Scheiden, schuldgevoel en de liefde voor je kinderen

Scheiden van je partner doe je niet zomaar, zeker niet als er kinderen bij betrokken zijn. In elke relatie zijn er periodes van nabijheid en van verwijdering. Soms groeit die verwijdering langzaam uit tot een situatie waarin samenleven voor beide partners steeds moeilijker wordt. Dan kan het, hoe verdrietig ook, liefdevol zijn om te erkennen dat het beter is niet langer onder hetzelfde dak te wonen. Als het enigszins kan, probeer je zo’n besluit met zorg te nemen, met aandacht voor elkaar en vooral voor de kinderen, voor wie de gevolgen vaak het diepst doorwerken.

Moeilijker wordt het wanneer de ene partner verder wil en de andere de relatie wil beëindigen. Bijna twintig jaar geleden was ik degene die die stap zette. Daarmee werd ik in de ogen van veel betrokkenen degene die het gezin uiteentrok. Ik herinner me nog goed de woorden van mijn moeder: “Ach jongen, waarom doe je dit toch; je vader draait zich om in zijn graf.” In die reactie klonk niet alleen verdriet door, maar ook onbegrip. Dat onbegrip ben ik op veel plekken tegengekomen.

Ik worstelde met schuldgevoelens en verdriet, maar wilde niet terechtkomen in discussies over wie er schuld had, en ook niet in pogingen om mijn keuze goed te praten ten koste van mijn ex-partner. Dat ik verderging met een nieuwe partner maakte het voor anderen gemakkelijk om hun conclusies te trekken. Toch was die nieuwe relatie voor mij niet de oorzaak van het einde van mijn huwelijk, maar eerder iets wat zichtbaar maakte hoe lang ik me in die relatie al eenzaam en verwijderd had gevoeld. Dat onderscheid werd door weinig mensen gezien.

De reacties van familie en vrienden waren pijnlijk, maar in elk geval zichtbaar. Ik kon hun boosheid of teleurstelling zien en me daar op de een of andere manier toe verhouden. Wat ik veel minder goed zag, waren de gevoelens van mijn kinderen. Hun wereld veranderde van de ene op de andere dag. Zij moesten voortaan leven tussen twee huizen, twee ritmes en twee vormen van nabijheid. Pas veel later ben ik echt gaan begrijpen hoeveel verwarring, verlies en aanpassing daarin voor hen besloten lag.

Wat het voor hen misschien extra moeilijk maakte, is dat zij geen getuige waren geweest van openlijke ruzies of heftige botsingen. De verwijdering tussen hun moeder en mij speelde zich vooral af in stilte: in het verdwijnen van de communicatie, in minder contact, in een sfeer die voor ons voelbaar was maar voor hen misschien niet zichtbaar. Tegelijk bleven wij onze kinderen met liefde omringen. Het ontroerde me toen een van mijn dochters later zei dat zij nooit iets had gemerkt van een nare sfeer in huis. Dat was in zekere zin een compliment, maar het liet me ook zien hoe onverwacht mijn vertrek voor hen geweest moet zijn.

Jaren later, in gesprekken met mijn dochters, begon ik beter te begrijpen hoe zij die periode hebben beleefd. De vraag “Waarom ging papa weg en liet hij mama alleen achter?” moet lang in hen hebben geleefd. Ik wilde destijds voorkomen dat ik negatief over hun moeder zou spreken, en daar sta ik nog steeds achter. Maar ik zie nu ook dat een uitleg vanuit alleen mijn eigen beleving — dat ik me al jaren eenzaam voelde in de relatie — voor kinderen maar beperkt houvast biedt. Ik probeerde het praktisch zo goed mogelijk te regelen: hun moeder kon in de vertrouwde woning blijven, ik kocht een huis op fietsafstand en zorgde ervoor dat iedere dochter daar een eigen kamer had. Ik dacht dat ik daarmee rust en continuïteit bood. Pas later hoorde ik dat juist het steeds weer weggaan uit het ouderlijk huis voor een van mijn dochters heel pijnlijk was geweest.

Als ik me probeer te verplaatsen in hoe een kind zoiets beleeft, dan ontstaat een eenvoudig en invoelbaar beeld: we hadden een gezin, papa ging weg, mama bleef in het vertrouwde huis, en wij moesten wennen aan een nieuwe werkelijkheid. Hoe legitiem mijn eigen gevoelens als volwassene ook waren, voor kinderen telt allereerst wat zij verliezen, wat verandert, en wat niet meer vanzelfsprekend veilig voelt. Dat besef raakt me nog altijd.

Soms denk ik dat mijn poging om alles rustig en waardig te laten verlopen ook een keerzijde had. Juist omdat er geen openlijke strijd was, kan mijn vertrek voor de kinderen des te onbegrijpelijker en verwarrender zijn geweest. Ik weet niet of het anders had gevoeld als er meer zichtbaar was geweest van de moeilijkheden tussen hun moeder en mij. Hetzelfde geldt wellicht voor familie en vrienden. Het is gemakkelijker een echtscheiding een plek te geven als je, al is het op afstand, getuige bent geweest van ruzies en conflicten.

Wat gebeurd is, kan ik niet ongedaan maken. Ik kan alleen proberen me er eerlijk toe te verhouden. Een Cursus in Wonderen (ECIW) helpt me daarbij. Natuurlijk raakt het me dat mijn dochters het woord “thuis” vooral met hun moeder verbinden en met de plek waar zij zijn gebleven. Soms voel ik daar verdriet om, en ook gemis. Maar ik besef dat hun beleving niet verkeerd is; zij is gevormd door wat zij hebben meegemaakt. Ik wil hun liefde niet opeisen en geen nabijheid afdwingen. Wat ik hoop, is dat er ruimte mag zijn voor een band waarin zij zich vrij voelen, en waarin ik aanwezig kan zijn met liefde, geduld en zonder verwachtingen. In ECIW-termen vraagt dat van mij loslaten, vergeven en het oefenen van liefdevolle welwillendheid.

Ik merk dat er in de loop van de jaren, bij hen en bij mij, verschillende verhalen zijn ontstaan over wat er is gebeurd. In al die verhalen zit pijn, en ook het verlangen om begrepen te worden. Dat maakt me niet bitter, maar eerder nederig. Ik heb niet op alles de juiste woorden, en misschien zijn woorden alleen ook niet genoeg. Wat ik wel wil zeggen, is dat ik verdriet heb over wat mijn keuzes voor mijn kinderen hebben betekend, zonder daarmee te ontkennen dat ik destijds handelde vanuit mijn eigen onvermogen en mijn verlangen naar een andere weg. Ik hoop dat er met de tijd meer mildheid mag groeien — voor hen, voor mij, en voor alles wat tussen ons is gebeurd.

Misschien is dat ook wat zulke ervaringen uiteindelijk van ons vragen: dat we leren om met zachtheid te kijken naar schuld, verdriet en liefde. Voor mij komt het steeds opnieuw neer op vergeving — niet als ontkenning van wat er is gebeurd, maar als een manier om het verleden niet alle macht over het heden te geven. De herhalingsles van vandaag luidt: “Laat me vergeving zien zoals ze is”. Als ik die woorden lees, voelen ze als balsem. Misschien herken je iets in mijn verhaal. Dan hoop ik dat de volgende woorden uit Les 134 je net als mij iets van rust en ruimte schenken:

6. Het is de onwerkelijkheid van de zonde die vergeving natuurlijk en volkomen zinnig maakt, een intense opluchting voor degenen die haar geven en een stille zegening waar ze ontvangen wordt. Ze gedoogt geen illusies maar verzamelt die lichthartig, met een lachje, en legt ze zachtjes aan de voeten van de waarheid. En daar verdwijnen ze totaal.

7. Vergeving is het enige wat staat voor de waarheid binnen de illusies van de wereld. Ze ziet dat die niets zijn en kijkt dwars door de duizend vormen heen waarin ze kunnen verschijnen. Ze neemt leugens waar, maar wordt niet misleid. Ze slaat geen acht op de zelfbeschuldigende kreten van zondaars, buiten zichzelf van schuldgevoelens. Ze kijkt naar hen met kalme blik en zegt eenvoudig tot hen: ‘Mijn broeder, wat je denkt is niet de waarheid.’

