Les 71: Alleen Gods verlossingsplan zal werken

Schrijven over oorlog zou onnodig moeten zijn. Voor ieder weldenkend mens zou dat wat we dagelijks op televisie zien maar één reactie moeten oproepen. Er zou maar één woord naar boven moeten komen: NEE. Elk mens zou diep van binnen moeten aanvoelen dat het aanvallen van een broeder totaal onzinnig is. Het is meer dan schrijnend om dagelijks geconfronteerd te worden met beelden van “weldenkende” medemensen die op zo slim mogelijke wijze met peperdure wapens proberen de lichamen van broeders met geweld uiteen te rijten. Alles in ons dient hiertegen te protesteren.

Misschien denk je nu: “ach broeder, jij ziet dingen die er niet zijn. Je neemt de illusie serieus en denkt dat je een lichaam bent en dat anderen gelijkstaan aan hun lichaam. Je denkt dat deze lichamen kwetsbaar zijn en gedood kunnen worden maar je ziet nog niet in dat we niet ons lichaam zijn en dat er dus niets aan de hand is!”

Gelukkig heeft Jezus deze gedachtegang niet gevolgd toen hij ons Een Cursus in Wonderen gaf. Hij dacht niet: “Ach, laat maar zitten. Wat zou ik me druk maken over die planeet met al die verwarde mensen. Er is geen planeet en er zijn geen verwarde mensen!”.

Waar hij ons op wijst is dat we genezing nodig hebben van onze denkgeest. Dat we geestelijk ziek zijn en geloven dat we los van elkaar en los van onze Bron bestaan en dat dit ons diep ongelukkig maakt en compleet verdwaasd. Doordat we totaal geen weet meer hebben van onze eenheid, met elkaar en met onze Bron, zijn we volkomen in de war. In de werkboekles van vandaag (Les 71: Alleen Gods verlossingsplan zal werken) legt Jezus uit hoe wij onze verdwazing proberen op te lossen:

2. Het verlossingsplan van het ego draait om het vasthouden aan grieven. Het stelt dat jij verlost bent, als iemand anders maar anders zou spreken of handelen, of als een externe omstandigheid of gebeurtenis veranderen zou. Zodoende zie je de bron van verlossing voortdurend buiten jezelf. Elke grief die je koestert is een verklaring, en een bewering waarin jij gelooft, die zegt: ‘Als dit anders was, zou ik verlost zijn.’ Zo wordt de voor verlossing noodzakelijke verandering van denken van alles en iedereen verlangd behalve van jouzelf.

Jezus spreekt hierin niet over oorlog op de schaal die we op tv zien. Maar laten we onszelf niets wijsmaken: de beelden van oorlog vormen als het ware een blik door een vergrootglas op wat er in onze denkgeest aan de hand is. Er is geen rangorde in vergissingen, ook al lijkt oorlog van een andere orde dan een kleine irritatie in het verkeer. Maar vergis je niet. Als je merkt dat je boos wordt op een broeder of zuster en goed kijkt naar je innerlijke overwegingen dan zou je kunnen opmerken dat je het wel fijn zou kunnen vinden als die ander niet zou bestaan. Als hij of zij eenvoudig “weg” zou zijn en jou niet voor de voeten zou lopen, op welke manier dan ook.

Dit is zoals (sommige) Russen denken over Oekraïners, Israëli over Palestijnen, Amerikanen over Iraniërs en omgekeerd: “als ik jou dood dan is mijn probleem opgelost”. Maar NEE; het probleem is dan niet opgelost, want het probleem is een zieke denkgeest. Een denkgeest waarin het geloof in afscheiding wordt aangehangen. Aanvalsgedachten zijn krachtvoer voor dit geloof. Want hoe echt voelt deze afscheiding als je een echte vijand hebt om je tegen af te zetten? De cursus spreekt treffend over het koesteren van grieven.

Het vergt radicale en ongemakkelijke eerlijkheid om te erkennen dat je zelf ook grieven koestert. Elke keer als je negatief over iemand spreekt en hem of haar veroordeelt, koester je een grief. De portretten van regeringsleiders van genoemde landen zijn de gezichten van mijn eigen ego onder een vergrootglas. Alle schijnheiligheid moet overboord en geconfronteerd met een wereld in brand is het mijn hoop dat we tot een groot collectief “NEE” komen om de orgie van geweld te stoppen.

En dat NEE begint bij het anders richten van onze denkgeest. We moeten stoppen met het geloven van het ego-bericht van afscheiding, in het besef dat alleen “bekering”, het gaan luisteren naar de Stem van God (naar de Heilige Geest, naar Liefde, naar Jezus), zal helpen. Alleen Gods verlossingsplan zal helpen.

6. Hoe kun je aan dit alles ontsnappen? Heel eenvoudig. Het idee voor vandaag is het antwoord. Alleen Gods verlossingsplan zal werken. Hier over kan geen werkelijk conflict bestaan, omdat er geen bestaanbaar alternatief voor Gods plan is dat jou zal verlossen. Zijn plan is het enige waarvan het resultaat vaststaat. Zijn plan is het enige dat niet anders kan dan slagen.

7. Laten we ons vandaag bekwamen in het herkennen van deze zekerheid. En laten we ons verheugen dat er een antwoord bestaat op wat een conflict lijkt waarvoor geen oplossing mogelijk is.Voor God is alles mogelijk. Op grond van Zijn plan, dat niet mislukken kan, moet verlossing wel jouw deel zijn

Over schriftgeleerdheid, AI en sinaasappels

Als ik jou wil uitleggen hoe een sinaasappel smaakt dan krijg je omschrijvingen zoals: “fris en een beetje zurig”. Maar als jij nooit eerder zelf een sinaasappel hebt gegeten dan weet je in feite nog niets. Dat komt omdat je de directe gewaarwording van smaak nog niet zelf hebt meegemaakt. Deze gewaarwording is zuiver subjectief en zo’n subjectieve ervaring kan per definitie niet direct worden overgedragen aan een ander. Smaak gebeurt “aan de binnenkant van je wezen” en woorden zijn een erg gebrekkig medium waarmee we proberen iets van deze ervaring te communiceren met anderen.

Als de ene sinaasappel-eter een andere sinaasappel-eter tegenkomt dan kan er in eerste instantie enige verwarring ontstaan als de eerste zegt: “de smaak is fris en een beetje zurig” en de ander beweert: “de smaak is fris maar toch zoetig”. Maar als het gesprek zich dan voortzet en ze er beide meer woorden aan wijden dan kunnen ze toch beide beseffen dat de ander wel degelijk geproefd heeft van de sinaasappel maar dat smaken nu eenmaal verschillen. Dat geeft dan wederzijds begrip en berusting.

Woorden zijn bedoeld om iets van onze ervaring over te brengen op anderen. Bij het voorbeeld van de sinaasappel ging het over een gewaarwording die we krijgen via één van onze zintuigen; in dit geval via de smaak. Hetzelfde geldt voor onze andere zintuigen zoals het zien, horen, ruiken en betasten. Het zijn allemaal zeer subjectieve zaken die alleen oppervlakkig te beschrijven zijn met woorden en alleen echt verstaan kunnen worden door iemand die hetzelfde gezien, gehoord, geroken of gevoeld heeft. Iemand die blind geboren is kan zich geen voorstelling maken hoe het is om te zien, ook al hoort hij anderen er constant over praten.

Iets dergelijks geldt voor onze innerlijke ervaringen van eenheid en liefde. In de evangeliën zien we dat Jezus een soortgelijk verwijt maakt aan de schriftgeleerden van zijn tijd. Zij kenden de heilige teksten vaak woord voor woord. Ze konden de Wet uitleggen, discussies voeren over interpretaties en elkaar de loef afsteken met subtiele argumenten. Maar toch zegt Jezus op een bepaald moment tegen hen: “U dwaalt, omdat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God.” (Matteüs 22:29). Dat is een opmerkelijke uitspraak, want niemand kende de teksten beter dan zij. Kennelijk bedoelt Jezus dus dat je de Schrift ook kunt kennen zonder haar werkelijk te verstaan.

