We lopen vaak door het leven met een soort ‘tunnelvisie van afscheiding’. We ervaren onszelf als een klein eiland van bewustzijn in een oceaan die soms vriendelijk, maar vaker onverschillig of zelfs dreigend aanvoelt. Onze gebruikelijke manier van kijken bevestigt dit voortdurend: ik ben hier, de wereld is daar, en er zit een dikke glazen wand tussen ons in.
Les 33 van Een Cursus in Wonderen nodigt ons uit om die bril af te zetten. De eenvoudige zin “Er is een andere manier om naar de wereld te kijken” is in feite een radicale interventie. Het is een uitnodiging om de stekker van ons ego uit het stopcontact van afscheiding te trekken en in te pluggen op het ‘veld van liefde’.
De Omslag in Waarneming
Wat deze les zo krachtig maakt, is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wat we ‘buiten’ ons zien en wat we ‘binnen’ in onszelf ervaren. De rommel op je keukentafel en de rommelige gedachte in je hoofd worden met precies dezelfde ongedwongenheid bekeken.
Het doel is om een zekere afstand te bewaren—een onthechtheid. Maar let op: hier schuilt een groot misverstand. Onthechtheid wordt vaak verward met onverschilligheid, en dat is precies wat deze les niet beoogt.
Waarom Onverschilligheid de Ultieme Afscheiding is
Onverschilligheid is niet het tegenovergestelde van angst of woede; het is er een vermomming van. Wanneer we onverschillig zijn, zeggen we eigenlijk: “Jij of dat daarbuiten raakt mij niet, want ik heb mijzelf veilig opgesloten in mijn eigen burcht.” Het suggereert een ultieme afscheiding: het ego versus de rest van de wereld.
De ‘andere manier van kijken’ waar de les over spreekt, is juist diep verbonden. Het is kijken vanuit een perspectief waarin de scheidslijn tussen jou en de ander vervaagt. Als je kijkt vanuit het veld van liefde, kun je niet onverschillig zijn, omdat je erkent dat alles wat je ziet een deel van het geheel is waar jij ook toe behoort. Je kijkt mét de wereld, in plaats van tégen de wereld.
Oefenen in het Moment
De les vraagt ons om deze nieuwe blik te trainen, vooral op de momenten dat we uit ons lood geslagen worden. Wanneer de irritatie opborrelt omdat de trein te laat is, of wanneer een collega een scherpe opmerking maakt, is dat het moment om de knop om te zetten.
Door tegen jezelf te zeggen: “Er is een andere manier om hiernaar te kijken,” geef je jezelf toestemming om de oude reflex van aanval of verdediging te pauzeren. Je kiest ervoor om de situatie niet te zien als een bewijs van jouw afscheiding, maar als een kans om de onderliggende verbondenheid te herinneren. Het is een zachte herinnering dat de vrede die je zoekt niet afhankelijk is van hoe de wereld zich gedraagt, maar van de manier waarop jij bereid bent de wereld te aanschouwen.
Ten diepste draait Een Cursus in Wonderen (ECIW) om de vraag wat onze ware identiteit is. Ons zogenaamd normaal menselijke gevoel stelt dat we ikjes zijn die rondwandelen in de wereld. De Cursus noemt dit echter het ego. Hardcore non-dualisten schieten soms door naar het andere uiterste en stellen dat elke vorm van individuatie onzin is. In die visie zijn we arrogante druppeltjes water die uiteindelijk weer zullen terugvloeien in die ene oceaan.
Voor mij is het behulpzaam uit te gaan van een en-en-visie die mijn verstand niet echt kan begrijpen, maar waardoor ECIW zich wél krachtig aan mij kan openbaren. Deze visie neemt genoegen met het mysterie dat we geïndividueerde denkgeesten zijn (“Zielen” in de oorspronkelijke ECIW-vertaling), die in eenheid verbonden zijn in het Zoonschap. Vanuit dit perspectief kan ik de hele tekst van ECIW direct binnen laten komen.
Ik hoef dan niet mee te gaan in zienswijzen die stellen dat Jezus in de Cursus weliswaar in meervoudsvormen spreekt (Zielen, Gedachten van God, Zonen), maar dat hij dat eigenlijk niet zo bedoelt omdat “in werkelijkheid alles één is”. Nee — Jezus spreekt vrijuit over de paradox van de Schepping. Dat betekent dat hij meervoud en enkelvoud door elkaar gebruikt, omdat het en-en is en niet of-of.
Het aanvaarden van dit mysterie brengt voor mij ook helderheid in heikele ECIW-vraagstukken. Neem bijvoorbeeld werkboekles 31: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie.” Gewoonlijk valt deze uitspraak binnen ons ego-denken. Dan concluderen we dat wijzelf, als ikje, alle ellende over onszelf hebben afgeroepen. De andere kant van dezelfde ego-medaille is de gedachte dat we vervolgens ook een feestje kunnen bouwen door allerlei plezierige ego-cadeautjes te manifesteren. Immers: als we onze ellende zelf veroorzaken, dan moeten we ons geluk ook zelf kunnen afdwingen.
Houd ik hier het en-en-mysterie tegenaan, dan zie ik dat de eenheid van de denkgeest uit beeld is verdwenen. Want onze ervaring “hier” — waarin we menen een ikje te zijn dat slachtoffer is van iets buiten onze macht — is het gevolg van een collectieve droom, een droom van het Zoonschap. ECIW spreekt niet over een vergissing van het ego, maar over een vergissing van de Zoon, van het Zoonschap, waardoor de illusie ontstond dat er echte ego’s bestaan: afgescheiden eilandjes. Ons kleine zelfgevoel en slachtofferschap zijn dus niet het uitgangspunt van de discussie, maar het gevolg van een collectief dwaas idee.
Omgekeerd is bij manifestatie niet het ultieme doel om de macht van de ego-denkgeest te illustreren en daarmee het ego te versterken. Manifesteren is juist een afstemming op het geheel, op het collectieve belang, zodat je kunt ervaren dat je onderdeel bent van een groter geheel: dat er voor je gezorgd wordt, dat je gedragen wordt door een liefdevolle Bron en Schepping.
En wat gebeurt er dan meestal? Een 180-gradendraai terug naar de of-of-visie. Het ego zegt: “Aha, ik ben dus tóch een slachtoffer — namelijk van het collectief!” Of: “Aha, ik mag dus niets positiefs wensen en mijn geluk doet er niet toe!” Het ligt subtiel. Wat het ego hier doet, is afstand nemen van gedeelde verantwoordelijkheid. Het ruilt verantwoordelijkheid in voor slachtofferschap, of voor zelfverloochening. Daarmee verliest het opnieuw het geheel uit het oog: de en-en-verantwoordelijkheid.