Geen gelijk, maar liefde

Lang verhaal kort: ik had een grote goedaardige hersentumor, een meningeoom, die gelukkig operabel was. Ik dacht hier te makkelijk over: luikje open, tumor eruit, luikje dicht, even bijkomen en weer aan het werk. Zo ongeveer. Ik had nooit gehoord van NAH, niet-aangeboren hersenaandoening, en wat dit inhield, maar ik zou helaas wel aan den lijve ondervinden wat dit was. Voor deze blog is dat niet relevant; ik licht er één aspect uit: het ontstaan van paniekaanvallen. Ik had voor mijn werk altijd met veel plezier presentaties gegeven voor kleine en grote groepen. Na de hersenoperatie ging alles moeizamer, stroperiger, en op een kwade dag sloeg blinde paniek toe toen ik op een internationale meeting een toespraak hield. Zoiets gun je niemand. Het nare van het fenomeen is dat het zich als een donkere olievlek uitbreidt over steeds meer gebieden van je leven, en op een gegeven moment was bijna elk gesprek me te veel. Verbazing, schaamte, ontkenning, vechten en frustratie volgden.

Ik wist natuurlijk verstandelijk dat al deze angsten irrationeel waren en in geen verhouding stonden tot de gebeurtenis. Ik was reeds ECIW-student en dat maakte het ook niet makkelijker. Je weet dan dat zonde, schuld en angst onzinnige zaken zijn waarmee het ego je probeert aan te klagen; maar helpt die wetenschap op dat moment? Nee dus. Een goedbedoelende coach kan je zeggen dat er niets aan de hand is als je wat moet vertellen aan een groepje mensen. Je weet dat hij helemaal gelijk heeft en dat dit normaal is voor vrijwel alle mensen, maar helaas niet voor jou. De verstandige coach heeft gelijk, maar zijn advies is niet behulpzaam. Je voelt je alleen maar een grotere sukkel, omdat je je eigen angst niet kan overwinnen.

Wat heeft uiteindelijk wel geholpen en ervoor gezorgd dat het nu weer beter gaat? Ik stond mezelf toe kruidenpilletjes te nemen, bezocht een begripvolle hypnotherapeut, maar vooral: ik gunde mijzelf mijn vermeende zwakheid én de rust die ik nodig had. Ik werd zachter, liefdevoller voor mijzelf. Het voelde alsof een open zenuw weer langzaam herstelde.

Deze geschiedenis helpt me nu om begrip te hebben voor ECIW-studenten die worstelen met trauma’s. Het is verhelderend om zelf een situatie te hebben meegemaakt waarin je ontdekt dat “weten hoe het zit” voor jou niet de oplossing biedt. In het geval van een angststoornis in ons dagelijks leven geldt ons “gezonde verstand” als norm. Dit vertelt ons dat een praatje houden voor een groep iets anders is dan achtervolgd worden door een tijger, en dat een paniekreactie dus onnodig is. Hoewel deze wetenschap op zichzelf onvoldoende is om een einde te maken aan de narigheid, zal de betrokkene de logica van deze redenering niet ontkennen. Ik wist dat mijn reactie nergens op sloeg, maar kon in mijn beleving toch niet verhinderen dat deze optrad. Ik had dus vanzelfsprekend niet de behoefte om de algemeen geldende opvatting dat spreken in het openbaar niet levensbedreigend is, te bestrijden of te ontkennen. Ik wist dat dit klopte, maar had, kortgezegd, niks aan deze wetenschap.

Jezus stelt in ECIW dat al ons geloof in zonde, schuld en angst onnodig is. Dat het niet meer is dan onze perceptie, maar dat onze perceptie onjuist is. Ondertussen voelen de meesten van ons zich wel schuldig en angstig over van alles en nog wat, en zien we dit als normaal en als de norm. Wat hij zegt is daarom, vanuit ons perspectief gezien, niet alleen abnormaal, maar ook nog eens onbegrijpelijk voor het in onze ogen gezonde verstand. Wij staan samen sterk in onze overtuiging dat onze angst (en schuld etc.) gerechtvaardigd en logisch zijn en dat een boek als ECIW een rare leer verkondigt, zelfs als dit gedicteerd zou zijn door Jezus.

Maar ik zou er destijds niet mee geholpen zijn als mijn naasten zouden zijn meegegaan in mijn opvattingen en mij bijval zouden hebben verleend door te zeggen dat ik gelijk had en dat het ook doodeng is om in een groep iets te zeggen. Ik had begrip en liefde nodig, geen gelijk.

Dat maakt de kwestie van hoe om te gaan met onze getraumatiseerde medemensen vanuit het perspectief van de cursus dubbel, en Jezus weet dat. Hij weet dat onze perceptie onjuist is en legt uit dat één aspect van het wonder juist het corrigeren van de foute perceptie betreft. Maar hij weet ook dat het liefdeloos is om iemand met een paniekaanval uit te lachen en voor gek te verklaren. Welke ouder lacht zijn of haar kind uit als het een nachtmerrie heeft en bezweet en huilend roept om hulp? Wat is je eerste reactie? Je neemt het kleintje in je armen, biedt liefde, warmte en bescherming, ook al is het bescherming tegen niets. Eerst moet er die veilige bedding zijn, en dan fluister je zachtjes: “Het was maar een droom, lieverd. Stil maar. Kom maar even bij ons liggen.” Misschien werkt het bij ons niet anders: ook wij hebben eerst die ervaring van veiligheid en liefde nodig, voordat er ruimte ontstaat om anders te gaan kijken naar onze angst.

We zien als ECIW-studenten, en zeker als we elkaar de maat nemen, het belangrijkste aspect van het wonder dikwijls over het hoofd: “een wonder is een uiting van liefde”. Onze eerste opdracht is om de stroom van liefde te herstellen en te zeggen: ik hoor je, ik ben er voor je en ik luister naar je. En vooral: wat heb jij nu nodig? Jezus is, wat deze vraag betreft, heel realistisch en mild en stelt dat het niet behulpzaam is om in situaties waarin de angst te groot is te hameren op genezing van de denkgeest, doorzien van de illusie, correctie van de perceptie en verlossing. Hij stelt dat we ons hier niet hoeven te schamen voor de zogenaamde “magische” middelen. Hiermee bedoelt hij dan alles wat wij normaal vinden, inclusief bijvoorbeeld medicijnen, maar wat nog niet een beroep doet op de ultieme waarheid dat “niets werkelijks bedreigd kan worden”.

Ik laat Jezus aan het woord uit Tekst 2: IV: Genezing als bevrijding van angst:

4. Elk stoffelijk middel dat je als remedie tegen lichamelijke kwalen aanvaardt is een herbevestiging van magische beginselen. Dit is de eerste stap van het geloof dat het lichaam zijn eigen ziekte maakt. Een tweede misstap is: het met niet-scheppende middelen pogen te genezen. Hieruit volgt echter niet dat het gebruik van dergelijke middelen ten behoeve van herstel slecht is. Soms heeft de ziekte zoʹn sterke greep op iemands denkgeest, dat het hem tijdelijk ontoegankelijk maakt voor de Verzoening. In dat geval kan het verstandig zijn om ten opzichte van lichaam en denkgeest een tussenweg te bewandelen, waarbij aan iets van buitenaf tijdelijk genezende werking wordt toegeschreven. Want het laatste wat iemand met een onjuiste gerichtheid-van-denken, anders gezegd een zieke, helpen kan, is een verhoging van zijn angst. Hij verkeert al in een door angst verzwakte toestand. Als hij te vroeg aan een wonder wordt blootgesteld, kan hij in paniek raken. Er is een gerede kans dat dit gebeurt wanneer op-zʹn-kop-waarneming de overtuiging heeft gewekt dat wonderen beangstigend zijn.

Lieve broeders en zusters, het is een lang verhaal geworden en ik wil er nog iets aan toevoegen.

We zijn op een onschuldige manier hypocriet als we medestudenten die worstelen met angst en schuldgevoelens, en met andere trauma’s, de maat nemen. Onbewust zien we hen als ongenezen en onszelf als redelijk normaal, als de norm. Maar iemand die meent een pilletje nodig te hebben om gezond te worden, verschilt volgens ECIW niet van iemand die, bijvoorbeeld, meent water en voedsel nodig te hebben om gezond te blijven. De Engelsen zeggen het zo mooi: “we are in this together”, zoiets als: “we zitten allemaal in hetzelfde schuitje”.

Als ECIW-studenten is het ons goed recht om te luisteren naar Jezus in ECIW en zijn woorden serieus te nemen als hij ons zegt dat onze perceptie van de werkelijkheid onjuist is. Critici van ECIW mogen dit afdoen als een onzinnige leer en zich vasthouden aan de waarde die zij zelf toekennen aan zonde, schuld en angst. Dat is inderdaad de gangbare norm, het geloof van de meerderheid der mensen. Ze hebben ook gelijk dat het harteloos kan overkomen als we de visie van Jezus ongevraagd loslaten op mensen die de cursus niet volgen, of als we medestudenten de maat nemen.

