Jezus en angst

Momenteel doorzoek ik de cursus op teksten die handelen over angst. Angst is zo’n thema waarvan wij nauwelijks vermoeden welke rol het speelt in ons leven. Natuurlijk zijn we bereid toe te geven dat we wel eens ergens bang voor zijn of dat we ons zorgen maken. Maar de angst gaat dieper. Zelf ontdekte ik dat mijn neiging om me zo goed mogelijk voor te bereiden op onbekende situaties gebaseerd is op angst. “Wat is er nu mis met een grondige voorbereiding”, zou je kunnen opmerken. Jezelf voorbereiden kan natuurlijk gewoon handig en praktisch zijn, maar ik ontdekte dat als ik heel eerlijk mijn motieven onderzocht, ik wel degelijk angst aantrof. Misschien moet ik het een soort algemeen gevoel van kwetsbaarheid noemen. En als ik het dan toch preciezer probeer te zeggen moet ik mogelijk het woord “gevoel” hier vervangen door geloof: een geloof in kwetsbaarheid. Genoeg over mijn persoonlijke kwestie.

Ik besloot eens op YouTube te kijken wat ECIW-leraren meldde over het thema angst. Vanmorgen vond ik een gesprek tussen Robert Perry en Emily Bennington over angst. Ook dit keer was hun tweegesprek leerzaam maar op een gegeven moment hoorde ik Emily zeggen dat Jezus totaal geen angst had gekend toen hij zijn kruisiging tegemoet ging. Nu weet ik niet in welke mate zij bekend is met de Bijbel maar ik verwachtte dat Robert haar zou corrigeren. Dat deed hij echter niet. Ik checkte het dus zelf maar even en vond het volgende:

Volgens de Bijbel ervoer Jezus angst in de Hof van Getsemane. Dit wordt beschreven in verschillende passages. Mattheüs 26:36-46: Hier wordt verteld hoe Jezus zich “zeer bedroefd en beangstigd” voelde. Marcus 14:32-42: Marcus beschrijft hoe Jezus “ontsteld en beangst” was en bad dat het uur aan Hem voorbij zou gaan. Lukas 22:39-46: Lukas vermeldt dat Jezus in gebed was en “in doodsangst” raakte, waarbij Zijn zweet werd als “grote druppels bloed die op de grond vielen”. Ik vind het mooi om te zien dat Jezus, zij het tevergeefs, steun vraagt aan een aantal discipelen door hen te vragen hem te ondersteunen in gebed.

Rond Pasen schreef ik een blog over het feit dat binnen de ECIW-community nogal eens gesteld wordt dat Jezus geen pijn ervoer aan het kruis omdat hij dat hele gebeuren doorzag als illusoir. De uitspraak van Emily sluit hier naadloos bij aan. Jezus zou vol goede moed en zonder angst zijn marteldood tegemoet getreden zijn.

Zouden de evangelisten ons dan een onjuiste versie van de gebeurtenissen hebben voorgeschoteld? Ik denk het niet. Zij kenden de triomfantelijke afloop van de kruisiging, namelijk de opstanding, en als er al mensen zouden zijn geweest die ons een succesverhaal hadden willen vertellen dan zouden zij dat zijn geweest. Zij kenden Jezus als mens van vlees en bloed en hadden gezien dat hij onze angst en pijn niet alleen kende maar ook deelde.

Ik was er natuurlijk niet bij en kan niet anders doen dan speculeren over hoe het nu zit. Maar ik vind het niet bezwaarlijk om te overwegen dat Jezus angst en pijn kende. Integendeel. Het maakt hem voor mij tot een echte broeder die precies weet wat ik hier meemaak. Ik vermoed dat de Bijbel getrouw verslag doet van Jezus’ angst, pijn, dorst, en gevoel van eenzaamheid. Ik zie echter hoe hij het aangaat en ervoor kiest zich over te geven aan Zijn Vader. Misschien vormde de kruisiging het einde van zijn “leerweg”, de laatste zuivering, het moment waarop de bodem uit de illusie van geloof in de werkelijkheid van ons lichaam en van zijn lijden viel.

Waartoe willen wij van de Bijbelse Jezus zo graag zo snel we kunnen de verheven Christus maken? Ook nu heb ik slechts vermoedens. Misschien is het vanuit onze eigen angst. Als zelfs Jezus bang zou kunnen zijn en pijn zou kunnen ervaren dan lijkt voor ons alle hoop op onkwetsbaarheid, op een pijnvrij leven te vervliegen. Ik kan er ook positiever naar kijken. Door zijn angst en lijden af te doen als illusoir behouden wij dan de hoop zelf ook ooit tot die ervaring te komen. En ik geloof ook dat de verlossing er uiteindelijk uit bestaat dat we beseffen dat we geestelijke wezens zijn. De werkboekles van gisteren (nr 97) stelde het bondig: Ik ben geest.

Ik weet niet hoe dat bij jullie zit maar ik beschuldig mezelf er wel eens van een trage leerling te zijn omdat ik ook nog angst en pijn ervaar. Toch ben ik niet moedeloos want ik zie wel degelijk dat er veranderingen optreden. Deze treden vooral op als ik de angst en de pijn aanga, net zoals Jezus dat deed. Ik moet mezelf niet te snel onkwetsbaar willen wanen maar de menselijke gevoelens erkennen, naar boven laten komen en aan de Heilige Geest te vragen om mij te helpen om mijn geloof in kwetsbaarheid te vergeven, naar het licht te brengen. Want dat is het. Angst en pijn zijn de gevolgen van mijn geloof in kwetsbaarheid. Emily en Robert spreken over onze neiging tot aanvallen. Wij zijn bang als we geloven in de werkelijkheid van aanvallen (dus ook van kwetsbaarheid). Omdat wij denken God te hebben aangevallen om op eigen benen te kunnen staan verwachten we een tegenaanval, van Hem en van anderen.

De bange en lijdende Jezus, mijn broeder, gaat me voor in het overgeven van zijn geest in de handen van de Vader. Deze overgave brengt hem, en ons, de verlossing. Pas dan zegt hij: het is volbracht. Wat is het heerlijk om in Jezus een broeder te hebben die de hele weg samen met mij wil afleggen. Geen superman die mij optilt en redt uit het gevaar dat ik me inbeeld. Nee, een broeder die zegt: “Ik weet precies wat je doormaakt, vertrouw op mij, op de liefde en ik verzeker je dat je vandaag met mij in het paradijs zult zijn. Dan zullen we weten: we zijn geen sterfelijk, lijdend lichaam maar we zijn geestelijke Kinderen van de Vader.

Over de verschillende edities van ECIW

In mijn kerkelijke periode sprak ik met Christenen die meenden dat de Bijbel van kaft tot kaft het woord van God representeerde. Als je hier je vraagtekens bij plaatste dan gingen de wenkbrauwen omhoog omdat je je dan op een gevaarlijk pad begaf. Die van-kaft-tot-kaft visie ging er bij mij maar moeilijk in. Zelfs het geringste beetje historisch onderzoek liet zien dat de Bijbel historische onjuistheden bevat. Toen ik verder keek ontdekte ik dat de Bijbel teksten bevat die opgeschreven zijn door min of meer geïnspireerde auteurs en die gekleurd zijn door de cultureel historische episode waarin ze zijn opgetekend. Heb ik toen de Bijbel maar in de hoek gegooid? Nee dus. Het is een prachtig boek waarvan de betekenis voor vooral onze westerse levensvisie nauwelijks overschat kan worden. Bovendien blijft het voor mij een bron van inspiratie en zingeving.

Een soortgelijke ervaring deed ik afgelopen jaren op toen ik me soms kritisch uitliet over de blauwe versie van ECIW, de zogenaamde FIP (Foundation for Inner Peace) editie. Ook over dit boek leeft het geloof dat het volledig geïnspireerd is, in dit geval door Jezus, en dat we ons niet druk hoeven te maken over de invloed van de personen die betrokken waren bij het opschrijven en redigeren van de tekst. Ook hier reageert men fel als ik hier kanttekeningen bij plaats. Wonderlijk toch.