Onze huidige situatie is zoals zij schijnbaar is: we geloven in afgescheidenheid. Dus hebben we ons voorlopig te verstaan met wat ons ogenschijnlijk als individu overkomt en met wat wij als individu denken nodig te hebben voor geluk. Dat betekent dat we aan de slag moeten met het vergeven van ons individuele zonde- en schuldgevoel. We kunnen nog niet anders dan denken in termen van beperkt belang — mijn belang. Het ego-standpunt werkt als een magneet, en we zijn verslaafd aan deze aantrekkingskracht.
Onze strubbelingen hebben daarom iets dubbels. We worstelen met het denkbeeldige onderscheid tussen individuele schuld en slachtofferschap, tussen eigen belang en algemeen belang. Dat illustreert precies onze verwarring. De handvatten die ECIW ons aanreikt — vergeving en het aanbieden van wonderen — zijn precies bruikbaar in dit schijnbare tussengebied.
Telkens benadrukt Jezus dat geven en ontvangen in waarheid één zijn. Als wij onszelf vergeven en beseffen dat we niet zondig en schuldig zijn, dan is daarmee de ander en het hele Zoonschap geholpen. We vergeven dan ook de schijnbare zonden van onze Broeders. En als wij leren vertrouwen op de overvloed van liefde in ons eigen leven, hoeven we geen beperkte ego-doelen meer na te streven in de veronderstelling dat die ons waar geluk zullen brengen. Dan zien we dat jouw geluk niet losstaat van mijn geluk.
Dit alles voert ons uiteindelijk terug naar het besef van onze ware Identiteit — met hoofdletter I. Wij zijn Kinderen van de Vader, Broeders binnen het Zoonschap.
Drie jaar geleden zocht een man, laat ik hem maar even Piet noemen, contact met me per mail omdat hij worstelde met groot persoonlijk leed. Hij wilde hiermee aan de slag met behulp van Een Cursus in Wonderen (ECIW). Ik antwoordde hem toen het volgende:
Als ik ga proberen de waaromvraag te beantwoorden dan verval ook ik in metafysische gemeenplaatsen waar je weinig aan zult hebben. Kun je ook maar één antwoord bedenken dat je tevreden zou kunnen stellen? Christenen zouden zoiets zeggen als “De mens wikt maar God beschikt”. ECIW-studenten komen met “de droom waarom de Zoon van God vergat te lachen”. Etc Ik wil met alle liefde de visie van ECIW op ons lichamelijk en emotioneel lijden voor je samenvatten, maar zit je hier op te wachten? De belangrijkste vraag is hoe jij je kunt verhouden tot de nare privé-gebeurtenissen die nu in je leven spelen. Deze in een conceptueel metafysisch kader plaatsen biedt gewoonlijk weinig soelaas.
Mag ik aan je vragen hoe intensief je met ECIW bezig bent? Probeer je echt de denkgeest te trainen door het volgen van de werkboeklessen? Zonder deze toepassingsgerichte werkboeklessen zullen “kloppende” ECIW-antwoorden je niets bieden. Concreet kan ik deze vraag herformuleren door te vragen of je de ECIW-wijze van vergeven al toepast in je leven. Zo ja; wat is dan je ervaring hiermee? Wat brengt dit je?
Er zijn nu bijna drie jaren verstreken en Piet is een felle bestrijder geworden van de metafysica van ECIW. Ik heb talloze malen geprobeerd om mijn eerste, bovenstaande, antwoord dusdanig te formuleren dat Piet geholpen zou zijn. Mijn kortst mogelijke antwoord zou zijn: “geef je over aan de kracht en troost van liefde”. Piet blijft echter strijden en komt met de meest doorwrochte redeneringen die moeten aantonen dat de cursus niet klopt en wreed is. Ook andere ECIW-leraren kunnen vooralsnog Piet niet echt bereiken.
Er komen een aantal vragen bij me naar boven naar aanleiding van Piets worsteling:
Wat weerhoudt hem om te vertrouwen op de Heilige Geest?
Wat drijft mij en andere ECIW-studenten om telkens weer met hem in debat te gaan?
Is er een manier om hem te helpen?
Bij het beantwoorden van deze vragen meen ik dat het goed is om als eerste de denkbeeldige kloof tussen Piet en mij te dichten en te beseffen dat we dezelfde ego-krachten delen en dezelfde liefde. Want de worsteling met de cursus vindt niet alleen plaats in de denkgeest van Piet maar in de gedeelde denkgeest van ons allemaal. Piet is, anders gezegd, het ultieme symbool van de verstandelijke worsteling met de metafysica van de cursus. Niet alleen Piet, maar wij allemaal aarzelen om ons over te geven aan liefde en koesteren onze grieven tegen de cursus.
En dit verklaart dan het tweede punt. Als wij onze worsteling en moeilijke vragen over de cursus verdringen dan bestaat de kans dat wij ze op Piet projecteren. Onze heftige reactie wordt dan gevoed door de onbewuste angst dat hij ergens een punt heeft. Maar is dit het hele verhaal? Ik vermoed het niet. We kunnen immers echt geraakt worden als we een broeder ontmoeten met een zo luide roep om liefde. En een dergelijke roep om liefde vraagt bij ons een respons. Het achtste wonderprincipe luidt:
“Wonderen genezen doordat ze een gemis aanvullen; ze worden door hen die tijdelijk meer hebben, verricht voor hen die tijdelijk minder hebben.”
En dat brengt me bij het derde punt. ECIW geeft geen pasklare voorschriften hoe te handelen in elke specifieke situatie. Het is dan ook goed mogelijk dat indien ik aan de HG vraag hoe ik hier waarlijk behulpzaam kan zijn, ik een ander antwoord krijg dan een andere “hulpverlener”, ofwel broeder of zuster.
Zelf heb ik moeten leren dat het lastig is om een ander via logica van de waarde van ECIW te overtuigen. Niet dat ECIW ten diepste onlogisch is. In tegendeel, het is in mijn beleving voor de meeste van ons haast te logisch; we willen de waarheid liever niet horen. Maar het risico van meegaan in verstandelijke discussies is dat ik daarmee de illusie bij mijn broeder versterk dat de cursus verdedigd zou moeten worden. In werkboekles 153 zegt Jezus:
7. Een verdedigende houding is zwakheid. Ze verkondigt dat jij de Christus hebt verloochend en Zijn Vaders woede bent gaan vrezen. Wat kan jou nu verlossen van je waanidee van een boze god, wiens vreeswekkend beeld jij aan het werk meent te zien in alle kwaad ter wereld? Wat anders dan illusies kunnen jou nu verdedigen, wanneer het slechts illusies zijn die jij bestrijdt?
Wij, en Piet, zijn dol op het spel van aanval en verdediging, zelfs als we dit een dialoog zouden noemen. Het is een manier om onze grieven te koesteren en ons ego te verharden.
