Ik ben niet een lichaam: keer dan op aarde terug zonder verwarring.

Wie elke dag een werkboekles doet, zit nu midden in de herhalingslessen die het er bij ons inhameren:

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.

Kennelijk hebben wij deze les hard nodig. De les biedt ons de correctie van één van onze grootste misvattingen: dat ik een sterfelijk en kwetsbaar wezen ben, afgescheiden van de eeuwige denkgeest, dat rondloopt in een fysiek lichaam op een fysieke wereld. In deze serie herhalingslessen lijkt het alsof Jezus ons in al zijn liefde wil toeroepen: “NEE, lieve broeder en zuster, jullie vergissen je!”.

Zijn doel is om ons terug te brengen naar het besef van onze ware identiteit: we zijn denkgeest. De werkelijkheid waarin we leven is een geestelijke werkelijkheid en geen materiële. Dit inzicht is niet voorbehouden aan lezers van ECIW. Talloze andere levensbeschouwelijke stromingen proberen ons erop te wijzen dat niet materie, maar bewustzijn het uitgangspunt is. Zelfs de Bijbel roept ons op om te beseffen dat we uit de geest geboren zijn en niet uit het vlees, en dat het Koninkrijk van God niet van deze aarde is. Denk ook aan de Kybalion of de boeken van de hedendaagse filosoof Bernardo Kastrup.

Terug naar ECIW en de correctie die Jezus bij ons wil bewerkstelligen. Het is belangrijk om te begrijpen wat Jezus niet zegt. Hij zegt niet: het lichaam bestaat niet. Wat hij wel zegt is: je bent geen afgescheiden, materieel lichaam. Hetzelfde geldt overigens voor de wereld. Jezus begrijpt dat wij vanuit onze ware identiteit, de geestelijke realiteit, de macht hebben om een projectie van een fysiek lichaam en een fysieke wereld te maken. Hier is niets mis mee, zolang we er maar niet de intentie aan toevoegen om deze projectie als bewijs van afgescheidenheid te beschouwen. Jezus erkent dat wij dit lichaam gewoon kunnen projecteren als onderdeel van onze ervaring in de wereld. Uit het onderstaande citaat (Txt 2; IV,3) blijkt duidelijk dat het niet Jezus’ bedoeling is, en dat hij zelfs sterk afraadt, dat wij zeggen: “het lichaam bestaat niet”:

Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. ‘De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Ik heb gemerkt dat deze kwestie een gevoelige snaar raakt in de ECIW-gemeenschap. Jezus gebruikt in ECIW zeer krachtige taal om ons geloof in de op zichzelf staande, zogenaamd echte aard van een materieel lichaam te ontkennen, en dit komt overeen met vele andere wijze teksten. Onze diepe identificatie met het lichaam, zoals hierboven beschreven, moet gecorrigeerd worden. Echter, er bestaat een risico dat we te ver doorslaan en precies dat doen waarvoor Jezus ons in het citaat waarschuwt: we ontkennen de macht van de denkgeest door het bestaan van het lichaam in de wereld te ontkennen. We kunnen weer in de val trappen van oordelen (waarbij lichaam en wereld als slecht worden beschouwd) en de neiging voelen om ons te willen afscheiden (weg van de wereld en snel terug naar de denkgeest). Maar denkgeest en lichaam zijn geen gescheiden werkelijkheden. De fysieke wereld hoeft niet ontkend te worden; dat is een onwaardige benadering. In plaats daarvan moet de wereld gezien worden voor wat hij werkelijk is.

Sommige ECIW-studenten zijn erg fel geworden op elke uiting die lijkt te hechten aan het lichaam of aan de wereld. Ik begrijp hen wel, en het kan een fase zijn die nodig is voor hun eigen groei. Toch is het in mijn beleving belangrijk om te onderzoeken wat het veroordelen van lichaam en wereld met je doet. Het kan helpen om te onderzoeken of de neiging om je af te keren van wereld en lichaam voortkomt uit vluchtgedrag waarbij je in feite handelt vanuit angst. Ook is het van belang om op te letten dat je niet gaat geloven in een vorm van dualiteit met vermeende verschillen tussen de geestelijke en fysieke wereld.

Het is een subtiel terrein en we moeten goed opletten om niet te ontsporen. We kunnen deze kwestie zorgvuldig benaderen met ons verstand. In dit proces kan het waardevol zijn voor ECIW-studenten om eens uit te zoomen en de blik te verruimen door andere bronnen en boeken te raadplegen. Zo noem ik bijvoorbeeld “De hele olifant in beeld” door Marja de Vries en het boek “Het Christusbewustzijn” door Danielle van Dijk (een gnostische en antroposofische visie). Natuurlijk heeft ook het boek “Een Cursus van Liefde (ECVL)” veel te zeggen over lichaam en wereld.

Maar tenslotte toch terug naar ECIW. Ik nodig je uit om interpretaties van de Cursus door Cursus-leraren, hoe beroemd deze ook zijn, te toetsen aan de boodschap van Jezus zoals we hem kennen vanuit de Bijbel en vooral aan “de weg” die hij ons heeft voorgeleefd. Hij wandelde op aarde, corrigeerde onze waandenkbeelden maar deed dat door zijn liefde te tonen voor mens en wereld. Mocht je merken dat deze blog je onrustig maakt en dat je geen behoefte hebt aan andere bronnen of boeken, dan is het fijn om te reflecteren op werkboekles 219 in ECIW:

Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij. Want ik blijf wie ik ben, zo schiep God mij.

Ik ben Gods Zoon. Wees stil, mijn denkgeest, en overdenk dit een moment. Keer dan op aarde terug, zonder verwarring over wat mijn Vader voor eeuwig liefheeft als Zijn Zoon.

Liefdevol kijken zonder jezelf te foppen.

Jezus vertelt ons in Een Cursus in Wonderen (ECIW) dat we als Kinderen van God de wereld en ons lichaam gemaakt hebben om onszelf afgescheiden te wanen. Hij legt uit dat we ons (onbewust) schuldig voelen en onszelf straffen door pijn, ziekte en sterfelijkheid van het fysieke lichaam. Het opheffen van deze vergissing lijkt nu heel simpel: hecht geen geloof aan wat je ogen je willen laten zien. Hun doel is immers slechts de illusie echt te laten lijken? Direct in het verlengde hiervan zou je dus ook niet moeten geloven in het ogenschijnlijke lijden van andere mensen.

Ik heb geworsteld met deze metafysica en in blogs geageerd tegen de afstandelijkheid die deze zienswijze met zich mee kan brengen. Want ik zie dat er geen speld tussen te krijgen is. Maar toch voelt het niet goed. En deze constatering biedt een belangrijke ingang: de zienswijze is wáár, maar kan ontaarden in liefdeloosheid. Mijn hoofd zegt “ja” maar mijn hart zegt “nee”.

Toch zie ik dat de waarschuwing tegen “lief doen” uit medelijden inderdaad het risico met zich meebrengt dat de illusie echt gemaakt wordt. Een tijdje reserveerde ik de “niet geloven in pijn en ziekte”, de harde aanpak, voor mijzelf. Ik vond deze houding te hard voor anderen. Voor zelfliefde was weinig ruimte in mijn agenda. Temeer omdat ik niet zelden zie dat een overmatige focus op zelfliefde het risico op narcistische ontsporing met zich meebrengt.