Mijn bewondering voor ECIW is groot en hetzelfde geldt voor mijn dankbaarheid richting Helen Schucman, Bill Thedford en Ken Wapnick voor de moeite die zij hebben gedaan om dit meesterwerk beschikbaar te maken voor mij en voor iedereen. Zonder te overdrijven durf ik te stellen dat dankzij deze mensen mijn leven is veranderd, dat het rijker is geworden. Maar ook hier geldt dat er in het proces van het tot stand komen van bijvoorbeeld dit blauwe boek keuzes zijn gemaakt en dat er aantoonbaar fouten zijn gemaakt, ondanks de ongetwijfeld zuivere intenties van de betrokkenen. Dit wordt overduidelijk als je de ontstaansgeschiedenis leest zoals opgetekend door Robert Perry van The Circle of Atonement in zijn Complete & Annotated edition of ACIM (Appendix 2). Men zou kunnen stellen dat dit niet meer is dan de persoonlijke mening van Robert Perry. Maar ook dit is veel te kort door de bocht. Ook binnen de vereniging gesticht door Ken Wapnick ontdekte men stevige fouten bij het tot stand komen van de eerste FIP-editie; fouten die werden hersteld in de tweede editie. Niets menselijks was de editors vreemd. Overigens spreekt Robert ook zijn waardering en dankbaarheid uit voor de FIP-editie.

Ik heb de ontstaansgeschiedenis van ECIW zoals opgetekend in genoemde Appendix 2 vertaald en als pdf op mijn website gezet. Je kunt er in terugvinden hoeveel tekst er ten opzichte van de oorspronkelijke aantekeningen van Helen Schucman niet is opgenomen in de blauwe versie en wat hiervoor de reden was. De mensen die menen het blauwe boek te moeten verdedigen stellen dat alleen het materiaal dat bedoeld was voor Helen en Bill persoonlijk verwijderd is. Dat blijkt wat te simpel voorgesteld. Er is veel meer weggelaten dan dat. Ik citeer:

Wie zou de Cursus niet praktisch toegepast willen zien op onderwerpen als je kwetsbaar voelen voor de lage perceptie van je waarde door je ouders; inzicht krijgen in jezelf door je kindertijd te onderzoeken in therapie; seksuele fantasieën; de oorzaak van overeten; op bezoek gaan bij je schoonmoeder terwijl je gepland had ’s avonds thuis te blijven; hoe je kinderen opvoedt; de werkelijke betekenis van Don Quichot; iemands rapport herschrijven omdat je niet wilt dat het een organisatie schaadt waar je om geeft; een uitnodiging voor een lunch accepteren omdat je je verplicht voelt; Freuds concepten van het id, ego en superego; Jungs archetypen; het idee van karma? Al deze discussies – en nog veel meer – staan in het oorspronkelijke dictaat.

In het algemeen geldt dat men bij het maken van de FIP-versie ernaar gestreefd heeft om concrete voorbeelden achterwege te laten. Hierdoor is ook de hele sectie over de werking en betekenis van wonderen, niet onbelangrijk bij Een Cursus in Wonderen, wel erg abstract en cryptisch geworden. Ik citeer:

Helaas is deze basis ernstig aangetast door de bewerking. In de FIP-versies zijn de eerste twee hoofdstukken ongeveer vijfendertig procent van hun oorspronkelijke lengte. De details zijn verdwenen. De taal is vager. En de wonderprincipes – die oorspronkelijk verspreid door hoofdstuk 1 stonden – zijn uit hun context gelicht en gepresenteerd als een serie kale, cryptische uitspraken in het openingsgedeelte. Het resultaat is een voortdurend, fundamenteel misverstand over wat een wonder is, waarbij de belangrijkste betekenis van “wonder” in de Cursus – een uitdrukking van liefde voor anderen – bijna volledig uit het collectieve begrip van de studenten van de Cursus is verdwenen. En dit misverstand over het wonder heeft een fundamenteel misverstand betekend over wat Een cursus in wonderen is.

De grootste verschillen zitten dus vooral in de eerste hoofdstukken maar deze vormen juist de basis waarvan Jezus vond dat Helen en Bill deze goed moesten bestuderen en tot zich nemen. Robert Perry sluit zijn verhandeling af met de volgende woorden:

Met andere woorden, het vroege materiaal vormde een broodnodige brug naar de onbekende wereld van de ideeën van de Cursus, het soort brug dat Helen en Bill nodig hadden, het soort brug dat elke student nodig heeft. Toch werd deze brug min of meer afgebroken. Nieuwe studenten werden daardoor geconfronteerd met een snelstromende rivier van vreemde ideeën, verpakt in abstracte en cryptische taal. Het is geen wonder dat veel studenten deze rivier nooit oversteken of het zelfs maar proberen, en dat degenen die het wel proberen vaak niet daar uitkomen waar de Cursus het bedoeld had, maar in plaats daarvan ver stroomafwaarts.

Hierbij laat ik het. Zelf lees ik nog bijna dagelijks in mijn vertrouwde blauwe boek. Maar ik ben dankbaar voor de complete versie die zoveel aanvullende informatie geeft en mij daardoor flink heeft bijgestuurd in mijn werken met de cursus. Dus voor wie wil: van harte aangeraden om je blik te verruimen.

Je vindt de nieuwe pagina over de verschillende edities van ECIW via deze link:

De verschillende edities van ECIW

Met mild gelach.

Het is een overbekende passage uit Een Cursus in Wonderen (Txt 27: VIII, 6):

Laten we de droom die hij heeft weggegeven teruggeven aan de dromer, die de droom ziet als iets los van hem dat hem is aangedaan. In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen. Samen kunnen we ze beide weglachen, en begrijpen dat de tijd geen inbreuk kan maken op de eeuwigheid. Het is ridicuul te denken dat de tijd de eeuwigheid kan omringen, die juist betekent dat er geen tijd bestaat.

Als dit “vergeten om te lachen” ons zo in de problemen heeft gebracht dan zal “weer gaan lachen” wel de oplossing zijn. Zo redeneren sommige ECIW-studenten en, helaas, ook leraren. Vervolgens proberen we te gaan lachen om ons eigen leed en om de beelden van rampspoed op de tv. Maar Jezus heeft ons geen Een Cursus in Weglachen gegeven maar een Cursus in Wonderen. En wonderen zijn uitingen van liefde. Kennelijk moeten we preciezer kijken hoe het nu zit met dat lachen.

Het citaat zegt dat het lachwekkende hierin zit dat we denken dat “de droom los van ons staat en iets is dat ons is aangedaan”. Het is onhandig, lachwekkend, dat we denken dat wat wij zien als een vervelende fysieke werkelijkheid, los van ons staat. Anders gezegd: het geloof in de afscheiding is op zichzelf lachwekkend maar degene die gelooft in de afscheiding is dat zeker niet! Zie je het enorme verschil?

Zonen van God die geloven in afscheiding dienen niet uitgelachen te worden maar geholpen te worden en wel door ons, door wonderdoeners die handen en voeten geven aan liefde. We zijn geroepen tot wonderwerkers en niet tot clowns. Vergelijk het met een kindje dat een enge nachtmerrie heeft. Je lacht je kind niet uit om zijn of haar onnodige angst maar je sluit het in je armen en troost het. Mogelijk dat je dan daarna samen kunt lachen om die malle droom die niet echt is.

De weglach-methode lijkt dikwijls gebaseerd op de angst om de illusie echt te maken. Vanuit deze zelfde angst besluit men daarom maar om geen hulp te bieden. Want, zo redeneert men, als je die ander daadwerkelijk helpt dan gelooft hij dat hij echt hulp nodig had en dat kan niet de bedoeling zijn. Als je dit meent kan het behulpzaam zijn om je te verdiepen in het leven van Helen Schucman. Je kunt dan lezen dat Jezus door haar heen andere mensen helpt. Heel praktisch, heel gewoon, zonder angst om hun illusie echt te maken. Het zou eigenlijk overbodig zijn te moeten melden dat we Jezus vanuit de Bijbel niet anders kennen dan als helpende wonderdoener.

Natuurlijk moeten we niet doorslaan. Het is de bedoeling dat we gaan leren dat de droom niet los van ons bestaat. We moeten juist gaan zien dat we deze zelf bedenken, zelf dromen. De weg bestaat uit de erkenning dat het onze eigen zonde-schuld-angst-projecties is. Wat we zien wijst ons op onze (en onze broeders) roep om liefde. Het valt niet mee om de juiste balans te vinden tussen waarheid en liefde, hoofd en hart. Het harteloos en verstandelijk proberen te leven volgens een absolute eenheidsfilosofie leidt tot harteloos gelach. Het niet onderkennen van het feit dat je zelf de dromer bent en dat de droom niet los van jou bestaat, kan leiden tot goed bedoeld “liefdevol” knutselen aan de droom. Het is een kunst om niet hatelijk te lachen maar ook niet verlamd te huilen. Het is de kunst van liefdevol lachen.