Het is aan ons om op te merken of, en zo ja hoe, we dreigen te verzanden in het meespelen van het spel van het ego. Het ego wil strijden, beargumenteren, slim zijn en winnen. Dit terwijl de ware antwoorden pas gevonden worden in verdedigingsloosheid, in bereidwilligheid en overgave. Jezus wordt het lam Gods genoemd en niet de discussiekampioen Gods. Maar zelfs Jezus merkte in het Nieuwe Testament op dat zonder enige bereidwilligheid en vertrouwen in zijn woord, het evangeliseren (=het brengen van het goede nieuws) zinloos was. Zijn woorden kunnen zelfs wat hard klinken:
“En zo wie u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, gaat uit van dat huis of van die stad, en schudt het stof uwer voeten af.” (Mattheüs 10:14)
Wij kunnen hiervan schrikken en ons afvragen of we zo Piet niet in de steek zouden laten. Stoppen met argumenteren wil echter niet zeggen stoppen met liefhebben. Maar we hoeven niet naïef te zijn en te menen dat we iemand die ervoor kiest om, al is het maar voorlopig en als vertragingsmanoeuvre, de controverse op te zoeken, tegen zijn eigen (onbewuste) keuze in kunnen helpen. Laat iedereen echter zijn of haar eigen hart volgen in de omgang met onze eigen controverses en die van Piet waarbij we het volgende ECIW-citaat in gedachten houden:
2. Alle termen zijn in aanleg controversieel, en zij die de controverse zoeken zullen die vinden. Maar zij die verheldering en verklaring zoeken zullen die eveneens vinden. Ze dienen echter bereid te zijn aan controversen voorbij te zien in het besef dat die een verweer zijn tegen de waarheid in de vorm van een vertragingsmanoeuvre. Theologische overwegingen als zodanig zijn per definitie controversieel, aangezien ze op geloof berusten en daarom aanvaard of verworpen kunnen worden. Een universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk. Het is deze ervaring waarop de cursus aanstuurt. Alleen hier is consistentie mogelijk, want alleen hier komt aan onzekerheid een eind.
In de wereld van Een Cursus in Wonderen is geloof veel meer dan een abstract religieus concept of een passieve overtuiging. Het wordt gepresenteerd als een dynamische en fundamentele kracht van de menselijke geest. Vaak denken we dat we het vermogen tot geloven zijn kwijtgeraakt, of dat we sceptisch en nuchter in het leven staan. De Cursus stelt echter dat het onmogelijk is voor de mens om géén geloof te hebben. De vraag is nooit óf we geloven, maar waar we onze kracht van geloof in investeren.
Op dit moment hebben we ons geloof bijna volledig geschonken aan de illusies van de wereld: aan het lichaam, aan pijn, aan het verleden en aan de vele beperkingen die we om ons heen zien. We zijn zelfs uiterst getrouw in onze toewijding aan deze beperkingen. We geloven zo rotsvast in onze eigen zwakte en in de schuld die we bij anderen waarnemen, dat dit voor ons de enige werkelijkheid is geworden. Wat we ‘ongeloof’ noemen, is in feite niets anders dan een krachtig geloof in het niets, een investering in wat niet waar is. De weg naar innerlijke vrede begint dan ook niet bij het vergaren van nieuw geloof, maar bij het zorgvuldig terugtrekken van onze investeringen uit de illusies van het ego.
Dit proces van verandering vraagt om een verschuiving van de blik. Waar het ego ons vertelt dat we pas moeten geloven als we de bewijzen met onze eigen ogen zien, draait de Cursus dit principe om. Wat we geloven, bepaalt namelijk wat we waarnemen. Als we ervoor kiezen om ons geloof te schenken aan de heiligheid van onze medemens, in plaats van aan hun fouten, zal onze waarneming van de wereld transformeren. Dit is de kern van de relatie met de ander. Door voorbij het fysieke lichaam en de uiterlijke verschijning van een broeder of zuster te kijken, herkennen we een gedeelde essentie die de fysieke wetten overstijgt.
Geloof fungeert hierbij als de motor achter het wonder. Er wordt wel gezegd dat geloof bergen kan verzetten, en binnen de context van de Cursus is dit geen metafoor maar een spirituele wetmatigheid. De ‘bergen’ die verzet worden, zijn de massieve blokkades van angst en schuld die we in onze eigen geest hebben opgeworpen. Wanneer we zelfs maar een klein beetje van ons geloof aan de visie van de Heilige Geest schenken, bieden we de ruimte waarin genezing kan plaatsvinden. Dit kleine beetje bereidheid is voldoende om een proces in gang te zetten dat ons terugvoert naar de herinnering aan onze oorsprong.
Een troostrijke gedachte in dit proces is dat we er niet alleen voor staan. Juist op momenten dat ons eigen vertrouwen wankelt en we overmand worden door zelftwijfel, mogen we leunen op een kracht die groter is dan die van onszelf. Jezus en de Heilige Geest worden beschreven als degenen die een onwankelbaar en volmaakt geloof in ons blijven houden, ook als wij dat geloof in onszelf al lang verloren zijn. Hun vertrouwen in onze goddelijke natuur dient als een brug voor de momenten dat wij de weg even niet meer zien. Het is alsof zij ons geloof tijdelijk voor ons bewaren, totdat we weer in staat zijn het zelf op te eisen.
Uiteindelijk is geloof echter een tijdelijk hulpmiddel. Het is de gids die ons door de mist van perceptie en interpretatie leidt. In de werkelijke wereld, de staat van zijn die de Cursus ‘Kennis’ noemt, is geloof niet langer nodig. Je hoeft immers niet te geloven in wat direct en onomstotelijk aanwezig is. Zodra de waarheid volledig is geaccepteerd en de illusies van afscheiding zijn opgelost, maakt geloof plaats voor een diep en stil weten. Tot die tijd is het onze krachtigste bondgenoot: een bewuste keuze om elke dag opnieuw te vertrouwen op de liefde, in plaats van op de angst die de wereld ons spiegelt.
Sommigen beweren dat Een Cursus in Wonderen (ECIW) bedoeld is om het denken aan te spreken en te corrigeren. In mijn beleving is dit slechts deels waar en schuilt er ook een “gevaar” in deze denkwijze. Dit bestaat eruit dat je te veel over de cursus gaat nadenken en zo als het ware “aan de buitenkant” ervan blijft. Dit illustreer je dan weer door een mening te vormen over de cursus en daarmee in feite afstand creëert.
Het Engelse “mind-training” omvat echter meer dan het gaan koesteren van wat nieuwe meningen. In het Nederlands is dit “mind” vertaald met “denkgeest” en misschien zet dit ons op het verkeerde been. In Een Cursus van Liefde (ECvL; het vervolg op ECIW) maakt Jezus aanvankelijk onderscheid tussen het hoofd- en het hartaspect van deze mind. Het is echter de bedoeling om uiteindelijk te gaan leven vanuit heelheid-van-hart; een situatie waarbij het hoofd als het ware onder curatele is geplaatst van het hart.