Deze patstelling, leed niet echt willen maken maar ook niet liefdeloos en afstandelijk worden, illustreert de verstandelijke benadering. We denken in of-of termen, óf je bent onbewogen en doet niks óf je bent bewogen en handelt. Het hoofd denkt dat het óf dit óf dat is. Een variant hierop is eerst dit (bijvoorbeeld zelfliefde ontwikkelen) en dan dat (liefde naar anderen laten stromen). In feite geldt dat ook voor de overtuiging dat liefde vanzelf opborrelt nadat je de illusie niet meer echt maakt. In een tekst van John Prendergast, een Amerikaanse therapeut die werkt van uit een non-duale visie, las ik een benadering meer vanuit het hart.

Johns benadering van deze kwestie is verfrissend. Het is de en-en-visie. Als therapeut neemt hij een houding aan waarbij de cliënt zijn of haar ellende alle ruimte kan geven. Daarbij velt John geen enkel oordeel en gaat dus ook niet mee in het verhaal. Hij maakt de illusie niet echt. Maar, en nu komt het, tegelijkertijd neemt hij het verhaal van zijn cliënt 100% serieus alsof het zijn eigen leed betreft. Hij maakt er volledig contact mee op haast tedere wijze. Hij geeft aan dat dit de en-en-werking is van waarheid én liefde. Vanuit waarheid weet je dat het verhaal niet meer is dan dat; een verhaal dat we zijn gaan geloven. Maar vanuit liefde is er totale compassie met het lijden van je broeder of zuster, een herkenning en een samen zijn en stilstaan bij wat er op dit moment de aandacht vraagt.

Ik zie hierin de ontmoeting van ECIW met Een Cursus van Liefde (ECVL). In ECVL spreekt Jezus over die totale acceptatie van dat kleine zelf zonder te vergeten dat het omringd wordt door de ruimheid van het Zelf. Hij maakt zeker de illusie niet echt maar kiest ook niet de weg van verstandelijke dissociatie. Deze woorden kunnen wat droog en zakelijk klinken maar mijn hart juicht als ik dit zo besef en opschrijf. Een werkelijk non-duale aanpak ziet geen onderscheid tussen waarheid en liefde, hoofd en hart. Het is niet eerst zelfliefde en dan pas de rest of eerst de illusie doorzien en dan pas liefde. Het is met wijsheid én liefde naar zowel onszelf als naar onze naasten kijken en van daaruit zien welke respons er van ons gevraagd wordt. Het neemt, kortom, niet zozeer het leed maar wel de lijdende ander liefdevol serieus.

Tot slot een citaat uit ECVL, Verhandelingen 3 Hoofdstuk 20(8): “Lijden en Toegewijde-waarneming”. Ik vind die term, toegewijde waarneming, prachtig. Je kijkt hierbij niet afstandelijk naar het leed van jezelf of anderen maar op toegewijde, liefdevolle manier. Met de liefdevolle ogen van Christus.

Je zult het in eerste instantie wel moeilijk vinden om in zulke situaties op een nieuwe manier te responderen. Maar alle situaties in het huis van illusie vragen om hetzelfde antwoord, het antwoord van liefde tot liefde. Waarom denk je dat het liefdevol is om in lijden te geloven? Begin je niet te zien dat door dit te doen je het alleen maar versterkt? Dat je het zelfs ‘de feiten’ noemt? Kun jij je niet in plaats daarvan afvragen wat voor kwaad het kan om een nieuw soort toegewijde-waarneming te bieden?

Schuldeloos kortzichtig.

Dit wordt geen fijne blog maar dat is niet erg. Het gaat over zelfoverschatting. Om ervoor te zorgen dat je doorleest zal ik niet in de wij-vorm schrijven maar in de ik-vorm zodat je veilig kunt doorlezen. Ik overschat mijzelf voor wat betreft mijn groei in bewustzijn. Hoe ik dat weet? Ik kijk gewoon naar de aanwijzingen. Hoewel ik niet compleet asociaal ben, hoop ik, gaat mijn aandacht toch vooral uit naar eigen welbevinden. Het voelt niet fijn om dit te zeggen. Eerlijkheid is een bitch. Ik weet het ook omdat ik altijd wel last heb van pijntjes en andere ongemakken. ECIW is wat dit betreft net zo’n bitch. Want ik lees erin dat lichamelijke ellende voortkomt uit mijn eigen geloof in schuld wat leidt tot zelfbestraffing. Als mijn bewustzijn echt wat aan het ontwikkelen zou zijn dan zou ik toch op zijn minst die schuld moeten kunnen voelen en een beetje een indruk hebben waar ik nog mee aan de slag zou moeten. Niet dus. Het is een soort black box maar klaarblijkelijk zit er nog wat shit in deze box want anders zou mijn lichaam een pijnloos communicatiemiddel voor de expressie van liefde zijn. Laatst las ik dat pijn en kwaaltjes de straf zijn die ik mezelf toedien omdat ik ergens nog aan het aanvallen ben, mijn eigen pleziertjes najaag en ijdel ben en dat ik hiermee als het ware onbewuste-schuld-strafpunten verzamel die zorgen voor die evenzo onbewuste zelfbestraffing. Dat ik zo vaak het woord onbewust moet gebruiken laat zien dat ik inderdaad kortzichtig ben.

Hoewel. Misschien toch weer niet helemaal. Want dat stukje over aanvallen (lees oordelen), najagen van eigen plezier/genot en het hechten van belang aan uiterlijkheden dat zie ik wel en zal ik niet ontkennen. Maar nu kom ik in een nare vicieuze cirkel terecht. Als ik minder ik-gericht ga proberen te zijn om van fysieke ellende af te komen; ben ik dan niet indirect toch ik-gericht bezig? Doet me denken aan lief doen voor anderen om later in de hemel te mogen komen. Als ik dit zo opschrijf dan snap ik die monniken wel die besluiten om zichzelf te geselen. Zo’n biecht als dit maakt me niet echt vrolijk en ik merk dat mijn geloof in zoiets als oerzonde erdoor toeneemt. Jezus kan in ECIW wel zeggen dat ik een zondeloos Kind van God ben en dat wil ik graag geloven maar ondertussen zit ik toch wel aardig te modderen hier in de illusie.

Die onbewuste schuld is ook wel een dingetje. Want wat moet ik aanvangen met dat “onbewust”? Je kunt er allerlei verhaaltjes omheen bedenken. Dat onbewuste deel van mij kan een onbewust deel zijn uit mijn kindertijd. Ik hoor ook steeds meer verhalen over de mogelijkheid dat ik in vorige levens allerlei rotstreken zou hebben uitgehaald of dat ik juist nog anderen moet vergeven die mij een loer hebben gedraaid. En als klap op de vuurpijl kan ik ook vastzitten in de bagger van een collectief schuldgevoel wat ik gezellig met jou en alle andere 8 miljard broeders en zusters koester.

Dat brengt me bij die hersenbreker: Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie. Nee, oké, maar als die schuld onbewust en onbereikbaar in een soort reïncarnatie-collectief-kindertijd-persoonlijk onderbewuste zit dan houdt het voor mijn gevoel toch een beetje op voor me. Ik waan me dan slachtoffer van dat ongrijpbare onbewuste.