Jezus vond het nodig om, 30 jaar na verschijnen van ECIW, het accent op verbinding, vereniging, relatie en vooral op liefde te benadrukken door aan Mari Perron het boek Een Cursus van Liefde (ECvL)  te dicteren. Niet om de droom van de fysieke wereld echt te maken maar om ons te wijzen op onze identiteit als wonderwerkers; ontvangers en kanalen van liefde.

Maar we hoeven ECIW niet te verlaten om te zien hoe Jezus dit lachen bedoelt en alleen maar verder te lezen in hoofdstuk 27. In paragraaf 9 blijkt hoe de Heilige Geest optreedt als liefdevolle Ouder voor ons en hoe hij ons troost. En zie in de laatste regel hoe Hij daarbij jou broeder niet vergeet.

Met mild gelach neemt de Heilige Geest de oorzaak waar, en kijkt niet naar de gevolgen. Hoe zou Hij anders jouw dwaling kunnen corrigeren, jij die de oorzaak volkomen over het hoofd hebt gezien? Hij nodigt jou uit ieder verschrikkelijk gevolg bij Hem te brengen, zodat jullie samen naar de dwaze oorzaak ervan kunnen kijken, en jij met Hem een ogenblik kunt lachen. Jij beoordeelt gevolgen, maar Hij heeft hun oorzaak beoordeeld. En door Zijn oordeel zijn de gevolgen weggenomen. Misschien kom jij in tranen. Maar hoor hoe Hij zegt: ‘Mijn broeder, heilige Zoon van God, aanschouw je ijdele droom waarin dit kon gebeuren.’ En je zult het heilig ogenblik verlaten met jouw lachen en dat van jouw broeder, vergezeld van het Zijne.

Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.

Ik verliet de kerk omdat ik niet langer kon toezien dat er negatief werd gesproken over mijn Vader. Hij, die één en al liefde is, zou straf eisen van ons. Hij wilde wraak. Iemand moest boeten voor alle zonden. Zo kende ik Hem niet. In ECIW gaf Jezus mij mijn Vader weer terug. Hij bevestigde mijn vreugde door te vertellen dat de Vader Liefde is. Liefde die Zichzelf weggeeft aan ons. Natuurlijk weet ik dat God geen “pappie” is die ik voor mijn ego-karretje kan spannen. Maar Zijn liefde is echt. Ze vormt mijn Bron, mijn wezen, de basis van mijn bestaan.

Dus Jezus is niet het offerlam dat met Pasen gekruisigd moest worden om mijn Vader tevreden te stellen. Jezus is mijn oudere broeder die precies weet wat ik doormaak omdat hij zelf rondliep op aarde, in deze droom, zoals je wilt. Hij was echt mens, net als ik, net als jij. Ik herken mijn broeder als echt mens als hij angstig bidt in de tuin van Getsemane. Ik herken zijn gevoel van bittere eenzaamheid als hij aan het kruis uitroept: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”. Hij is een mens die lijdt. “Mij dorst”, weet hij uit te brengen. Deze twee woorden hakken er bij me in. “Mij dorst”. Ach, mijn broeder Jezus. Daar hang je dan met helse pijn. “Mij dorst”. Maar dan. Dan spreekt hij de woorden die alles veranderen. Vanuit die diepste duisternis schreeuwt hij met zijn laatste kracht, met het laatste restje hoop de woorden: “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest”.

En dan gebeurt het. Dan scheurt het voorhangsel in de tempel, de barrière tussen ons en de Vader en blijkt dat Jezus niet alleen mens is, maar ook God. Dan onthult hij zijn en onze ware natuur. Zijn dode lichaam wordt niet meer gezien maar vanuit zijn ware geestelijke wezen kan hij ervoor kiezen om met ons via lichamelijke vorm te communiceren. Zo komt hij ons tegemoet in ons onvermogen om met geestelijke ogen te zien. Zijn communicatie met ons gaat door en hij helpt ons via zijn Heilige Geest om ons ook terug te leiden naar de Vader. De sleutel hiertoe gaf hij ons: “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest”.

Als ik (de complete editie van) Een Cursus in Wonderen lees dan herken ik direct de stem van mijn broeder. Na een jaar werkboeklessen te hebben gedaan reikt hij ons dezelfde ultieme sleutel aan als 2000 jaar geleden:

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.
Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen,
in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

In het vervolg van ECIW, Een Cursus van Liefde (ECvL), gaat Jezus direct de dialoog aan met mij. Hij nodigt mij uit om de heilige relatie, de omarming, binnen te treden. Wat een zegen, wat een opstanding, wat een blijde boodschap!

Soms krijg ik het gevoel dat in de ECIW-kerk een nieuwe vorm van Schriftgeleerden de kansel beklommen hebben. Ze hebben precies uitgezocht hoe het nu zit in ECIW. Jezus wordt streng toegesproken door hen:

“Jongeman, hoor eens even. Dat angstige gedoe in Getsemane sloeg natuurlijk nergens op. Dat is gebaseerd op geloof in afscheiding. Een echte Messias kent geen angst. Je kunt dan ook geen pijn en dorst ervaren hebben, daar staat een Messias ver boven. Wat je wel goed zag was dat God je verlaten had, want wij hebben uitgezocht dat God niets weet van de afscheiding dus ook niets van jouw zogenaamde leed. Maar jongeman, had het daar toch bij gelaten. Waarom nu toch dat kinderlijke geloof aan het eind? Die uitspraak dat je je geest in handen van pappie beveelt? Er is geen pappie die om jou geeft, dat hebben we je toch net uitgelegd?”

De nieuwe Schriftgeleerden weten het heel precies. De Jezus uit ECIW is niet dezelfde Jezus als die uit de Bijbel. Het was het symbool dat Helen Schucman voor zich zag toen ze ECIW dicteerde. En die Bijbelse taal in ECIW, dat gepraat over de Vader met Zijn Zonen en de Heilige Geest, dat zijn natuurlijk kinderlijke metaforen die nergens op slaan want in absolute eenheid is hier geen ruimte voor. Dat hele gedoe rond naastenliefde is ook erg achterhaald. Ook al staat in ECIW dat we niet alleen het wonder voor onszelf mogen aanvaarden maar dit ook moeten aanbieden aan anderen, weten wij nu dat er in absolute eenheid geen anderen zijn. Het gaat om jou en jouw perceptie. De nieuwe Schriftgeleerden leggen geduldig uit dat de gelijkenissen van de verloren zoon en de barmhartige Samaritaan onzin zijn want God weet niets van verloren zonen en er zijn geen anderen om te helpen. Het is gewoon een kwestie van je perceptie over al deze kwesties bijstellen. Een laatste gouden tip? Jezus had aan het kruis geen centje pijn, voerde een toneelstukje op en lachte in zijn vuistje om zoveel onbegrip bij het publiek.

Maar dan mijn broeder aan het kruis. Wat zegt hij nog meer? Zegt hij: “er zijn geen anderen”? Nee, hij kijkt naar zijn broeder naast hem aan een ander kruis en zegt:

“Ik zeg u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn”.

Hij bekommert zich om zijn moeder en zegt tegen haar en tegen de discipel die hij liefhad:

“Vrouw zie uw zoon. Daarna zei hij tot de discipel: Zie, uw moeder”.

Ooit wilde ik niet dat over mijn Vader werd gesproken als over een wraaklustige God. Nu wil ik niet dat Hij wordt neergezet als onverschillige, absolute eenheid. Ook wil ik Jezus niet kwijt. Hij die begrijpt wat ik meemaak, mijn oudere Broeder.

Jezus kon destijds tekeer gaan tegen Schriftgeleerden maar toch hield hij van hen. Ook ik houd van hen want mede dankzij hen heb ik geleerd dat als ik hen veroordeel, ikzelf vergevingswerk heb te doen. Ik gun hen naast al hun wijsheid ook en bovenal zijn liefde.

Genoeg over de kruisiging. Want hoewel ik geloof dat Jezus echt mens was en pijn had zoals wij pijn ervaren, zo geloof ik ook dat het niet gaat om de verheerlijking van het leed maar om de verlossing. Om de steen die wegrolt, die uit ons hart wordt verwijderd opdat wij ons mogen overgeven aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Kortom, aan de Liefde. Opdat we de opstanding mogen vieren en weten dat de dood een illusie is. Halleluja.

Heelheid van hoofd en hart.