Gisteren schreef ik over “Onze intieme omgang met ECIW” en wees ik ook op het dubbelaspect van het wonder: het corrigeren van de perceptie (waarbij het hoofd behulpzaam is) en het laten stromen van liefde (waarin het hart een hoofdrol speelt). Ik wees erop dat eenzijdigheid een valkuil vormt.
Je kunt eindeloos blijven malen in je hoofd over die buitenkant van de cursus en dit zie ik helaas ook gebeuren bij sommige medestudenten. De eenzijdigheid van de aanpak met het verstand leidt tot worstelingen met de metafysica van de cursus. Deze worsteling is prima want hij toont aan dat je een aspect over het hoofd ziet, namelijk het hart-aspect. Dit hart-aspect vindt “vanbinnen” plaats, een plek die de cursus aanduidt als je innerlijk altaar.
We schrijven en delen in mijn beleving te weinig over onze intieme omgang met de cursus waardoor de verstandelijke buitenstaanders geen gevoel krijgen voor de liefdevolheid van de boodschap van Jezus. We zullen elkaar een inkijkje moeten geven over hoe vergeving werkt in onze mind. In feite is dit niet anders dan elkaar meer vertellen hoe we de werkboeklessen innerlijk toepassen.
Stel dat ik boos ben omdat ik me onheus bejegend voel. Iemand die de cursus vanaf de buitenkant bekijkt, zal gaan verdedigen dat deze boosheid gerechtvaardigd kan zijn. Dat kan zo zijn en ik gun hem zijn opvatting, maar ik wil met deze boosheid aan de slag. Dat kan beginnen met mijn verstand. Ik ga dit niet helemaal uitschrijven hier, wellicht een andere keer, maar ik besef dat ik me alleen aangevallen en daardoor boos kan voelen als ik geloof dat ik afgescheiden ben van de ander en dat ik een kwetsbaar, sterfelijk wezentje bent. “Dat ben je ook!”, zal de verstandige buitenstaanderroepen. Maar Jezus vraagt me in ECIW om opnieuw te kijken en iets anders te overwegen. Ik hoef dit niet te begrijpen, maar mij wordt, dus vooral in de werkboeklessen, gevraagd dit serieus te overwegen en te vertrouwen. “Maar dat is het einde van het denken en een nieuw geloof!”, roept de verstandige. “Noem het zoals je wilt, vriend, maar ik ga dit experiment aan”, antwoord ik.
Vervolgens stelt Jezus voor om zijn hulp in te roepen of die van de Heilige Geest, vertegenwoordigers van onvoorwaardelijke liefde. Ik mag hen vragen om anders te kijken naar de situatie en naar die ander. Nu komt er protest naar boven bij me en weerstand. Als ik heel eerlijk ben wil ik dit helemaal niet. Ik zie die ander waarvan ik denk dat deze me boos gemaakt heeft nu helder voor ogen en wil vasthouden aan mijn nijd. De cursus zegt dat we onze grieven willen koesteren en, helaas, ik moet erkennen dat ik ondanks mijn mooie praatjes over liefde nu ook wil vasthouden aan mijn gelijk. Dan komt een cursus-tekst naar boven: “Wil je gelijk hebben of vrede ervaren?”. “Liefst allebei”, is mijn antwoord, maar ik moet er zelf een beetje om lachen. Nu zie ik dat ik mezelf boos houd door deze grief te koesteren. Aaij, aij; Jezus heeft gelijk. Ik doe dit uiteindelijk mezelf aan, ik kruisig mezelf en houd mezelf af van innerlijke vrede.
Ik geef mijn eigen geploeter op en vraag met toenemende oprechtheid om de genezing van mijn vijandige blik. Ik word stiller en plotseling gebeurt het wonder. Ik kan het niet beter omschrijven dan dat de bodem uit mijn haat wegvalt en er die vrede ontstaat die alle verstand te boven gaat. Tegelijkertijd is er een golf van dankbaarheid en er ontstaat een opening naar mijn broeder. Ik kijk nu anders naar hem en voel mededogen. Ik herken in zijn ego-uiting op pijnlijke wijze hoe zeer we eigenlijk op elkaar lijken. Het is dubbel. Aan de ene kant is het helemaal niet fijn om zo in de spiegel mijn eigen ego-trekjes te zien en zelfs een vorm van schijnheiligheid. Maar diep vanbinnen weet ik dat deze “biecht”, dit eerlijk naar binnen kijken nodig is om “absolutie” , vergeving, te verkrijgen. Niet zozeer van moreel verwerpelijk gedrag maar van een pijnlijke vergissing.
Het blijft oefenen maar langzaam groeit door ervaring de overtuiging dat Jezus me in Een Cursus in Wonderen en in Een Cursus van Liefde de meest kostbare en dierbare handreiking biedt die ik me maar kan wensen. Een ongelofelijke combi van waarheid en liefde. Samen. Dank.
Je kunt op twee manieren met ECIW aan de haal gaan.
Je focust je alleen op het non-duale karakter van de cursus waarbij je meent dat alleen absolute eenheid bestaat. Je stelt vervolgens dat binnen deze eenheid geen enkele tegenstelling kan bestaan. Er is dan geen goed en geen kwaad, geen ik en God en geen ik en de ander. Vervolgens doe je alles wat je ziet af als illusie en als een droom.
Je focust je alleen op de liefdesboodschap van de cursus, maar je ziet liefde te beperkt, als aardig doen tegen elkaar. Dikwijls is deze liefde voorwaardelijk omdat we haar duaal zien: je kunt lief doen en onaardig doen.
Jezus kent natuurlijk beide valkuilen en probeert ons ervoor te behoeden door reeds in het begin van ECIW zo goed mogelijk uit te leggen wat hij verstaat onder “het wonder”. Als je de wonderprincipes goed bestudeert, liever in de originele uitgave van de cursus dan in de beknopte FIP-editie, dan zie je bovengenoemde twee punten duidelijk terugkeren:
Het wonder is een correctie van perceptie
Het wonder is een uiting van liefde
Wonderen spelen zich af in het domein van tijd en ruimte; het domein waarvan Jezus ons vertelt dat het een gebeuren is in onze mind en dat niet de ultieme werkelijkheid is. Hetzelfde geldt voor vergeving die ook alleen betekenis heeft binnen de ons bekende wereld.
Om enig benul te krijgen van het feit dat het hele aardse gebeuren zich afspeelt in onze mind dienen we wonderwerkers te worden en vergeving te beoefenen. Als we dit doen kunnen we een glimp opvangen van een werkelijkheid die tijdloos is en waar we ons gewoonlijk niet van bewust zijn.
Maar terug naar de werkwijze van ECIW: wonderwerker worden en vergeving beoefenen. In feite zou elke ECIW-student zich de vraag moeten stellen hoe dit nu precies “van binnen” in zijn werk gaat. Aanvankelijk lijkt dit verwarrend omdat zich talloze verschillende situaties lijken voor te doen in ons leven. Maar door het doen van de werkboeklessen kun je er als het ware gevoel voor krijgen dat elk probleem uiteindelijk terug te voeren is op een soort oer-vergissing: we denken dat we afgescheiden zijn van onze Vader, onze Bron die Liefde is, en van elkaar.