Maar zeker voor onszelf mogen we de correctie van perceptie op liefdevolle wijze overwegen en toelaten in die situaties waarin we dat aandurven zonder te bang te worden. Op een zachte, wijze en begripsvolle manier. Deze keuze mag je maken; het hoeft niet.

Van begrijpen naar bereidheid

Het valt ons niet moeilijk om te stellen dat het heelal ooit begon met de Big Bang. Als we vanaf dit gebeuren beginnen te redeneren, dan kunnen we gaan spreken over een uitdijend heelal (maar waarin eigenlijk?) en over van alles dat met tijd en ruimte te maken heeft. Als we proberen te bedenken wat er dan vóór deze Big Bang was, dan lopen we tegen een grappige paradox aan. Want pas vanaf dat “moment” kan er sprake zijn van tijd en ruimte, en deze vormen de fundamenten waarop ons verstand, waaraan we zoveel waarde hechten, is gebaseerd. Het is nuttig om dit met introspectie te onderzoeken. Onderzoek vanbinnen hoe denken geregeerd wordt door het fenomeen tijd en causaliteit (eerst dit, toen dat; dit veroorzaakt dat; om dit te bereiken moet ik dat doen enz.). Het is dus een gigantische, doch onschuldige, vorm van arrogantie als we menen te kunnen “begrijpen” wat vooraf ging aan de Big Bang of wat er zich aan de buitenzijde van dat uitdijende heelal bevindt. De vragen zijn geen zinvolle vragen, maar illustraties van de beperktheid van ons denken.

ECIW is in feite een vingerwijzing naar onze onbewuste arrogantie en de hegemonie van ons beperkte denken. Wij kunnen alleen maar beperkte concepten produceren die thuishoren in het post-Big Bang-gebeuren. Jezus stelt in ECIW echter dat onze ware identiteit “pre-“Big Bang is, waarbij ik “pre” tussen quotes moet zetten, omdat het begrip betekenisloos is als het over tijdloosheid gaat. De vraag “wat was er voordat de tijd begon” is een contradictio in terminis.

Maar wat valt er dan nog over te zeggen, zelfs door een mens als Jezus in ECIW? In feite niets, zoals Jezus ook toegeeft in het boek. Er worden woorden gebruikt als Kennis, Gedachten van God, Schepping, Zonen, allemaal met hoofdletters die zoiets willen zeggen als: deze woorden worden nu niet gebruikt in de ons bekende betekenis, maar op een ander “niveau”, waarbij ook dit woord eigenlijk weer te duaal is.

Moeten we dan de zogenaamde metafysica van ECIW gewoon maar tot ons nemen als een nieuw geloof? Nee, dat is ook niet de bedoeling, en ook hier is Jezus duidelijk over als hij aangeeft geen universele theologie te willen bieden. Eigenlijk doet nadenken over de metafysica ongeveer hetzelfde met ons als die kwestie van de Big Bang; het is nuttig om ons de beperktheid van ons verstand te laten zien, zodat we misschien kunnen ontspannen en “iets anders” kunnen laten binnenkomen.

Dit alles laat ook de zinloosheid zien van eindeloze discussies met ECIW-critici over de metafysica van de cursus. In dergelijke discussies wordt eerst het verstand, in de cursus aangeduid met ego, op de troon gezet, terwijl de hele kwestie juist de beperktheid van dit verstand is. De criticus die hiermee geen genoegen neemt en dit afdoet als een cirkelredenering, ziet niet dat hij ook een onmogelijke vraag stelt: de vraag om met het denken te omschrijven hoe dat wat het denken overstijgt eruit ziet. Een onmogelijk verzoek.

Hiermee lijkt een patstelling te zijn ontstaan. Als ons verstand er niet bij kan en als blind geloof ook niet het antwoord is, wat dan? Dan biedt Jezus ons in ECIW de 365 Werkboeklessen aan. Kunnen die ons dan antwoorden verschaffen die we kunnen gebruiken om uit te leggen hoe het zit? Nee, dat is niet het doel van Jezus. Hij wil ons rustig begeleiden naar wat ECIW aanduidt als een universele ervaring.

Direct kan ons kritische verstand weer het zwaard ter hand nemen en, terecht, stellen dat ervaringen tot het domein van tijd en ruimte behoren en dus onderworpen kunnen worden aan kritische toetsing. Ik zeg hier “terecht”, omdat ook Jezus aangeeft dat ECIW tot aan “het randje” kan brengen, zeg maar tot t=0,000…1 seconde na de Big Bang. Iets van t=0 wordt hier “voelbaar”, als een herinnering aan een oeroud lied dat we vergeten zijn, maar dat ons blij maakt. ECIW spreekt van het heilig ogenblik, van de gelukkige droom en van de nieuwe wereld.

De metafysica van ECIW werkt als een spiegel in een poging om ons benul te laten krijgen waar we ieder (tijdloos) moment mee bezig zijn. Vanuit de tijdloosheid lijkt er een beslissing plaats te vinden om onszelf te BigBang-en; onszelf de dimensie van tijd en ruimte in te projecteren. Dit, per definitie ook weer beperkte, concept komt voor in verschillende religies en levensbeschouwingen, met verschillende waarderingen.

Zo spreekt ECIW vanuit onze huidige wat negatieve ervaring, waarbij we gaan geloven dat na ons ge-BigBang de afgescheidenheid een feit is. Een afgescheidenheid die we, lang verhaal kort, als “hel” percipiëren. In de Complete Editie van ECIW klinkt een iets milder geluid, waarbij benadrukt wordt dat er een correctieprincipe zit ingebouwd in het gebeuren, waarbij we als het ware door de BigBang, door de ervaring van dualiteit, in feite gedwongen worden om ons onze Bron weer te herinneren. Deze herinnering wordt later de Stem (van God, de Heilige Geest) genoemd.

Een Cursus van Liefde (ECvL) stelt hetzelfde iets anders. Hierin legt Jezus uit dat tijd en ruimte niet per se foute boel zijn, tenzij we deze aangrijpen om de illusie van afgescheidenheid en angst bot te gaan vieren. Andere religies en dergelijke komen met hun eigen verhaal.

Terug naar de Werkboeklessen. Hierin leren we op talloze manieren om wonderwerkers te worden. Het wonder bestaat uit het opschorten van ons geloof in de echtheid van tijd en ruimte (leren inzien dat projectie onze perceptie bepaalt) en om ons af te stemmen op het ontvangen en doorgeven van liefde, waarbij we kunnen ontdekken dat liefde onze Bron vormt en tevens middel en doel (herinnering van de Bron) is.

Kernwoorden zijn openheid (bereidheid ons vastgeroeste denken te laten corrigeren) en overgave (aan liefde). Maar helaas zijn dit niet de kwaliteiten die bepalend zijn voor de mensheid van nu. De ECIW-critici, en in feite zijn we dit allemaal, willen begrijpen en op eigen beentjes staan. Het zoeken naar openheid en het willen belichamen van liefde staan niet zo hoog op onze agenda. Zie hier de paradox. De enige manier om enig “antwoord” te krijgen op de vraag “wie of wat ben ik?”, bestaat niet uit een overtuigend filosofisch, psychologisch of theologisch betoog, maar uit bereidwilligheid. Een gruwel voor de trotse “verlichte” mens.

Juist hier raken we aan iets dat verrassend dicht ligt bij de woorden die Jezus in de Bijbel spreekt. Hij prijst immers de “armen van geest”, niet omdat zij minder zouden zijn, maar omdat zij hun vermeende weten hebben losgelaten en openstaan voor wat hen gegeven wordt. En ook wanneer hij zegt dat wij moeten worden als kinderen om het Koninkrijk binnen te gaan, wijst hij niet op naïviteit, maar op een staat van ontvankelijkheid, verwondering en vertrouwen – vrij van de kramp om alles te willen begrijpen.

Misschien is dat wel de meest eerlijke conclusie: dat de grootste waarheid zich niet laat grijpen door het denken, maar slechts kan worden ontvangen door wie bereid is eenvoudig te worden. Zoals een kind. Zoals een “arme van geest”. In die zin is de weg waar ECIW naar wijst geen intellectuele overwinning, maar een innerlijke omkering – van weten naar bereidheid, van begrijpen naar ontvangen, van denken naar zijn.

De Hemel is de beslissing die ik moet nemen (Les 138)

In mijn beleving is het mogelijk op te merken hoe in het bewustzijn onze wil als het ware oprijst en iets wil vermijden of juist iets wil bereiken. Terloops merk ik op dat het willen handhaven van de status quo, onze tevredenheid, ook het vermijden van verandering kan inhouden. Zodra deze wil optreedt, lijkt ook het fenomeen “tijd” geboren te worden.