Een lezer van Een Cursus van Liefde (ECvL) vroeg me of ik, net zoals ik doe over Een Cursus in Wonderen (ECIW), ook over ECvL blogs wilde schrijven in “Jip en Janneke taal”. Ik zou graag aan haar verzoek voldoen maar kan dit niet. ECvL is volgens mij een boek dat je alleen kunt waarderen door het zelf te beleven. Wat ik wel kan doen is mijn eigen, persoonlijke ervaring bij het lezen van ECvL delen. Dit is dan niet primair bedoeld om iets te verklaren of uit te leggen. Ik heb gemerkt dat het fijn en goed is om zo te delen en dat hierbij niets goed of fout is. Dat komt omdat iedereen door ECvL persoonlijk wordt aangesproken met de woorden die je op dat moment nodig hebt. Ik merk dan ook dat ik bij elke herlezing met stomheid geslagen wordt over wat het boek vanbinnen bij me doet. Elke keer weer opnieuw.

Door het aangaan van de relatie met Jezus, door je de heilige relatie binnen het Christus-bewustzijn te herinneren, treedt een soort innerlijke transformatie op. Als je, na- en vanuit deze transformatie, opnieuw het boek leest gebeurt, tot mijn verbazing, weer een transformatie. Het is een soort verdieping van de herinnering die blij maakt en ook heel sterk een gevoel oproept van “ja, het klopt volledig!”. Zowel hart als hoofd vieren feest en je weet en voelt dat juist deze harmonie tussen hoofd en hart zowel weg als doel zijn van het boek. ECvL spreekt over heelheid-van-hart en bedoelt hier in mijn beleving deze herstelde harmonie mee.

Wat ik ook merk is dat er een prachtige harmonie en continuïteit bestaat tussen ECIW en ECvL. Ik weet dat sommige ECIW-leraren dit anders zien. Zij zien ECvL als “een duale knieval” voor de absolute waarheid. Afgelopen jaren heb ik dit standpunt leren vergeven en leren zien als (tijdelijk) onbegrip. Ik ben angstig geweest dit zo te formuleren omdat het lijkt te getuigen van oordeel en zelfs van arrogantie. Maar zo ervaar ik dit niet meer. Ik kan niet anders dan volmondig, zonder schroom en valse schaamte, aangeven dat in mijn beleving ECvL voor 100% de voortzetting is van ECIW. Niet een aanvulling, niet een vervanging maar een voortzetting, precies zoals Jezus zelf in ECvL over dit boek spreekt.

Zelf leer ik dat het herstel van de balans tussen mijn hoofd en hart ertoe leidt dat ECvL (maar ook ECIW!) steeds dieper en directer binnenkomt. Hierdoor kan ik me goed inleven in het standpunt dat ingenomen wordt door broeders en zusters die meer dan ikzelf (nog) vanuit hun hoofd omgaan met ECvL (en ECIW). Vanuit het hoofd zie je verschillen, tegenspraak en wil je weten “wat nu klopt”. Als de balans verschuift naar het hart dan verdwijnt de tegenspraak en komt de glorieuze harmonie naar boven.

Het is tijd voor mij om hier duidelijk over te zijn. Om dit vanuit heelheid-van-hart uit te spreken. Niet met als doel om gelijk te krijgen. Slechts met als doel om broeders en zusters die vanbinnen aanvoelen dat ze toe zijn aan ECvL te helpen om een onjuist oordeel over ECvL te kunnen vergeven. Ik heb zelf moeten leren iedereen zijn weg en zijn tempo van harte te gunnen maar ook om mezelf te gunnen mijn blijheid te delen voor wie het wil horen.

ECIW is een boek vol waarheid en liefde. Sommigen hebben de focus vooral op het waarheidsaspect gelegd waardoor de balans (tijdelijk) verstoord werd. In de relatie met de Vader en met onze broeders en zusters sluipt dan weer het element van afscheiding naar binnen. Hier moest ik aan denken bij de volgende tekst uit Hoofdstuk 8 van ECvL.

8.19 Dit moment, zonder gewaarzijn van het lichaam, is in Een Cursus in Wonderen heel mooi omschreven als het Heilig Ogenblik. Je denkt misschien dat observatie van je lichaam geen goede manier is om dit te bereiken, maar als je observeert leer jij jezelf gescheiden te houden van wat je ziet. Hier is echter een aanmaning nodig, een waarschuwing om niet met je hoofd te observeren, maar met je hart. Dit toegewijde observeren zal een heiligheid bevatten, een gave om te zien, die jouw normale wijze van zien overstijgt.

8.20 Misschien begin je nu compassie te voelen voor dit lichaam dat je al zo lang als je thuis hebt beschouwd. Het blijft maar gaan, nog maar een keer slapen en wakker worden. Het laadt zich nog eens op met energie. En verbruikt die energie nog een keer. En het wordt weer eens moe. Het begroet weer een nieuwe dag en die begroeting ligt zwaar op je hart. Iedere dag toont je dat alles voorbijgaat. Soms is dit een reden tot vreugde. Een andere keer reden tot verdriet. Maar nooit kan eraan ontkomen worden dat iedere dag zowel een begin als een einde in zich draagt. De nacht is even zeker als de dag.

Het observeren van je lichaam is een uitstekende manier om te ontdekken dat je niet ermee samenvalt. Maar sommige ECIW-leraren kunnen doorslaan van “je bent niet dit lichaam” naar “je hebt niks met dit lichaam te maken”. In feite sluipt dan het oordeel weer binnen in de waarneming en daarmee afstandelijkheid. Want ook al is dit lichaam niet je ware aard, het is wel jouw projectie binnen de (denk)geest. En de centrale boodschap van ECIW, ik durf haast te zeggen de werkwijze, is niet zozeer ontkenning maar vergeving, heling. Vandaar het belang van de Heilige Relatie en van het Heilige Ogenblik. De wat kil geworden observatie moet genezen, warmer worden, onder curatele van het hart komen.

Je voelt deze warmte in de tekst. Maak je hiermee het lichaam echt? De grote angst van sommige ECIW-leraren? Nee, je hoofd weet wat het lichaam is maar pas via de compassie van het hart voorkom je te vallen in de neiging om er (duaal) afstand van te willen nemen (ECIW noemt dit ontkennen van het lichaam overigens “onwaardig” in de zin van onnodig en onhandig).

In ECvL komt het Engelse begrip “observance” naar voren dat we hebben vertaald als “toegewijde waarneming”. Waarnemen met mildheid, wijsheid en liefde, hoofd en hart, heilige relatie. Zie je het? Voel je het? Naarmate je hier meer begrip en gevoel voor krijgt ontsluit ECvL (en ECIW) zich voor je. Meer en meer, dieper en dieper. Wat een wonder. Het vervult me met ontzag en liefde.

De wegen van het Zelf zijn ondoorgrondelijk?  

Één van de lastigste boodschappen van ECIW, zeker om uit te leggen aan niet-studenten, is dat wij de ellende die we meemaken over onszelf afroepen. Werkboekles 31 vat het kernachtig samen: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie” en werkboekles 196 wrijft het er nog eens flink in: “Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen”. Deze boodschap roept makkelijk schuld en verontwaardiging op. Dat schuldgevoel betreft dikwijls de ellende die we zelf meemaken. Het voelt dan letterlijk als “eigen schuld, dikke bult”. Als ik ziek ben en lijd moet ik wel iets verkeerd hebben gedaan, of liever gezegd, gedacht. De verontwaardiging en boosheid komen dan ook vooral naar boven als het voor ons evident is dat er van schuld helemaal geen sprake kan zijn zoals bij onschuldige slachtoffers, denk aan zieke baby’s, kinderen en aan slachtoffers van oorlog of van natuurrampen. Op ECIW-bijeenkomsten vertellen leraren dat we deze uitspraken dan ook maar beter niet kunnen citeren bij mensen die de cursus niet kennen. Dat lijkt me verstandig maar zijn wij zelf dan wel zo gevorderd dat we ons niet langer verbazen of opwinden over deze uitspraken?

Vroeger meende men dat we te maken hadden met een straf van God. Ook hier gold dat we ergens vermoedden dat we iets fout gedacht of gedaan hadden. God, die immers in het verborgene ziet, kon deze zonden niet zomaar laten passeren en strafte ons met tegenspoed. Het Oude Testament staat vol met voorbeelden van deze oorzaak-gevolgrelatie: de hoofdrolspeler doet iets verkeerd (hij aanbidt bijvoorbeeld een afgod) en God stuurt ziekte of andere ellende. Ook hier weer zo’n illustratief spreekwoord dat de kern van de kwestie aangeeft: “de mens wikt, maar God beschikt”. Wij (dus ik ook) spreken als cursus-studenten soms wat neerbuigend over dit primitieve geloof in een wraaklustige God en menen dat wij wel beter weten: God is één en al liefde en heeft niets met onze ellende te maken want wij weten dat wij het zelf zijn die de ellende bedenken. Als Zoon van God willen we ons afscheiden en dat lukt heel goed als we geloven dat we afgescheiden en kwetsbare wezentjes zijn die van alles overkomt. Wij straffen dus, onbewust, onszelf en dit versterkt de illusie van afgescheidenheid en slachtofferschap.