We moeten ons van binnen als het ware steeds die twee aspecten op intieme wijze eigen maken:
Ik corrigeer mijn perceptie: ik meen waar te nemen dat jij en ik verschillen, dat ik op gespannen voet sta met een van mij gescheiden buitenwereld, maar ik overweeg de mogelijkheid dat ik dit verkeerd zie. Ik ben bereid mijn waarneming te laten corrigeren.
Ik realiseer me dat alles wat ik zie een uiting van liefde is of een roep om liefde. Jezus heeft laten zien dat angst, zonde en schuld vergeven mogen worden en oplossen in het licht van liefde. Ik stel me open voor deze liefde, verbind me ermee. Ik stel me open voor hulp van de Heilige Geest, Jezus, Liefde, de Vader, de harmonie van het Al.
De Cursus is een intieme metgezel die ons glimpen kan bieden van een diepe waarheid over onze identiteit, een waarheid die we uit het oog verloren zijn. Als dit gebeurt gaat liefde stromen en word je dankbaar.
Hopelijk is dit behulpzaam bij het voorkomen van een onvolledige of moeizame omgang met de cursus. Deze is terug te voeren op eenzijdigheid. Ook hier twee uitersten:
Je ziet de cursus als een soort nieuw en conceptueel geloof en gaat er verstandelijk mee aan de haal of er juist mee in gevecht. Als je ermee aan de haal gaat dan verlies je de intieme omgang ermee uit het oog en doorleef je de cursus niet. Er treedt afstandelijkheid op en haast een soort wreedheid. Want waarom zou je anderen helpen als er geen anderen zijn en alles een droom is? Doordat deze ontsporing heeft plaatsgevonden krijg je als een soort corrigerende maar verwarrende reactie, mensen die de hele cursus af willen doen als een hyper-abstracte en wrede uitwas. Beide reacties zien de intieme en warme liefdescomponent van de cursus over het hoofd.
Maar je kunt deze liefde-component ook te veel ontdoen van de metafysische diepte ervan. Dit is waar Ken Wapnick tegen waarschuwde toen hij zei: hoed u voor de weldoeners. Wat je krijgt als je de metafysica te veel uit het oog verliest is een uitgeklede versie van ECIW met een zware spruitjeslucht, een gezapig lief doen om lief gevonden te willen worden. Het gevaar bestaat dat de radicale visie van de cursus en de oproep tot echte verlossing en ontwaken uit het oog worden verloren.
Het blijkt erg lastig om onze houding te bepalen zo tussen droom en werkelijkheid. Het lijkt erop alsof we moeite moeten doen om onze ware aard die we niet kunnen kwijtraken te herontdekken. Het vergt genezing van onze hele mind, van hoofd en hart. Ons hoofd dient te wennen aan de gecorrigeerde perceptie waarbij het verbinding leert zien in plaats van afgescheidenheid. En tegelijkertijd dient ons hart zich te openen om weer kanaal van liefde te worden en te ontdekken dat liefde zowel middel als doel is.
De “oerzonde” is ons geloof dat we afgescheiden, op onszelf staande wezentjes zijn die zichzelf moeten verlossen. Maar alles wat ik hierboven gezegd heb, is bedoeld om ons terug te brengen tot het besef dat we juist verbonden zijn met de Vader en met elkaar (gecorrigeerde perceptie: er zijn geen anderen want WE zijn één) en dat deze verbinding niet abstract is maar een liefdesband (liefde is middel en doel).
In de dialoog tussen de psychologische praktijk en Een Cursus in Wonderen (ECIW) ontstaat vaak verwarring over de aard van de werkelijkheid. Waar de psychologie het individu tracht te begrijpen en te versterken binnen de wereld, nodigt de Cursus ons uit om diezelfde wereld te beschouwen als een gezamenlijke droom van afscheiding, waaruit wij samen kunnen ontwaken.
Deze twee benaderingen spreken niet zozeer over hetzelfde onderwerp met verschillende antwoorden, maar vertrekken vanuit verschillende niveaus van vraagstelling. Verwarring — en vaak ook onnodige polarisatie — ontstaat wanneer inzichten van het ene niveau worden ingezet om het andere te weerleggen.
Om ECIW‑studenten handvatten te bieden voor een zuivere dialoog, volgen hieronder vier cruciale toetspunten om de metafysische visie van de Cursus te onderscheiden van psychologisch realisme, zonder de menselijke ervaring te ontkennen.
1 De status van de wereld: een gezamenlijke droom
De visie van ECIW Volgens de Cursus is de wereld niet de creatie van een individuele geest, maar de uiterlijke manifestatie van de gedachte aan afscheiding in het Zoonschap. Zij is een collectieve droom van fragmentatie. Verlossing bestaat niet uit het verbeteren van deze droom, maar uit het gezamenlijk herkennen dat zij niet waar is. Hiertoe worden wij uitgenodigd wonderwerkers te zijn: het wonder is een verandering van perspectief waarin wij onze onderlinge verbondenheid erkennen en liefde laten stromen.
De Cursus ontkent hiermee niet dat de wereld functioneel en ervaarbaar is, maar stelt dat haar ultieme status niet ligt op het niveau waarop psychologie, ethiek en maatschappelijk functioneren opereren.
De kritische tegenwerping Vanuit psychologisch realisme wordt de wereld gezien als een objectieve, onafhankelijke realiteit. Het idee dat de wereld een droom zou zijn, wordt dan opgevat als een vlucht uit de werkelijkheid die verantwoordelijkheid en betrokkenheid ondermijnt.
Het toetspunt Wordt de wereld gezien als een ‘echte’ plaats waar wij ons definitief moeten handhaven, of als een ‘onwerkelijke’ context waarbinnen ontwaken mogelijk is? Is de focus gericht op tijdelijk welzijn binnen de droom, of op verlossing uit de droom door vergeving?
2. De ander: projectie of de Christus?
De visie van ECIW De ander is binnen de Cursus niet louter een projectie van het persoonlijke ego, maar een Broeder die deel uitmaakt van hetzelfde Zoonschap. Hoewel de vorm waarin de ander verschijnt tot de droom behoort, is de inhoud van de ander de Christus Zelf. Wij ontmoeten geen vreemden, maar delen van de ene Zoon van God. In de Heilige Relatie wordt de ander het middel waardoor wij onze eigen heelheid hervinden.
Hier is een belangrijk onderscheid van belang: waar psychologie spreekt over projectie als een verdedigingsmechanisme van het ego, spreekt de Cursus over projectie als het kosmische gevolg van een collectieve denkfout. Deze begrippen delen een woord, maar niet hetzelfde niveau.
De kritische tegenwerping De ander wordt gezien als een autonoom individu met een eigen geschiedenis, grenzen en kwetsbaarheid. De visie van de Cursus zou de ‘echte ander’ ontkennen en de ethische ontmoeting reduceren tot een innerlijk spiegelspel.
