen we veilig te stellen? Niets anders dan ons eigen beeld van God. We zien God als een geestelijke eenheid. In absolute eenheid is elke vorm van individuatie en differentiatie onmogelijk. Maar klopt dit?

Hier kan de metafoor van de oceaan handig zijn, hoewel ik besef dat elke metafoor zijn beperkingen heeft en niet overvraagd moet worden. Zie God eens als een oceaan. Een oceaan van zijn. Het bijzondere is dat om zichzelf te kennen zelfs de spiegelgladde oceaan moet scheppen, moet gaan golven. God heeft natuurlijk helemaal geen moeite met deze golven die vanuit Hem oprijzen. Laten we ons zien als zo’n golf. In ons goede, ons ware doen, weten we dat we nog steeds één zijn met de oceaan en in deze eenheid verbonden met alle golven die we om ons heen zien. Zoals God vreugde schept in de golven die hij schept zo ervaren wij vreugde in onze verbondenheid met Hem en met de hele schepping.

Helaas kiezen wij ervoor om ons los te denken van de oceaan. We zijn het spoor (onze eenheid en verbondenheid) totaal bijster. We geloven in afgescheidenheid en in echte verschillen. We zien de oceaan als afgescheiden entiteit, God, en alles om ons heen als anders en afgescheiden van onszelf. Plotseling zien we kleerhangers, tijdschriften, een lichaam, een deur enzovoorts.

Nu valt de correctie die Jezus ons biedt in de Cursus heerlijk op zijn plaats. Hij wil ons weer wijzen op het feit dat alles “bestaat uit God”, dat alles denkgeest is. Hij zegt: “Joh; alles wat je ziet is eigenlijk het water van de oceaan. God is water, net als jij, en dat water is in alle dingen die jij ziet”. Voel je het? Kun je genieten van deze heerlijke correctie? Ons hart maakt een vreugdesprong nu ons denken zo krachtig gecorrigeerd wordt. We mogen dankbaar zijn voor de oefening.

Maken we nu onze illusie van afgescheiden vormen echt? Nee, natuurlijk niet, juist niet! Stellen we dat God letterlijk in een kleerhanger is? Dit ligt subtieler. We zeggen dat niks kan bestaan buiten God, buiten de denkgeest. Alles is water. Dus ook de kleerhanger is water en “bevat” dus God. Wat is dan het verschil tussen Gods ware visie en onze huidige blik? Wij zien een aspect van de oceaan, een druppeltje genaamd kleerhanger, als een op zichzelf staande, losse vorm. We zien niet meer dat het water is, net als al de rest, dat het druppeltje bestaat in God, in de denkgeest. Omdat we deel zijn van Gods geest, van zijn water, kunnen we natuurlijk niets anders dan vanuit zijn “materiaal” denkbeelden maken. Maar alles is water, zelfs het door ons bedachte druppeltje genaamd kleerhanger.

Mijn bezwaar tegen de titel van dit stuk is nu hopelijk wat helderder geworden. Als je het zo stelt dan werk je met “ontkenning” en loop je de kans op vergissing die ik in mijn vorige blog schetste. Je meent dat je God moet beschermen (=afscheiden) van een deel van de denkgeest, een deel dat wij nu percipiëren als “vormen”. Doorvoel hoe je denkt over God bij het lezen van de titel. Merk je hoe je van God toch weer een entiteit maakt die buiten jou staat, buiten het geheel? Door God te “beschermen” tegen de wereld van vorm val je terug in het oude, duale denken over God.

Ik kan je van harte Een Cursus van Liefde (ECvL) aanbevelen als je meer gevoel wilt krijgen voor het mysterie van de schepping. Er staan prachtige stukken in over zijn, beweging en expressie; stukken die naadloos aansluiten bij het mysterie van Schepping en van de heilige relatie. Maar ik sluit af met een alinea uit ECIW die we uit ons hoofd zouden moeten leren om ons te behoeden voor de valkuil van projectie. We worden opgeroepen om te zien dat de wereld (de kleerhanger) die we zien onze projectie is, een perceptie binnen de denkgeest. We moeten ervoor waken om van God niet een andere projectie van ons te willen maken. God is de geest waarin wij bestaan en waarin we van alles bedenken. De weg van Jezus is primair die van verbinden (alles is denkgeest; zelfs onze gedachten over God en kleerhanger). We moeten noch kleerhanger noch God “van ons af willen houden”, de manier waarop wij nu zien:

Werkboekles 30: God is in alles wat ik zie, want God is in mijn denkgeest.