Ik zie slechts twee lichtpuntjes. Nee, twee lichtpunten, want zo klein zijn ze niet. De eerste is dat ik gelukkig niet de beerput van kindertrauma’s of ellende uit vorige levens hoef open te trekken en op zoek te gaan naar de keer dat papa mij klappen gaf of dat de beul mijn hoofd afsloeg of iets waarbij ik de negatieve hoofdrol mocht vervullen. Een beetje tegenwoordigheid van geest is genoeg om te zien wanneer ik NU, in elk moment, oordeel of op andere wijze ik-gericht ben. Ik mag steeds helderder gaan zien dat de bewustzijnsverruiming waar ik naar smacht, inhoudt dat mijn bewustzijn zich verruimt naar mijn broeders en zusters. Dit is helemaal geen populaire boodschap, maar wel een waarvan ik steeds beter en preciezer ga aanvoelen dat het echt zo werkt. Die felbegeerde innerlijke vrede komt “vanzelf” als ik erken dat ik zelf niet weet wat ik kan en moet doen maar opmerk dat de liefde even niet stroomt. Christenen zeggen het zo mooi. “Als ik mijn zonde beleid is Hij getrouw deze te vergeven”. Ofwel: “Het is pure en onverdiende genade”. En zo is het nog steeds, ook voor mij als Cursus-student. Het tweede lichtpunt is dat ik niet alleen aan het klungelen ben. Ik mag leren de liefde van de Vader te laten stromen naar mijn broeders en zusters en ik mag mezelf waardig achten dezelfde liefde te ontvangen uit hun handen, als ze mij het wonder van vergeving aanbieden. Op momenten dat zij tijdelijk “meer hebben” en het in liefde door willen geven aan mij.

Ooit zei een psycholoog tegen me dat we niet meer kunnen doen dan zo goed mogelijk aanmodderen. Ik zou dat willen herschrijven. We kunnen niet meer doen dan ons gezamenlijk uitstrekken naar Zijn Liefde en naar elkaar. En dat is meer dan genoeg.

Heilig ongeduld

Een oudere zuster had van een medium gehoord dat er in 2035 een doorbraak zo plaatsvinden in het bewustzijnsniveau van de wereld. Ze keek wat bedenkelijk maar sprak de verwachting uit dat ze dat nog wel zou halen. Ik herken deze verwachtingsvolle houding natuurlijk wel. Als tiener begon ik met het lezen van boeken over spirituele verlichting en toen ging ik “op weg”. Het hinderlijke van de spirituele weg is dat ik er al snel achter kwam dat juist het streven naar zoiets als verlichting het optreden ervan in de weg staat. Ik vermoed dat je die paradox wel kent. Zolang je gelooft dat er iets te bereiken is dan denk je nog steeds in termen van tijd en causaliteit. Een Cursus van Liefde (ECVL) spreekt over het frustrerende streven naar een “ideaal-zelf”.

Gewoonlijk hebben we wel iemand in gedachten waarvan we vermoeden dat deze persoon min of meer verlicht is. Hij of zij vormt een voorbeeld voor ons. Onbewust hanteren we criteria, een soort maatlat waar we onze goeroe mee beoordelen. Laat ik echter vooral voor mezelf spreken. Dan komen leraren als Rupert Spira, Tony Persons en Adyashanti naar boven. Ik geef het niet graag toe maar iemand als Jeff Foster is voor mij een beetje van zijn voetstuk gevallen toen hij even kopje onderging tijdens zijn ernstige ziekte. Voor iemand die had geschreven over totale acceptatie van wat plaatsvindt, vond ik dat “onder de maat”. Eenzelfde aarzeling ervaar ik bij enkele Nederlandse leraren die een aantal boeken geschreven hebben over verlichting of over Een Cursus in Wonderen (ECIW) en vervolgens uitroepen dat het allemaal een grote vergissing was en dat ze nu, plotseling het echte licht gezien hebben. Ik voel me dan teleurgesteld en gefopt.

Onlangs bedacht ik dat mijn maatlatje niet alleen erg subjectief is maar ook waarschijnlijk veel te kort. Mijn maatlat begint bij ik-gericht-onbewust en loopt dan via sereen-innerlijke-vrede naar liefdevol-bewust. Of zoiets. In feite is dit nog steeds een relatief traject van zelfverbetering en heeft het weinig te maken met verlichting. ECVL gaat in feite precies over dit thema. Jezus legt in dit boek uit dat we ons nog steeds bevinden in de tijd van leren en van intermediairs. Het maakt niet uit hoe lang ik mijn maatlat maak; zolang ik nog denk dat ik nog niet hoog genoeg scoor op deze lat ben ik slechts bezig met zelfverbetering, met het streven naar een ideaalbeeld.

ECVL gaat ten diepste over het mysterie waarbij de mens zich bevindt op het snijpunt van tijd en eeuwigheid. In de tijd proberen we tot zelfverbetering te komen en kijken we van verleden naar de toekomst langs de rechte lijn van ons meetlatje. Maar wij zijn geen gevangenen van de tijd. Wij zijn vergeetachtige lichtwezens die het spel van afgescheidenheid, het tijd-spel, wensen te spelen. De metafoor die Jezus in ECVL gebruikt is die van een brug. Hij legt uit dat ECIW ons geloof in het ego flink verzwakt heeft en dat we ons nu voor een brug bevinden.

Ik neem hierbij de vrijheid om de brug-metafoor te vervangen door de trap-naar-de-hemel metafoor, the stairway to heaven. Straks zal ik uitleggen dat Jezus, natuurlijk, met zijn brug-metafoor een veel betere keuze heeft gemaakt. Maar eerst de stairway-to-heaven. De uitnodiging is om de relativiteit van onze maatlat te onderkennen. Het gaat helemaal niet om zelfverbetering en het bereiken van een ideaal zelf. De door ons fel begeerde innerlijke vrede is een bijproduct en geen doel. God onze Vader heeft ons als eeuwige Kinderen geschapen door Zijn liefde uit te breiden. De enige manier om onze vergeetachtigheid op te heffen is precies het principe dat ten grondslag ligt aan ons bestaan: we mogen Zijn Liefde uitbreiden en ons herinneren wie we zijn. Expressie van liefde is de weg van Jezus.

Terug naar de trap naar de hemel. Wij kunnen die onbaatzuchtige, onvoorwaardelijke liefde niet uit onszelf halen. Wij zijn veel ik-gerichter dan we maar kunnen vermoeden. Mijn genoemde voorbeeld-goeroes zijn een paar centimeter gevorderd langs een kleine meetlat. ECIW-studenten, waaronder ikzelf, beseffen dit en kunnen de neiging vertonen om zo snel mogelijk de trap te willen beklimmen naar de hemel. Weg van hier! Weg uit deze fysieke wereld, uit dit tranendal en hopla de eeuwigheid in. Toch wil dit niet echt lukken. ECIW en ECVL schetsen ons een “toekomst”-visie die ons te denken moet geven en bescheiden moet maken. Als wij de illusie van afgescheidenheid écht doorzien dan zal ons lichaam een neutraal instrument zijn, niet langer gekweld door ziekte, veroudering en sterfelijkheid. En kijk om je heen en kijk naar jezelf. We worden ziek en oud, we zijn ik-gericht, bang en gaan dood. Om het maar eens kernachtig te zeggen. Daarom staan we te popelen om die trap op te klimmen. We zijn zo bang voor deze fysieke “werkelijkheid” dat we willen wegvluchten de hemel in.