Het toetspunt Wordt de ander primair benaderd als losstaand object (het ego‑perspectief), of is er oog voor die diepere verbondenheid van denkgeesten waarin de Broeder wordt gezien als onmisbare metgezel in de terugkeer naar de Heilige Relatie en de eenheid van het Zoonschap?
3. Lijden en slachtofferschap: de roep om liefde
De visie van ECIW Volgens de Cursus kan geen enkele Broeder ons in waarheid iets aandoen, omdat onze Werkelijkheid in God onveranderlijk is. Wat wij ‘aanval’ noemen, is in wezen een roep om liefde van een Broeder die vergeten is wie hij is. Slachtofferschap is de ontkenning van onze gedeelde kracht als Kinderen van God. Jezus’ vergevende houding ten opzichte van zijn beulen bij de kruisiging en zijn opstanding dienen binnen de Cursus als illustratie hiervan.
Hier spreekt de Cursus niet normatief — je mág je niet slachtoffer voelen — maar ontologisch: in waarheid bén je geen slachtoffer. Dat onderscheid is essentieel.
De kritische tegenwerping Er bestaat objectief onrecht en feitelijk slachtofferschap. Het ontkennen van dader‑ en slachtofferrollen, met name in contexten van trauma, wordt gezien als moreel problematisch en psychologisch schadelijk.
Het toetspunt Ligt de nadruk op het herstellen van rechtvaardigheid binnen de droom (ego‑herstel), of op het herkennen van de onschendbaarheid van de Geest die boven de droom verheven is? Wordt metafysische waarheid onderscheiden van psychologische nood?
4. Identiteit: het ego of de relatie met de Vader?
De visie van ECIW Schepping is uitbreiding. De Vader breidt Zichzelf uit in Zijn Kinderen, en de Kinderen breiden hun liefde uit naar elkaar. Onze werkelijke identiteit is deze eeuwige relatie. Het ego probeert deze eenheid te vervangen door isolatie, tijdgebonden persoonlijkheid en een verhaal van afgescheiden bestaan.
De kritische tegenwerping De mens wordt gezien als product van tijd, biologie en omgeving. Psychische gezondheid betekent een goed functionerend ego dat zich kan verhouden tot de eisen van de wereld.
Het toetspunt Wordt er gewerkt aan een ‘beter ik’ binnen de wereld, of aan het opheffen van de blokkades die de ervaring van onze natuurlijke staat van Liefde en verbondenheid verhinderen? Wordt er expliciet onderscheid gemaakt tussen ego‑ontwikkeling en verlossing?
Conclusie
Wanneer een criticus stelt dat de Cursus onzinnig of zelfs krankzinnig is omdat zij de werkelijkheid van de wereld of de ander zou ontkennen, spreekt hij doorgaans vanuit een perspectief waarin afscheiding functioneel als uitgangspunt wordt genomen. Dat perspectief is noodzakelijk en zinvol binnen psychologie en ethiek, maar het is niet het metafysische vertrekpunt van ECIW.
De Cursus ontkent onze ervaring van lichaam, wereld en ander niet, maar duidt deze als symptomen van een geloof in afgescheidenheid — als een gekleurd perspectief. Zij stelt dat een ander perspectief mogelijk is en dat wij dit kunnen leren ontvangen door vanuit Liefde, met behulp van de Heilige Geest en Jezus, anders te leren kijken. Dit is geen ontkenning van ervaring, maar een transformatie van perspectief.
Voor studenten van de Cursus is het daarom niet nodig psychologische kritiek te weerleggen. Vaak volstaat het te verduidelijken dat men verschillende vragen beantwoordt. Waar psychologie vraagt: ‘Hoe functioneert de mens in de wereld?’, vraagt de Cursus: ‘Wat is de wereld zelf?’ Verwarring ontstaat wanneer antwoorden op de ene vraag worden gebruikt om de andere te ontkrachten.
Een zuivere dialoog begint niet bij verdediging, maar bij onderscheid.
Onder serieuze en gedreven studenten van Een Cursus in Wonderen (ECIW) zie je vaak twee uitersten die op gespannen voet met elkaar lijken te staan:
De psychologische visie: Deze studenten focussen op gelukkig worden met de Cursus in het dagelijks leven.
De metafysische visie: Deze studenten richten zich primair op de verlossing uit het dagelijks leven.
In mijn beleving is het essentieel om beide visies in het vizier te houden. Zodra we eenzijdig worden, gaan we hopeloos langs elkaar heen praten en vliegen de verwijten over en weer.
De spanning tussen twee werelden
Aanhangers van de psychologische visie verwijten de metafysische groep vaak dat ze harteloos zijn en “niet van deze wereld”. Zij wijzen erop dat er op het alledaagse vlak eerst nog heling nodig is van jeugdtrauma’s, karmische schuld en andere onverwerkte kwesties. Voor hen voelen uitspraken als “ik ben niet dit lichaam” of “ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie” als een ontkenning van hun pijn.
In zekere zin hebben ze gelijk: de Cursus roept ons niet op om het lichaam of de wereld simpelweg te negeren. Wonderen betekenen juist dat we verbondenheid zien en reageren op de roep om liefde — en dat gebeurt gewoon in het dagelijks leven, droom of geen droom.
Aan de andere kant wijzen aanhangers van de metafysische visie er terecht op dat het einddoel van ECIW verder gaat dan de overgang van een nachtmerrie naar een gelukkige droom. Het uiteindelijke doel is ontwaken uit de droom. Het is de ontdekking dat je geen afgescheiden wezentje bent wiens hoogste doel een “gelukkig ego” is. We zijn één met de Vader: één Zoonschap. De Zoon van God is onkwetsbaar; hij kan niet ziek zijn of sterven, maar hij kan dit wel allemaal dromen.
Voor de psychologische visie is dit soms een gruwel, omdat zij deze uitspraak betrekken op het kleine ‘zelf’. Zij zien nog niet dat dit kwetsbare, sterfelijke zelf precies de droomfiguur is die de Zoon heeft bedacht om de afscheiding als echt te kunnen ervaren.
Het onderscheid: Proces versus Doel
Om deze twee visies te verenigen, moeten we een helder onderscheid maken tussen het proces en het doel.
Het Proces is onze weg: vergeving beoefenen en een wonderwerker zijn. Dit speelt zich af op psychologisch niveau, binnen de droom van tijd en ruimte. Dit proces vergt liefde, tact en soms professionele hulp. Hier zijn radicale, metafysische uitspraken zelden behulpzaam; ze kunnen zelfs schadelijk zijn als ze als wapen worden gebruikt.
Het Doel is de staat van zijn: de herinnering aan wat we werkelijk zijn. Dit is het metafysische niveau, de absolute Waarheid.
