Zonder erbij na te denken interpreteren wij dat wat we meemaken vanuit de diepe overtuiging dat onze werkelijkheid duaal van aard is. Dat brengt met zich mee dat we ons slachtoffer voelen van omstandigheden buiten onszelf terwijl we niet in de gaten hebben dat we zelf de ultieme bron van onze ervaringen zijn.
Je ziet dit duidelijk gebeuren met hoe we God ervaren. Het klassieke verhaal luidt dat wij eerst in een paradijs woonden maar ongehoorzaam waren aan God door van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Dit zou God boos hebben gemaakt waarna hij ons het paradijs uitgooide en de toegang tot de boom des levens ontzegde. We werden sterfelijk en moesten, onder andere, vermoeiende arbeid verrichten om in leven te blijven. Dit schetst zo het beeld van een strenge God, die ons onze ongehoorzaamheid aanrekent en ons op strafkamp stuurt met uiteindelijk de doodstraf. Wie kan er nog sympathie opbrengen voor zo’n strenge vader? Zelfs wij zouden onze kinderen niet zo hard aanpakken.
Maar bekijk dit verhaal nu nog eens met de metafysica van ECIW in gedachten. Zowel in het klassieke Bijbelverhaal als in ECIW is de Zoon van God vrij om te kiezen. Omdat er in de hemel, of in het paradijs, feitelijk niets te kiezen valt, spreekt ECIW eerder van een vergissing dan van een bewuste keuze. Voor zover dit met woorden te beschrijven is, zou je kunnen zeggen dat de Zoon zich afvraagt hoe het zou zijn om dualiteit te ervaren; een ikje hier en de rest buiten mij. En direct is die ervaring er dan en dit gaat gepaard met het onjuiste idee dat we ons losgemaakt hebben uit de eenheid waar we ons nooit los van kunnen maken waarbij het weten dat we één zijn met de Vader plaats maakt voor het beeld van een vader buiten onszelf. In onze verdwazing menen we dat onze afscheidingstruc gelukt is en we vermoeden dat onze Vader nu wel boos zal zijn op onze rebellie.
Met onze keuze voor afgescheidenheid wordt het geloof geboren van de materiële wereld en van lichamelijkheid; de symbolische weergave van ik hier en de rest daar. De wereld van tijd en ruimte met daarin allerlei vormen lijkt te zijn ontstaan. We doen onszelf deze illusie aan, maar omdat we dit niet door hebben, projecteren we dit op de God die we nu buiten onszelf zien en van wie we verwachten dat hij ons zal willen straffen voor de , in onze ogen, gelukte afscheidingspoging. Zo komen kwetsbaarheid, ziekte en de dood naar boven als thema’s in onze fantasie. Het is echter niet God die straft maar, zoals ECIW het uitdrukt, het kruisigen van onszelf.
Het klassieke geloof stelt dat we aan het einde van ons leven beoordeeld worden door God. Als hij niet tevreden is (bijvoorbeeld als we een losbandig leven hebben geleid of als we niet geloven in een verhaaltje van het plaatsvervangend offer van Jezus) dan komen we in de hel waar we oneindig lang moeten lijden. Maar God straft helemaal niet. Zolang wij geloven in de duale illusie van de wereld die we zelf bedenken, ervaren we het lief en leed van de dualiteit. Dit is de door ons zelfgemaakte hel. De dood lost helaas niets op omdat dit niet automatisch betekent dat het geloof in afgescheidenheid daarmee gecorrigeerd wordt in onze mind. Na de fysieke dood hebben we geen gelegenheid om gelukkig te worden door ons lichaam te beschermen of juist te verwennen. Binnen de antroposofie wordt uitgelegd dat dit door de ziel als frustrerend wordt ervaren. Denk bijvoorbeeld aan een sterk verlangen naar lichamelijk genot, maar geen lichaam hebben om dit verlangen te bevredigen. Zolang de illusie van afgescheidenheid (en daarmee de keuze tussen goed (genot) en kwaad (bedreiging) niet wordt doorzien; krijg je een nieuw lichaam om je vergevingsoefeningen mee te doen. Wij noemen dit reïncarnatie maar het is in feite niet veel meer dan de illusie van “een nieuwe dag, nieuwe kansen”.