Maar verschillen deze twee visies, die van orthodoxe gelovigen en die van ECIW-studenten, nu werkelijk zo veel van elkaar? Hebben wij niet de wraaklustige God van de Christenen, van wie we zo slecht hoogte krijgen, vervangen door een evenzo wraaklustig hoger Zelf waar we ook geen contact mee hebben en die ons arme kleine en afgescheiden wezentjes ook allerlei ellende bezorgt? Zie je dat het gewoon meer van hetzelfde is? Vervang God door Zelf en het narratief is, vanuit ons beperkte gezichtspunt, exact hetzelfde. We hebben geen zicht op de grillen van God maar ook niet echt op die van dat hogere Zelf van ons. We vragen ons richting God en Zelf nog steeds af: wat doe of denk ik dan verkeerd?

Dan de weg naar verlossing. ECIW-studenten krijgen te horen dat we ons geloof in afgescheidenheid moeten loslaten en dat deze genezing van de denkgeest in principe zal leiden tot genezing van het lichaam. Daar zit een opvallende paradox in verborgen. Genezing van de denkgeest betekent dat we langzaam maar zeker gaan beseffen dat we juist geen lichaam zijn. Als we ons ware Zelf benaderen dan beginnen we door te krijgen dat we niet samenvallen met dat lichaam en dan identificeren we ons dus ook minder met het ziek zijn ervan. Kunnen wij dat als klein zelf zelf doen? Dat besluipen van ons grote Zelf? Nee, “ik hoef niets te doen”. Juist de illusie dat het kleine zelf, het ikje, er iets aan zou kunnen doen houdt ons gevangen in de illusie van afgescheidenheid. We stellen dat we de Heilige Geest om leiding moeten vragen. Als we het probleem bij hem neerleggen zal Hij onze denkgeest genezen. Dit vergt dus vertrouwen.

Ook hier geldt weer: zoek de verschillen met het klassieke geloof met christenen die bidden om genezing. Ook zij beseffen dat ze zelf weinig kunnen doen en dat alles pure genade is van God. Zij moeten Hem (of Jezus of de Heilige Geest) vertrouwen en bidden om genezing. Wij als studenten kunnen ons verheven voelen boven die neiging om te bidden voor lichamelijke genezing omdat wij zouden beseffen dat genezing de denkgeest dient te betreffen omdat het lichaam niet echt is. Ondertussen hopen we toch stiekem vooral ook op genezing van het lichaam.
Christenen bidden natuurlijk ook primair om geestelijke steun en niet per se om lichamelijke genezing. Ik heb christenen ontmoet die in overgave aan de Vader een wonderschone en serene uitstraling hadden die door het doodzieke fysieke omhulsel heen straalde.

Dit alles laat mij de betrekkelijke waarde zien van dweperij met de zogenaamd superieure metafysica van ECIW. Het is fijn dat we niet langer negatieve gedachten projecteren op die onbegrijpelijke God maar als we deze God slechts vervangen door een even ver van ons afstaand en onbegrijpelijk Zelf dan schieten we er niet zo veel mee op. Mijn Zelfs wegen zijn ondoorgrondelijk, ik wik maar mijn Zelf beschikt.

Veel belangrijker is de terugweg. En daar vinden we elkaar met wellicht als enige verschil dat studenten het woord “zonde” zouden vervangen door “geloof in zonde”. Er zijn Christenen die geloven dat hun zonden vergeven worden door te geloven in het verhaal van de gekruisigde en opgestane Jezus. Maar natuurlijk is dit voor de echte christen slechts een opstapje om zich daarna in vertrouwen over te geven aan Jezus, de Vader of de Heilige Geest door te oefenen in vergeving, gebed, lofprijzing en gezang. Op vergelijkbare wijze zijn er ECIW-studenten die menen dat een goed begrip van de metafysica voldoende is voor hun verlossing. Maar echte studenten weten dat verlossing (verlichting, bewustzijnsverruiming, genezing van de denkgeest) slechts plaatsvindt door verandering van hun denkpatronen met werkboeklessen waarin stoppen met oordelen, vergeving, overgave aan Jezus, de Vader of de Heilige Geest centraal staan.

In beide wegen leidt alleen het opgeven van oordelen, liefhebben van de naasten en het zich uitstrekken naar de leiding door God/Jezus/HG/Zelf tot het diepe besef dat we geestelijke wezens zijn en dat ons lichaam een tijdelijk voertuig is. In overgave aan dat hogere overstijgen we de illusie van een lijdend, klein en kwetsbaar zelf te zijn. Christenen spreken van bekering, ECIW studenten zeggen “choose again” en kies voor een juiste gerichtheid van de denkgeest.  Ware troost en inzicht vinden we als we ons kleine zelf laten oplossen in Liefde, welke naam we ook maar aan deze Liefde willen geven.   

Menselijkheid

Gelukkig leven de meeste ECIW-studenten niet volgens hun geloof in absolute eenheid. In deze absolute eenheid, soms aangeduid als niveau I, kan per definitie niets aan de hand zijn. Er is geen tijd, geen ruimte, geen vormen, geen onderscheid noch differentiatie, geen ik en jij, noch een Vader met Zonen of een Heilige Geest. Het is allemaal super overzichtelijk. Deze overzichtelijkheid spreekt ons erg aan en we ontlenen er wat absolute oneliners aan. We noemen deze eenheid dan God en we stellen, omdat er per definitie geen gebeurtenissen kunnen zijn, dat God niets weet van de wereld en van de problemen erin. Hieruit volgt dat Hij geen weet kan hebben van onze problemen want anders, zo zegt men dan, zou Hij deze echt maken. Uit het één volgt het ander. In deze eenheid kunnen er, naast de aanwezigheid van mijzelf die toch wel weer mogelijk blijkt, natuurlijk geen anderen zijn. Als ik dat wel denk dan geloof ik slechts mijn projecties. En als er geen anderen zijn dan zijn er natuurlijk al helemaal geen hulpbehoevende anderen. God verhoede, ander zou ik ook de illusie echt maken. Het wordt lekker overzichtelijk zo. Als ik tenslotte Jezus en de Heilige Geest tot symbolen verklaar in mijn eigen denkgeest dan is het plaatje wel zo’n beetje rond. Alleen niveau I is echt en mijn lichaam, de wereld, anderen et cetera behoren tot niveau II en dit is denkbeeldig.

Maar gelukkig, zoals ik al zei, wordt de absolute eenheidssoep niet zo heet gegeten als deze wordt opgediend. We stappen zelf toch maar opzij voor de naderende bus en steken de helpende hand toe als onze dierbaren in nood verkeren ook al nemen we daarbij het risico “de illusie voor onszelf en voor die ander echt te maken”. We proberen zelfs ons ECIW-medestudenten die nog niet zo ver zijn als wij erop te wijzen dat al de teksten die Jezus ons in ECIW aanbiedt en die handelen over de Vader, Zonen, Jezus en over de Heilige Geest niet meer zijn dan kinderlijke metaforen die hij wel moet gebruiken omdat we nog niet toe zijn aan de onversneden non-duale waarheid. Gelukkig kunnen wij ze helpen door te zeggen dat deze Vader “natuurlijk” niets weet van deze wereld, dat ook Jezus ons niet de helpende hand kan bieden en dat natuurlijk ook de Heilige Geest ons niet echt praktisch kan leiden in een wereld die immers niet bestaat.

Tja; wat kan ik hier nog aan toevoegen? Ik zou slechts twee zaken willen opmerken. Als eerste dat men niet voor niets gewoonlijk eerder spreekt over non-dualiteit dan over absolute eenheid. Anders gezegd: we stellen dat de werkelijkheid niet twee is, dus dat er geen afgescheidenheid bestaat, maar dat we toch ook ergens wel aanvoelen dat er iets mysterieus, iets paradoxaals aan de hand is. Want binnen de ogenschijnlijke absolute eenheid merkt ook Jezus in ECIW op dat er wel degelijk sprake is van Schepping, van uitbreiding van liefde. Hij spreekt ook van heilige-relaties, een term waarin dezelfde paradox schuilgaat als in de term non-duaal: heilig duidt op heelheid, op eenheid maar voor een relatie om mogelijk te zijn moeten er toch meer dan één zijn. Genoeg hierover; ik verwijs graag naar een mooi stuk hierover door <https://eciwcoach.com/is-een-cursus-in-wonderen-een-non-duale-visie/>.