Het lijkt erop dat Jezus hun verwijt dat zij de teksten vooral met hun hoofd benaderen. Ze analyseren, redeneren en classificeren, maar de innerlijke ervaring waar die teksten naar verwijzen lijkt hen te ontgaan. Hij zegt bijvoorbeeld dat zij de kern van de wet missen: recht, barmhartigheid en trouw (Matteüs 23:23). Met andere woorden: zij spreken voortdurend over God, maar de levende verbinding met liefde en eenheid – waar de Schrift uiteindelijk naar wijst – lijkt niet werkelijk in hun hart te zijn ontwaakt. Het is een beetje alsof iemand eindeloos kan uitleggen hoe een sinaasappel smaakt zonder hem ooit zelf geproefd te hebben.

Ook nu nog merk ik dat sommige, en misschien zelfs veel, Christenen worstelen met wat ze lezen in de Bijbel en met wat hun hart hun ingeeft. Gewoonlijk is het geen zwart-wit kwestie, verstand of hart, maar bungelt het er een beetje tussen in. Hieraan moest ik denken toen ik het boek “77 moeilijke vragen van Christenen” van Willem Ouweneel las. Deze vriendelijke man doet zijn uiterste best om zo getrouw mogelijk aan de hand van Bijbelcitaten uit te leggen wat de Bijbelse boodschap inhoudt. Hij loopt daarbij echter onherroepelijk tegen de vraag aan wat hij uiteindelijk daarbij leidend dient te laten zijn: hoofd of hart. Zolang hij kiest voor het hoofd zal zijn geloof in meer of mindere mate dogmatisch blijven en scheiding veroorzaken: sommigen zullen gered worden en anderen definitief verloren gaan.

We hebben nu de beschikking over de ultieme schriftgeleerde, namelijk kunstmatige intelligentie, AI zoals ChatGPT.  AI kan veel beter dan wie dan ook onderzoeken wat anderen hebben opgeschreven om ons iets uit te leggen. Ik kan me voorstellen dat AI na grondige inspectie van de Bijbel zou vaststellen dat Ouweneel “gelijk” heeft in zijn uitleg van de Bijbel. AI is de ultieme schriftgeleerde.

Ik merk dit als ik AI gebruik om vragen te stellen over Een Cursus in Wonderen (ECIW) of over Een Cursus van Liefde (ECvL). Ogenschijnlijk levert dit erg goede antwoorden op. Maar het blijft oppassen. Alleen omdat ik deze boeken zelf “geproefd heb” kan ik opmerken dat de antwoorden van AI geconstrueerd zijn en niet doorleefd. De constructie kan waanzinnig knap zijn maar toch de kern missen. Deze kern is namelijk onvoorwaardelijke liefde, de ultieme taal van het hart.

Ik merkte dit ook op toen ECIW-prominenten ECvL meenden te moeten beoordelen. Dit leidde bij een groep enthousiaste ECvL lezers tot verbazing: “Hé, zien of voelen ze dit nu echt niet? Herkennen ze Jezus niet in ECvL? Ervaren ze niet dat de boodschap van ECvL een verrijking is van die van ECIW en er totaal niet in tegenspraak mee is?”. In ECvL introduceert Jezus het begrip heelheid-van-hart waarmee hij probeert uit te leggen dat er harmonie dien te bestaan tussen ons verstand en ons hart maar dat de liefde altijd leidend dient te zijn.

Woorden, redeneringen en teksten kunnen ons ver brengen, maar ze brengen ons nooit helemaal tot de ervaring zelf. Ze wijzen er slechts naar. Net zoals een beschrijving van een sinaasappel slechts een uitnodiging is om zelf een hap te nemen. De fout ontstaat wanneer wij de beschrijving verwarren met de smaak. Dan gaan we discussiëren over woorden terwijl de ervaring waar die woorden naar verwijzen buiten beeld raakt.

Misschien is dat precies wat Jezus de schriftgeleerden wilde laten zien. Hun kennis van de teksten was indrukwekkend, maar kennis alleen opent het hart niet. En hetzelfde geldt voor ons. We kunnen boeken lezen, theologische systemen bouwen en tegenwoordig zelfs AI raadplegen die miljoenen teksten kan analyseren. Dat alles kan nuttig zijn, maar het blijft uiteindelijk een vorm van schriftgeleerdheid. De levende ervaring van liefde en eenheid kan niet uit een tekst worden afgeleid en ook niet door een algoritme worden geconstrueerd. Zij kan alleen van binnenuit worden herkend.

Daarom is het misschien goed om zowel tegenover theologie als tegenover AI een zekere bescheidenheid te bewaren. Ze kunnen helpen om woorden te ordenen en vragen te verhelderen, maar ze kunnen ons niet vervangen in het enige dat er werkelijk toe doet: zelf proeven. De innerlijke ervaring van liefde, vergeving en eenheid is geen theorie maar een werkelijkheid die zich alleen laat kennen door haar te leven. Zodra die ervaring er is, vallen veel discussies vanzelf stil.

Misschien is dat uiteindelijk ook wat bedoeld wordt met heelheid-van-hart. Het verstand hoeft niet te worden uitgeschakeld; het kan een nuttig instrument zijn. Maar het mag niet op de troon zitten. Het hart – de directe herkenning van liefde en verbondenheid – blijft de bron. Het verstand kan daarna proberen woorden te vinden voor wat het hart al weet. En misschien is dat ook precies de volgorde waarin het altijd bedoeld is geweest.

De Vader was nooit boos: gedachten over de kruisdood van Jezus.

Ik ben dol op het adagium: “Verwijder dat wat mensen van elkaar scheidt en zoek naar dat wat verbindt.” Wat zou de wereld er anders uitzien als politici dit als kompas zouden gebruiken. Maar hetzelfde geldt voor het gesprek tussen christenen en studenten van Een Cursus in Wonderen (ECIW) – voor zover er tussen die twee werelden überhaupt al sprake is van een dialoog. Meestal ligt de focus namelijk op de loopgraven: de onoverbrugbare verschillen tussen de Bijbelse boodschap en die van de Cursus.

De angst voor de ‘valse profeet’

Het thema kwam onlangs weer scherp bij me naar boven door een video van een gedreven vrouw. Na twintig jaar ECIW-student te zijn geweest, had zij plotseling het “licht” gezien: de Cursus was volgens haar letterlijk het werk van de duivel.

Wat mij intrigeert, zijn de aannames die tot zo’n radicale verharding leiden. Haar betoog rustte op de overtuiging dat de Bijbel de enige zuivere bron is. Vanuit die optiek is de mens een zondaar die redding nodig heeft door het bloed van Jezus. Wie beweert dat de mens in zijn ware natuur zondeloos is – zoals de Cursus leert – wordt weggezet als een dwaalleraar. De angst die uit zo’n boodschap spreekt, wordt vaak gezien als een “gezonde angst”: een noodzakelijke prikkel om je te bekeren tot de enige weg.

Twee verhalen, één kloof

Aan de andere kant staan de ECIW-studenten. Zij geloven dat God enkel Liefde is en geen bloed hoeft te zien om ons in de armen te sluiten. Voor velen van hen is zonde geen blijvende werkelijkheid maar een vergissing in perceptie; kwaad heeft geen zelfstandige macht en de kruisiging wordt gezien als een demonstratie van onkwetsbaarheid. Jezus is in die visie een oudere broer of een wijze leraar, maar geen plaatsvervangend offer in juridische zin.

In mijn beleving lopen beide groepen echter in dezelfde val wanneer zij hun overtuigingen reduceren tot een vaststaand narratief. Of je nu gelooft in een wraaklustige God die bloed eist, of in een abstracte liefde die het menselijk lijden ontkent; in beide gevallen kan het een “verhaaltje” in het hoofd worden. Het wordt dan niet langer diep doorleefd of belichaamd. Om in de terminologie van Een Cursus van Liefde te spreken: men leeft nog niet vanuit de “heelheid-van-hart”.

De Cursus zelf is echter geen nieuw verhaal, maar een correctie van waarneming — een uitnodiging om anders te zien.

De sleutel: Projectie en het “niet-pluis-gevoel”

De brug tussen deze twee werelden ligt volgens mij in het begrijpen van projectie.

Zowel de Bijbel als de Cursus spreken over een beweging waarin de mens meende “op eigen benen” te kunnen staan, los van zijn Bron. In de Bijbel heet dit de zondeval, in de Cursus de afscheiding. In de Cursus wordt echter benadrukt dat deze afscheiding geen feitelijke breuk is, maar een geloof in afscheiding — een denkbeeldige keuze.

