Christenen worstelen al eeuwen met deze vraag. Ik herinner me dat een voorganger in een kerk waar ik vroeger kwam, wees op de vrije wil die God aan de mens gegeven heeft. Wat zou het immers voorstellen indien Hij mensen zo gemaakt zou hebben dat ze alleen maar voor Hem konden kiezen en niet tegen Hem? Nee, de mens zou ook moeten kunnen kiezen voor ik-gericht en zondig gedrag. Met deze verklaring kom je er echter niet. Er gebeuren bijvoorbeeld natuurrampen die los staan van de mens en waarbij schuldeloze slachtoffers vallen. Dus dan moet je al stellen dat door de zondeval van de mens, door zijn keuze zich van God af te wenden, de hele schepping vervloekt is.
De gnostici hadden een andere verklaring. Volgens veel gnostische teksten is de schepping niet gemaakt door de volledig goede en liefdevolle God, maar door de Demiurg: een lagere, onvolmaakte scheppermacht die de materiële wereld gevormd zou hebben. In zulke verhalen is dat geen “tweede God” naast de hoogste God, maar een afgeleide macht, voortgekomen uit een ontsporing of vergissing in het goddelijke rijk. Soms wordt die Demiurg zelfs vereenzelvigd met de God van het Oude Testament: niet per se kwaad uit sadisme, maar beperkt, blind voor het hogere, en daardoor in staat een wereld voort te brengen die zo wringt. Maar ja: hiermee blijft de ‘grote baas’ natuurlijk ook niet echt buiten schot. Het opvoeren van de Demiurg als onvolwassen schepper loopt tegen hetzelfde probleem aan als alle ellende in de schoenen van de duivel schuiven: God laat dit kennelijk gebeuren.
Carl Jung maakt van het hele gebeuren, inclusief de Demiurg, een intrapsychisch gebeuren (alles speelt zich in onze psyche af), maar hij lijkt daarbij—althans zoals ik hem lees—in “Antwoord op Job” ook een stevige theologische/morele positie in te nemen. Hij zet Job en God tegenover elkaar en suggereert dat Job moreel helderder ziet dan de Demiurg-achtige Jahweh die hij daar bespreekt: wispelturig, grillig en vooral gericht op macht. Dat sluit overigens aan bij hoe veel lezers de God in delen van het Oude Testament ervaren: als een stamgod met een kort lontje en harde ingrepen.
De analyse door Jung van de Bijbelse God is overigens wel zeer de moeite waard, zeker waar hij de strijd tussen Jezus en de duivel ziet als het doorzien van ego-krachten (verbeeld in de verzoekingen) door het hogere Zelf (verbeeld door Jezus). Een ander, lastiger aspect is dat Jung lijkt te suggereren dat er in het godsbeeld zelf een ontwikkeling plaatsvindt: alsof God, door de incarnatie in Christus en het lijden, op een nieuwe manier geconfronteerd wordt met de menselijke kant van zijn almacht—en daarmee met wat Job (en de mens) ondergaat.
Als je dan een beetje uitzoomt, zie je dat God in zo’n lezing het domein van tijd en ruimte bijna nodig lijkt te hebben om een soort ‘proces’ te doorlopen. Daarmee ontstaat er een lastig te begrijpen verhouding tussen een tijdloos domein en de ons bekende werkelijkheid.
De overeenkomsten met de metafysica van Een Cursus in Wonderen zijn groot. Als je, in de geest van de Cursus (parafraserend), de Demiurg in Jung’s intrapsychische visie laat overeenkomen met ‘de Zoon van God’ die een nietig idee serieus nam in plaats van erom te lachen, dan ben je er al bijna. Door vervolgens de Zoon van God verantwoordelijk te maken voor de ervaren ellende en hem—via vergevingsoefeningen binnen tijd en ruimte—gelouterd te laten terugkeren naar God, blijft God zelf netjes in de luwte.
Of toch niet helemaal? Want ook dan blijft de vraag hangen hoe iets dat uit een feilloze Vader voortkomt überhaupt ‘de mogelijkheid’ heeft om de mist in te gaan. Maar ook hier komt de Cursus met een antwoord dat (zeker in de metafysische laag) radicaal is: wat wij als ellende ervaren is uiteindelijk niet de werkelijkheid zelf, maar iets droom-achtigs—een vergissing in waarneming. In die lijn wordt de vraag waar het ego “vandaan komt” soms neergezet als een categorie-fout: alsof je vraagt naar de oorsprong van iets wat, strikt genomen, geen echte status heeft. Het antwoord is dan niet een historische verklaring, maar eerder: het is niet wat het lijkt.
Wat moeten we met al deze verhalen die ik hier ruw en vermoedelijk niet al te nauwkeurig heb geschetst? Ik zie ze als aardige bespiegelingen van een verstand dat de wereld ziet als een puzzeltje dat opgelost moet worden. Dat gaat niet lukken, en ik ken mensen die daar jarenlang hun hersenen op kraken. Het is ook niet wat Een Cursus in Wonderen centraal stelt. De Cursus zegt (in de bekende formulering) dat een universele theologie onmogelijk is, maar dat een universele ervaring wél mogelijk en zelfs noodzakelijk is. Hij komt ons gewoon tegemoet in de wereld zoals wij die kennen, of we die wereld nu zien als echt of als een droom. De uitnodiging is om juist met onze percepties van de wereld aan de slag te gaan: heel pragmatisch. Laat het (voor)oordeel eens achterwege en kijk met een liefdevolle, vergevingsgezinde blik om je heen—en merk op wat er in je binnenste verandert. Zo simpel. Pas dan kunnen we ervaren wat in de Bijbel wordt aangeduid als: “een vrede die alle verstand te boven gaat”. En dat in deze wereld!