Het tweede dat ik wil opmerken is dat ik heb gemerkt dat de woorden die Jezus ons geeft in ECIW, hoe symbolisch of metafoor deze ook mogen zijn, behulpzamer zijn dan de op absolute eenheid gebaseerde oneliners. Dat is ook niet moeilijk te begrijpen als we ons herinneren dat Jezus zowel in Nieuwe Testament als in ECIW, iets extra’s toevoegt aan die populaire eenheidsfilosofie. En dat “iets” is niet zomaar iets. Het is “Liefde”. En voilà, de bleke kille eenheid krijgt plotseling kleur op de wangen. Want God die naast eenheid, goddank, ook liefde is blijkt in de “kinderlijke” taal van Jezus in ECIW meer op ons betrokken dan we zo stellig meenden:

Txt 4: VII,6: 4 Maar zolang jij je rol in de schepping niet vervult, is Zijn vreugde niet compleet omdat de jouwe incompleet is. En dit weet Hij. Hij weet het in Zijn eigen Wezen, en in de ervaring daarvan van Zijn Zoons ervaring. Het voortdurend uitvloeien van Zijn Liefde wordt belemmerd wanneer Zijn kanalen gesloten zijn, en Hij is eenzaam wanneer de denkgeesten die Hij geschapen heeft niet ten volle met Hem communiceren.

En hiermee krijgen we ook een handvat aangereikt voor onze omgang met onze dierbaren in nood. Want in die wonderlijke eenheid blijkt onze Vader toch echt Zonen, meervoud, te hebben geschapen. Dus halleluja, we zijn weliswaar al-één maar niet alleen, het wonder van de non-dualiteit, van schepping en van de heilige relatie. We hebben echte Broeders! En, net als wij, kunnen deze broeders de droom van afscheiding dromen. En natuurlijk is het niet de bedoeling dat wij deze droom an sich serieus nemen, maar het feit dat er nu een roep om liefde klinkt van een broeder moet ons, indachtig de bewogenheid van onze Vader, ook niet onberoerd laten.

Onze roeping is om wonderwerkers te zijn en het wonder te accepteren voor onszelf en aan te bieden aan onze naasten. En daartoe kunnen we prima onze (droom-) lichamen gebruiken die nu niet langer door ons misbruikt worden als symbolen van afscheiding maar als communicatiekanalen om onze broeders te bereiken. Want hoe begint Jezus (de complete editie van) Een Cursus in Wonderen?

“You will see miracles through your hands through me”
(Je zult via mij wonderen uit je handen zien komen)

Tenslotte voeg ik een heerlijke video toe van ECIW-leraar Koos Janson. Tegen het eind helpt hij een vraagstelster om te leren hoe zij kan kijken naar haar hulpbehoevende zoon. Zie hoe de waarheid van de eenheidsfilosofie en de liefdevolle warmte van het hart bij elkaar komen.

In het heerlijke boek Een Cursus van Liefde (ECvL) spreekt Jezus over heelheid-van-hoofd-en-hart (ofwel kortweg: heelheid-van-hart). Hierbij wordt de kille logica van ons verstand, dat zo makkelijk aan de haal gaat met een eenheidsfilosofie ,onder curatele geplaatst van het hart. Alleen zo kunnen wij onze functie vervullen en waarlijk menselijk en behulpzaam zijn.
https://youtu.be/djEh58uNafQ?si=8GO_Ps26HVpSPSRU

Kies bovenal voor Jezus’ woorden!

Jezus kiest zijn woorden in ECIW zeer zorgvuldig. Hij kent ons door en door en hij probeert woorden te kiezen die ons beroeren, woorden die ons iets tonen van de liefde die hij voor ons heeft. Dit geldt in het bijzonder voor de Werkboeklessen. Deze zijn bedoeld om ons een ervaring te bieden van dat waar het Tekstboek over handelt. De Werkboeklessen zijn niet bedoeld als een cursus metafysica.

Kijk bijvoorbeeld eens naar Les 71: Alleen Gods verlossingsplan zal werken.

Jezus hoopt dat wij het “verlossingsplan” van het ego de rug toe keren en ons wenden tot dat van God. Hij nodigt ons uit om Zijn leiding te volgen.

Les 71: 5: Gods verlossingsplan werkt eenvoudig omdat je, door Zijn leiding te volgen, naar verlossing zoekt waar ze is.

De les is heel specifiek en stelt (9):

Laten we met dit in gedachten de rest van de langere oefenperioden eraan wijden God te vragen Zijn plan aan ons kenbaar te maken. Vraag Hem heel specifiek:

Wat wilt U dat ik doe?

Waarheen wilt U dat ik ga?

Wat wilt U dat ik zeg, en tegen wie?

Vertrouw Hem de volledige leiding over de rest van de oefenperiode toe, en laat Hem je vertellen wat er volgens Zijn plan voor jouw verlossing door jou moet worden gedaan. Hij zal antwoorden in evenredigheid met je bereidwilligheid Zijn Stem te horen. Weiger die niet te horen. Alleen al het feit dat jij de oefeningen doet, bewijst dat je enige bereidwilligheid tot luisteren bezit. Dit volstaat om aanspraak op Gods antwoord te maken.

Doorvoel wat deze woorden van Jezus met je doen. Welke intentie deze woorden bij je oproepen. De woorden zijn zo zacht, zo liefdevol en uitnodigend. Ze raken ons hele wezen en komen binnen in ons hart. De woorden maken me hoopvol en dankbaar en ze maken dat ik me geleid en geliefd voel.

Maar dan….

Dan besluit iemand in de Facebook-groep van Een Cursus in Wonderen dat het behulpzaam is om extra uitleg toe te voegen aan deze woorden. Een uitleg afkomstig van de bekende cursusleraar Ken Wapnick. Ik citeer een deel van de uitleg:

In 3:4 schrijft Jezus: ‘Hij wil dat jij genezen wordt, dus heeft Hij de Bron van genezing daar bewaard waar de behoefte aan genezing ligt’. God wil niet dat jij genezen wordt want God weet niet dat jij ziek bent. Zou God weten dat jij ziek bent dan zou Hij de vergissing werkelijk maken.

Vergeet niet dat alles wat wij hier lezen symbolen zijn en Jezus wil ons op ons gemak stellen. Het is belangrijk te begrijpen dat dit de reden is waarom Een Cursus in Wonderen in een dualistische taal geschreven is, een taal die wij allemaal begrijpen.

 Is deze uitleg waar en behulpzaam?

Op de juistheid van “God wil niet dat jij genezen bent want God weet niet dat jij ziek bent” valt al veel af te dingen. Helaas weten veel cursusstudenten niet dat dit vooral de visie van Ken Wapnick weergeeft. Andere leraren zijn minder overtuigd van zijn uitspraak (zie eerdere post: ECIW = Een Cursus in Wapnicisme?).

Maar belangrijker is misschien nog wel de vraag hoe behulpzaam deze toelichting is. Ik zal het eens achter elkaar zetten:

Wapnick: God wil niet dat jij genezen bent want God weet niet dat jij ziek bent.

Jezus:  Laten we met dit in gedachten de rest van de langere oefenperioden eraan wijden God te vragen Zijn plan aan ons kenbaar te maken. Vraag Hem heel specifiek:

Wat wilt U dat ik doe?

Waarheen wilt U dat ik ga?

Wat wilt U dat ik zeg, en tegen wie?

Vertrouw Hem de volledige leiding over de rest van de oefenperiode toe, en laat Hem je vertellen wat er volgens Zijn plan voor jouw verlossing door jou moet worden gedaan. Hij zal antwoorden in evenredigheid met je bereidwilligheid Zijn Stem te horen. Etc

Wat gebeurt er met je bereidheid om uit te reiken naar God en Hem te vragen wat te doen en om op zijn leiding te vertrouwen als iemand je vertelt dat Hij niet weet dat je ziek bent en dus niet kan willen dat je genezen bent? Kun je dan verwachten Zijn Stem te horen? Is dit behulpzaam? Inspirerend?

Het commentaar stelt dat we vooral niet moeten vergeten dat  Jezus symbolen (en metaforen) gebruikt in de Cursus. Wij moeten ons volgens mij afvragen waartoe hij dit doet. De commentator stelt terecht dat er “dualistische taal” gebruikt wordt omdat wij het anders niet begrijpen. Ik zou het graag als volgt omschrijven:

Jezus kiest zorgvuldig woorden (symbolen en metaforen) die zo goed en kwaad als het kan behulpzaam zijn om ons iets van het diepste wezen van God, van het mysterie van de Schepping en over ons zelf te onthullen en die, indien toegepast in de werkboeklessen, behulpzaam zijn bij de genezing van onze denkgeest.