Vandaag proberen we een nieuw soort ‘projectie’ te hanteren. We proberen ons niet te ontdoen van wat we niet prettig vinden door het buiten ons te zien. In plaats daarvan proberen we in de wereld te zien wat zich in onze denkgeest bevindt, en wat we willen zien is er ook. Zodoende proberen we ons te verbinden met wat we zien, in plaats van het van ons af te houden. Dat is het fundamentele verschil tussen visie en de manier waarop jij ziet.

God is in alles wat ik zie.

De metafysica van ECIW is zeer radicaal: alleen de geestelijke wereld is echt en wat wij de fysieke wereld noemen is onecht, een illusie. Toch moeten we oppassen met dit woord “illusie”. Of, beter gezegd, we moeten oppassen met wat het woord illusie met ons doet. Voordat je het weet menen we dat het handig is om de illusie te ontkennen en we voelen ons daarbij gesteund door veel teksten uit de Cursus met als bekendste voorbeeld: “ik ben niet dit lichaam”. Als deze uitspraak geen ontkenning inhoudt!

Wat me opvalt in Facebook-groepen is dat dergelijke uitspraken en onze interpretatie van de metafysica ons ertoe kan verleiden om als het ware afstand te willen nemen van de illusie, dus van ons lichaam en van de wereld. We zien niet dat we hiermee wederom een duale visie introduceren: geestelijke wereld versus fysieke wereld / illusie. Alles speelt zich echter af in de denkgeest, zelfs onze perceptie van de fysieke wereld en met de ontkenning van deze wereld ontkennen we ook de macht van onze denkgeest.

Ik schreef hier gisteren een blog over die ik hieronder zal toevoegen. Ik aarzelde bij het posten van deze blog. Niet omdat ik niet helemaal achter de inhoud sta maar omdat ik weet hoe makkelijk mijn woorden verkeerd begrepen kunnen worden. Veel studenten staan op scherp waar het deze kwestie betreft en het verwijt dat ik “de illusie weer echt maak” hangt in de lucht. Niet dat ik de discussie hierover vrees, maar is het handig om onrust te zaaien? Voegt het wat toe?

Ik vind het fijn om elke ochtend de werkboekles van de dag door te lezen en moest vanmorgen glimlachen toen ik een vette knipoog van Jezus kreeg met werkboekles 29:

God is in alles wat ik zie.

Ik besefte dat dit in feite de strekking van mijn blog is. De werkboekles stelt:

Je zult dit idee waarschijnlijk op dit moment erg moeilijk te vatten vinden. Misschien vind je het gek, oneerbiedig, onzinnig, grappig of zelfs aanstootgevend. Inderdaad, God is niet in bijvoorbeeld een tafel zoals jij die ziet. Toch beklemtoonden we gisteren dat een tafel in de bedoeling van het universum deelt. En wat in de bedoeling van het universum deelt, deelt in de bedoeling van de Schepper daarvan.

Probeer er dan vandaag een begin mee te maken te leren hoe jij met liefde, waardering en een open denkgeest naar alle dingen kunt kijken. Je ziet ze nu niet. Weet je wel wat ze bevatten? Niets is zoals het zich aan jou voordoet. De heilige bedoeling ervan ligt achter jouw beperkte horizon. Zodra visie jou de heiligheid getoond heeft die de wereld verlicht, zul je het idee van vandaag volmaakt begrijpen. En je zult niet begrijpen hoe je het ooit moeilijk hebt kunnen vinden.

De ultieme radicale oneliner die nogal eens voorbij komt is “God weet niets van deze wereld”. En begrijp me goed, ik snap waarnaar deze zin verwijst; naar de schijnbaar onoplosbare kloof tussen de geestelijke (tijdloze) werkelijkheid en wat wij percipiëren. Maar de werkboekles van vandaag wijst er ons op dat niets de denkgeest kan verlaten. Alles vindt plaats in de denkgeest en deze denkgeest hoeft zich niet af te keren van de illusie van een tafel. Door niet terug te deinzen voor de illusoire tafel maar door verder te kijken herontdekken we de eenheid binnen de denkgeest: God is in alles wat ik zie.