Het is dus geen God die ons in de hel werpt en die niets van ons wil weten. Het is een onzinnig spel dat wij zelf willen spelen.
Ik sluit af met een uitgebreid citaat uit Een Cursus van Liefde over dit patroon van projectie en perceptie (Dag 39).
39.17 Wie ik voor jou ben geweest is wie jij voor jezelf bent geweest. Herinner je het begrip projectie. Dit is wat projectie doet. Het projecteert naar buiten. Het verschilt van uitbreiding omdat uitbreiding een soort projectie is die één blijft met haar bron. Projectie scheidt.
39.18 Jij hebt mij van je afgescheiden door jouw projectie. Wat jij echter projecteerde en God noemde, net als wat je projecteerde en duizend andere ‘dingen’ noemde, heb je alleen in tijd en ruimte van jezelf afgescheiden. In tijd en ruimte werden jouw projecties afgescheiden en anders dan jij. Dit is wat de wereld van tijd en ruimte is. Een wereld die een projectie is die jij hebt gemaakt, een wereld die het model en de vorm heeft, het karakter en de waarde, het beeld en de betekenis die jij eraan wilde geven. Dit is jouw universum. Ik ben, voor jou, de God van dit universum geweest.
39.19 Zo zijn je gedachten over het universum en over mij onscheidbare projecties geweest. Net zoals jouw ideeën over het universum en jouw ideeën over je eigen zelf.
39.20 Ben ik een welwillende God in jouw universum geweest? Dan ben jij welwillend geweest en heb je jouw universum als een welwillend universum gezien.
39.21 Ben ik een oordelende God geweest in jouw universum? Dan ben jij oordelend geweest en heb je in een oordelende wereld geleefd.
39.22 Ben ik een machtige God geweest die wonderen kan verrichten? Dan ben jij een machtige verrichter van wonderen geweest.
39.23 Ben ik een afstandelijke God geweest die zijn liefde niet aan jou en aan anderen toont? Dan ben jij afstandelijk geweest ten opzichte van jezelf en van degenen die je liefhebt.
39.24 Ben ik een God geweest die je gezocht hebt en nooit gevonden? Dan heb jij jezelf niet gevonden.
39.25 Ben ik een rechtvaardige God geweest? Dan ben jij rechtvaardig geweest en heeft de wereld jou rechtvaardig behandeld.
39.26 Ben ik de God van jouw religie geweest? Dan ben jij religieus geweest.
39.27 Ben ik een God geweest van wraak? Dan was jij wraakzuchtig.
39.28 Ben ik een liefdevolle God geweest? Dan ben jij liefdevol geweest.
39.29 Ben ik dit alles geweest? Dan was jij dit ook en jouw universum ook.
39.30 Is jouw God helemaal geen god geweest, maar wetenschap, geld, carrière, schoonheid, roem, vermaardheid, intellect? Dan zijn deze dingen de inhoud geworden van wie jij bent. Wetenschap, geld, roem, vermaardheid, intellect of ieder ander concept dat jouw god is geworden kan een geduchte opdrachtgever zijn, of een goede vriend, liefdevol of liefdeloos, een god die jou verwijdert van jezelf en anderen of jou dichter bij jezelf en anderen brengt. Geen enkele god die geprojecteerd wordt is zonder eigenschappen, zelfs goden zoals deze niet.
39.31 Heb jij geen god gehad, geen wetenschap, geen schoonheid, welvaart, maar alleen een schraal en uitzichtloos leven? Dan is jouw god de god van verslagenheid geweest.
39.32 Heb je geen god gehad, geen wetenschap, geen loopbaan, geen roem, maar alleen een leven vol haat en geweld? Dan is jouw god de god van verbittering geweest.
39.33 Iedereen heeft een god omdat iedereen een wezen heeft en een identiteit voor dat wezen. Iedereen draagt de herinnering van Ik Ben.