Die beweging gaat gepaard met een diep ongemak: een gevoel van vervreemding, een “niet-pluis-gevoel”. Dat gevoel is geen straf van God en ook geen goddelijk oordeel, maar het natuurlijke signaal dat onze waarneming niet in overeenstemming is met onze ware aard. Het is het innerlijk besef dat we onszelf verkeerd zien.

Wanneer een ECIW-student dit ongemak ontkent via een spirituele bypass (“er is geen zonde”), kan hij voorbijgaan aan de kans tot correctie. Maar de correctie ligt niet in schuld of zelfveroordeling — zij ligt in het durven loslaten van de poging om zelfstandig te definiëren wie we zijn. Zoals de Verloren Zoon moest terug keren, niet om gestraft te worden, maar om te ontdekken dat hij nooit werkelijk verstoten was.

De fout die veel christenen maken, is dat ze hun eigen schuldgevoel projecteren op de Vader. Ze menen dat God boos is, omdat zij zich schuldig voelen. Maar de gelijkenis van de Verloren Zoon zegt iets anders: de Vader eist geen straf, Hij wacht met open armen. Hij wil geen bloed zien; Hij wil Zijn kind terug — of beter gezegd: Hij is het nooit kwijt geweest.

Het Kruis: Meer dan een symbool

Wat betekent de kruisiging dan nog?

Sommige ECIW-studenten spreken erover alsof het lijden er niet toe deed, omdat de wereld uiteindelijk geen zelfstandige werkelijkheid heeft. Maar dat kan gemakkelijk ontaarden in een ontkenning van menselijke ervaring.

De Cursus leert echter dat de kruisiging geen betaling was voor zonde, maar een demonstratie: aanval heeft geen werkelijke macht over de Zoon van God. Jezus liet zien dat Liefde onaangetast blijft, zelfs wanneer het lichaam wordt aangevallen. Hij toonde dat de afscheiding geen werkelijkheid is die overwonnen moet worden, maar een geloof dat kan worden losgelaten.

Zijn woorden: “Vader, vergeef hen, ze weten niet wat ze doen” verwijzen niet naar een goddelijke woede die gestild moet worden, maar naar onwetendheid die gecorrigeerd kan worden. Hij overwon geen juridische schuld; hij doorzag het geloof in schuld. Dat is geen “verhaaltje” waar je wel of niet in gelooft; het is een uitnodiging om dezelfde verschuiving in bewustzijn toe te laten.

Een gedeeld geschenk

De dankbaarheid van christenen voor wat Jezus aan het kruis volbracht, is dus begrijpelijk en oprecht. Maar wat hij demonstreerde, behoort niet exclusief tot hem alleen. Hij liet zien wat waar is voor ieder van ons. Hij stierf niet om een boze God tevreden te stellen, maar om te laten zien dat zelfs de uiterste projectie van angst de Werkelijkheid van Liefde niet kan aantasten. Er is geen sprake van goddelijke genoegdoening, maar van de onkwetsbaarheid van Gods Liefde.

Jezus nodigt ons uit – zowel in de Bijbel als in de Cursus – om zijn inzicht te delen, niet hem op afstand te vereren. “Wat ik ben, zijn jullie ook.” Het Licht schijnt in de duisternis. Of we hem nu ontmoeten in de eeuwenoude Schriften of in de lessen van de Cursus: Jezus Christus wijst naar verlossing, vergeving en eenheid — niet als uitzondering, maar als demonstratie van wat wij in waarheid zijn. Jezus Christus, wat een geschenk. Halleluja! Amen.

Mindblowing!

Het was grappig om uit de mond van een kwantumfysicus, Federico Faggin, te horen dat hij en zijn vakbroeders in wezen niets begrijpen van kwantumfysica. Ons denken is namelijk door en door gevormd en bepaald door de fysieke wereld waarmee we bekend zijn: de wereld van vormen, ruimte en tijd. Deze kwantumfysici zoeken de grens op van wat wij kennen als “materie” en komen tot een ontstellende ontdekking: materie blijkt op zichzelf niet te bestaan. Ze stuiten slechts op “velden”: velden van mogelijkheden. Deze velden lijken bovendien buiten ruimte en tijd te bestaan en laten zich uiteindelijk niet werkelijk bevatten of begrijpen. Wat wij zien als vormen in ruimte en tijd is hooguit een piepkleine, symbolische representatie van zo’n veld.

Federico stelt vast dat deze velden een opmerkelijke overeenkomst vertonen met wat wij kennen als onze binnenwereld, waarin we ons bewust zijn van percepties, gevoelens en gedachten. Neem bijvoorbeeld de smaak van een sinaasappel. Zo’n ervaring heeft ten diepste net zulke mysterieuze eigenschappen als een kwantumveld. Het is voor een buitenstaander eigenlijk onbegrijpelijk. Probeer maar eens aan iemand die nog nooit een sinaasappel heeft geproefd uit te leggen hoe die smaakt. Je kunt woorden gebruiken (“een beetje zurig maar ook zoet, verrassend, fris”), maar je weet dat die beschrijving nooit de echte ervaring kan vervangen.

Kwantumfysici proberen deze velden te beschrijven met ingewikkelde wiskunde. Ze kunnen er getallen en eigenschappen aan toeschrijven, maar daarmee ontstaat nog geen directe beleving van wat zo’n veld “is”. Federico ziet hierin een analogie met bewustzijnstoestanden en maakt vanuit die vergelijking een filosofische sprong: misschien kan de diepste werkelijkheid beter worden begrepen als een soort subjectieve binnenwereld dan als objectieve materie.

Die ultieme werkelijkheid omschrijft hij als “Één”: een ongedeelde, subjectieve eenheid. ECIW spreekt van God. Deze Één lijkt Zichzelf te willen kennen, en dat kan alleen door Zichzelf als het ware uit te breiden en Zichzelf in die uitbreiding te ervaren. ECIW spreekt in dat verband over de Schepping, waarin de Vader Zich uitbreidt in Zijn Zonen. Elk deel bevat het geheel; de Vader leeft in de Zoon.

Onze fysieke wereld zou dan een symbolische weerspiegeling kunnen zijn van deze drang tot uitbreiding, waarin het geheel zichzelf leert kennen door interactie tussen delen. Federico verwijst naar de cellen van ons lichaam: elke cel bevat de informatie van het geheel waaruit zij voortkomt (elke cel draagt bijvoorbeeld hetzelfde DNA als de eerste bevruchte eicel) en staat voortdurend in relatie tot andere cellen. Op celniveau is dat moeilijk invoelbaar, maar op het niveau van organismen — planten, dieren, mensen — kunnen we ons makkelijker voorstellen hoe we als onderdeel van een groter geheel via interactie en ervaring groeien in bewustzijn.

Ik kan natuurlijk niet in een korte blog uiteenzetten wat Federico nauwelijks met woorden kan uitleggen in dikke boeken. Maar voor mij ontstaat hier wel een duidelijke resonantie met de werkboeklessen die we deze dagen doen.

Omdat wij materialistisch zijn gaan denken, zien we onszelf als lichamen die bewustzijn produceren. Daardoor ervaren we onszelf als op onszelf staand. Vanuit dat perspectief lijkt het alsof we in gevecht zijn met onze omgeving en alsof we moeten aanvallen en verdedigen om ons afgescheiden wezentje veilig te stellen. We zien onszelf niet als aspecten van die Ene, van dat tijdloze bewustzijn, maar als individuele dragers van individueel bewustzijn. Anders gezegd: we zijn het gevoel kwijtgeraakt dat we onlosmakelijk verbonden zijn met onze Bron. Ons denken raakt daardoor vooral gericht op controle, zelfbehoud en het veiligstellen van een eigen koers.

De werkboekles van gisteren (Les 45: God is de Denkgeest waarmee ik denk) nodigde ons uit om ons opnieuw bewust te worden van de grote Mind waartoe we behoren. De werkboekles van vandaag (Les 46: God is de Liefde waarin ik vergeef) verschuift vervolgens de focus: als onderdeel van het geheel hoeven we ons niet te richten op oordelen over anderen en de wereld, en dus ook niet op het versterken van afscheiding, maar op vergeving — het herstellen van verbinding door lief te hebben. Zo laten Les 45 en 46 samen de twee kernaspecten van het wonder zien: correctie van perceptie (denken) en uitbreiding van liefde (het openen van het hart).