Jezus weet dat wij de stairway-to-heaven als vluchtroute willen gebruiken. Wij willen met ons diepgewortelde geloof in afgescheidenheid, in ons afgescheiden zelf, een veilig oord vinden waar we miljarden jaren oud kunnen worden. In ECVL corrigeert Jezus ons door ons een brug voor te houden en geen trap. De brug symboliseert een kwantumstap binnen de fysieke werkelijkheid zoals wij die kennen. Want ja, wij mogen hulp van boven verwachten, van de Vader, Jezus, de Heilige Geest en ten diepste van ons wezen, ons Zelf. Maar die hulp is niet bedoeld als ontsnappingsweg voor ons zelf. Leven vanuit liefde mag op de andere oever, hier in ons fysieke domein, getoond worden door de expressie ervan in ons leven. De uitnodiging is om in tegenwoordigheid van geest midden in het leven te staan. We mogen gaan leven als “het verheven Zelf van vorm”, als een lichaam dat een zuiver communicatiekanaal is van de liefde.

Ik wil deze blog niet nog langer maken. ECVL geeft prachtig aan hoe onze zogenaamde onvolkomenheid in de tijd zich verhoudt tot de tijdloosheid van ons wezen. Het is niet zo dat Jezus in ECVL zijn andere kunstwerk, ECIW, corrigeert. Nee, hij helpt ons. Hij verwart in ECVL niet de verschillende niveaus, de niveaus van eeuwigheid en het schijnbare niveau van ruimte en tijd. Maar hij laat zien dat onze vluchtneiging, ons verlangen om in paniek de stair-way-to-heaven op te rennen, niet alleen onnodig maar vooral niet behulpzaam is. De weg van Jezus, de weg van liefde, is via de uiting van liefde. Hier, in dat wat wij beleven als onze fysieke werkelijkheid.

Graag besluit ik deze, toch nog lang geworden, blog met een citaat uit ECVL:

O.34 Het betekent het opgeven van het idee van een weten dat je kunt verwerven en benutten. Je bent niet langer aan het leren met als doel ergens te komen of iets te worden dat je niet bent. Je bent een proces van openbaring van wat is ingegaan, waardoor je uiteindelijk genoeg krijgt van de wijze waarop je vroeger het leven benaderde. Je zult inzien dat de benadering van hard werken en goed zijn die leidt tot het verkrijgen van status en beloningen altijd onjuist was en dat het niet zozeer het verlangde resultaat maar de benadering was die onjuist was.

O.35 Je zult zien dat wat volmaakt is, alleen volmaakt is in zijn onvolmaaktheid. Je zult beseffen hoe vaak je van streek bent, bezorgd, gefrustreerd, boos of bedroefd, door de aard van de onvolmaaktheid van volmaaktheid. Met andere woorden, je zult beseffen dat jouw vooringenomenheid over hoe de dingen ‘moeten’ zijn de grootste beperking is geweest van jouw begrip van wat is, en je grootste bron van teleurstelling. Je zult ook beseffen hoe vaak je gewoon vrolijk bent, medelevend, vriendelijk en wijs, wanneer je aanwezig bent met dat wat is, in plaats van te verlangen dat dingen anders waren dan ze zijn. Je zult je jouw diepe affectie voor- en zelfs jouw verlangen naar de onvolmaaktheid van volmaaktheid realiseren en dat het juist de onvolmaaktheid van de anderen is waar je van houdt, juist die onvolmaaktheden die hen volmaakt maken! En je zult ontdekken dat voor jou hetzelfde geldt.

O.36 Wanneer je liefde bent, zul je niet langer de behoefte voelen om voortdurend lief te doen. Liefde heeft geen behoefte om iets te ‘doen.’ Doen en zijn zullen één worden. Dus al jouw handelingen zullen liefde zijn die zichzelf is en deze handelingen zullen passend zijn voor de situatie. Je zult vrij zijn om met strengheid te responderen wanneer strengheid nodig is, vrij om geestig of ernstig te zijn, om met je verstand in de ene situatie en met je hart in de andere te responderen, en vertrouwen te hebben in je responses omdat ze voortvloeien uit liefde die is.

O.37 Je zult het eenvoudige vertrouwen winnen in het zijn van jezelf.

Het zelf en het Zelf

Wij zijn geschapen maar staan niet los van onze Schepper ook al geloven we dat dit wel zo is. We wanen ons een afgescheiden zelf. Door dit te geloven ervaren wij niet meer dat we gedragen worden door onze eeuwige Vader en voelen we ons sterfelijk en gevangen in tijd en ruimte. Toch is het mogelijk dat we zelfs vanuit onze droom van afgescheidenheid iets gaan ervaren van onze onlosmakelijke band met onze eeuwige, tijd- en ruimteloze Vader, dat we zijn Kinderen zijn, dat we een Zelf zijn.

Hoe kunnen we deze ervaring deelachtig worden? Hoe kunnen we enig benul krijgen dat wij leven op het kruispunt van tijd en eeuwigheid? Dit is de kernvraag van talloze spirituele wegen. Ook Jezus biedt ons zo’n weg in de Bijbel, Een Cursus in Wonderen (ECIW), Een Cursus van Liefde (ECVL) en andere boeken. Jezus biedt ons een buitengewoon effectieve weg die zich als volgt laat samenvatten. Hij zegt:

Jouw ik-gerichtheid zorgt ervoor dat jij je afgescheiden voelt, een zelf. De oplossing is om Vader-gericht te worden, om Hem weer te herinneren. Omdat je de Vader niet meer herinnert kun je ook naasten-gericht worden, ofwel broeder-gericht. Je gerichtheid op je broeders en zusters, je liefde voor hen, zal je de Liefde van de Vader doen herinneren en je zult weer weten dat je geen zelf maar een Zelf bent, geen afgescheiden ik maar een Kind van God. Jezus’ weg is de naastenliefde-weg.

Dus zegt Jezus in de Bijbel dat we onze naasten, zelfs onze vijanden, moeten liefhebben. In ECIW zegt hij dat we hen wonderen moeten aanbieden, expressies van liefde. In ECVL wijst Jezus ons op het mysterie van onze ware natuur: we zijn relatie. Deze uitspraak is zo krachtig. In feite gaat ECVL er al van uit dat we de illusie van afgescheidenheid doorzien hebben en ons herinneren dat we Schepsels zijn, relatie, wezens verenigd met hun Bron.

Dé sleutel van de weg van Jezus is gerichtheid op de ander om via deze gerichtheid te ervaren dat we met deze ander verenigd zijn. Via de herinnering van eenheid met onze naasten, onze broeders en zusters, herinneren we onze Relatie met de Vader, ons Zelf. Deze boodschap is eenvoudig. De waarheid is dat we niet afgescheiden zijn en de weg om dit te herinneren is het liefhebben van onze naasten. Toch nemen we niet zelden een vreemde zijstraat. Ik noem er enkele:

  • We weigeren het pad van liefde, de weg van het hart, te volgen en menen dat begrip van de metafysica de juiste aanpak is. We menen te begrijpen dat in absolute eenheid in feite niets kan bestaan en ontkennen God, wereld en naasten. In feite is dit een ontkenning van de schepping of juist een geloof in de ultieme afscheiding want we geloven dat alleen ons (kleine) zelf bestaat terwijl we menen dat we het over het Zelf hebben.
  • We blijven het kleine zelf centraal stellen en denken dat de weg van Jezus neerkomt op het aanvaarden van het wonder voor dit zelf of op het vergeven van dit kleine zelf. En natuurlijk is er niks mis met innerlijke vrede en een niet veroordelende houding ten opzichte van het zelf. Een onevenredige aandacht voor het kleine zelf is echter niet de weg die Jezus adviseert. De weg van Jezus is gerichtheid op onze naasten juist omdat Jezus weet dat we neigen naar overmatige gerichtheid op ons kleine zelf.
  • We praten onze zelf-gerichtheid vervolgens recht door beide hierboven genoemde punten handig samen te voegen. Immers, als alles één is dan kan ik toch net zo goed (of eerst) moeite doen om het wonder voor mijn zelf te aanvaarden, zelfliefde te oefenen, mezelf te vergeven enzovoorts?