Zo’n korte alinea lijkt misschien een open deur waarbij je denkt: “klinkt logisch”, of “Ja, dat weet ik wel”. Maar zo’n snelle conclusie kan verhinderen dat je echt oplettend gadeslaat wat zich in de denkgeest afspeelt. Dat je het daadwerkelijk ervaart en ziet gebeuren. Het gaat zo snel dat het haast onbewust plaatsvindt, terwijl het ons direct in de illusie van tijd, doen, nastreven, vermijden, aanval en verdediging doet belanden. Schijnbaar, althans.

Zodra dit gebeurt, lijkt er sprake te zijn van een keuze; van zwart en wit, van kwaad en goed, van vermijden en nastreven. Deze schijnbare dualiteit voelt ongemakkelijk en ergens diep van binnen beseffen we dat dit niet de ultieme werkelijkheid is. ECIW leert dan ook dat de schepping geen tegendeel kent.

Werkboekles 138 blinkt uit in realiteitszin en komt ons tegemoet in onze waanvoorstelling door ons uit te nodigen om, zolang we geloven in de dualiteit van hemel versus hel en daarmee de illusie van tijd, deze tijd dan maar zo goed mogelijk te gebruiken. Wat houdt dit dan in? Goedbeschouwd komt dat neer op het doen van de ons bekende dagelijkse vergevingsoefeningen. Maar in deze les klinkt het anders als Jezus spreekt van: “een bewuste keuze voor de Hemel” en over “open staan voor correctie”. Het is een passievolle overgave aan de Heilige Geest (HG) “want het is het enige wat ik verlang”. Het zit prachtig in elkaar. Zodra wij gingen geloven in de dualiteit ontstond direct ook de Stem die ons eraan herinnert dat we ook anders kunnen kiezen. Zodra we gingen geloven in de tijd, konden we kiezen om naar deze corrigerende Stem te gaan luisteren.

Wij denken dat de dood ons rust gaat verschaffen (“rust in vrede”) en met diep inzicht legt Jezus in Werkboekles 138 uit dat waar het (duale) leven als conflict wordt gezien en de dood als rust, we negatief over verlossing gaan denken. Immers; als we het conflict kunnen oplossen door te sterven, dan betekent verlossing je leven beëindigen. Wat er nu gebeurt, zie je terug in Facebook-groepen, waar sommigen fel de gedachte aan “echte kwetsbare menselijkheid” met kracht verdedigen en boos worden als in ECIW gesproken wordt over verlossing en luisteren naar de HG; precies de belangrijkste aanbevelingen van Jezus in deze les.

In alinea 8 omschrijft Jezus dit als volgt:

8. Deze dwaze overtuigingen kunnen een onbewuste invloed van grote intensiteit gaan uitoefenen, en de denkgeest met zo’n grote paniek en benauwdheid in hun greep houden dat die zijn ideeën over zijn eigen bescherming niet meer wil loslaten. Hij moet van verlossing worden bevrijd, bedreigd worden om veilig te zijn, en op magische wijze tegen de waarheid worden bewapend. En deze beslissingen worden onbewust genomen, om ze veilig voor elke storing te kunnen bewaren, ver weg van vragen, weg van rede en van twijfel.

Jezus zet in ECIW de boel dus aardig op zijn kop: het idee kwetsbaar te zijn noemt hij een dwaze overtuiging die de denkgeest in zijn greep houdt en die we koesteren. Wij vinden dit juist een wezensvreemde gedachte en zoeken bescherming middels middelen die wij normaal en natuurlijk noemen, maar die Jezus juist in ECIW aanduidt met de term “magisch”. Wij vinden nu de ECIW-boodschap onzinnig en vinden onze houding menselijk en redelijk. Maar Jezus zegt dat we aan onze gebruikelijke opvattingen moeten twijfelen en dat deze twijfel pas echt redelijk is. Haast omgekeerde wereld dus.

Laat ik afsluiten met een disclaimer. Jezus nodigt ons uit om telkens weer onze vergevingsoefeningen te doen (te kiezen voor de Hemel) en opmerkzaam te worden voor ons geloof in dualiteit in elk moment. Nu, en dan weer nu. Hij vraagt ons niet om gekke dingen te doen; het is prima om, als dit behulpzaam voor je is en je angst vermindert, naar een dokter of psycholoog te gaan, pillen te slikken, gewoon te eten en te drinken en vooral om elkaar te steunen en te bemoedigen. Maar Jezus doet geen water bij de wijn als het gaat om wat onze ware identiteit is. Nee, hij verandert het water in de wijn. Hij wijst ons op de mogelijkheid van verlossing, van transformatie en het einde van de tijd van kiezen en leren. Daarover handelt overigens ook het vervolg van Een Cursus in Wonderen; het prachtige “Een Cursus van Liefde”. Maar goed; ik dwaal af en dat is niet nodig want ook ECIW is compleet in zichzelf. Kijk maar alvast naar de les van overmorgen. Prachtig:

Alleen van de verlossing kan worden gezegd dat ze geneest.

Maar toch!

Ziekte is een verdediging tegen de waarheid (Les 136)

Dit is een Werkboekles die veel vragen, weerstand en woede opwekt. De afgelopen jaren heb ik er herhaaldelijk aandacht aan besteed en ik verwijs graag naar mijn website ECIWCOACH.COM, waar je via de zoekfunctie na het intypen van Les 136 onder andere de volgende blogs kunt vinden:

  • Overdenkingen bij Werkboekles 136 (16 mei 2025)
  • Eigen schuld, dikke bult? (27 nov 2024)
  • Sta op en loop! (16 mei 2024)
  • Gebed voor zieken en gezonden (15 mei 2016)

In het verlengde van mijn blog van gisteren, Tussen dogma en ontkenning: over ECIW, wil ik hier graag het volgende aan toevoegen.

Ons gangbare wereldbeeld is dat we lichamelijke wezens zijn, kwetsbaar en sterfelijk. Ziek worden is daar, helaas, onlosmakelijk mee verbonden en voor velen een harde realiteit. Dit is onze perceptie.

In ECIW corrigeert Jezus onze perceptie door te stellen dat dit een vergissing is en dat we geestelijke, onkwetsbare wezens zijn; veilig in de armen van onze Vader. Dit strookt natuurlijk totaal niet met onze ervaring, met onze huidige perceptie.

Dit is al voldoende reden om boos te worden op die wrede en onzinnige cursus. Maar alsof het nog niet genoeg is, krijgen we ook nog eens te horen dat we zelf gevraagd hebben om deze ellende. Hoe kan dat nu? Daar kan ik me niets van herinneren en dan heb ik het nog niet eens over zieke kinderen, aangeboren afwijkingen en ga maar door! Ik ga daar nu niet uitgebreid op in; zie s.v.p. eerdere blogs.

Nu kunnen we, zoals gisteren uitgelegd, twee reacties zien:

  1. De dogmatische reactie (geloven zonder doorleving, zonder echte genezing). Hoewel we pijn en ellende ervaren roepen we dat dit niks uitmaakt omdat we geloven dat we geen lichaam zijn. Zelf houden we dat vooral goed vol als we even niks mankeren, maar het wordt een akelige boodschap als we deze verkondigen aan naasten die wel lijden of indirect met onbegrijpelijk leed te maken hebben.
  2. De ontkenning van de boodschap van ECIW: we pakken direct door en schrijven ECIW maar af. Lijden en ziekte zijn gewoon onderdeel van het menselijk bestaan en zeggen dat we eigenlijk onkwetsbare wezens zijn is dan een spirituele bypass. Dit kunnen we vervolgens staven met filosofen die dit ook zo zien. Laten we nu maar gewoon doen en ons richten op het perfectioneren van onze geneeskunde; daar hebben we meer aan dan aan wereldvreemde en onbewijsbare theorieën.

Ik heb nu de neiging om te wijzen op het belang van het zien van uitspraken zoals gedaan in deze werkboekles in de context van de hele cursus. Dan kan ik uitleggen dat Jezus benadrukt dat we zondeloos zijn en dus geen schuld dragen. Vervolgens kunnen we in ECIW lezen dat Jezus zegt dat we onze perceptie van lichamelijkheid niet moeten ontkennen; dat noemt hij onwaardig. En ten slotte is het belangrijk om te spreken over vergeving, het liefdevol doorzien van ons geloof in zonde en afscheiding, en over het wonder dat kan plaatsvinden. Een wonder waarbij we ons laten vervullen en genezen door liefde.