Er past ons grote bescheidenheid en voorzichtigheid als een commentator meent wel eens even precies uit te kunnen gaan leggen wat Jezus nu eigenlijk precies bedoelt vooral als hierbij gekozen wordt voor woorden die haaks staan op de inhoud van de les.

Moeten we dan alle uitleg (en dus ook deze blog) naast ons neerleggen? Dat is niet waar ik toe oproep. Ik heb veel gehad aan de vele boeken van Ken Wapnick maar heb ontdekt dat ook zijn visie onvermijdelijk gekleurd is. Een manier om hier zicht op te krijgen is om open minded kennis te nemen van andere visies en, zoals hierboven beschreven, op te merken of het commentaar behulpzaam is in je terugweg naar de omarming door onze Vader. Bij twijfel: laat je leiden door de woorden van Jezus zelf.

Ik ervaar het niet!

Dat is een uitroep die ik vaak hoor in contact met medestudenten. Sommigen zijn al jaren bezig met ECIW maar ze ervaren de inzichten waar het boek over handelt toch voornamelijk als iets dat ze kunnen geloven of niet. Anders gezegd: de metafysica leeft niet voor hen. Uitspraken als “alles is denkgeest” staan dan ver af van onze eigen ervaring. Ons lichaam voelt verdraaid echt, vooral als het de aandacht vraagt via pijn en ziekte. Dan kun je nog zo hard roepen dat je niet je lichaam bent, maar de praktijk van alledag blijkt weerbarstig.

Ik zal proberen kort een paar invalshoeken te noemen die mij helpen om ECIW niet te zien als een nieuw geloof zonder hierbij volledigheid na te (kunnen) streven. Om te beginnen: hoe ver komen we met ons “gezonde verstand”, met de weg van begrijpen? Ons verstand kan zowel behulpzaam zijn als een blokkade vormen. Het Tekstboek van ECIW vergt van ons de bereidheid om de inzichten ervan tot ons te nemen. Jezus weet dat wij sterk geloof hechten aan een materialistisch wereldbeeld. Dit wereldbeeld vormt de basis van waaruit ook wetenschappers denken. Bedenk maar eens hoezeer wij menen dat we sterven als ons lichaam verongelukt. We denken dat materie primair is en bewustzijn secundair. Het Tekstboek geeft ons een ander paradigma: de (denk-)geest is primair en wat wij beschouwen als de fysieke werkelijkheid (de wereld, ons lichaam) is onze perceptie binnen deze denkgeest. Het is goed om te schudden aan ons bouwwerk van geloof in een materialistisch wereldbeeld. Dit is precies wat het Tekstboek doet.

Dat kan ons vergezocht overkomen. Als je meent dat het Tekstboek ver van de “normale wereld” afstaat dan heb je in zekere zin gelijk. Het merendeel van de mensen, en dus ook van de wetenschappers, gaat uit van een materialistische (“fysicalistische”) wereldvisie. De laatste jaren ben ik echter op het spoor gekomen van de filosofische stroming genaamd “idealisme”, niet te verwarren met hoe wij normaal gesproken aankijken tegen iemand die een idealist is. Idealisme is de filosofische stroming die ervan uit gaat dat de werkelijkheid “mentaal” van aard is, dus dat bewustzijn primair is, net zoals het Tekstboek ons leert. Ik ben erg gecharmeerd van de in Nederland wonende filosoof / computerwetenschapper Bernardo Kastrup. Hij leidt zijn publiek met behulp van logica naar het inzicht dat er in feite maar één zekerheid voor ons bestaat: het feit dat we iets gewaarzijn. Dat er zoiets bestaat als een op zichzelf staande materiële wereld is een geloof! Dus één manier om, middels je gezonde verstand, te ontdekken dat de metafysica van ECIW niet geloofd hoef te worden maar dat je dit voor jezelf kunt zien, is om de weg van het zorgvuldig redeneren te volgen waarin mannen als Bernardo Kastrup ons voorgaan.

Dit gezegd hebbende besef ik dat dit niet iedereen gegeven is. Op YouTube staan talloze filmpjes waarin Bernardo probeert zijn visie, die dus overeenstemt met de metafysica van ECIW, uit te leggen aan anderen. Ik zie dikwijls gebeuren dat zijn gesprekspartners hem niet kunnen volgen. Ze kunnen simpelweg niet aanvoelen wat hij bedoelt, ook niet langs de weg van logica die mij niet erg ingewikkeld overkomt. En Jezus in ECIW weet dit. Hij weet dat de meeste mensen niet genoeg hebben aan het Tekstboek. Daarom heeft hij ons het werkboek gegeven.

Je kunt het werkboek van ECIW zien als een methode om vastgeroest (materialistisch) denken te ontmantelen om ruimte te krijgen voor inzichten die verder gaan dan “conclusies over hoe het allemaal in elkaar steekt”. Het werkboek zorgt ervoor dat onze hersenen eens flink doorgespoeld worden en dat we niet langer gehinderd en zelfs geblokkeerd worden door oude overtuigingen. Het valt me op hoe weinig ECIW-studenten echt intensief bezig zijn met de werkboeklessen. Ik bedoel hiermee niet dat je er krampachtig mee om zou moeten gaan door je precies te willen houden aan instructies om bijvoorbeeld elk uur je een bepaalde uitspraak te herinneren. Maar ik bedoel wel dat je meer gevraagd wordt dan het slechts doorlezen van het werkboek zoals je ook het Tekstboek doorleest. Er zijn studenten die, bijvoorbeeld door wat ze gelezen hebben in boeken over Advaita, een weerzin hebben tegen oefenen. Dat zou de illusie overeind houden dat er een afgescheiden iemand is die iets zou kunnen bereiken. Zij menen dat alleen de directe “weg” van (direct) inzicht waar zou kunnen zijn. Hoewel zij theoretisch gelijk hebben is het paradoxale dat je juist door intensief de werkboeklessen te doen erachter kunt komen dat er eigenlijk niets gedaan had hoeven te worden. Het getuigt ook van (onschuldige) arrogantie om het werkboek niet echt te doen. Jezus geeft ons precieze instructies over het gebruik van het werkboek en wij komen met onze theorietjes die zeggen dat oefenen onzin is. Het staat ieder vrij om jarenlang (!) Satsang bijeenkomsten bij te wonen om die directe verlichting te bereiken maar besef dan wel dat dit wat anders is dan de cursus (!) in wonderen te volgen.

Dat betekent niet dat er geen enkele overlap zou bestaan tussen de hedendaagse op Advaita gebaseerde non-duale stromingen en visies en ECIW. ECIW kan mentaal overkomen ondanks het feit dat de mentale activiteit wordt ingezet om starre mentale structuren omver te werpen. In de ruimte die dan ontstaat zal ook de Advaita-student zich herkennen. Hier komt ook het boek Een Cursus van Liefde (ECvL) in beeld dat naadloos aansluit op ECIW en in mijn beleving zorgt voor verdere verdieping. Na ons opruimwerk en sloopwerk middels de werkboeklessen van ECIW blijft er ruimte en onbevangenheid over. Stilte is een kwaliteit van deze ruimte. Mensen die spanningsloos mediteren merken dat er een kwaliteit van toekijken is waarin dat wat zich voortdoet ons verwondert en ontroert. Je hoort mensen dingen zeggen als “hé, alles gebeurt gewoon” of “de vrije wil bestaat niet”. ECvL noemt dit “toegewijde waarneming” waarbij je als het ware toeziet op jezelf en hoe je onderdeel bent van het geheel. Er groeit een besef van tederheid, van een tedere verbondenheid met dat wat je waarneemt.

Hier komen verschillende lijnen bij elkaar. De wat mentale benadering van ECIW wordt gecomplementeerd door de “zachtere” (harts-)kwaliteit van ECvL. Dit is overigens precies dezelfde kwaliteit die ECIW studenten gevoelsmatig kunnen ervaren in de zachte Stem van de Heilige Geest waar ECIW over spreekt. Hier komen liefde en (heilige) relaties in beeld. ECIW heeft schoon schip gemaakt in onze mind. Sluiers zijn weggehaald en het licht van liefde komt (soms) binnen. ECvL is hier realistisch over een spreekt van glimpen van inzicht die zich steeds meer aaneen beginnen te rijgen.