Vanuit kwantumperspectief zouden we kunnen zeggen dat wij ons ten onrechte een afgescheiden deeltje wanen binnen een veld. Deeltjes blijken immers niet op zichzelf te bestaan; ze lijken vorm te krijgen in relatie tot observatie en meting — een fenomeen dat de klassieke natuurkunde moeilijk kan plaatsen. Waar die klassieke visie uitgaat van vaste objecten buiten onszelf, suggereert de kwantumfysica dat wat we waarnemen mede afhankelijk is van hoe we waarnemen. Voor mij ontstaat hier een opvallende resonantie met de metafysica van ECIW. Als onze intentie gericht is op het bevestigen van afgescheidenheid, ervaren we een wereld van strijd. Maar wanneer we onze innige verbondenheid herinneren, kan een andere ervaring zichtbaar worden: een wereld waarin eenheid en liefde voor onze ogen verschijnen.

Federico wijst op het bekende en-en-fenomeen: we zijn zowel observator als geobserveerde; als schijnbaar deeltje onderdeel van het veld. Vanuit dat besef kan het inzicht groeien dat onze identiteit gedeeld is. ECIW spreekt in dat verband over de Heilige Relatie: de geheelde, liefdevolle relatie die visie mogelijk maakt. Een Cursus van Liefde (ECvL) stelt dat het mogelijk is te leven als “het verheven Zelf van vorm”: als vorm die zich bewust is van de eenheid en innige verbondenheid met de Bron en met elkaar.

De Engelsen hebben hier zo’n mooi woord voor: mindblowing!

De startbaan van liefde.

In onze beleving zit er iets dubbels in Een Cursus in Wonderen (ECIW). Dat “dubbele” aspect spreekt ook uit de werkboekles van vandaag; Les 43, “God is mijn Bron. Los van Hem kan ik niet zien. ”Kort samengevat komt dit dubbele erop neer dat we moeten proberen om ons waarnemen te corrigeren opdat we erachter kunnen komen dat er feitelijk niets waar te nemen valt. Er is een grote kans dat veel lezers nu al de neiging krijgen om af te haken; “Oh, als we die kant op gaan dan wordt het voor mij te abstract en hoeft het niet meer van mij!”. En het goede nieuws is dat als het je niet fascineert dat het dan ook helemaal niet hoeft. Wat je wilt!

Ooit zei Copernicus dat de zon niet om de aarde draait maar dat het omgekeerd is; de aarde draait om de zon. Is dit waar? Ja; het is waar. Is het heel erg als je dit de ver van je bed show vindt en dat je naar een zonsopkomst blijft kijken vanuit het geloof dat de aarde het middelpunt van het heelal is? Praktisch gezien niet. Het leven gaat verder.

Iets dergelijks is nu aan de gang in de natuurkunde en de filosofie. In feite is nu wel bewezen dat het materialisme onzin is, dat bewustzijn primair is en dat de klassieke natuurkunde die zich beweegt op het gebied van vormen, tijd en ruimte een erg beperkte blik op de werkelijkheid biedt. Echter; 95% van de mensen, inclusief wetenschappers, denken en handelen nog steeds volgens de lijnen van het klassieke materialisme en de klassieke natuurkunde. Is dat erg? Nee hoor; het heeft ons veel opgeleverd en dat doet het nog steeds. Het leven gaat verder.

Terug naar de Cursus. De cursus is niet uniek in haar wereldbeeld, dat besef ik, maar ze herhaalt met grote kracht en helderheid een Copernicaanse boodschap: mijn ik (ego) is niet een losstaande entiteit in een materialistische wereld. Net als 500 jaar geleden met Copernicus, net als met het materialisme en de klassieke natuurkunde, worden we bedrogen door onze zintuigen. Onze ogen, oren, neus, tastzin en smaakzin proberen ons allemaal hetzelfde te vertellen: jij bent een afgescheiden subject dat objecten buiten jezelf waarneemt. IK hier, de WERELD daar. IK hier, JIJ daar. Zo is het!

En ja; zo lijkt het inderdaad. Stel je nu eens een tijdgenoot van Copernicus voor die weigert om hem te geloven. Zo iemand kan makkelijk zeggen: “Oh ja; leg het me dan maar uit!”. Hetzelfde geldt nu als we aan een filosoof die de visie van het analytisch idealisme voorstaat (bijvoorbeeld Bernardo Kastrup) die vraag stellen. Een vraag die 1000 vormen kan aannemen, zoals: “Oh ja? Volgens mij produceren onze hersenen bewustzijn, want als ik een kogel door je hoofd schiet is je bewustzijn weg!”. En ook voor de kwantumfysica geldt dat deze contra- intuïtief is; lastig invoelbaar.

ECIW probeert ons enig gevoel bij te brengen voor onze ware identiteit. Met woorden is dat niet zo heel ingewikkeld en klinkt het ongeveer als volgt: “jullie zijn onsterfelijke en tijdloze Kinderen van de Vader”. Maar ook voor Jezus geldt dat hij als het ware zijn tijd ver vooruit is en praat tegen ongelovigen; wij dus. Voor ons klinkt genoemde ECIW-samenvatting net zo ver van ons bed als het klassieke narratief: “als je stout bent ga je naar de hel en als je braaf bent naar de hemel”. Overigens zit hier ook een diepe waarheid achter verborgen, maar dit terzijde.

Ook nu zie je broeders en zusters die ervoor kiezen om zich maar niet bezig te houden met “abstracte metafysische uitspraken” uit ECIW en sommigen zullen dit onderbouwen door erop te wijzen dat Jezus in de Cursus ook ergens stelt dat de ultieme waarheid buiten de scope van de cursus ligt en niet te onderwijzen valt. Maar hierin zit dan direct weer dat dubbele, want Jezus vindt het kennelijk toch behulpzaam om ons wel degelijk die stip op de horizon voor ogen te houden. Ik ga dit hier niet verder voor je uitpluizen en proberen te bewijzen; je hoeft Les 43 maar even door te lezen en op te merken wat Jezus zegt over het einde van waarneming en over kennis.

Het unieke van ECIW, in mijn beleving, is dat Jezus ons zowel uitleg geeft over die stip op de horizon, de realisatie van onze ware identiteit, als een startbaan biedt om vaart te maken opdat we eens kunnen opstijgen en verlossing deelachtig worden; een startbaan van liefde.  Dat vaart maken gebeurt in de werkelijkheid zoals wij die kennen door wonderwerkers te worden waarbij vergeving en het manifesteren van liefde centraal staan. Door zo te zoeken naar verbinding en weg te nemen wat ons van elkaar en de wereld scheidt, komen glimpen van die horizon ons bewustzijn binnen.

Samen met Jezus vind ik het belangrijk om de kop niet in het zand te steken. De baan van de aarde om de zon, het primaat van bewustzijn en de wondere wereld van de kwantumfysica mogen met bewondering erkend, bestudeerd en ervaren worden. Weer komt de waarde van de en-en visie naar boven: we mogen én een zo goed en liefdevol (droom-)leven nastreven (de startbaan) én weten dat we bezig zijn om vaart te ontwikkelen om op te stijgen. En daarom ageer ik, hopelijk niet al te ongeduldig, tegen mensen die óf elke meta-visie (de stip op de horizon) afwijzen óf vroegtijdig willen wegzweven (de startbaan overslaan) van planeet aarde.

Ons is een mooie brug gegeven: de Heilige Geest. Graag sluit ik af met een citaat uit Les 43:

2. In God kun je niet zien. Waarneming heeft geen functie in God en bestaat niet. Toch heeft waarneming in de verlossing, het ongedaan maken van wat nooit heeft bestaan, een groots doel. Door de Zoon van God gemaakt voor een onheilig doel, moet ze nu het middel worden waarmee hij zich zijn heiligheid weer bewust wordt. Waarneming heeft geen betekenis. Toch geeft de Heilige Geest er een betekenis aan, heel dicht bij die van God. Genezen waarneming wordt het middel waardoor de Zoon van God zijn broeder en zo zichzelf vergeeft.