Maar ik grijp terug op de centrale figuur in ECIW, onze broeder Jezus, en op wat hij zijn discipelen uitlegde en liet zien toen hij met hen langs een blinde man liep, zo’n 2000 jaar geleden:

Johannes 9:

En in het voorbijgaan zag Hij een mens die blind geboren was. En zijn jongeren vroegen Hem, en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar opdat de werken van God in hem zouden geopenbaard worden. Ik moet werken van degene die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.

De blinde man vertrouwt Jezus en laat zich, letterlijk, aanraken en hij wordt genezen.

Wij mogen onze onjuiste perceptie, onze blindheid, laten genezen: “Ik zal de waarheid van wat ik ben aanvaarden…”. Jezus beschuldigt ons niet in Les 136 maar zet ons in onze kracht en nodigt ons uit te kiezen voor bekering: de keuze voor liefde. Genezing is iets van en voor de denkgeest: “…en mijn denkgeest vandaag geheel laten genezen”.

Is hiermee alles gezegd en alles verduidelijkt? Natuurlijk niet. We worstelen allemaal met noodlot, ziekte, pijn en schuldgevoel. Maar ECIW biedt ons een wegwijzer in deze donkere droomtunnel en wijst naar “boven”:

De Hemel is de beslissing die ik moet nemen. “Ik neem die nu, en zal niet van gedachten veranderen, want het is het enige wat ik verlang” (Les 138).

En dat omschrijft ook mijn eigen houding tegenover onbegrijpelijk lijden.

Ik huil, zwijg en zeg dan: “maar toch…!”

Tussen dogma en ontkenning: over ECIW

Laten we even een stap terug doen en de cursus van enige afstand beschouwen. Wat beoogt Jezus met Een Cursus in Wonderen (ECIW)? Hij wil ons een manier aanreiken om te ontdekken dat ons zelf- en wereldbeeld niet klopt. Waaruit bestaat ons huidige wereldbeeld? Onder meer uit de volgende opvattingen:

  • We zijn lichamelijke wezens die leven in een materiële wereld van tijd en ruimte.
  • We zijn kwetsbaar en sterfelijk en kunnen bedreigd en aangevallen worden.
  • Mensen die dat doen zijn schuldig en verdienen straf.
  • Wij zijn slim en kunnen begrijpen wat goed en fout is en hoe de werkelijkheid in elkaar steekt.

De boodschap van Jezus is dat we ons vergissen. Zijn boodschap luidt ongeveer als volgt:

  • Jullie zijn geschapen Zonen van God; onsterfelijke Kinderen van de Liefde die nu dromen dat ze op eigen (lichamelijke) beentjes staan en rondwandelen op aarde.
  • Jullie dromen slechts dat jullie sterfelijk zijn en slachtoffer kunnen zijn van anderen, maar deze perceptie klopt niet.
  • Wat jullie zien als aanval is een roep om liefde.
  • Jullie menselijk denken is gebonden aan de concepten van jullie droom en niet het geschikte instrument om jullie ware identiteit te herinneren. Dit is een vorm van (onschuldige) arrogantie.

Theoretisch is het mogelijk om de hele boodschap van Jezus aan ons samen te vatten in enkele regels:

Niets werkelijks kan bedreigd worden,
Niets onwerkelijks bestaat,
Hierin ligt de vrede van God.

Helder toch? Als we dit goed in onze oren knopen of eenvoudigweg geloven, zijn we er dan? Kennelijk niet, want Jezus heeft ons geen half A4’tje gegeven, maar een hele cursus met, naast het Tekstboek, 365 werkboeklessen om te doen. Door de hele cursus loopt een rode draad die we voor ogen dienen te houden als we niet willen verdwalen. Je zou die als volgt kunnen formuleren:

  • Jezus vraagt ons om de bereidwilligheid op te brengen en te erkennen dat we ons kunnen vergissen; dat onze perceptie van onszelf en de wereld onjuist is. In ECIW-termen gezegd: hij vraagt ons niet te luisteren naar onze verkeerd gerichte denkgeest. Dit is de stem van angst.
  • Hier direct aan gekoppeld, nodigt hij ons uit om ons af te stemmen op de juist gerichte denkgeest; naar de Heilige Geest, de Stem van Jezus, de Stem van Liefde. Zijn we bereid te vergeven? Om onze perceptie te laten corrigeren — niet door haar zelf te analyseren of te verbeteren, maar door haar beschikbaar te stellen aan een andere manier van zien — en zo kanalen van liefde te zijn naar onze naasten en naar de wereld om ons zo te herinneren wie we werkelijk zijn? Het wonder te ervaren?

Als we vanuit deze gezindheid de cursus bestuderen en de werkboeklessen doen, kunnen we glimpen van de werkelijkheid opvangen en leren voorbij de illusie te zien — niet omdat we haar zelf doorzien, maar omdat we bereid worden haar te laten corrigeren.

Hoe ontvangen wij ECIW? Hierin zie ik twee uitersten die, naar mijn beleving, allebei weinig behulpzaam zijn.

Het eerste uiterste is een al te letterlijke aanvaarding van de metafysische boodschap van de cursus, zonder dat de verkeerde houding van de denkgeest werkelijk genezen is. Zo kan een nieuw geloof ontstaan met nieuwe leerstellingen, en dat geloof kan een pijnlijke vertekening worden van de liefdesboodschap van Jezus. Waarom zouden we nog naar elkaar omzien als leed en pijn niet echt zijn? Kunnen we elkaar dan straffeloos doden? Zijn we dom of tekortgeschoten als we lijden of schuld ervaren? Het is tegen deze vertekening dat ECIW-critici terecht bezwaar maken. Maar helaas slaan zij daarbij soms door naar het andere uiterste: het wegzetten van ECIW als een wereldvreemd, onzinnig en zelfs hardvochtig gedachtengoed.

Hun verontwaardiging klinkt ongeveer als volgt:

“We kunnen onze lichamelijkheid toch niet ontkennen? We zijn op zijn minst allebei: geest en lichaam. Menselijk leed is echt. We kunnen werkelijk slachtoffer zijn van de wereld en van anderen. Er zijn echte schuldigen en als iemand werkelijk schuldig is, is het niet nodig hem te vergeven of zijn daden door de vingers te zien. ECIW verkondigt een onzinnige boodschap vol niet te bewijzen cirkelredeneringen. Het gaat erom dat we gelukkig worden in het dagelijkse leven, en daar hebben we ECIW eigenlijk niet voor nodig, of hoogstens in een gecensureerde bijrol.”

Ik hoor hierin vaak een dubbele boodschap. Er klinkt oprechte compassie in door voor ons menselijke bestaan, een warm humanisme. Als tegengeluid voor de meer dogmatische lezers van ECIW is dit een gezonde reactie. Deze critici weten zich hierin dicht bij Jezus; lees het Nieuwe Testament er maar eens op na. Jezus ziet om naar zijn medemens in nood.

Maar niet zelden gooien deze goedbedoelende critici ook het kind met het badwater weg. Dan zijn zij weer terug bij af en nemen zij zelf de uitgangspunten over waarmee ik deze blog begon. Juist aan zulke mensen biedt Jezus de cursus aan. Ik zie dat deze critici de geestelijke aard van de werkelijkheid ten dele ontkennen. Zij spreken niet over verlossing, niet over luisteren naar Jezus, en evenmin over het bereidwillig openen van de denkgeest voor correctie door de Heilige Geest. Christenen hebben dat treffend verwoord: ben je bereid je zonden te belijden, dat wil zeggen te erkennen dat je gelooft in afgescheidenheid? Ben je bereid je knie te buigen voor God — niet als een louter symbolisch gebaar, maar als een werkelijke innerlijke overgave waarin je bereid bent je eigen begrijpen los te laten? Niet uit angst, maar omdat je wilt erkennen dat je niet op eigen benen staat, maar gedragen wordt door de Vader. Ben je bereid niet je eigen gedachten te geloven, maar je open te stellen voor de Gedachten die je denkt met God? Ben je in feite bereid om, samen met de Bijbelse Jezus, te zeggen: “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede?” — en daarmee ook het recht los te laten om zelf te bepalen wat waar is? En in cursus-termen: ben je bereid de cursus daadwerkelijk te doen?

Ik wil en kan niemand veroordelen om de manier waarop hij of zij met de cursus omgaat. Toch denk ik dat het goed is om helder te blijven over de kernpunten van de boodschap van Jezus en te reageren wanneer daarvan een vertekening ontstaat, hetzij door meer dogmatische lezers, hetzij door lezers die vooral aan de zichtbare werkelijkheid vasthouden. Hoe goedbedoelend deze broeders en zusters ook zijn: ook Jezus vond het nodig om zich uit te spreken. Daarom gaf hij ons deze prachtige cursus — niet om ons denken te verfijnen, maar om ons uit te nodigen het los te laten en ons te laten onderrichten. Goddank.