Gesterkt door deze knipoog van Jezus volgt hierbij de blog die ik schreef over ontkennen en verbinding.

Hartegroet,

Simon

Voorzichtig met “ontkennen”, richt je denken liever op verbinding.

ECIW is aan ons gegeven omdat we zijn gaan geloven dat we afgescheiden zijn van God en van elkaar. De Cursus legt uit dat we deze illusie versterken door een lichaam te projecteren van waaruit we menen te leven alsmede een wereld van tijd en ruimte waarin we menen te leven. Dit is onze vergissing. Jezus beschrijft hoe we de waarheid, de eenheid van de liefdevolle schepping, zijn gaan ontkennen. Ontkenning (van de waarheid) is dus een belangrijke oorzaak van ons geloof in afscheiding maar ontkenning kan ook behulpzaam zijn om dit geloof in afscheiding “te bestrijden”. Dit wordt ware ontkenning genoemd:

Txt 2: II 2..De ontkenning van de vergissing is een krachtige verdediging van de waarheid..

Een paar hoofdstukken later volgt er echter een waarschuwing waar het “ontkenning” betreft:

Txt 7: VII 1. … Maar ontkenning is een verdediging, en kan dus zowel positief als negatief worden gebruikt. Wordt ze negatief gebruikt dan zal ze destructief zijn, omdat ze gebruikt wordt om aan te vallen.

Ontkenning kan dus ook helaas destructief uitpakken. Dit is een valkuil waar studenten van de Cursus te vaak intuimelen. Dat gebeurt wanneer ontkenning in feite gebaseerd is op angst. Angst voor ons zieke, kwetsbare lichaam en angst voor een bedreigende wereld. De Cursus waarschuwt ons voor deze “onwaardige” vorm van ontkenning:

Txt 2: IV: 8Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Dit verkeerde gebruik van ontkenning waarbij je uit angst wegloopt voor je eigen projectie (voor je geloof), wordt iets verderop in hoofdstuk 2 nogmaals genoemd:

Txt 2:VII: 5. ..Wat je gelooft is voor jou waar. In die zin heeft de afscheiding plaatsgevonden, en dit te ontkennen is niets anders dan het oneigenlijk gebruik van ontkenning.

Het is dus onhandig om te ontkennen dat we geloven in lichaam en wereld. ECIW wil ons er vooral voor behoeden er geen overmatige aandacht aan te besteden, zoals blijkt uit het vervolg van de alinea:

..Je echter op een vergissing concentreren is slechts een volgende vergissing. De correctieprocedure begint met tijdelijk te erkennen dat er een probleem is, maar alleen als indicatie dat een onmiddellijke correctie noodzakelijk is. Dat brengt een staat van denken tot stand waarin de Verzoening terstond kan worden aanvaard.

We hoeven dus niet ons eigen geloof in lichaam en wereld te ontkennen maar worden uitgenodigd te erkennen dat we geloven dat we er ons van kunnen distantiëren zodat we de deur openen voor correctie, voor verzoening. Uitgedrukt in stappen krijg je dan:

  • Merk op dat je lichaam en wereld als echt en bedreigend ervaart.
  • Ontken niet jouw geloof erin maar merk op dat je in feite de eenheid en verbondenheid met je Vader en met je broeders ontken.
  • Nodig de Heilige Geest / Jezus /Liefde uit om je denken binnen te dringen opdat vergeving van je lichaam en van de wereld (verzoening) kan plaatsvinden.

Met “vergeving” en uitbreiding van liefde kun je nooit de mist ingaan. Ze maken je geloof in afscheiding nooit groter. Bij ontkenning moet je oppassen. Als je dit “destructief” toepast vergroot je je gevoel van afgescheidenheid doordat je in feite de macht van je denkgeest ontkent.