De cirkelredenering is nu compleet. Het vergt grote eerlijkheid om die diepe ik-gerichtheid te erkennen. Soms denk ik wel eens dat een duaal Godsbeeld ons voor te veel ik-gerichtheid zou kunnen behoeden. Ons klein maken voor God, ons neerbuigen voor God, Hem lof toezingen enzovoorts kan ons behoeden voor ik-gerichtheid. Ook in ECIW probeert Jezus ons te behoeden voor de hoogmoed van ons zelf door ons uit te nodigen hem of de Heilige Geest te vragen welk wonder we mogen aanbieden aan onze naasten. Dit is een manier om niet onze kleine wil te volgen maar om Zijn Wil de ruimte te geven. Onze wil is ik-gericht, Zijn Wil is gericht op de expressie van liefde naar anderen wat dus ook het beste is voor ons-zelf.

We blijven de zondenval herhalen door ons afgescheiden te wanen aan God of, het andere uiterste, aan Hem gelijk. Maar wij staan niet los van God en we zijn niet gelijk aan God. Wij zijn Zijn schepselen en de door Jezus aanbevolen weg om ons dit te herinneren is weten dat we met Hem en anderen verenigd zijn (de waarheid) en dit gaan ervaren door onze bereidheid om Zijn wezen kenbaar te maken aan onze broeders en zusters (Liefde). 

Om misverstanden te voorkomen plaats ik tenslotte twee kanttekeningen:

  • Er zijn wegen die directer lijken en gericht zijn op een directe mystieke ervaring voor onszelf. ECIW zou dit zien als een streven naar het heilige ogenblik. Deze houding is doorgedrongen in de ECIW-gemeenschap (wellicht vanuit de Advaita-visie) en vormt ook een mooi en helder pad. Maar Jezus geeft ons een “snelweg” door ons te wijzen op de expressie van liefde naar onze naasten; het belang van de heilige relatie.
  • Ons zogenaamde kleine zelf hoeft niet afgewezen te worden. Het is slechts ons geloof in de afgescheidenheid ervan dat ons in de weg zit. Vanuit dit gezichtspunt is zelfliefde of aanvaarding van ons zelf, inclusief zelfvergeving, niet verkeerd. Maar de uitnodiging is om de blik te verruimen. ECVL zegt dat we geen bekkens moeten worden met stilstaand water maar met elkaar verbonden bekkens met stromend water, stromende liefde. Als we gaan leven vanuit vereniging, vanuit Christusbewustzijn, dan spreekt ECVL van het verheven Zelf van vorm. Een van liefde vervuld leven waarbij we ons verbonden weten met onze Bron, de Vader, en met elkaar.

Jezus’ boodschap is er één van grote consistentie. Heb lief en ontdek dat je verenigd bent met de Vader en met elkaar. Dat je Heilige Relatie bent, een Schepsel, een Zelf, Liefde, een Kind van God.

Het wonder als expressie van liefde.

Wat verstaat Jezus in ECIW onder een wonder? Dat lijkt me een belangrijke vraag voor ons, ECIW-studenten. Grote kans dat je deze vraag beantwoordt met zoiets als: “Een wonder is een verandering in perceptie”. Deze verandering in onze perceptie, in het Engels aangeduid met “a shift in perception”, is zeker belangrijk. De werkboeklessen van ECIW spelen een belangrijke rol in het bewerkstelligen van de verandering van onze perceptie. Als we echter uitgaan van deze definitie van een wonder dan maken we van ECIW vooral een boek dat draait om deze intra-persoonlijke verandering, de verandering binnenin onszelf. We gaan dan vooral het belang benadrukken van het bereiken van innerlijke vrede.

Het verbaast mij al jaren dat deze focus op het bereiken van innerlijke vrede zo afwijkt van de boodschap van Jezus die klinkt in het Nieuwe Testament. Als Jezus en zijn discipelen in de Bijbel geconfronteerd worden met hongerige en zieke mensen dan beperkt Jezus zijn boodschap niet tot het advies aan zijn discipelen om hun perceptie te veranderen. Hij roept hen op om daadwerkelijk hulp te bieden en om aan iedereen de liefde te tonen van de Vader. De wonderen in het Nieuwe Testament zijn vooral spectaculaire gebeurtenissen. In ECIW geeft Jezus aan dat wonderen niet bedoeld zijn om via spektakel de omstanders ergens van te overtuigen. Maar hoe ziet Jezus het wonder dan wel in ECIW?

Als hij ECIW dicteert aan Helen dan begint hij met het hoofdstuk “De principes van wonderen”, een dictaat van ongeveer 45 bladzijden. In de FIP-editie wordt hier een hoogst abstracte samenvatting van gegeven van 4 bladzijden. In deze samenvatting is veel uitleg niet weergegeven en dat is jammer. Gelukkig is het oorspronkelijk dictaat wel opgetekend in de Complete editie van ECIW. Hierin vraagt de openingszin al direct de aandacht:

“You will see miracles through your hands through me”.
(Je zult wonderen zien via jouw handen door mij).

In wonderprincipe #3 lezen we “de definitie” van het wonder volgens Jezus:

Wonderen gebeuren van nature als uitingen van liefde. Het echte wonder is de liefde die ze inspireert. In die zin is alles wat uit liefde voortkomt een wonder.

In de complete editie spreekt Jezus zevenmaal over wonderen als expressies van liefde. Deze expressies hebben vooral een interpersoonlijk karakter, dat wil zeggen dat dat het een expressie is van liefde van de ene mens richting de andere.

Maar hoe zit het dan met die innerlijke verandering van perceptie? Is die niet belangrijk en zelfs de voorwaarde die vooraf dient te gaan aan de expressie van liefde naar anderen? Jawel; deze verandering is zeker belangrijk en gebed is het middel om ons open te stellen voor de liefde en om zo wonderbereid te worden. Maar die wonderbereidheid is vooral een openheid naar anderen om onder leiding van Jezus zijn liefde naar hen te kunnen laten stromen. Even plat gezegd: het primaire doel is niet dat wij ons richten op onze innerlijke vrede. In de complete editie geeft Jezus een voorbeeld waarbij Helen een beetje mokkend een goede daad verricht die een positief effect heeft voor hulpbehoevende kinderen en hij spreekt hier van een wonder. Het wonder betreft primair de liefdevolle daad en niet het bereiken van innerlijke vrede voor Helen. Het oorspronkelijk dictaat bevat meer voorbeelden waarbij het aanbieden van het wonder primair de betekenis heeft van het tot expressie brengen van liefde via het praktisch doen van iets liefdevols voor die ander; “via jouw handen door mij”.  Ik zie hierin duidelijk de continuïteit van de boodschap van Jezus van Nieuwe Testament naar ECIW.