De tragedie van het menselijk bestaan

De titel van deze blog is wat grotesk en past eerder bij een dik boek dan bij een korte blog. Toch kwam hij bij me op toen ik terugdacht aan de dag van gisteren. Gesprekken over verlies en verdriet, berichten over worstelingen en herstel, zorgen om ouder wordende geliefden en kwetsbare lichamen — en ’s avonds een presentatie over schoonheid, vol beelden die ontroerden en stil maakten. Zomaar een dag uit het leven.

Elk mens heeft zich hiertoe te verhouden. Lief en leed, zogezegd. En wij, als cursusstudenten, proberen dit te doen met Een Cursus in Wonderen (ECIW) als onze leidraad. Voor mij is de omgang met de cursus in de eerste plaats een innerlijke, bijna stille aangelegenheid. Ik probeer de wijsheid en liefde die Jezus in de cursus aanreikt niet zozeer te verkondigen, maar te laten doorwerken in mijn dagelijks handelen. Ik wil voorkomen dat ik woorden gebruik die ik zelf nog niet werkelijk heb doorleefd, zeker wanneer die woorden raken aan de menselijke conditie die voor velen — en ook voor mij — de tastbare realiteit van het bestaan vormt.

Toch klinkt er in mijn binnenruimte steeds weer een zacht “maar toch…”. Een uitnodiging om voorbij de vanzelfsprekendheid van onze ervaringen te kijken. Dat “maar toch” is geen ontkenning van wat wij meemaken, maar een opening naar een mogelijkheid die we misschien nog niet volledig kennen. Het is een hypothese van het hart: iets wat we nog niet volledig ervaren, maar wel voorzichtig durven overwegen.

Ons werkveld is inderdaad de menselijke conditie. We worden telkens geconfronteerd met kwetsbaarheid — die van onszelf en die van anderen. We lijden, we zien lijden, we verliezen geliefden en weten dat ook ons eigen leven eindig is. Vaak hopen we op een bestaan waarin, naast het onvermijdelijke lijden, voldoende momenten van schoonheid en verbondenheid aanwezig zijn. Naarmate we ouder worden, groeit vaak het besef dat deze momenten vooral ontstaan in relatie tot anderen. Misschien wijst dit erop dat we, ondanks alles, een innerlijk richtingsgevoel behouden hebben. Uiteindelijk lijkt het steeds weer om liefde te draaien.

Nu ik zelf een leeftijd heb bereikt waarop veel van mijn tijdgenoten terugkijken op een lang geleefd leven, merk ik hoe eenvoudig samenzijn aan waarde wint. Samen koffie drinken, herinneringen delen, lachen om herkenbare verhalen. Het zijn ogenschijnlijk kleine momenten, maar ze dragen een stille betekenis. In zulke ontmoetingen krijgt liefde een tastbare vorm.

Als christen en student van de leringen van Jezus probeer ik de menselijke conditie niet te ontvluchten, maar juist te doorleven. In dat doorleven ontstaat soms een merkwaardige verschuiving: kwetsbaarheid krijgt een andere kleur en lijkt zich te verbinden met een vorm van tederheid. Het is moeilijk precies te verwoorden. Alsof binnen de dualiteit van het bestaan — met zijn scherpe contrasten en schurende ervaringen — een verborgen schoonheid aanwezig is die zich niet direct laat vastleggen.

Tijdens de presentatie over schoonheid werd dit thema zichtbaar gemaakt aan de hand van foto’s van bekende mensen, getoond in hun jeugd en op latere leeftijd. Ons oog wordt vaak vanzelf aangetrokken door jeugdige schoonheid. Toch raakte mij vooral de doorleefde schoonheid van ouder geworden gezichten: sporen van geleefd leven, van vreugde en verlies, van tijd die zich in lijnen en plooien heeft gegrift. Wat is schoonheid eigenlijk?

De spreker stelde dat schoonheid slechts kan bestaan binnen dualiteit, met lelijkheid als noodzakelijke tegenhanger. Die gedachte liet mij niet los. Is de duale wereld werkelijk het laatste woord? Is het delen van liefde en leed, elkaar dragen binnen de grenzen van een sterfelijk bestaan, het hoogste wat voor ons mogelijk is? Dat zou ik niet willen bagatelliseren — integendeel. Het doorleven van ons leven kan intens rijk en betekenisvol zijn. En toch blijft er dat zachte “maar toch…”.

De Cursus wijst op een dimensie voorbij onze gebruikelijke interpretaties. Jezus ontkent niet dat wij dualiteit ervaren; hij gaat niet voorbij aan ons menselijk gevoel van vreugde en verdriet. Maar hij nodigt ons uit om te overwegen dat wij misschien niet de kwetsbare, afgescheiden wezens zijn waarvoor wij ons houden. Dat ons bestaan meer omvat dan het zo goed mogelijk omgaan met omstandigheden tot het moment waarop we moe worden en loslaten.

Binnen onze wereld maken wij zelfs van liefde vaak een duaal begrip. Liefde wordt een ruilmiddel, een subtiel contract: ik geef jou iets, en verwacht — al dan niet onbewust — iets terug. Liefde tegenover haat, nabijheid tegenover afwijzing. Maar de Cursus wijst naar een liefde die geen tegenpool kent. Een liefde die niet afhankelijk is van voorwaarden en die daarom niet kwetsbaar is op de manier waarop wij dat gewend zijn te denken.

Misschien is dat wat het “maar toch” in mij wakker houdt: een stille herinnering dat de schoonheid die wij zien slechts een weerspiegeling kan zijn van iets dat dieper en fundamenteler is. Niet als ontkenning van onze ervaringen, maar als een zachte verruiming ervan.

Ik eindig mijn mijmeringen met werkboekles 259. Mij helpt het om overal waar “zonde” staat te lezen: “ons geloof een afgescheiden en kwetsbaar wezentje te zijn”. Ik ben dankbaar voor deze woorden: “want liefde kent geen tegendeel”.

Les 259
Laat ik me herinneren dat er geen zonde is.

Zonde is de enige gedachte die maakt dat God als doel onbereikbaar lijkt. Wat anders zou ons blind kunnen maken voor wat voor de hand ligt, en duidelijker doen lijken wat vreemd is en vervormd? Wat anders dan zonde veroorzaakt onze aanvallen? Wat anders dan zonde kan de bron zijn van schuld, die straf en lijden eist? En wat anders dan zonde kan de bron zijn van angst, die Gods schepping verduistert en aan liefde de eigenschappen van angst en aanval toebedeelt?

Vader, ik wil vandaag niet waanzinnig zijn. Ik wil niet bang voor liefde zijn, noch een toevlucht zoeken in haar tegendeel. Want liefde kent geen tegendeel. U bent de Bron van al-wat-is. En al-wat-is blijft bij U, en U bij al wat is.

Jezus in de Bijbel en in ECIW.

Zowel Ken Wapnick als Robert Perry, twee bekende ECIW-leraren, hebben zich uitgelaten over de verschillen en overeenkomsten tussen (de boodschap van) de Jezus uit het Nieuwe Testament en de Jezus uit ECIW. Ik heb hun standpunten door AI voor je laten samenvatten. (Opmerking: ik durf dit te doen omdat ik zelf voldoende bekend ben met de opvattingen van deze mannen om de samenvatting te checken):

Ken Wapnick: De Breuk (Discontinuïteit)

Wapnick benadrukt vooral de verschillen. Voor hem is de Jezus van het Nieuwe Testament grotendeels een creatie van de vroege kerk en het ego.

  • De Bijbelse Jezus: Wapnick ziet hem als een figuur die verbonden is met concepten als zonde, schuld, opoffering en een oordelende God. Dit noemt hij de “Jezus van de religie.”
  • De ECIW-Jezus: Dit is de “ware” Jezus die de fouten van de Bijbel corrigeert. In Wapnicks visie is de Cursus puur non-dualistisch; de Jezus van de Cursus heeft niets te maken met de fysieke wereld of een God die offers eist.
  • Focus: De Cursus is een radicale breuk met het traditionele christendom.

Robert Perry: De Lijn (Continuïteit)

Perry benadrukt juist de overeenkomsten. Hij gelooft dat de historische Jezus en de Jezus van de Cursus in wezen dezelfde stem en dezelfde boodschap hebben.