In Een Cursus van Liefde (ECvL) legt Jezus nogmaals uit dat het belangrijk is om niet zozeer te denken in termen van ontkenning maar in termen van verbinding en vereniging. Graag citeer ik hier een heerlijke alinea uit ECvL. Dit boek bevat vrijwel geen oefeningen om de denkgeest, met name ons verstand, te corrigeren omdat dit al gebeurd is in ECIW. ECvL is geschreven om ons ertoe te bewegen vanuit ons hart te gaan leven dus onder leiding van de liefde. De enige oefening die het boek nog biedt voor ons denken is tekenend voor de kerngedachte van zowel ECIW als ECvL en je treft deze hieronder vetgedrukt aan.

ECvL: 5.20 De eerste en enige oefening voor je denken in deze Cursus is al genoemd: wijd je denken aan vereniging. Wanneer zinloze gedachten je hoofd vullen, wanneer wrevel optreedt en zorgen zich opdringen, herhaal dan de gedachte die je hart zal openen en je hoofd zal zuiveren: “Ik wijd al mijn gedachten aan vereniging.” Denk hier net zo vaak aan als zinloze gedachten de kop opsteken. Zeg het tegen jezelf om zinloze gedachten te vervangen, niet één keer, maar wel honderd keer per dag, zo vaak als dit nodig is. Je hoeft je geen zorgen te maken over datgene waarmee jij je zinloze gedachten kunt vervangen, omdat je hart tussenbeide zal komen om zijn verlangen naar vereniging te vervullen, zodra jij uiting hebt gegeven aan je bereidheid dit te laten plaatsvinden.

Naschrift:

Zojuist zocht ik een passende afbeelding bij deze blog en vond ik een mooi plaatje bij werkboekles 30; de les van morgen. Ik weet dat deze blog erg lang wordt maar ik kan niet anders dan deze les hier deels weergeven. Een mooiere afsluiting dan dit geschenk van Jezus is niet mogelijk:

God is in alles wat ik zie, want God is in mijn denkgeest.

1. Het idee voor vandaag is de springplank naar visie. Vanuit dit idee zal de wereld voor je opengaan, en je zult naar haar kijken en in haar zien wat je nooit eerder hebt gezien. En wat jij vroeger zag, zal dan zelfs niet eens vagelijk zichtbaar voor je zijn.

2. Vandaag proberen we een nieuw soort ‘projectie’ te hanteren. We proberen ons niet te ontdoen van wat we niet prettig vinden door het buiten ons te zien. In plaats daarvan proberen we in de wereld te zien wat zich in onze denkgeest bevindt, en wat we willen zien is er ook. Zodoende proberen we ons te verbinden met wat we zien, in plaats van het van ons af te houden. Dat is het fundamentele verschil tussen visie en de manier waarop jij ziet.

Is ECIW te theoretisch?

Op blogs waarin ik de metafysica induik, volgt dikwijls wel een reactie van een broeder of zuster die aangeeft dat hij of zij zich niet aangesproken voelt door theoretische of metafysische beschouwingen. Helemaal oké natuurlijk, ieder zijn ding en ieder zijn weg. Zelf heb ik hier wel een paar overdenkingen bij.