Dat deze waarheden tijdens het proces niet altijd voor iedereen even behulpzaam zijn, betekent niet dat we ze moeten vergeten of bestrijden. We proberen vaak met ons “verstand” tegen de metafysica te redeneren, maar dat verstand functioneert enkel binnen het niveau van tijd en ruimte — het niveau waarvan de Cursus ons nu juist leert dat het een droom is, voortgekomen uit ons geloof in afscheiding.
De weerstand tegen de waarheid
De diepste strekking van ECIW is dat we deze droom juist dromen omdat we onszelf ervan willen overtuigen dat de scheiding gelukt is. We klampen ons vast aan de overtuiging:
“Wij zijn werkelijk dit kleine zelf en wij kunnen wel degelijk bedreigd worden. Deze wereld is echt en wij zijn het slachtoffer van alle ellende die ons ongevraagd overkomt!”
Het is precies deze overtuiging die de Cursus zachtjes probeert te ontmantelen.
Samenvattend
Ja, we ervaren de wereld als echt.
Ja, op het niveau van het proces moeten we soms hard werken aan die ervaring en onze trauma’s.
En ja, Cursus-oneliners zijn daar op dat moment niet altijd behulpzaam.
Maar laten we, terwijl we het proces aangaan, nooit het doel uit het oog verliezen:
Helen Schucman heeft veel meer tekst van Jezus ontvangen dan vermeld staat in ons bekende blauwe boek; de FIP-editie van de Cursus. In één van de eerste uitgaven van de cursus heeft Helen samen met William Thetford bepaald welke boodschappen niet voor het algemene publiek bedoeld waren en toen de originele editie samengesteld. Later kwam Ken Wapnick in beeld en hij is samen met Helen aan de slag gegaan om de tekst verder te editen. Over de verschillende versies van ECIW is veel geschreven, ook door mij, maar waar ik me nu op wil richten is het gebruik van het woord Ziel. Dit komt in het Tekstboek van de originele uitgave 141 keer voor. Ken Wapnick was bang dat het woord “ziel” de lezers op het verkeerde been zou zetten omdat het binnen religies een veel gebruikte term is. Het zou te veel de indruk geven dat de ziel een soort super-persoonlijk deel van de mens zou zijn dat onderscheiden en afgescheiden is van de ziel van anderen.
Ik heb afgelopen dagen zelf eens nauwgezet de eerste vier hoofdstukken van de originele uitgave doorgenomen en daarbij viel mij op dat Jezus hierin heel zorgvuldig uitlegt wat hij in de cursus met het woord ziel gebruikt. Vervolgens heb ik die vier hoofdstukken aangeboden aan AI (Co-pilot) en gevraagd de beschrijvingen van de ziek in deze vier hoofdstukken samen te vatten. Zie hieronder het resultaat.
Hartegroet,
Simon Schoonderwoerd
1. De Ziel als Schepping en Bron van Creativiteit
De ziel wordt in het document beschreven als een directe schepping van God, volmaakt en volledig, en inherent creatief. De ziel is niet slechts een deel van de mens, maar diens ware essentie. Ze is geschapen naar het evenbeeld van God, wat betekent dat ze dezelfde creatieve kracht bezit als haar Schepper. Deze creativiteit is niet beperkt tot het maken van dingen, maar betreft het vermogen om liefde en waarheid te scheppen en uit te dragen.
2. De Ziel en Kennis
Kennis is een kernkwaliteit van de ziel. Waar het verstand zich bezighoudt met waarneming, is de ziel de bron van ware kennis. Kennis is zeker, onveranderlijk en tijdloos, in tegenstelling tot waarneming, die veranderlijk en tijdelijk is. De ziel kent zichzelf, God en andere zielen volledig. Dit weten is niet gebaseerd op interpretatie of oordeel, maar op directe herkenning en eenheid.
3. De Ziel en Liefde
Liefde is de natuurlijke staat van de ziel. De ziel is geschapen uit liefde en straalt deze liefde uit naar alles wat bestaat. Angst en gebrek aan liefde zijn geen eigenschappen van de ziel, maar ontstaan door misperceptie en afscheiding. De ziel kent geen angst, omdat ze zich bewust is van haar eenheid met God en de schepping.
4. De Ziel en Onveranderlijkheid
De ziel is onveranderlijk en eeuwig. Ze is niet onderhevig aan geboorte of dood, noch aan enige vorm van vernietiging. De ziel blijft altijd in een staat van genade, ongeacht de ervaringen of overtuigingen van het ego of het lichaam. Dit betekent dat de ziel niet kan worden beschadigd of verloren gaan.
5. De Ziel en Eenheid
Een belangrijk kenmerk van de ziel is haar verbondenheid met andere zielen en met God. De ziel is geen geïsoleerd individu, maar maakt deel uit van het geheel van de schepping, het zogenaamde “zoonschap”. Deze eenheid is niet slechts symbolisch, maar een feitelijke toestand van zijn. Scheiding is een illusie die voortkomt uit het ego, niet uit de ziel.
6. De Ziel en Communicatie
Communicatie is een fundamentele eigenschap van de ziel. Werkelijke communicatie vindt plaats op het niveau van de ziel, niet via het ego of het lichaam. Deze communicatie is direct, volledig en zonder misverstand. Ze is de manier waarop de ziel haar kennis, liefde en creativiteit deelt met God en andere zielen.
7. De Ziel en het Ego
Het ego wordt in het document gepresenteerd als een door de mens gemaakte constructie die de ware aard van de ziel verhult. Het ego gelooft in afscheiding, schaarste en angst, terwijl de ziel eenheid, overvloed en liefde kent. De ziel is zich niet bewust van het ego, maar het ego voelt zich bedreigd door de ziel.
8. De Ziel en Vergeving
Vergeving is een uitdrukking van de ziel. Door vergeving wordt de illusie van afscheiding opgeheven en wordt de eenheid hersteld. Vergeving is geen oordeel, maar een correctie van waarneming, waardoor de ware aard van de ziel zichtbaar wordt.
9. De Ziel en het Doel van het Leven
Het uiteindelijke doel van het leven is het volledig herkennen en ervaren van de eigen ziel en haar eenheid met God en de schepping. Dit gebeurt door het loslaten van het ego, het oefenen van vergeving en het ontwikkelen van ware waarneming. De ziel verlangt ernaar om haar ware aard te herinneren en te leven vanuit liefde, kennis en creativiteit.
Samenvatting
De ziel, zoals beschreven in de originele editie van ECIW, is het onveranderlijke, creatieve, liefdevolle en eeuwige aspect van de mens. Ze is direct verbonden met God en andere zielen, kent geen angst of gebrek, en haar ware functie is het delen van liefde en kennis. Het ego en het lichaam zijn tijdelijke constructies die de ware aard van de ziel kunnen verhullen, maar nooit kunnen vernietigen. Het pad naar geluk en vrede ligt in het herkennen van de ziel, het loslaten van het ego en het leven vanuit liefde en eenheid.