Ik wilde deze blog eerst niet schrijven want ik weet dat het benadrukken van het tot expressie brengen van liefde weerstand oproept bij veel ECIW-studenten. Maar “toevallig” kreeg ik een recente podcast onder ogen van Emily en Robert van The Circle of Atonement die exact handelt over dit thema. Dit zie ik als een aansporing om toch aandacht te vragen voor deze kwestie van de primaire betekenis van het wonder. Wat opvalt is dat ze heel eerlijk hun eigen verandering in visie rond dit thema beschrijven. Beiden zijn door de Cursus zelf geleid om hun visie op de betekenis van het wonder bij te stellen. (Zie link onderaan deze blog. De video is Engelstalig maar via de instellingen van YouTube kun je, redelijk accurate, Nederlandse ondertiteling erbij laten zetten).

In de video gebruiken ze de grappige zinssnede dat wij als ECIW-studenten als het ware “gemarineerd” zijn geraakt door het idee dat een wonder gelijkstaat aan een verandering in perceptie. Vervolgens lezen we de hele Cursus door deze bril. Momenteel herlees ik de wonderprincipes met die andere visie in gedachten. Dus: een wonder is primair een expressie van liefde, een interpersoonlijk gebeuren. Dit levert een verfrissende blik op die ik mijn medestudenten van harte aanbeveel.

Ik zie deze kwestie niet als een strijdpunt. Uit eigen ervaring weet ik dat mijn veroordelende perceptie op wonderlijke wijze kan veranderen en dat dit nodig is. Maar ik denk dat het goed is om gericht te blijven op het tot expressie brengen van deze liefde en niet primair gericht te blijven op het bereiken van een prettige innerlijke staat. Jezus roept ons zowel in de Bijbel als in ECIW (als in Een Cursus van Liefde) op bereid te zijn om uiting te geven aan de liefde die onze Bron is. Hij leidt ons hierin. In de complete editie staat dit prachtige citaat (vertaald met DeepL):

Het doel van de verzoening is om je alles terug te geven, dat wil zeggen, om je bewustzijn van alles te herstellen. Je had alles toen je geschapen werd, net als iedereen. Nu je in deze oorspronkelijke staat bent hersteld, word je op natuurlijke wijze zelf deel van de verzoening. Jullie delen nu mijn onvermogen om gebrek aan liefde in jezelf en in alle anderen te tolereren en moeten je aansluiten bij de Grote Kruistocht om dit te corrigeren. De slogan voor deze kruistocht is “Luister, leer en doe”. Dit betekent: Luister naar mijn stem, leer om de fout ongedaan te maken en doe iets om het te corrigeren. De eerste twee zijn niet genoeg. De echte leden van mijn gezelschap zijn actieve werkers. (T-1.26.6)
https://youtu.be/9mb6Yp6wxTM

De Meesters van het verre oosten en andere spirituele boeken: zin of onzin?

Via via kwam het boek “De Meesters van het verre oosten” door Baird Spalding weer op mijn pad. Ik heb dit boek zo’n 40 jaar geleden gelezen en het maakte toen indruk op me. “Zou dit allemaal echt gebeurd zijn?”, vroeg ik me toen en nu nog steeds af. Hierover ontstond een leuke gedachtewisseling in de Facebook-groep van Een Cursus van Liefde (ECVL) waarbij iemand verwees naar een podcast over deze vraag. Het antwoord op de vraag is vermoedelijk erg ontnuchterend: “nee, vriend Spalding is hoogstens na het schrijven van het boek pas voor de eerste keer van zijn leven naar dat verre oosten afgereisd. Het boek is fictie. Er zijn manieren te bedenken waarop dit recht te praten is en dat is wat vaker gebeurt bij boeken met spirituele inhoud. Zou Spalding geïnspireerd zijn geweest door verheven Tibetaanse meesters?

Dit voorval deed me denken aan de boeken door Gary Renard. Hij beweert dat hij zijn informatie heeft verkregen door direct contact met twee geascendeerde meesters, namelijk Arten en Pursah. Volgens Renard hebben deze entiteiten hem begeleid en hem inzichten gegeven die de basis vormen van zijn boek “De Verdwijning van het Universum”. Hij beweert dat de inhoud van zijn boek grotendeels gebaseerd is op dialogen en leringen die hij ontving tijdens deze ontmoetingen.

Een belangrijke kritiek op Renards werk is dat hij beschuldigd is van plagiaat. Critici beweren dat veel van de ideeën, concepten en passages in zijn boek rechtstreeks zijn overgenomen uit werken van andere auteurs.  Men stelt dat Renard onvoldoende bronvermelding heeft gegeven en dat hij de ideeën van anderen heeft gepresenteerd als zijn eigen originele inzichten en als de visie van Arten en Pursah. Deze kritiek werpt twijfel op de oorsprong en authenticiteit van Renards informatie en heeft geleid tot scepsis over de geloofwaardigheid van zijn werk.

Saillant detail is dat Gary zelf kritiek heeft geuit op ECVL waarbij hij, wederom, uitgaat van de inzichten van anderen, namelijk van Bob Rosenthal, hoewel Gary deze keer gelukkig zijn bron vermeldt. Zijn kritiek betreft de mogelijkheid dat de waarheid gerepresenteerd zou kunnen worden in fysieke vorm. Dat komt wat vreemd over uit de mond van iemand die zegt dat zijn vrienden Arten en Pursah fysiek (!) bij hem verschenen maar dat hij foto’s maken van hen niet nodig vond en dat hij de tape met geluidsopnames is kwijtgeraakt. Tsja.

Maar hoe ga ik nu om met deze onzekerheden? Want de kwestie gaat natuurlijk dieper dan de schrijfsels van Spalding en Renard. We worden momenteel bedolven onder boeken en channelings die gebaseerd zouden zijn op Jezus als bron met voorop het door ons zo geliefde boek Een Cursus in Wonderen gevolgd door Een Cursus van Liefde, The Way of Mastery en talloze andere werken. Zijn al deze boeken echt geïnspireerd door Jezus? Sommige Christenen wijzen op de duivel als bron, anderen noemen Helen Schucman een knappe fantast, Mari Perron een profiteur en ga zo maar door. Wie en wat zouden wij nu moeten geloven?

En dat is natuurlijk de kern van de kwestie. Is geloven de sleutel op ons spirituele pad? In mijn beleving is het blind hechten van geloof aan boeken of uitspraken door anderen op zich niet handig als je hiermee je kritische denken en je gevoel als het ware op slot zet. Zodra je zegt: “zo zit het”, stopt het leren en ontstaat de onverdraagzaamheid naar broeders en zusters die dit (nog) niet zo zien als jij. Maar in feite is een doorgeslagen kritische houding ook niet handig als dit resulteert in bot ongeloof en ontkenning. Wij denken dat “eerst zien dan geloven” een nuttige aanpak is maar soms moet je eerst “geloven” om te kunnen zien. Maar dit “geloven” tussen aanhalingstekens is niet hetzelfde als het letterlijk aannemen van fantasieverhalen. Het betreft eerder een vorm van openheid, van bereidheid om iets wat je niet voor mogelijk hield toch te overwegen.

Dit is precies de houding die Jezus van ons vraagt in ECIW. Hij vraagt ons om zonder vooroordeel het tekstboek te lezen en de oefeningen van het werkboek uit te voeren. Het gevolg hiervan is geen nieuw geloof maar een ervaring (inleiding ECIW);

De leerstof die de Cursus aanbiedt is zorgvuldig samengesteld en wordt stap voor stap uitgelegd, zowel op theoretisch als op praktisch niveau. Hij legt de nadruk op toepassing in plaats van theorie en op ervaring in plaats van theologie. Hij stelt uitdrukkelijk: ʹEen universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk (VvT. In.2:5) Hoewel christelijk in formulering, behandelt de Cursus universele spirituele themaʹs. Hij beklemtoont dat hij slechts één versie van de universele leerweg is. Er zijn vele andere, en deze verschilt daarvan alleen in vorm. Zij leiden uiteindelijk allemaal tot God.