Voor wie dit allemaal toch te mentaal klinkt wil ik graag afsluiten door te wijzen op de weg van devotie. Deze weg is behoorlijk universeel en we vinden hier veel “klassiek gelovigen” samen met ons op onze weg. Het is een weg gebaseerd op vertrouwen. Mogelijk vertrouwen we op een God, profeet of gids buiten ons. Of wellicht spreken we van vertrouwen in ons Zelf of over de welwillendheid van de schepping. Liefde is middel en doel en liefde en vertrouwen gaan hand in hand. Misschien kunnen we niet via ons denken gevoel krijgen voor onze verbondenheid met onze Vader en met onze broeders en zusters. Dit denken is echter een hulpmiddel en paradoxaal genoeg vooral handig om oude, blokkerende denkbeelden op te ruimen. Gerichtheid op dat wat ons bindt met onze Vader en met elkaar is wat echt besef en gevoel geeft van verbondenheid. Je voelt dat de liefde gaat stromen.

Er is niet één weg voor iedereen, geen one size fits all. In mijn beleving is het voor vrijwel al ons westerlingen goed om iets minder te geloven dat we lichamelijke wezens zijn met bewustzijn als een soort bijproduct. Alles (metafysica, idealisme, werkboeklessen) wat helpt om dit beeld te corrigeren en om ruimte te creëren in onze mind is behulpzaam. Het zoeken en creëren van momenten van rust en stilte is altijd heilzaam. Zoeken naar vereniging en verbinding blijkt een katalysator. Overgave aan liefde is, voor mij, essentieel. Liefde blijkt middel en doel. Daarom besluit ik deze lange blog met mijn favoriete werkboekles (360-365):

Dit heilig ogenblik wil ik U geven.

Neemt U het in handen.

Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.

En als ik een woord nodig heb om me te helpen, zal Hij het me geven. Als ik een gedachte nodig heb, geeft Hij me die ook. En als ik alleen maar stilheid nodig heb en een rustige, open denkgeest, dan zijn dat de gaven die ik van Hem ontvangen zal. Hij heeft de leiding, op mijn verzoek. En Hij zal me horen en antwoord geven, want Hij spreekt namens God, mijn Vader, en Zijn heilige Zoon.

Omgaan met onaangename emoties.

Op ons spirituele pad ontkomen we er niet aan om ons te bezinnen op onze houding ten opzichte van nare emoties. Toen ik nog Satsangs bezocht vond ik het fijn om te horen dat je niet je emoties bent maar dat je emoties hebt. Je bent dus niet bang maar je hebt angst. Je kunt erop toekijken. Het kan, zeker in eerste instantie, plezierig zijn om op deze wijze als het ware wat ruimte te ervaren, je voelt je iets minder geïdentificeerd met die nare emotie.

In eerdere blogs schreef ik over “het risico” van het gebruik van ontkenning. De bekendste ECIW-toepassing is de bekende zin: “Ik ben niet dit lichaam”. De primaire “methode” van ECIW is niet zozeer ontkenning maar vergeving. Vergeving is “veiliger” dan ontkenning omdat je er niet zo snel mee in de valkuil van de dualiteit stapt. Toegepast op “Ik ben niet dit lichaam” kun je via ontkenning de indruk krijgen dat jijzelf (denk-)geest bent en dat je niks te maken hebt met de fysieke wereld in het algemeen en je fysieke lichaam in het bijzonder. In plaats van ontkenning is het echter handiger om ons geloof in afgescheidenheid te vergeven. Wat dan duidelijk kan worden klinkt ongeveer als volgt: “Ik val niet samen met dat wat ik percipieer als mijn fysiek lichaam”. Door het zo te formuleren krijg je gevoel voor het feit dat jij als geestelijk wezen geloof hecht aan je projectie van een lichaam. Door te kort door de bocht het lichaam te ontkennen zonder te beseffen dat dit lichaam je eigen projectie is, ontken je de macht van je eigen denkgeest.

Je gewaarzijn van je lichaam verschilt niet fundamenteel van het gewaarzijn van nare emoties. Tegen deze emoties zeggen we in de eerste alinea: “ik ben niet deze emoties”. Net als de uitspraak “Ik ben niet dit lichaam” is “ik ben niet mijn emoties” zonder meer waar in de zin dat je niet beperkt bent tot deze emoties. Je valt niet samen met je lichaam noch met, bijvoorbeeld, je angst. Maar als de ontkenning resulteert in een neiging om er afstand van te nemen dan maak je de illusie van afgescheidenheid echt voor jezelf.

De reden dat ik weer over deze belangrijke kwestie begin is bijgevoegde video waarin Deepak Chopra in gesprek is met Rupert Spira. Na een (te) lange inleiding door Deepak (ca 6 minuten) bespreekt Rupert op zijn heldere manier twee manieren om om te gaan met nare emoties. De eerste duidt hij aan als de vedanta-manier. Dit is wat Advaita-studenten al herkend zullen hebben in mijn “ik ben niet…”-beschrijving. Het is de neti-neti aanpak die, zoals gezegd, niet zozeer verkeerd is maar wel kan leiden tot een duale, afstandelijke blik. In mijn beleving is de tweede houding die Rupert beschrijft, hij duidt deze aan als de tantra-benadering, meer in lijn met de benadering van Jezus in ECIW en zeker met de visie van Een Cursus van Liefde (ECvL). Het is een “aanpak” waarin een niet-oordelende houding centraal staat, een omarming van de zogenaamd negatieve emotie.

Als we naar de emotie toe bewegen (of naar het lichaam) en deze omarmen dan merken we dat wij het label “negatief” inderdaad “zo genaamd (genoemd)” hebben maar dat bij vergeving van dit oordeel een naamloze kwaliteit overblijft waarmee wij in eenheid verbonden zijn. Het onderscheid tussen ervaarder en ervaring valt weg. We zien dan dat, in de woorden van Rupert, de stroming in de oceaan niet verschilt van de oceaan zelf. Zo verschilt de stroming in de oceaan die wij duiden als “ons lichaam” ook niet van de oceaan zelf, (denk-)geest genoemd. Er is maar één werkelijkheid en deze is geestelijk. Het is lastig om dit te ervaren langs de weg van afstand nemen en ontkenning. Daarmee creëren we een onderscheid tussen oceaan en stroming alsook tussen denkgeest en een gepercipieerde emotionele of fysieke vorm binnen deze denkgeest.

Deze neiging tot afstand nemen gaat ver. Bovenstaand betoog kan ook opgehangen worden voor uitspraken als “er zijn geen anderen” of “god weet niets van de wereld”. Voor de goede verstaander, voor de student die middels vergeving het mysterie van de heilige relatie ervaart, zijn deze uitspraken parels van vreugde. Voor de student die nog redeneert vanuit afgescheidenheid bestaat echter de valkuil van dissociatie.

Je kan het ook als volgt aanvliegen. ECIW gebruikt de term kruisigen voor de ellende die we ervaren als gevolg van ons geloof in afgescheidenheid. Je kunt vanuit een verstandelijk begrip van de metafysica roepen dat er in werkelijkheid niks gebeurt, dat er niemand bestaat die gekruisigd kan worden. Dit kan nog zo waar zijn, maar hoe behulpzaam is het als je dit niet werkelijk doorleeft?

Ook binnen de Joods mystieke stroming, de Kabbala, ontkent men het lijden niet maar  ziet men het als het ware als doorgang. Ook Rupert deinst niet achteruit voor emoties maar gaat er naar toe om er als het ware doorheen te gaan. Niet door (angstige?) ontkenning en achteruitlopen zal de alchemistische transformatie van dergelijke gevoelens plaatsvinden maar door oordeelloze, liefdevolle omarming. Rupert beschrijft hoe dan de lelijke kikker verandert in een mooie prins. ECIW geeft aan dat ons zogenaamde lichaam een liefdevol communicatiemiddel kan worden waarmee we onze functie, om het licht van de wereld te zijn, kunnen vervullen. ECvL spreekt van het verheven Zelf van vorm. Voor ECIW-studenten die gecharmeerd zijn van de weg van ontkenning is dit vloeken in de ECIW-kerk: het Zelf zou niks met vorm te maken kunnen hebben. Laat ik afsluiten met een prachtig citaat uit ECvL (Dialogen 3:18).

Dit is niet bedoeld om een onderscheid tussen het Zelf en het verheven Zelf van vorm te maken, maar om aan te tonen dat er een verschil in vorm bestaat tussen het Zelf en het verheven Zelf van vorm. Het Zelf was en blijft altijd meer dan het lichaam. Het lichaam, echter, is ook vernieuwd het Zelf. Het lichaam is ook, vernieuwd, één lichaam, één Christus.