  • De Bijbelse Jezus: Perry maakt gebruik van historisch-kritisch onderzoek om de “oorspronkelijke” Jezus te vinden. Hij stelt dat de werkelijke leringen van Jezus (zoals vergeving en liefde voor vijanden) de kiem vormen van wat we in de Cursus lezen.
  • De ECIW-Jezus: Perry ziet de Cursus als een moderne update of een “voltooiing” van de oorspronkelijke missie van Jezus. Voor hem is ECIW de logische voortzetting van wat Jezus 2000 jaar geleden probeerde te vertellen, maar wat toen door zijn volgelingen verkeerd werd begrepen.
  • Focus: De Cursus is een herstel en verdieping van de oorspronkelijke christelijke mystiek.

Voor niet-Christenen is dit een non-issue maar voor mensen met een Christelijke achtergrond, zoals ikzelf, speelt de vraag naar de (dis)continuïteit tussen de Bijbelse en ECIW-Jezus wel degelijk. Persoonlijk kan ik me veel beter vinden in de opvatting van Robert Perry. Hij baseert zich namelijk op de complete editie van ECIW en laat het boek voor zichzelf spreken.

Ken Wapnick ageert vooral tegen wat mensen door de eeuwen heen gemaakt hebben van de boodschap van Jezus en daarin kan ik me dan weer helemaal vinden in zijn kritiek. Maar net zoals Ken Wapnick in mijn beleving te drastisch is geweest in het “opzuiveren” van het originele dictaat van Helen Schucman bij het samenstellen van de FIP-editie van ECIW, zo vind ik dat hij ook te grof te werk gaat bij zijn beeldvorming van de Bijbelse Jezus.

Mijn mening en gevoel hierover worden sterk bevestigd door een recent verschenen boek van Geurt Henk van Kooten: “Echo’s van het goede nieuws”. Over dit boek:

“In ‘Echo’s van het goede nieuws’ werpt Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten nieuw licht op de Evangeliën door ze te plaatsen in hun oorspronkelijke, historische context. Dat geeft een andere kijk op de zaak. Zo laat Van Kooten op overtuigende wijze zien hoe Jezus religie en politiek van elkaar scheidde en een innerlijke zoektocht naar waarheid opende. Op basis van gedegen bronnenonderzoek stelt Van Kooten het Evangelie van Johannes zelfs voor als het oudste – een uitdagende visie op vertrouwde opvattingen. Dit boek nodigt uit om de blijvende kracht van de evangelische boodschap in onze tijd te herontdekken.”

Waarom zou die vetgedrukte zin belangrijk zijn in deze kwestie? De meeste wetenschappers denken dat het Johannes evangelie dateert van na 110 na Christus. Christenen zijn bekend met het verschil in toon tussen aan de ene kant de evangeliën van Marcus, Lucas en Mattheus en aan de andere kant dat van Johannes. In mijn eigen woorden uitgelegd: men gaat er dan vanuit dat Johannes een schrijver is geweest die, uitgaande van oudere bronnen, een fraai spiritueel klinkend verhaal heeft gemaakt van Jezus’ leven. Maar volgens Van Kooten heeft Johannes zijn evangelie geschreven in 65 na Christus en was hij “Johannes de Oudere”, de geliefde apostel van Jezus en daarmee dus ooggetuige. Dat betekent dat het Johannes-evangelie geen construct is geschreven door een enthousiaste fan maar de diepe overtuiging van een ooggetuige.

Dit werpt een heel ander licht op de zaak. Als Johannes inderdaad een directe getuige was en zijn evangelie al zo vroeg schreef, dan is die diepe, mystieke toon van Jezus geen latere ‘vergeestelijking’ door de vroege kerk, maar de kern van zijn oorspronkelijke onderricht. Het betekent dat de Jezus die spreekt over eenheid met de Vader en een koninkrijk dat niet van deze wereld is, niet een theologische uitvinding is, maar de Jezus zoals hij werkelijk was.

Voor mij slaat dit de brug waar Robert Perry over spreekt. De Jezus uit het Johannes-evangelie spreekt namelijk een taal die voor iedere ECIW-student onmiddellijk herkenbaar is. Het is de taal van non-dualisme, innerlijke vrede en de herkenning van onze goddelijke oorsprong.

Om deze verbinding tastbaar te maken, heb ik een aantal citaten uit het Johannes-evangelie op een rij gezet. Wanneer je deze leest met de Cursus in je achterhoofd, hoor je bijna letterlijk de stem van de Jezus die we in ECIW zo goed hebben leren kennen:

  • Over onze identiteit en eenheid:

“Ik en de Vader zijn één.” (Johannes 10:30)

“Op die dag zul je weten dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben.” (Johannes 14:20)

  • Over de aard van de wereld en de waarheid:

“Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld.'” (Johannes 18:36)

“U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.” (Johannes 8:32)

  • Over de innerlijke bron van vrede:

“Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan.” (Johannes 14:27)

  • Over onze oorsprong:

“Zij zijn niet van de wereld, zoals ik niet van de wereld ben.” (Johannes 17:16)

Deze woorden zijn voor mij meer dan religieuze teksten; het zijn de eerste ‘echo’s’ van de universele boodschap die in Een Cursus in Wonderen in alle helderheid wordt uitgewerkt. Het laat zien dat Jezus toen, net als nu, ons maar één ding probeerde te vertellen: we zijn nooit gescheiden geweest van onze Bron. De continuïteit is er, mits we bereid zijn te luisteren naar de stem die door de eeuwen heen onveranderd is gebleven.

Ik wil wat jij hebt!

Het blijft een lastige vraag hoe we ons als ECIW-studenten te verhouden hebben tot mensen als Epstein, Trump, Poetin en vergelijkbare figuren. Gewoonlijk passeert Hitler ook nog even de revue. Misschien biedt het wat helderheid als ik begin met twee uiterste visies;

  1. De klassiek duale visie: Vanuit deze visie zien we schurken die ten koste van anderen aan hun gerief proberen te komen. Ze willen bijvoorbeeld respectievelijk het lichaam van jonge meisjes, ik-gerichte deals en het land van de buurman.
  2. De ontspoorde ECIW-visie: “Er zijn helemaal geen foute anderen, ik zie alleen maar de projectie in die ene (lees: “mijn”) denkgeest. Vergeving betreft alleen mijn eigen foute gedachten.

Mij help het om, zoals ik ook in andere blogs heb beschreven, alert te blijven op deze zogenaamde of-of-vraagstukken. In dit geval lijkt de keuze te zijn om óf alle schuld buiten onszelf te zien (“de foute ander”) óf om alles binnen onze eigen denkgeest te zien (“er zijn geen anderen, ik zie alleen mijn eigen perverse denkgeest”).

Aangezien jij als lezer van deze blog een ECIW-student bent, mag ik ervan uitgaan dat je in elk geval niet helemaal meer denk langs de lijnen van de klassiek duale visie. Dus ergens heb je het besef dat wat je buiten je meent te zien, in dit geval de “schurken”, ook iets te maken heeft met jezelf. En dat is in mijn beleving ook zo, maar het behoeft nuancering en een beter begrip van- en gevoel voor de metafysica van de cursus.

Visie 2 wordt verdedigd door ECIW-leraren die de hyper abstracte theorie van absolute eenheid voorstaan. Dan ontwikkelt zich de volgende gedachtegang:

  1. Alles is één, er is één denkgeest
  2. Dus mijn denkgeest is die ene denkgeest
  3. Alles wat ik zie is mijn projectie
  4. Dus “foute anderen” zijn mijn projectie
  5. Het wonder is slechts een correctie van mijn perceptie

De metafysische vergissin die hier begaan wordt, is dat de persoon die dit zegt, meent dat zijn denkgeest samenvalt met de Denkgeest van God, zijn Schepper. Hij denkt dan in feite dat zijn broeders zijn projecties zijn. Dan reduceert hij “foute broeders” tot “foute nepfiguren”.  Maar volgens mij leert ECIW ons iets anders, namelijk:

  1. God is de Ene Denkgeest
  2. Wij zijn Gedachten van God, uitbreidingen van Liefde, Zonen van God, in wonderlijke eenheid verbonden met Hem en met elkaar.
  3. Als Zoonschap vergissen we ons collectief; elke Zoon vergist zich
  4. Ten diepste is elke vergissing een geloof in afgescheidenheid en een roep om liefde.
  5. Het wonder is zowel een correctie van perceptie (“jij bent niet anders dan ik”) en de onderkenning van de roep om liefde van de “andere” Zoon (vergeving: liefde weer laten stromen).