Gevoel krijgen voor perceptie en projectie

Zonder erbij na te denken interpreteren wij dat wat we meemaken vanuit de diepe overtuiging dat onze werkelijkheid duaal van aard is. Dat brengt met zich mee dat we ons slachtoffer voelen van omstandigheden buiten onszelf terwijl we niet in de gaten hebben dat we zelf de ultieme bron van onze ervaringen zijn.

Je ziet dit duidelijk gebeuren met hoe we God ervaren. Het klassieke verhaal luidt dat wij eerst in een paradijs woonden maar ongehoorzaam waren aan God door van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Dit zou God boos hebben gemaakt waarna hij ons het paradijs uitgooide en de toegang tot de boom des levens ontzegde. We werden sterfelijk en moesten, onder andere, vermoeiende arbeid verrichten om in leven te blijven. Dit schetst zo het beeld van een strenge God, die ons onze ongehoorzaamheid aanrekent en ons op strafkamp stuurt met uiteindelijk de doodstraf. Wie kan er nog sympathie opbrengen voor zo’n strenge vader? Zelfs wij zouden onze kinderen niet zo hard aanpakken.

Maar bekijk dit verhaal nu nog eens met de metafysica van ECIW in gedachten. Zowel in het klassieke Bijbelverhaal als in ECIW is de Zoon van God vrij om te kiezen. Omdat er in de hemel, of in het paradijs, feitelijk niets te kiezen valt, spreekt ECIW eerder van een vergissing dan van een bewuste keuze. Voor zover dit met woorden te beschrijven is, zou je kunnen zeggen dat de Zoon zich afvraagt hoe het zou zijn om dualiteit te ervaren; een ikje hier en de rest buiten mij. En direct is die ervaring er dan en dit gaat gepaard met het onjuiste idee dat we ons losgemaakt hebben uit de eenheid waar we ons nooit los van kunnen maken waarbij het weten dat we één zijn met de Vader plaats maakt voor het beeld van een vader buiten onszelf. In onze verdwazing menen we dat onze afscheidingstruc gelukt is en we vermoeden dat onze Vader nu wel boos zal zijn op onze rebellie.

Met onze keuze voor afgescheidenheid wordt het geloof geboren van de materiële wereld en van lichamelijkheid; de symbolische weergave van ik hier en de rest daar. De wereld van tijd en ruimte met daarin allerlei vormen lijkt te zijn ontstaan. We doen onszelf deze illusie aan, maar omdat we dit niet door hebben, projecteren we dit op de God die we nu buiten onszelf zien en van wie we verwachten dat hij ons zal willen straffen voor de , in onze ogen, gelukte afscheidingspoging. Zo komen kwetsbaarheid, ziekte en de dood naar boven als thema’s in onze fantasie. Het is echter niet God die straft maar, zoals ECIW het uitdrukt, het kruisigen van onszelf.

Het klassieke geloof stelt dat we aan het einde van ons leven beoordeeld worden door God. Als hij niet tevreden is (bijvoorbeeld als we een losbandig leven hebben geleid of als we niet geloven in een verhaaltje van het plaatsvervangend offer van Jezus) dan komen we in de hel waar we oneindig lang moeten lijden. Maar God straft helemaal niet. Zolang wij geloven in de duale illusie van de wereld die we zelf bedenken, ervaren we het lief en leed van de dualiteit. Dit is de door ons zelfgemaakte hel. De dood lost helaas niets op omdat dit niet automatisch betekent dat het geloof in afgescheidenheid daarmee gecorrigeerd wordt in onze mind. Na de  fysieke dood hebben we geen gelegenheid om gelukkig te worden door ons lichaam te beschermen of juist te verwennen. Binnen de antroposofie wordt uitgelegd dat dit door de ziel als frustrerend wordt ervaren. Denk bijvoorbeeld aan een sterk verlangen naar lichamelijk genot, maar geen lichaam hebben om dit verlangen te bevredigen. Zolang de illusie van afgescheidenheid (en daarmee de keuze tussen goed (genot) en kwaad (bedreiging) niet wordt doorzien; krijg je een nieuw lichaam om je vergevingsoefeningen mee te doen. Wij noemen dit reïncarnatie maar het is in feite niet veel meer dan de illusie van “een nieuwe dag, nieuwe kansen”.

Het is dus geen God die ons in de hel werpt en die niets van ons wil weten. Het is een onzinnig spel dat wij zelf willen spelen.

Ik sluit af met een uitgebreid citaat uit Een Cursus van Liefde over dit patroon van projectie en perceptie (Dag 39).

39.17 Wie ik voor jou ben geweest is wie jij voor jezelf bent geweest. Herinner je het begrip projectie. Dit is wat projectie doet. Het projecteert naar buiten. Het verschilt van uitbreiding omdat uitbreiding een soort projectie is die één blijft met haar bron. Projectie scheidt.

39.18 Jij hebt mij van je afgescheiden door jouw projectie. Wat jij echter projecteerde en God noemde, net als wat je projecteerde en duizend andere ‘dingen’ noemde, heb je alleen in tijd en ruimte van jezelf afgescheiden. In tijd en ruimte werden jouw projecties afgescheiden en anders dan jij. Dit is wat de wereld van tijd en ruimte is. Een wereld die een projectie is die jij hebt gemaakt, een wereld die het model en de vorm heeft, het karakter en de waarde, het beeld en de betekenis die jij eraan wilde geven. Dit is jouw universum. Ik ben, voor jou, de God van dit universum geweest.

39.19 Zo zijn je gedachten over het universum en over mij onscheidbare projecties geweest. Net zoals jouw ideeën over het universum en jouw ideeën over je eigen zelf.

39.20 Ben ik een welwillende God in jouw universum geweest? Dan ben jij welwillend geweest en heb je jouw universum als een welwillend universum gezien.

39.21 Ben ik een oordelende God geweest in jouw universum? Dan ben jij oordelend geweest en heb je in een oordelende wereld geleefd.

39.22 Ben ik een machtige God geweest die wonderen kan verrichten? Dan ben jij een machtige verrichter van wonderen geweest.

39.23 Ben ik een afstandelijke God geweest die zijn liefde niet aan jou en aan anderen toont? Dan ben jij afstandelijk geweest ten opzichte van jezelf en van degenen die je liefhebt.

39.24 Ben ik een God geweest die je gezocht hebt en nooit gevonden? Dan heb jij jezelf niet gevonden.

39.25 Ben ik een rechtvaardige God geweest? Dan ben jij rechtvaardig geweest en heeft de wereld jou rechtvaardig behandeld.

39.26 Ben ik de God van jouw religie geweest? Dan ben jij religieus geweest.

39.27 Ben ik een God geweest van wraak? Dan was jij wraakzuchtig.

39.28 Ben ik een liefdevolle God geweest? Dan ben jij liefdevol geweest.

39.29 Ben ik dit alles geweest? Dan was jij dit ook en jouw universum ook.

39.30 Is jouw God helemaal geen god geweest, maar wetenschap, geld, carrière, schoonheid, roem, vermaardheid, intellect? Dan zijn deze dingen de inhoud geworden van wie jij bent. Wetenschap, geld, roem, vermaardheid, intellect of ieder ander concept dat jouw god is geworden kan een geduchte opdrachtgever zijn, of een goede vriend, liefdevol of liefdeloos, een god die jou verwijdert van jezelf en anderen of jou dichter bij jezelf en anderen brengt. Geen enkele god die geprojecteerd wordt is zonder eigenschappen, zelfs goden zoals deze niet.

39.31 Heb jij geen god gehad, geen wetenschap, geen schoonheid, welvaart, maar alleen een schraal en uitzichtloos leven? Dan is jouw god de god van verslagenheid geweest.

39.32 Heb je geen god gehad, geen wetenschap, geen loopbaan, geen roem, maar alleen een leven vol haat en geweld? Dan is jouw god de god van verbittering geweest.

39.33 Iedereen heeft een god omdat iedereen een wezen heeft en een identiteit voor dat wezen. Iedereen draagt de herinnering van Ik Ben.

God zal er zijn

Van oudsher ben ik, wat ze vroeger noemde, een beta-type; ofwel een rationeel mannetje. Mijn vakkenpakket op de middelbare school bestond uit Nederlands en Engels (deze waren verplicht) en wiskunde I en II, natuurkunde, scheikunde en biologie. Mijn geheugen is niet erg best en daarom koos ik voor vakken, en later voor een studie, waarin begrijpen centraal stond. Ik wilde zaken kunnen beredeneren, kunnen snappen. Het moest allemaal logisch zijn voor mij.