Dit inzicht is behulpzaam. Ik durf te stellen dat mij onbevangen lezen van “De Meesters van het verre oosten” mij destijds gestimuleerd heeft om vervolgstappen te zetten op mijn spirituele pad. De boeken van broeder Gary hebben tienduizenden mensen geïnspireerd om met Een Cursus in Wonderen te beginnen. Dit is iets om dankbaar voor te zijn en het illustreert dat de Heilige Geest alles ten goede weet te gebruiken.

Die laatste twee vetgedrukte zinnen van het citaat mogen ons inspireren om te genieten van de rijkdom aan channelings die, ongeacht hun vorm, nu tot ons komen vanuit het Christusbewustzijn.  Toch is een verdere bezinning nodig, een bezinning op de rol die wij toekennen aan intermediairs, mediums en scribenten. Een bezinning op onze neiging om te geloven en belang te hechten aan conceptuele “waarheden”. Op de rol van onderwijs en lering. Is het mogelijk om te leven vanuit directe kennis? Zowel ECIW maar vooral ECVL zijn hier duidelijk over. We zijn nu weliswaar gelukkige leerlingen maar het leerlingschap is niet ons einddoel. Daarom besluit ik met een citaat uit Een Cursus van Liefde (A4):

Dit is de enige reden voor deze voortzetting van het onderricht dat in Een Cursus in Wonderen wordt gegeven. Zolang je moeite blijft steken in het leren wat niet geleerd kan worden, zolang jij jezelf als student blijft zien die probeert te verwerven wat hij nu nog niet heeft, kun je de eenheid waarin je bestaat niet herkennen en niet voor altijd van leren bevrijd worden.

Onze verslaving aan zonde (afscheiding).

Eeuwenlang dachten we dat vooral de mens zondig was en we beriepen ons op de Bijbel. De mens zou er namelijk voor gekozen hebben zich van God af te scheiden. Goddank is dit gecorrigeerd door Jezus in ECIW. Maar het ego zoekt opnieuw naar zonde. Deze keer is het de hele wereld de klos, het fysieke domein en men beroept zich nu op ECIW. Maar er is geen fysiek domein dat losstaat van de denkgeest. Niets staat los van God, wij niet en de wereld niet. Slechts het geloof in afscheiding dient gecorrigeerd te worden. Er is geen losstaande persoon en geen losstaande wereld. Maar er zijn wel twee mogelijke visies mogelijk in de denkgeest; een ego-visie of een genezen-visie. We zien dan respectievelijk een nachtmerrie of de echte wereld. Jezus geeft ons Een Cursus van Liefde om het ons nogmaals uit te leggen en zelfs te laten ervaren. Niet omdat het onjuist staat in ECIW. Nee, maar omdat wij zonde (afscheiding) zoeken die niet bestaat, uit angst voor de Heilige Relatie die we zijn.

Van filmdoek naar spiegelmetafoor

“Gelukkig is de oorlog een illusie”, hoorde ik onlangs iemand zeggen. Soms grijpt men dan terug naar de bekende bioscoop-metafoor. Volgens deze metafoor kijken we slechts naar een akelige film maar zijn we niet de figuranten in deze film. Wij zouden volgens deze metafoor het altijd onbewogen filmdoek zijn. Deze onbewogenheid streven wij vervolgens na. Een ECIW-leraar zette bij zichzelf een clownsneus op als ze naar het journaal keek zodat ze niet zou vergeten te lachen. Soms haalt men de ECIW-metafoor van zweven boven het slagveld uit zijn verband en stelt dat deze vorm van dissociatie de bedoeling is. Mensen die wel willen responderen op wat de beelden hen tonen worden soms weggezet als naïevelingen die de illusie echt willen maken. Of men gaat over tot bombastische taal en stelt dat God niets van deze wereld weet en dat Hij daarmee ons voorbeeld is. Ook wij zouden op weg moeten naar de ultieme dissociatie en ontkenning van de film, van de fysieke wereld van vorm.

Maar ach, lieve broeders en zusters. De bioscoop metafoor is prachtig zolang we maar beseffen dat wij naast het filmdoek ook de projector zijn. Wat wij op het doek zien is de projectie van wat zich in onze denkgeest afspeelt. Mij helpt het om daarom liever de spiegelmetafoor te gebruiken. Deze metafoor kan helpen om ons wat directer een beeld te geven van wat er gebeurt. Iemand die voordat zijn denkgeest genezen is stelt dat de oorlog die hij nog steeds ziet een illusie is, dient zich achter het oor te krabben als hij beseft dat hij kijkt naar oorlog in zijn denkgeest. Denk aan het bekend ECIW-citaat: <Txt 2: IV:3)

Alleen de denkgeest kan scheppen, aangezien de geest reeds geschapen is, en het lichaam een leermiddel voor de denkgeest vormt. Leermiddelen zijn op zichzelf geen lessen. Hun doel is louter het leren te vergemakkelijken. Het ergste wat een foutief gebruik van een leermiddel kan aanrichten is dat het nalaat het leren te vergemakkelijken. Op zich bezit het niet het vermogen om daadwerkelijke leerfouten in te voeren. Het lichaam, mits juist begrepen, is evenals de Verzoening niet bevattelijk voor een tweesnijdende toepassing. Dit komt niet doordat het lichaam een wonder is, maar doordat het naar zijn aard niet openstaat voor een verkeerde interpretatie. Het lichaam maakt eenvoudig deel uit van jouw ervaring in de fysieke wereld. Zijn vermogens kunnen worden overschat en dat gebeurt ook vaak. Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning. De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat onnadenkend is. Als iemand dit ongelukkige aspect van de macht van de denkgeest ontkent, ontkent hij ook die macht zelf.

Als je oorlog ziet in de spiegel dan zie je de oorlog in je denkgeest en de ontkenning hiervan is “onwaardig” omdat je de macht van je denkgeest ontkent om te projecteren. In feite weten we het allemaal: de fysieke wereld die we zien is geen wereld buiten ons maar een projectie van wat wij zijn gaan geloven in onze denkgeest. Als we ellende zien dan mogen we dit serieus opvatten als een uitnodiging om verder te gaan met ons vergevingswerk.

Het is in dit verband goed om een misverstand uit de weg te ruimen. Sommige ECIW-studenten verwijten Jezus dat hij in het boek Een Cursus van Liefde (ECVL) de illusie echt zou maken door te spreken van het verheven Zelf van vorm. Dit lijkt hen vloeken in de Cursus-kerk. Maar Jezus spreekt zichzelf niet tegen. Hij zegt simpelweg dat bij genezing van onze denkgeest we iets heel anders gaan zien in de spiegel. Hij stelt, net als in ECIW, dat we dan de echte wereld zullen zien, een nieuwe wereld. Natuurlijk bestaat er geen spiegelbeeld los van ons. Maar áls we in de spiegel kijken dan zien we natuurlijk wel ons spiegelbeeld, ons lichaam en de ons bekende wereld van tijd en ruimte.