In Een Cursus in Wonderen (ECIW)-kringen spreekt men met enige regelmaat over niveauverwarring. Het is een term om de lastige kwestie te duiden die optreedt wanneer we spreken over het leed dat we meemaken in de ons bekende wereld, afgezet tegen de spirituele waarheid van de Cursus. ECIW-puristen kunnen dan direct steigeren en roepen dat er binnen eenheid helemaal geen niveaus bestaan. In de kern zal dat waar zijn, maar het te vroeg roepen van dit soort — nog niet of nauwelijks doorleefde — oneliners raakt precies aan het probleem waar het hier om gaat.
ECIW noemt de wereld zoals wij die kennen illusoir: een door ons geprojecteerde droomwereld waarin wij menen kwetsbare en sterfelijke wezens te zijn. De centrale boodschap is dat wij ons vergissen in onze identiteit. We zijn niet deze afgescheiden lichamen, maar tijdloze kinderen van God. Aanvankelijk klinkt dit voor ons als een vorm van geloof, vergelijkbaar met het klassieke idee van een hemel na de dood. In mijn beleving schuilt de kracht van de Cursus er juist in dat we via de Werkboeklessen langzaam gevoel kunnen krijgen voor deze kernboodschap. Jezus vraagt ons niet om iets blind te geloven, maar om ons oordeel even op te schorten en de lessen daadwerkelijk te oefenen. Waar wij gewend zijn te zeggen: “eerst zien, dan geloven”, lijkt hier iets te gelden als: eerst vertrouwen, dan (enigszins) gaan zien.
De kernboodschap van ECIW is radicaal samengevat in de woorden: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat. Hierin ligt de vrede van God.” Deze waarheid is echter te geconcentreerd en te heftig voor ons. Daarom worden we stap voor stap meegenomen, zodat we vanuit onze droomtoestand voorzichtig iets kunnen ervaren van verlossing en vrede. De ‘wonderen’ waar de Cursus over spreekt zijn als kleine scheurtjes in de sluier van onwetendheid, waardoorheen even een lichtstraal binnenvalt. Soms ervaren we iets wat op een openbaring lijkt: een moment van diepe vrede, dankbaarheid en vertrouwen dat zich nauwelijks laat verwoorden. Pas dan begint het besef te dagen dat er inderdaad maar één niveau is. En pas dan krijgen we enig gevoel voor uitspraken die, zolang ze niet doorleefd zijn, vreemd of zelfs wreed kunnen overkomen: dat er geen anderen zijn, dat projectie perceptie is, dat geven en ontvangen in waarheid één zijn, dat ik niet het slachtoffer ben van de wereld die ik zie, en dat ik slechts mijzelf kan kruisigen.
Zolang we geen werkelijk gevoel hebben voor de diepe waarheid van dit soort uitspraken, past ons dezelfde liefdevolle terughoudendheid die Jezus zelf met ons betracht. Die voorzichtigheid is niet leugenachtig, maar juist compassievol. Helaas is van ECIW op sommige plaatsen een karikatuur gemaakt, zoals zo vaak gebeurt met visies die nog niet werkelijk begrepen zijn. Het kan bijvoorbeeld wreed zijn om tegen iemand die rouwt te zeggen dat er “niets aan de hand is” omdat de overledene nu in de hemel is. Voor de één kan dat troost bieden, voor de ander voelt het als een ontkenning van zijn of haar pijn. Op vergelijkbare wijze kan een ECIW-student menen troost te bieden door te wijzen op het dode lichaam als illusie, of door te citeren dat we geen lichaam zijn en vrij blijven zoals God ons geschapen heeft. Zulke woorden kunnen onszelf bemoedigen, maar we kunnen ze een ander hooguit aanbieden wanneer we in een heilige relatie, in een heilig ogenblik, werkelijk door Liefde daartoe geleid worden.
Dat spanningsveld wordt nog scherper bij uitspraken over slachtofferschap en het ‘kruisigen van onszelf’. In situaties van ernstige ziekte, geweld of verlies lukt het ons soms nauwelijks om de realiteit van wat gebeurt te verdragen, laat staan om iets van de waarheid van zulke uitspraken te voelen. We interpreteren ze dan automatisch vanuit het droomperspectief, vanuit het geloof in afgescheidenheid. Het voelt alsof ons wordt verweten dat we als individu om deze ellende hebben gevraagd: “wat heb ik dan gedaan dat dit mij of mijn geliefde overkomt?” Pogingen om dit te verzachten met theorieën over karma of onsterfelijkheid kunnen dan net zo kil en afstandelijk overkomen als het aanbieden van de hemel. Dat wij daar zelf troost aan beleven is prima, maar laten we uiterst terughoudend zijn met het aandragen van zulke verklaringen aan hen die rouwen.
Dit alles betekent niet dat de visie van ECIW onwaar of wreed is. Dat het ongepast is om Cursus-oneliners te smijten naar mensen in pijn, spreekt voor zich. Maar dat iemand (nog) geen toegang heeft tot de troost, warmte en hoop die Jezus ons aanbiedt, maakt de Cursus zelf nog niet tot een wrede leer. Als we dicht bij huis blijven, bij onszelf, kunnen we stap voor stap ontdekken dat uitspraken als “ik kan alleen mezelf kruisigen” juist een sleutel tot verlossing bevatten. Wanneer ons ongevraagd leed overkomt, kunnen we — onder leiding van de Heilige Geest — onderzoeken of we een grief willen koesteren, of dat we bereid zijn te overwegen dat wij zelf de betekenis aan het voorval hebben gegeven. Niet als beschuldiging, maar als uitnodiging tot een andere keuze: kies ik voor slachtofferschap, of durf ik me over te geven aan Liefde?
Toen Jezus aan het kruis hing en uitriep: “In Uw handen beveel ik mijn geest”, wordt in de Bijbel beschreven dat het voorhangsel van de tempel scheurde — het doek dat het Heilige scheidde van het Heilige der Heiligen. In die totale overgave, vanuit wat wij zien als ultiem slachtofferschap, werd de verbinding tussen God en mens hersteld, of misschien beter: werd het besef van die verbinding hersteld. Jezus biedt ons diezelfde keuze aan, in de Bijbel, in ECIW en in zoveel andere geschriften: blijf ik geloven in afgescheidenheid, dood en sterfelijkheid, of werp ik mij in Zijn armen?
Ik wil geen goedkope theorie verkopen, noch mezelf verheven voordoen. Als ik geconfronteerd word met verlies, of als ik beelden zie van lijdende kinderen, rollen de tranen over mijn wangen. Ik weiger dan te vluchten in abstracties of me uitsluitend om mijn eigen innerlijke vrede te bekommeren. Maar dankzij de Cursus weet ik ook dat ik kijk naar de diagnose van onze geest. We zijn niet geroepen om ontkenners te worden of om de ellende gelaten te accepteren, maar om scheppers te worden van een nieuwe wereld: gemanifesteerde Liefde.