Toen ik dan ook in gesprek kwam met een lieve en goedbedoelende voorganger in een evangelische kerkgemeente, hoorde ik welwillend zijn verhaal aan. Ik proefde zijn compassie voor mij en zijn oprechte intentie mij iets waardevols aan te bieden. Zijn verhaal trok me wel aan maar ik herinner me dat ik na een paar gesprekken vertwijfeld uitriep: “maar hoe kan ik nu weten of dit waar is?”.

Momenteel voer ik regelmatig gesprekken met andere rationeel ingestelde mensen, gewoonlijk mannen. Ook zij hebben, bewust of onbewust, de ratio op de troon van hun bestaan gezet. Sommigen moeten niets van spiritualiteit weten en ook niet van Een Cursus in Wonderen (ECIW) of Een Cursus van Liefde (ECvL). Ik kan dat gemakkelijk respecteren en loslaten en heb weinig evangelisatieneigingen, om het maar zo uit te drukken. Maar als ik merk dat ik met een rationeel type in contact kom waarbij ik een diepe roep om liefde en hulp bespeur, dan roept dit bij mij eenzelfde soort compassie op als bij genoemde voorganger. Ik gun mijn gesprekspartner dan de levende ervaring van gedragen worden door liefde en de innerlijke vrede die je daarbij ten deel valt. Maar tevens ervaar ik iets van een onmogelijkheid om die ander te bereiken als hij stug wil vasthouden aan de kracht van zijn eigen denken.

Dit alles kwam bij me naar boven toen ik de werkboekles van vandaag las, nr 130: “Het is onmogelijk twee werelden te zien”. De eerste alinea vat het hele thema kernachtig samen:

Waarneming is consistent. Wat je ziet, weerspiegelt je denken. En je denken weerspiegelt alleen jouw keuze van wat jij verlangt te zien. Jouw waarden zijn hierin bepalend, want waaraan jij waarde hecht moet je wel willen zien, omdat je gelooft dat wat jij ziet er werkelijk is. Niemand kan een wereld zien waaraan zijn denkgeest geen waarde heeft toegekend. En niemand kan nalaten te kijken naar wat hij gelooft dat hij verlangt.

In gesprek met een slimme man merk ik dat hij niet kan begrijpen dat liefde, verlossing, vergeving, schepping, God, de Heilige Geest woorden zijn die verwijzen naar de ons omvattende werkelijkheid. Hij probeert deze symbolen te reduceren tot concepten die hij kan plaatsen in zijn psychologisch en filosofisch raamwerk. Net als ik destijds loopt hij hierbij tegen de grenzen van het denken aan. Het klinkt allemaal niet logisch, hangt van cirkelredeneringen aan elkaar en hoe kun je nu weten dat het waar is?

Werkboekles 130 legt geduldig uit dat de wortel van de weigering om het denken even van de troon af te halen bestaat uit angst. Ons denken geeft ons een gevoel van macht en zekerheid. Binnen de ons bekende werkelijkheid heeft het denken ons veel gebracht en ons de indruk gegeven dat we van alles onder controle hebben. Ons denken heeft van ons de (over)heersende diersoort gemaakt. Waarom zou dit machtige instrument dan ook niet het begrip van- en controle over dat geestelijke domein kunnen bieden?

Is het denken dan verkeerd en moeten we het maar helemaal afschaffen? Dat is niet wat ik zeg. Binnen het ons bekende domein, het domein van tijd en ruimte, is het een bruikbaar instrument dat ons inderdaad helpt om de kwetsbaarheid die we hier ervaren hanteerbaar te maken. Het biedt ons voedsel, kleding, behuizing, de geneeskunst enzovoorts. Maar de vele religies en spirituele stromingen willen ons juist wijzen op dat wat het ons bekende domein van tijd en ruimte overstijgt.

In ECIW en ECvL wijst Jezus ons erop dat onze ware identiteit niet sterfelijk en kwetsbaar is en dat angst daarom uiteindelijk misplaatst is en dus een slechte raadgever. Als we blijven luisteren naar de stem van angst die gebaseerd is op geloof in kwetsbaarheid dan is de ons bekende werkelijkheid de enige die we zullen zien: Het is onmogelijk twee werelden te zien.

Hoe doorbreek je deze patstelling waarin je geleerd hebt om je denken te zien als het enige instrument om je angst te beheersen? Want de wereld van angst is de enige wereld die je ziet en het is teveel gevraagd om jouw ultieme controlemiddel even los te laten. Het ego zegt: “Ik moet het doen, ik ben verantwoordelijk, ik moet controle houden, ik ben slachtoffer, ik ben sterfelijk, ik wil het begrijpen!”. En in gesprek met goedwillende “voorgangers” eist het dan ook: je moet het me uitleggen en je moet me met argumenten overtuigen. Hoe doorbreek je deze vicieuze cirkel?

Dat legt Jezus uit in alinea 8:

“Begin je zoektocht naar de andere wereld met te vragen om een kracht die de jouwe overstijgt en in te zien wat het is waarnaar je zoekt. Jij verlangt geen illusies. En je begint aan deze vijf minuten door alle armzalige schatten van deze wereld uit je handen te leggen en die leeg te maken. Je wacht op God om jou te helpen, terwijl je zegt:

Het is onmogelijk twee werelden te zien. Laat me de kracht aanvaarden die God mij biedt en geen waarde zien in deze wereld, opdat ik mijn vrijheid en verlossing vinden kan.”

En helaas; dat blijkt soms (nog) niet op te brengen voor de slimme en verstandige medemens. Het opgeven van controle, overgave, stil worden, vertrouwen op liefde is iets wat haak staat op de agenda van het ego. Het heeft mij nog wat jaren gekost om dat vertrouwen op te kunnen brengen en dit uit te drukken in het krachtige ritueel van de volwassenendoop. Hierbij spreek je uit dat je Jezus aanvaardt als verlosser en heer en laat je je in vertrouwen onderdompelen in het water om symbolisch af te sterven aan de heerschappij van het ego. Pas toen begon het proces waarbij er ruimte ontstond om te ervaren wat de werkboekles zo mooi beschrijft en waarmee ik wil afsluiten:

God zal er zijn. Want je hebt een beroep gedaan op de grote onfeilbare macht die in dankbaarheid deze reuzenstap mét jou zal zetten. Ook zul je zeker Zijn dank in tastbare waarneming en in waarheid uitgedrukt zien. Je zult wat je aanschouwt niet betwijfelen, want hoewel het waarneming is, is het niet het soort zien dat jouw ogen op eigen kracht ooit eerder hebben aanschouwd. En je zult weten dat Gods kracht jou steunde toen jij deze keuze maakte.

ECIW helemaal en goed lezen!

Onlangs schreef ik een blog met als titel: “Op een gebalanceerde wijze omgaan met ECIW”. Het lijkt erop dat Jezus met de werkboekles van vandaag zich weinig aantrekt van een uitgebalanceerde aanpak wanneer hij zegt (Les 128): “De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang”. Hij roept op om oefeningen te doen om ons te laten verheffen en boven de wereld uit te stijgen. Dit lijkt koren op de molen voor mensen die ECIW aangrijpen om de wereld de rug toe te keren. En op zijn beurt is dit weer voedsel voor critici die stellen dat ECIW een wereldvreemde leer verkondigt en leidt tot spirituele “bypass”. Maar kloppen deze redeneringen?

Het doen van de cursus vergt zorgvuldigheid. Twee aspecten hiervan zijn zorgvuldig lezen en de hele cursus doen, dus uitspraken kunnen bezien in de context van de hele cursus. Soms zie ik ECIW-critici losgaan op de uitspraak van een geïsoleerde werkboekles en daarmee deze twee belangrijke suggesties negeren.

Want wat staat er nu in de titel vanwerkboekles 128? Er staat: “De wereld die ik zie bevat niets wat ik verlang”. Zoals uitgelegd in genoemde blog, speelt perceptie een sleutelrol in de cursus. Het “die ik zie” verwijst hier direct naar: ik percipieer een wereld die geregeerd wordt door geloof in afgescheidenheid waarbij ik mezelf probeer te verdedigen tegen nare dingen en waarbij ik meen dat leuke dingen mij gelukkig maken. De werkboekles van vandaag gaat over dit tweede aspect: het geloof dat je nu niet volmaakt bent en dat je tijdelijke zaken nodig hebt om gelukkig te zijn.