En nu het heerlijke. Het is me zo overduidelijk dat de afkeer van de fysieke wereld die helaas bij sommige ECIW-studenten gemeengoed is geworden niet alleen onnodig is maar ook onhandig. Want ja, wij zijn gaan geloven in de echtheid van ons spiegelbeeld en dat is niet de bedoeling. Maar waar wij de spiegel kunnen misbruiken om onze narcistische neiging bot te vieren, heeft God (de Heilige Geest) een prachtig doel met de spiegel. Staande voor de spiegel zien we precies wat er aan de hand is in onze denkgeest. We zien hoe onze op afscheiding gerichte denkgeest weerspiegeld wordt als ellendige wereld. En natuurlijk is het niet ons einddoel om een spiegelbeeld te maken dat op zichzelf zou staan. Maar het in de spiegel kijken op zichzelf, wat wij zo overhaast en foutief zijn gaan labelen als de droom echt maken, is uiterst nuttig omdat het ons helpt een juiste diagnose te stellen. Nemen wij het spiegelbeeld van een kwetsbaar en afgescheiden persoontje in de wereld van tijd en ruimte serieus of kunnen we ontdekken dat het een spiegelbeeld is van de gedachte aan afgescheidenheid die zich voortdoet in de tijd- en ruimteloze denkgeest?

Tenslotte onze verlossing. Als onze denkgeest geneest dan zien we in de spiegel van tijd- en ruimte heilige relaties ontstaan, het verheven Zelf van vorm, de echte ofwel nieuwe wereld. In ECIW leren we dat het lichaam, ons spiegelbeeld, terzijde kan worden gelegd als de denkgeest genezen is. Ook in ECVL horen we dat we in de spiegel mogen kijken als we dat willen maar dat dit niet hoeft. Als de denkgeest genezen is dan is kijken in de spiegel niet meer dan een keuze en geen doel meer ter genezing. Voor ons is het nauwelijks voorstelbaar hoe dat zal zijn. Maar ik kan me vinden in de kritische houding van Jezus in ECIW over deze spiegel. De spiegel zelf is niet verkeerd, ons lichaam en de wereld zelf zijn niet verkeerd, maar uiteindelijk zijn we er niet voor geschapen om eindeloos in de spiegel te kijken. De doorgeslagen zelfliefde van Narcissus is natuurlijk symbolisch hiervoor. De belofte is dat we zonder spiegel naar elkaar en naar onze vader kunnen kijken. Een paradijs van liefde.

Over mind en de wereld in Jip en Janneke taal

Er is alleen maar bewustzijn, alleen maar ‘mind’. Binnen dit bewustzijn verschijnt ons universum van tijd en ruimte. Op dit moment zijn wij hybride wezens, met één been in de eeuwigheid en het andere op aarde. Het is een mysterie. Soms denken we dat de fysieke wereld van tijd en ruimte, de wereld van vorm, losstaat van ‘mind’, van bewustzijn. Maar dat is niet het geval. Alles is gemaakt van hetzelfde materiaal; de wereld is volledig mentaal. Wat wij de fysieke wereld van vorm noemen, is slechts een kwestie van perspectief. Het is niet onjuist om een wereld van vorm waar te nemen, maar we zijn gaan geloven dat we hiermee samenvallen. We zijn gaan denken dat we lichamen zijn die rondwandelen op aarde. We geloven dat we van elkaar en van de wereld gescheiden zijn, en dat “mind” een product is van onze hersenen. Door deze overtuiging ervaren we niet langer de verbondenheid van onszelf met de ‘mind’ en zien we ook niet langer dat anderen en de wereld ook gemaakt zijn van ‘mind’. Gelukkig was daar Jezus, die ons heeft geleerd hoe we deze herinnering weer kunnen terughalen. We moeten stoppen met oordelen en ons openstellen voor de ‘mind’. Dit wordt vergeven genoemd. Als we hiertoe bereid zijn, gaan we ons weer verbonden voelen met het geheel, met de ‘mind’, met elkaar en met de wereld. Dan kunnen we ervaren dat we geen afgescheiden wezens zijn die gevangen zitten in tijd en ruimte. Dat voelt als een bevrijding, als verlichting.

Hoewel dit concept niet zo ingewikkeld is, blijken mensen het toch moeilijker te maken dan het is. Als we er goed naar kijken, zijn er eigenlijk twee mogelijke vergissingen. De eerste vergissing wordt veel gemaakt en ik heb er al even naar verwezen. De meeste mensen zijn eenvoudigweg vergeten dat ‘mind’ geen product is van onze hersenen, maar het materiaal waaruit we bestaan. Alles van ons, ons lichaam, onze gedachten, gevoelens en alles daartussenin, bestaat uit ‘mind’, omdat er niets anders is. De andere vergissing is het andere uiterste. Sommige mensen denken dat de wereld van tijd en ruimte volledig verkeerd is, en dat lichaam en wereld illusoir zijn, oftewel nep. Ze willen hier niets mee te maken hebben en proberen het te ontkennen, maar ze zien niet in dat ze dan het ene aspect van ‘mind’ veroordelen ten gunste van het andere aspect. Ze ontkennen hun lichaam, de wereld en anderen, en kijken hoopvol omhoog naar een soort ‘mind-hemel’ waarin geen plaats is voor hybride wezens.

Van deze tweede vergissing bestaat er een nog radicalere variant. Dit zijn mensen die vinden dat de overgang van een hybride wezen naar een geestelijk wezen niet ver genoeg gaat. Ze beweren dat er helemaal niets kan bestaan in de ‘mind’, omdat deze absoluut één is, en dat er in de ‘ mind geen schepping (differentiatie, individuatie) mogelijk kan zijn. Kunnen ze dat echt weten? Nee, dat kunnen ze niet, maar ze geloven er stellig in. Ze noemen ‘mind’ soms nog wel God en eigenlijk kan er naast God niets bestaan. Geen hybride Jezus, geen geestelijk Zelf, geen Heilige Geest, en als we het goed bekijken, is er zelfs geen ruimte voor één Zoon. Want hoe zouden God en de Zoon naast elkaar kunnen bestaan? Is dat niet dualistisch?

In feite geloven deze mensen in niets. Ze beseffen zelf misschien niet eens dat dit een geloof betreft want ze zijn er zelfs zeker van, omdat het zo goed aansluit bij hun idee van non-dualiteit. Maar ervaren ze het ook zo? Nee, dat kan natuurlijk niet. Zodra ze iets ervaren, is er een waarnemer en datgene wat waargenomen wordt. Zolang er bewustzijn is, is er het besef dat er iets is. En iets is niet niets. Niets kan alleen maar geloofd worden, maar nooit ervaren of zeker geweten worden. Maar dat kan hun niets schelen. Echt helemaal niets.

Waarom besteed ik aandacht aan wat iemand gelooft? Omdat het nogal wat consequenties kan hebben voor hoe we op basis van onze overtuiging omgaan met elkaar en met de wereld. Want heeft het zin om liefdevol met anderen en de wereld om te gaan als ze eigenlijk niet bestaan? Gelukkig geldt dat zelfs mensen die streven naar dat onbegrijpelijke “niets” in de praktijk niet leven volgens hun geloof. Toch tref ik met regelmaat medestudenten die lachen om tv-beelden van oorlog en andere rampspoed omdat het volgens hen toch allemaal slechts een illusie betreft. Zodra we beseffen dat deze beelden een reflectie vormen van aanvalsgedachten in die ene denkgeest die we delen, beseffen we dat lacherige onverschilligheid het antwoord niet is. Pas als we erkennen dat de beelden tonen dat we ziek zijn kunnen we ons uitstrekken naar genezing, naar liefde. Pas dan kunnen we werkelijk behulpzaam zijn en daarmee onze functie op aarde vervullen.