Wat is nu het fundamentele verschil tussen deze twee zienswijzen? Bij de doorgeschoten, hyper-abstracte eenheidstheorie, zien we in feite geen echte Broeder en menen we een figurant in onze droom te zien. Bij de en-en visie (mijn Broeder is één met mij en (toch) een echte (“andere”) Zoon van God; komen we echte “anderen” tegen die, zoals genoemde mannen, behoorlijk in de war kunnen zijn. Anders gezegd: we ontmoeten medemensen die een duidelijke roep om liefde laten horen.

Het ligt subtiel broeders en zusters, en de deur naar discussies zwaait nu wijd open. Dat is inherent aan dat en-en-aspect waar ons denken niet bij kan. De hyper-abstracte eenheidstheorie is juist ontstaan om ons duale denken en het geloof in afgescheidenheid te corrigeren. Daarom schrijf ik steeds “anderen” tussen aanhalingstekens, om hiermee die onbegrijpelijke verbondenheid met elkaar niet uit het oog te verliezen.

Tot zover de “theorie”, de metafysica; maar wat moeten we nu in de praktijk? Toch alles maar met de mantel der liefde bedekken omdat deze lievertjes dit nodig hebben? ECIW geeft geen gedragsregels en natuurlijk heb ik ook geen pasklare antwoorden over hoe om te gaan met deze verdwaasde broeders. Ik wil me beperken tot het schetsen van twee situaties die wellicht enige inspiratie en stof tot reflectie kunnen geven.

Ter inspiratie: Ik heb vroeger zowel op karate als op Aikido gezeten. Ik ervaarde bij de beoefening hiervan verschillende energieën; vermoedelijk bepaald door de leraar die ik had. Bij karate probeer je de aanval van de ander af te weren om daarna een tegenaanval te plaatsen en de ander uit te schakelen. Hard tegen hard. Bij Aikido luidde de instructie om de verwarde ander met zachte hand naar de grond te begeleiden zodat hij daarna zichzelf en anderen geen kwaad meer kon doen. Voel je het verschil? Voorzichtig zie ik een parallel met een lijfstraf aan de ene kant en gevangenisstraf aan de andere kant.

Tenslotte stof ter reflectie en daarmee een uitdrukking voor mijn sympathie ook voor de “vergeef je eigen denkgeest”-gedachte: Ik ging met een grote groep vrienden ergens koffie drinken en we besloten er een gebakje bij te nemen. Het appelgebak zag er heerlijk uit maar het aantal beschikbare stukken was beperkt. Ik zat aan het einde van de lange tafel en halverwege het opnemen van de bestellingen gaf de serveerster aan dat er nog maar twee punten appelgebak over waren. “Wie wil er nog appelgebak?”, vroeg ze. Het “ik, ik, ik..” was niet van de lucht, en ook mijn vinger schoot de lucht in. Maar helaas; ik moest het doen met een taartje dat niet echt mijn voorkeur had. Ik merkte irritatie bij mezelf die wat versterkt werd toen ik de tevreden blik bij de anderen zag die “nog net op tijd” waren geweest. Vervolgens werd ik kwaad op mijzelf. In Oekraïne sterven mensen door bommen en granaten en zitten in de barre kou en ik zit jaloers te zijn op een appelgebakje. Ongelofelijk!

Maar het heeft zo moeten zijn, hoe pijnlijk het ook is om zo geconfronteerd te worden met de ego-krachten in onszelf. Want ten diepste zag ik bij mezelf “in het klein” exact hetzelfde thema: “Ik wil wat jij hebt!”. Dus de illusie dat ik gelukkiger zou zijn met een stukje surrogaat-liefde. Gevolgd door de irritatie dat niet ik maar die ander het begeerde “schaarste-artikel” veroverde. Deze hebzucht, waar ik gelukkig snel om kon lachen, is van exact dezelfde kwaliteit als die van genoemde mannen. Zij denken ook gelukkig te worden van surrogaat-liefde (seks, geld, macht etc) en worden boos als ze hun zin niet krijgen. Het is voor mij veel fijner om deze boeven of mijn appeltaart-vrienden te beschuldigen van hebzucht en ego-gericht gedrag, maar ik dien deze neiging te herkennen en erkennen in mijn denkgeest en hier te vergeven.

Jezus kent onze neiging tot projectie. In het Nieuwe Testament brengen omstanders een overspelige vrouw naar hem toe die ze willen stenigen. Zijn antwoord? Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen!”. Of: “We zien wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de balk in eigen oog”.

Dus, moeten we alles maar goed vinden? Nee; er zijn broeders en zusters die op destructieve wijze om liefde roepen en die, voor eigen – en ieders bestwil, “begeleid” moeten worden; dus zo liefdevol mogelijk gestopt. Maar dat gezegd hebbende mogen we de blik naar binnen slaan. Dit vergt radicale eerlijkheid. Zien we daar niet dezelfde ego-impulsen? Wil ik hebben wat jij hebt omdat ik meen dat dit mij gelukkig zal maken? Tja…

Werkboekles 38 – Er is niets wat mijn heiligheid niet kan

“Er is niets wat mijn heiligheid niet kan.”
Het is een zin die gemakkelijk groots gaat klinken in het hoofd. Voor sommigen werkt hij bemoedigend, voor anderen roept hij verwarring op, en voor weer anderen ontstaat er een stille maar hardnekkige vraag: wat betekent dit concreet?

Wie deze les serieus neemt, komt vroeg of laat uit bij Jezus. Niet uit verering, maar uit logica. Als de Course zegt dat onze heiligheid onbeperkt is, en als Jezus in de Course wordt neergezet als iemand die dit volledig belichaamde, dan lijkt de conclusie onvermijdelijk: zou dat voor ons dan niet ook moeten gelden? Inclusief genezing, inclusief wonderen die zichtbaar zijn in de wereld?

Het antwoord is genuanceerder dan een simpel ja of nee, en juist die nuance is de kern van deze les.

De Course spreekt over heiligheid niet als een eigenschap van een persoon, maar als een toestand van onverdeeldheid. Heiligheid is niet iets wat je ontwikkelt of activeert; het is wat overblijft wanneer je ophoudt jezelf als een autonoom handelend “ik” te beschouwen. In die zin is heiligheid geen kracht die je bezit, maar een openheid waarin niets meer wordt tegengehouden.

Dat is ook hoe Jezus in de Course wordt beschreven. Niet als iemand met uitzonderlijke vermogens, maar als iemand die geen privé-wil meer had. Hij probeerde niet te genezen, hij streefde geen uitkomst na, hij gebruikte geen methode. Hij luisterde, en hij liet dat wat hij hoorde volledig tot uitdrukking komen. Waar die afstemming ononderbroken was, kon conflict geen stand houden. En waar conflict verdwijnt, verdwijnt soms ook de lichamelijke uitdrukking ervan.

Maar hier ontstaat gemakkelijk een misverstand. Want zodra dit wordt opgevat als iets wat jij moet kunnen doen, verschuift de aandacht ongemerkt weer naar het ego. Dan wordt heiligheid een doel, genezing een criterium, en innerlijke vrede iets wat pas mag volgen als de vorm zich heeft aangepast. De Course draait dit precies om.

Genezing, zoals de Course die begrijpt, vindt altijd plaats in de geest. Het lichaam is niet de oorzaak, maar het toneel waarop een innerlijke splitsing zichtbaar wordt. Wanneer die splitsing wordt gecorrigeerd, kan het lichaam daarop reageren met herstel, maar dat is geen vereiste en geen maatstaf. Soms verdwijnt een ziekte. Soms verandert alleen de beleving. Soms wordt het lichaam losgelaten. Vanuit het perspectief van de Course zijn dit geen verschillende uitkomsten, maar verschillende vormen waarin dezelfde genezing zich voltrekt.

Dat maakt les 38 minder spectaculair dan sommigen hopen, maar ook veel radicaler. De les belooft geen macht over de wereld, geen vermogen om vorm naar believen te manipuleren. Ze wijst op iets anders: dat waar heiligheid volledig wordt toegelaten, geen enkele vorm van angst, schuld of conflict kan blijven bestaan. En omdat de wereld zoals wij die ervaren uit die conflicten is opgebouwd, kan de wereld daar niet onveranderd blijven.

