Ik vind het behulpzaam om bij het lezen van de Cursus steeds die simpele sleutel in gedachten te houden: “liefde is zowel middel als doel”. Dat wil zeggen dat we door liefde te delen kunnen ontdekken dat we zelf liefde zijn. Dit is geen nieuwe geloofsstelling maar een feit dat zo overduidelijk is als je enigszins uitzoomt en contact maakt met je gevoel. Want wat is de kern van ons schijnbare probleem hier op aarde? Ons geloof dat we afgescheiden, kwetsbare en sterfelijke wezens zijn. Eerst moeten we dit eerlijk in onszelf onder ogen durven te komen. Dan zullen we moeten toegeven dat het ons vooral gaat om eigen geluk en dat we het liefst op eigen benen willen staan; los en onafhankelijk van wie dan ook.
Nu is een tweede sleutel handig om te gebruiken. Deze sleutel zit verstopt in het begrip Heilige Relatie maar je kunt deze als tool inzetten door je telkens te herinneren dat je geen op jezelf staand wezen bent maar (heilige) relatie. Wij danken ons hele bestaan aan het feit dat wij een aspect zijn van de Vader, van zijn uitbreiding. Wij staan niet op onszelf, we zijn niet gelijk aan God maar we zijn (heilige) relatie. Dankzij de inherent liefde gevende kwaliteit van de Vader, Die Liefde is, bestaan wij in- en als Zijn omarming in alle eeuwigheid. Amen.
En onze Vader Wil dat wij gelukkig zijn en wij mogen deze Wil met hem delen. Er is dus niets mis met onze wens om gelukkig te willen zijn maar doordat wij onze ware aard vergeten zijn (we zijn relatie) beseffen we niet meer dat het onmogelijk is om dit geluk alleen voor onszelf te wensen. Herinner je het begin van het Handboek voor leraren: “Zijn geschiktheid (om Gods leraar te zijn) bestaat louter hierin: ergens, op een of andere manier, heeft hij een doelbewuste keuze gemaakt, waarbij hij zijn belangen niet los zag van die van iemand anders.”
Alle manieren om met de cursus om te gaan die vooral eenzijdig, ik-gericht zijn, zijn minder behulpzaam, inclusief de zienswijze: “eerst mijn geluk en daarna jouw geluk”. Het hele fenomeen “tijd” en het hele onderscheid “ik hier en jij daar” hebben wij als kinderen van God juist bedacht om op eigen benen te staan en in ons eentje aan de slag te gaan. Dus het introduceren van de “eerst ik, dan jij “-gedachte is een illustratie van onze dwaling en geen deel van de verzoening. De op zich gezonde neiging om gelukkig te willen zijn wordt niet vervuld in een leven gericht op het verzamelen van giften voor jezelf. Het is typisch denken vanuit geloof in afscheiding: “ik moet eerst hebben om te kunnen geven”. Een veel gezondere formulering zou zijn: “ik moet me inderdaad eerst openstellen voor de liefde van de Vader, maar toch vooral vanuit de bereidheid deze door te geven opdat ik een kanaal van Zijn Liefde kan worden”.
Bij levensovertuigingen die uitgaan van werken aan jezelf, op welke (non-duale) manier dan ook, zie je dat woorden als “liefde” en “geven” onderbelicht raken. Zojuist doorzocht ik de complete Engelse editie van ECIW om te zien hoe vaak het woord gift(s) hierin voorkomt: bijna 400 keer! Een “gift” is een stroming, een stroming van liefde van de Vader naar mij en omgekeerd en van mij naar jou en omgekeerd. Wij willen graag liefde ontvangen, “wonderontvangers” zijn, maar we worden gevraagd wonderwerkers te zijn en om het wonder, een uiting van liefde, aan te bieden aan onze broeders en zusters.
Kijk eens naar de volgende sleuteltekst (Txt 2:V):
Ik ben hier alleen om werkelijk behulpzaam te zijn.
Ik ben hier om Hem te vertegenwoordigen die mij gezonden heeft.
Ik hoef me geen zorgen te maken om wat ik zal zeggen of wat ik moet doen, want Hij die mij gezonden heeft zal mij leiden.
Ik ben tevreden daar te zijn waar Hij me wenst, wetend dat Hij me vergezelt.
Ik zal genezen zijn, wanneer ik me door Hem laat leren hoe ik anderen genees.
Lees deze tekst en de werkboekles (#316) van vandaag eens met de hoofdboodschap van Jezus in gedachten: Liefde is middel en doel, liefde moet stromen.
“Alle geschenken die ik mijn broeders geef, zijn de mijne.
Zoals elk geschenk dat mijn broeders geven van mij is, zo behoort ieder geschenk dat ik geef mij toe. Elk laat een vroegere vergissing verdwijnen, zonder een schaduw achter te laten op de heilige denkgeest die mijn Vader liefheeft. Zijn genade wordt me geschonken in elk geschenk dat een broeder door alle tijden heen en ook voorbij alle tijden ontvangen heeft. Mijn schatkamer is vol, en engelen bewaken haar open deuren, opdat geen enkel geschenk verloren gaat en er alleen meer worden bijgevoegd. Laat me komen naar waar mijn schatten zijn, en daar binnengaan waar ik werkelijk thuis en welkom ben, te midden van de geschenken die God mij gegeven heeft.
Vader, ik wil Uw geschenken vandaag aannemen. Ik herken ze niet. Maar ik vertrouw erop dat U die ze gegeven hebt het middel zult verschaffen waardoor ik ze kan aanschouwen, hun waarde kan zien en alleen Uw geschenken kan koesteren als wat ik verlang.”