  • In mijn beleving valt ECIW nauwelijks los te denken van een verdieping in de metafysica. Het Tekstboek is één groot meesterwerk waar het de metafysica betreft. Alleen al de kerngedachte van ECIW dat alles “mind” is, is metafysica van de bovenste plank. Maar ook elke werkboekles staat vol metafysische wijsheid en borduurt volledig voort op het Tekstboek.
  • Vermoedelijk bedoelen genoemde broeders en zusters dat we ons heil (onze heling) niet moeten verwachten van een conceptueel begrip van deze metafysica en daar ben ik het volledig mee eens. Als we alleen ons hoofd inschakelen bij het bestuderen van ECIW dan verwordt de Cursus tot een liefdeloze karikatuur van de weg van Jezus. We raken dan de aansluiting met de Bijbelse Jezus kwijt en zien niet de continuïteit met Een Cursus van Liefde (ECvL).
  • De kern van de weg van Jezus is liefde en hoeveel woorden zou je moeten wijden aan liefde? Dit lijkt een paradox. Waarom is ECIW zo dik en ogenschijnlijk ingewikkeld terwijl de boodschap van Jezus zo simpel is? ECIW geeft zelf het antwoord. Er is kennelijk heel wat voor nodig voor ons om de barricades die we gebouwd hebben tegen de liefde op te ruimen. De hele Cursus en de hele metafysica is een fijn instrumentarium om precies dát te bewerkstelligen.
  • Sommigen die bekend zijn met Advaita-literatuur wijzen erop dat het toch allemaal veel simpeler uit te leggen is. Hun ingang betreft vooral het bewust zijn van wat zich voortdoet. Kerngedachte is hier dat alles onbegrensd bewustzijn is en dat het geloof in een “zelf”, in een “ik”,  denkbeeldig is. Dit zou te ontdekken zijn door het streven naar verlichting op te geven, door te doorzien dat de doener niet bestaat.
  • Grappig genoeg blijkt vrijwel niemand deze zo simpele boodschap te vatten gezien de talloze boeken die erover verschijnen en de jaren die besteed worden aan Advaita- en Satsang bijeenkomsten.
  • De “keep-it-simple” Advaita-geïnteresseerden zien de eenvoud die hen zo aanspreekt niet terug in ECIW. Nog niet, zou ik willen zeggen. Ten diepste is bijvoorbeeld de kerngedachte van Advaita (“er is geen doener ik”) exact hetzelfde als die van ECIW: de afscheiding heeft nooit plaatsgevonden. En het “zien hoe alles verschijnt in bewustzijn” wordt in ECVL beschreven waar het gaat over “toegewijde waarneming”.
  • Begrijp me niet verkeerd; ik geniet enorm van het lezen van boeken over non-dualiteit. Bij het lezen ervan resoneert bij mij dezelfde waarheid als die ik ervaar bij het lezen van ECIW en ECvL. Met mijn eigen boekje “Een Christen op Satsang” heb ik ook een duit in het non-duale zakje gedaan.
  • Maar toch merkte ik iets aparts op, met name bij het lezen van de boekjes van Tony Parsons en bij een lezing van hem. Ik geniet zeer van zijn helderheid en, zoals gezegd, van de resonantie die ik ervaar bij het lezen van zijn boeken. Ooit bezocht ik een lezing van hem in Amsterdam maar tot mijn eigen verrassing verliet ik de bijeenkomst in de pauze. Ik had genoten maar ik had het ook wel weer gehoord, als je begrijpt wat ik bedoel. Op elke vraag die gesteld werd vanuit het publiek wist ik wat Tony zou gaan antwoorden. Ik zag zijn helderheid maar hoefde het spel van vraag en antwoord niet meer bij te wonen. Het voegde niks meer toe.

En juist dit verwondert me zo bij ECIW en ECvL. Op de weg die, volgens de non-duale visie, niet bestaat, merk ik op dat herlezen van deze “Jezus-boeken” leidt tot een verdieping die in Advaita-kringen direct als uiterst verdacht zou worden bestempeld. ECIW is bescheiden in haar doelstelling. Ze leidt ons op een denkbeeldige ladder naar de hemelpoort. Het is God die de laatste stap zet. Iets dergelijks zie ik terug bij ECvL. Hierin spreekt Jezus over het “onderhouden” van de verbinding met het Christusbewustzijn en geeft hij aan dat dit zal resulteren in het “bestendigen” van de (heilige-)relatie.

Misschien is dat wel de manier waarop ik het het beste kan zeggen: voor mij geven ECIW, ECvL (en andere Jezus-boeken) mij een manier om er achter te komen dat er nooit echt sprake kan zijn van “een manier”. Voor mij is de hoofd-hart-ratio in deze boeken perfect. Ik besef dat dit voor anderen, en wellicht ook voor mij in een nieuwe fase, niet zo hoeft te zijn. Is dit een pleidooi voor ECIW en ECvL? Ach nee, dat hebben deze boeken helemaal niet nodig. Zodra de resonantie optreedt ben je “hooked”, op een hele fijne manier. Ik voel me gezegend dat deze boeken op mijn pad zijn gekomen.