Het is dus belangrijk te beseffen dat Jezus ons vandaag een aspect toont van het hele verhaal. We geloven in afgescheidenheid, projecteren daarom als zoonschap een wereld van vormen, tijd en ruimte en menen vervolgens dat we door het nastreven van dingen (of relaties, spullen, ervaringen etc) binnen deze droom echt gelukkig kunnen worden. In ECIW-termen gesteld: we denken dat we via speciale liefdesrelaties gelukkig kunnen zijn. De oproep van Jezus in de werkboekles is om deze kleine verlangens te doorzien en los te laten.

Wat betreft de context hoef je nog niet eens zo ver door te redeneren als waar ik zojuist een klein begin mee maakte. Lees om te beginnen maar eens de titels door van de komende werkboeklessen. Bij de les van morgen (129) gaat het al over onze juiste verlangens: Voorbij deze wereld is een wereld die ik verlang. In deze les gaat Jezus spreken over liefde. Liefde is het gezonde broertje van projectie. Liefde breidt uit in eenheid en verbinding terwijl projectie een duale droom maakt van zogenaamde liefde en haat. Jezus vraagt ons niet om niets te verlangen en in onszelf gekeerd weg te zweven van alles en iedereen. Nee; hij wil ons verlangen genezen zodat we weer gaan verlangen liefde uit te breiden.

In Les 130 komt de radicaliteit van de cursus mooi naar voren: we kunnen niet op twee gedachten blijven hinken maar dienen ons helemaal over te geven aan liefde. Dan volgt een les van hoop (131): “Niemand kan falen die tot de waarheid tracht te komen”. Dan sla ik enkele lessen over om te laten zien dat de cursus helemaal niet oproept tot ik-gerichte acties en een wegkijken van de wereld die we vanuit angst geprojecteerd hebben. Want in Les 134 staat “Laat me vergeving zien zoals ze is”. Hier komt het diepe relationele aspect van de cursus in beeld waarbij we niet langer aanvalsgedachten op onze Broeders projecteren maar hen bezien met ogen vol liefde.

Ook hier geldt weer de oproep om de hele cursus te doen en jezelf te behoeden voor eenzijdigheid. Context, context, context! Want te vaak wordt slechts één aspect van het wonder benadrukt en stelt men dat het wonder alleen bestaat uit het corrigeren van onze perceptie. En zoals werkboekles 128 toont, is dit belangrijk: “De wereld die ik zie (percipieer) bevat niets wat ik verlang. Maar het wonder is tegelijkertijd een uiting van liefde en hierin komt dat diepe relationele aspect in beeld dat ons moet behoeden voor een spirituele bypass waarbij we in ons eentje willen wegzweven van deze nare droom. Laat ik daarom afsluiten met de laatste woorden uit Les 134:

Niemand wordt alleen gekruisigd,
en niemand kan alleen de Hemel binnengaan.

Op een gebalanceerde wijze omgaan met ECIW

Er zijn gelukkig geen starre regels voor wat betreft de manier waarop iemand Een Cursus in Wonderen leest en doet. De één snuffelt er wat aan en laat het daarbij, terwijl een ander elke dag probeert de werkboekles zo goed mogelijk te doen. Toch meen ik dat het nuttig kan zijn om te wijzen op twee manieren van omgaan met de cursus die, in mijn beleving, niet erg behulpzaam zijn. Ik zet ze hieronder kort uiteen en hoop hiermee wat handvatten te bieden om ook bepaalde FB‑berichten over ECIW op waarde te schatten.

Deze twee minder handige invalshoeken kunnen worden gezien als twee uitersten in de benadering van de cursus. Bij het eerste uiterste ontkent men onze huidige perceptie, ofwel datgene wat wij nu als werkelijkheid beleven. Bij het andere uiterste ontkent men juist de radicaliteit van ECIW waar het zijn visie op de werkelijkheid betreft.

De ontkenning van onze huidige perceptie

De cursus stelt dat de wereld zoals wij die beleven ten diepste niet echt is, maar een droom die zich afspeelt in de denkgeest. Wat er vervolgens kan gebeuren, is dat men meent dat het zinvol is om de narigheid die zich in die droom voordoet te ontkennen. Men stelt dan dat pijn, lijden, kwetsbaarheid, onrecht, angst en schuld niet echt zijn en dus niet serieus genomen hoeven te worden. Dit kan niet alleen bizar overkomen op buitenstaanders, maar is ook voor serieuze cursusstudenten vaak een harde noot om te kraken.

Het sleutelwoord hier is perceptie. Want hoewel Jezus ons vertelt dat we dromen en dat de droom ten diepste niet echt is, komt hij ons tegemoet op het niveau van onze perceptie en raadt hij ons aan om deze perceptie – onze beleving – wel degelijk serieus te nemen. Wij ervaren immers al die genoemde narigheid. Hoewel we als studenten van de cursus mogen weten dat we dromen, wordt ons niet gevraagd het feit dat we dromen te ontkennen. Jezus legt uit dat we met het ontkennen van de droom tevens de macht van de denkgeest ontkennen, en dat is niet behulpzaam.

Als we narigheid ervaren, is het goed om die ervaring te erkennen:
“Ja, ik erken dat ik pijn, angst, kwetsbaarheid, schuld et cetera ervaar.”

Deze erkenning is minstens zo belangrijk in het contact met onze medemens in nood. Dus niet:
“Welnee joh, onzin: je bent geen lichaam, dus je kunt niet lijden.”
Maar wel:
“Ik erken – en herken – de ervaring van pijn, angst en lijden.”

En dit brengt ons direct bij het andere uiterste.

De ontkenning van de radicaliteit van de cursus

Bovengenoemde erkenning van onze perceptie en van onze ervaring van ellende moet echter ook weer niet zo ver gaan dat we weigeren om verder te kijken dan deze ervaring. De hele cursus is er juist op gericht ons de ogen te openen en ons een nieuwe ervaring aan te bieden, een ervaring die wezenlijk verschilt van ons gebruikelijke gevoel van kwetsbaarheid en sterfelijkheid.

Er klinken soms stemmen die sterk benadrukken dat onze huidige perceptie de ultieme waarheid vertegenwoordigt. Daarbij wordt gesteld dat we daadwerkelijk lichamelijke wezens zijn die onderworpen zijn aan de wetten van de wereld die we zien. In zo’n benadering worden we in feite gezien als slachtoffers van de wereld die we waarnemen – een uitgangspunt dat haaks staat op wat Jezus ons in de cursus probeert duidelijk te maken.

Dit vraagt om helder onderscheid: we hoeven onze perceptie niet te ontkennen, maar we dienen haar ook niet tot ultieme waarheid te verheffen. Dat is balanceren op het scherpst van de snede, maar wel een essentiële beweging.

Hier valt veel meer over te zeggen, maar ik wil proberen om, zoals gezegd, enkele praktische handvatten aan te reiken om uitspraken over de cursus beter te kunnen duiden.

  • Wanneer een schrijver doorschiet in het eerste uiterste en onze menselijke perceptie ontkent, dan riekt dit naar spirituele bypass. Dat is zelden behulpzaam en komt soms zelfs tamelijk wreed over.
  • Maar ook doorschieten in het andere uiterste is onhandig: het verheffen van onze perceptie van ellende tot ultieme waarheid, waarbij ECIW hooguit wordt gebruikt om het “gewone leven” wat draaglijker te maken. In zo’n benadering verliest de cursus zijn scherpte en krijgt hij iets van een spruitjeslucht.

Dat gebeurt met name wanneer de zogenaamde onheilige drie‑eenheid van zonde, schuld en angst als werkelijkheid wordt beschouwd: wanneer geloof wordt gehecht aan de ultieme echtheid van zondige en schuldige medemensen en aan de kwetsbaarheid van ons leven als hoogste waarheid. In dat geval wordt de cursus te klein gemaakt en wordt zijn radicaliteit tekortgedaan. Ook wanneer er nauwelijks nog wordt gesproken over Liefde, God, Heilige Geest, Jezus, verlossing, vergeving, schepping en het wonder, is de kans groot dat men spreekt vanuit een geloof in de echtheid van de eigen percepties, en daarmee de radicaliteit – en het goede nieuws – van de cursus afwijst.

Hopelijk helpen deze overwegingen om op een gebalanceerde manier met onze geliefde cursus om te gaan. Dat balanceren vraagt geen scherp oordeel, maar juist zachtheid voor onszelf en voor elkaar, juist daar waar oude overtuigingen nog hardnekkig lijken. En bovenal vraagt het de bereidheid om ons te laten leiden, niet door onze eigen conclusies, maar door die stille innerlijke stem die de cursus de Heilige Geest noemt. In dat luisteren krijgen zowel onze ervaring als de radicale belofte van ECIW hun rechtmatige plaats.

Hartegroet,
Simon