De werkelijke vraag die deze les stelt is dan ook niet of jij fysieke genezing kunt bewerkstelligen. De vraag is of je bereid bent vrede te laten voorgaan boven uitkomst. Of je bereid bent niets te willen bewijzen. Of je kunt verdragen dat heiligheid haar werk doet zonder dat jij bepaalt hoe dat eruit moet zien.

Wanneer die bereidheid er is, verliest de vraag “wat kan mijn heiligheid?” vanzelf haar urgentie. Niet omdat er minder mogelijk is, maar omdat controle geen rol meer speelt. Wat dan gebeurt, gebeurt niet door jou, maar ook niet buiten jou om. Het gebeurt omdat er niets meer is dat het tegenhoudt.

Misschien is dat de meest eerlijke manier om les 38 te lezen: niet als een belofte van wat jij zult kunnen, maar als een uitnodiging om te ontdekken waar jij nog denkt dat iets van jou afhangt. Precies daar begint het loslaten. En precies daar krijgt heiligheid de ruimte om te doen wat zij altijd al deed.

Van veel problemen naar één oplossing.

Toen ik begon met het posten van berichten over mijn ervaringen met Een Cursus in Wonderen (ECIW) beschreef ik dikwijls mijn ervaringen uit het dagelijkse leven waarin ik de lessen van de Cursus mocht leren en toepassen. Zowel studenten als niet-studenten van de cursus zoals mijn partner, vonden deze berichten leuk en aansprekend. De praktijk gerichte toepassing van de cursus is de enige weg om de effecten ervan zelf te ervaren. Daarom wordt er in ECIW-studiegroepen, bijvoorbeeld die welke gegeven worden door Koos Janson, steeds gevraagd of iemand een concrete situatie heeft in te brengen. Ook in de fijne Facebook-groep “Gelukkig in het dagelijks leven met ECIW” zit het juiste startpunt van onze beoefening verweven in de naam van de groep: “in het dagelijks leven”.

Door telkens opnieuw en in elke situatie waarin je lijkt te botsen met anderen en de wereld om je heen je vergevingsoefeningen te doen, begin je te ontdekken dat de verscheidenheid van al je problemen terug te brengen is tot één grote vergissing: de illusie dat je een afgescheiden wezentje bent. Het is totaal iets anders om dat slechts te lezen in het Tekstboek en om even met die gedachte te spelen, vergeleken met het ontstaan van de doorleefde ervaring dat dit werkelijk zo is. Door de jaren heen groeien de ervaring en het inzicht dat dit geloof in afgescheidenheid daadwerkelijk ten grondslag ligt aan alle worstelingen. Door dit groeiende inzicht krijg je steeds meer “gevoel” voor de diepe waarheid en eenvoud van de boodschap in het Tekstboek.

Als je dit gaat merken bij jezelf dan maakt dit enthousiast en ontstaat de behoefte om dit enthousiasme te delen. Daarbij loop ik zelf tegen een karaktereigenschap aan die niet altijd even behulpzaam is, een soort liefdevol ongeduld. Daarbij wil ik mijn broeders en zusters helpen tijd te besparen door hen te wijzen op de gemene deler van al onze strubbelingen opdat ook zij hier zo snel mogelijk “gevoel” voor krijgen. Want met de toename van het inzicht in die ene oorzaak, ons geloof in afgescheidenheid, komt ook de oplossing steeds sneller en gemakkelijker binnen handbereik: je de heelheid (heiligheid) van alles in herinnering brengen.

Zo word ik helemaal enthousiast van Werkboekles 36: “Mijn Heiligheid omsluit alles wat ik zie”. Stiekem ben ik blij dat ook Jezus in zijn liefde om ons te helpen er niet voor terugdeinst om deze grote en algemene waarheid al zo snel in de cursus gewoon direct en zonder reserves te benoemen. Het leuke en knappe is dat hij aangeeft dat we de waarheid van die ultieme verbondenheid van onszelf met alles en iedereen helemaal niet hoeven te snappen of te geloven, maar ons terugwerpt in onze alledaagsheid en ons laat kauwen op een zin zoals : “mijn heiligheid omsluit dat tapijt”. Briljant! Als je erover gaat zitten piekeren word je gillend gek (zie mijn blog van gisteren: Stop met piekeren!). Nee, gewoon DOEN en dan volgt het ervaren waarna deze ervaringen langzaam maar zeker “veralgemeniseerd” worden.

De genialiteit van Jezus slaat alles als hij in de Werkboekles van vandaag de metafysische wijsheid van “Liefde is zowel middel als doel” vertaalt naar: “Mijn heiligheid zegent de wereld”. Als je de cursus langere tijd bestudeerd hebt, dan weet je hopelijk vanuit ervaring dat er maar één snelweg naar verlossing is, namelijk het herkennen van de Christus in jezelf en in je broeder: we zijn één. En om dat te ervaren dien je je oordeel te laten vallen en liefde te laten stromen. Dezelfde liefde die de bron is van jouw eigen bestaan. En moet je nagaan; Jezus wijst hier al naar op dag 37 van de cursus. Hij zegt:

1: In dit idee schuilt de eerste glimp van je werkelijke functie in de wereld, de reden waarom jij hier bent. Jouw doel is het de wereld via je eigen heiligheid te zien. Zo worden jij en de wereld tezamen gezegend.

Sommigen zeggen dat je de werkboeklessen niet jaar in, jaar uit moet blijven doen. Dat dit kan neerkomen op een vertragingstactiek. Zo ervaar ik het niet: ik vier gewoon dagelijks een klein feestje met de woorden van mijn dierbare broeder Jezus voor die dag. Halleluja; dank je Jezus!

Maar ik dwaal af: Ik zeg “sorry” voor mijn lezers die mijn blogs te lang vinden en niet praktisch genoeg. Vergeef me mijn ongeduld en enthousiasme en breng de situaties uit je dagelijks leven gerust ter sprake in deze Facebook-groep of in de bovengenoemde groep. Maar ik gun iedereen, inclusief mijzelf, de blijdschap van het steeds meer gaan herkennen van die ene oorzaak van de ellende (geloof in afscheiding) en de ene oplossing (heilige waarneming, zegening). Lees, als je wilt, met die bril op eens onderstaande citaten uit het Tekstboek en geniet van de liefdevolle schoonheid ervan.

Hartegroet,

Simon

Txt 12: VII:I: 1. Wonderen tonen aan dat het leerproces onder de juiste leiding heeft plaatsgevonden, want het leren zelf is onzichtbaar, terwijl datgene wat geleerd werd alleen aan zijn effecten kan worden herkend. De veralgemening ervan wordt gedemonstreerd naarmate jij er in steeds meer situaties gebruik van maakt. Je zult inzien dat je geleerd hebt dat wonderen geen rangorde naar moeilijkheid kennen, wanneer je ze in alle situaties toepast. Er is geen situatie waarop wonderen niet van toepassing zijn, en door ze op alle situaties toe te passen, zul je de werkelijke wereld verwerven. Want in die heilige waarneming zul je heel worden gemaakt, en de Verzoening zal van jouw eigen aanvaarding daarvan uitstralen naar eenieder die de Heilige Geest je zendt om door jou te worden gezegend. In ieder kind van God is Zijn zegen aanwezig, en in jouw zegening van Gods kinderen ligt Zijn zegen voor jou.

Txt 12:VI: 6. Ieder kind van God is één in Christus, want zijn wezen is in Christus zoals dat van Christus is in God. Christus’ Liefde voor jou is Zijn Liefde voor Zijn Vader, en die kent Hij, want Hij kent Zijn Vaders Liefde voor Hem. Wanneer de Heilige Geest je uiteindelijk tot Christus heeft geleid bij het altaar voor Zijn Vader, versmelt waarneming tot kennis, want waarneming is zo heilig geworden dat haar overgang tot heiligheid niets meer is dan haar natuurlijke uitbreiding. Liefde gaat zonder enige belemmering in liefde over, want de twee zijn één. Naarmate je meer en meer gemeenschappelijke elementen in alle situaties ziet, neemt onder de leiding van de Heilige Geest de overdracht van de training toe en wordt die veralgemeend. Stapsgewijs leer je die toepassen op alles en iedereen, want de toepasbaarheid ervan is universeel. Wanneer dit is volbracht, komen waarneming en kennis zozeer overeen dat ze de eenmaking delen van de wetten van God.