Heb ik mijn eigen ellende veroorzaakt? -vervolg

In m’n blog “Heb ik mijn eigen ellende veroorzaakt” wees ik erop dat in ECIW melding wordt gemaakt van “gemeenschappelijke illusies” en persoonlijke illusies (“jouw persoonlijke hel”). Ik gaf aan dat bij het spreken over deze kwesties het voor mij verhelderend werkt om in gedachten te houden dat er geen scheiding bestaat tussen de fysieke wereld die we zien en de “mind” (denkgeest). De fysieke wereld is immers de manier waarop wij onze projecties (collectief en persoonlijk) percipiëren. Dat betekent dat een zorgvuldige waarneming van wat wij in de buitenwereld menen te zien ons het een en ander kan leren over wat wij in de mind geloven.

Ik kwam weer uit bij dit thema toen ik moest denken aan fysieke kwaaltjes die ik niet alleen bij mijzelf constateer maar waar ook mijn ouders en zussen last van hebben. Het is opvallend dat de leden van mijn gezin van herkomst allemaal last hebben van gewrichtspijnen en problemen met pezen. Zelfs met een materialistische blik kijken wij niet op van deze erfelijk bepaalde verbondenheid met anderen. Dat is “gewoon” te herleiden tot genetica en tot onze genetische bouwstenen zoals DNA. We zijn er dus aan gewend dat in het fysieke domein volop sprake is van beïnvloeding door onze ouders, dat we deel zijn van het familie-collectief.

Maar zie hoe vanzelfsprekend wij het materialistische standpunt vinden. Want wat wij bijvoorbeeld DNA noemen is volgens ECIW en volgens het analytisch idealisme niet de materiële oorzaak van wat dan ook maar de weergave van een mentaal fenomeen. En zoals we in de eerste alinea zagen vertegenwoordigen die mentale fenomenen onze persoonlijke en collectieve overtuigingen. Anders gezegd: wat wij nu duiden als “erfelijkheid” is een mentale perceptie van een collectief geloof, in dit verband een familie-collectief-geloof.

Dit verklaart voor mij de stroperigheid en moeite waarmee ik geconfronteerd wordt als ik bepaalde persoonlijke kwalen probeer te vergeven. Dit moet niet leiden tot gelatenheid, zo van: “ik ben slachtoffer van mij genetica en opvoeding”. Want er is altijd die uitnodiging om te vergeven wat op ons pad komt. Maar het laat zien dat deze vergeving zich uit dient te breiden naar onze naasten voordat totale vergeving en genezing plaats kunnen vinden. Dit is precies wat Jezus ons heeft voorgeleefd. Hij heeft laten zien dat niet alleen bijgeloof, geloof in afscheiding, besmettelijk is, maar ook geloof in- en overgave aan liefde. Vergeving werkt aanstekelijk. ECIW staat bol van de teksten die hiernaar verwijzen. Zie bijvoorbeeld werkboekles 19: “Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten” en les 62: “Vergeving is mijn functie als het licht van de wereld”.

De aanstekelijke werking van collectief geloof zie ik ook terug in de wereld. Hoe moeilijk is het voor een Israëlisch of Palestijns mens om zich los te maken van de in zijn omgeving aanvaarde collectieve haat? Om de ander te zien als broeder en niet als vijand en om het wonder van liefde aan te bieden?

Zelf ervaar ik steeds urgenter de oproep van Jezus om mijn functie te vervullen. Les 63: “Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving”. We zijn geroepen om de scheppers van de nieuwe wereld te worden door de liefde voor onszelf én voor de ander te accepteren en uit te breiden. Lezers van mijn blogs weten dat ik met regelmaat ageer tegen een te zelfgerichte houding en tegen de neiging om ons af te keren van de wereld. ECIW leert ons inderdaad dat de wereld (en ons DNA) niet echt is in de zin dat het niet de oorzaak is van ons lijden en dat we niet in de wereld hoeven te zoeken naar oplossingen. Maar ECIW is ook helder dat de oplossing zich bevindt op het mentale vlak, in de mind, en dat we hier moeten kiezen voor liefde. Ik sluit af met een Bijbelcitaat dat ons toont dat we zelf mogen gaan stralen van deze liefde maar dat we ons niet moeten willen afscheiden (!) van “de wereld”, lees: onze geestelijke broeders en zusters.

Mattheüs 5:14-17, luidt in de Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV) als volgt:

“Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel”