Vrede

Op het internet las ik een stukje kritiek op de Cursus. De toonzetting was agressief en gericht op Helene Schucman die de Cursus mocht opschrijven. Samenvattend kwam het er op neer dat de intenties van Helene en van de Cursus kwaadaardig waren en dat deze niet voldeed aan de criteria van rationeel denken. Al lezend merkte ik dat de broeder die dit geschreven had vanuit zijn hoofd en met grote boosheid schreef. En onder deze boosheid klonk de angst door.

De verleiding is groot om zelf ook met verontwaardiging, boosheid en uit je hoofd de Cursus te gaan verdedigen. Maar het  is veel fijner om deze aspecten ook bij jezelf te onderkennen en er een vergevingsoefening van te maken. Het ego wil dat we zijn spelregels van de meetbare logica en vastomlijnde concepten volgen. Daar heeft het tenslotte de hele wereld mee gebouwd. Maar ja, waar komen dat ego en die wereld zelf vandaan?

Jarenlang geloofde ik ook in de waarheid als een soort super concept waarin alle puzzelstukjes in elkaar vielen. En die Waarheid blijkt inderdaad te bestaan. Alleen leert deze ons dat zowel de puzzelstukjes als de puzzelaar onderdeel zijn van de illusie. Door al deze gedachten naar de Liefde te brengen komt er rust. De vrede die alle verstand te boven gaat. Tijdens Cursus bijeenkomsten klinkt de vraag: ‘wil je gelijk hebben of vrede ervaren?’ En dit is zo waar. Dus mag ik genieten van Liefde. En er mag een diep weten zijn dat het goed is. Wat heerlijk dat ik daar niemand van hoef te overtuigen maar dat ik wel waarlijk behulpzaam mag zijn. Door te vergeven vanuit de innige en warme verbinding met de Heilige Geest.

WB305: Wie louter de visie van Christus aanwendt, vindt een vrede zo diep en stil, zo onverstoorbaar en totaal onveranderlijk, dat de wereld daarvoor geen tegenhanger bevat. Vergelijkingen verstommen ten overstaan van deze vrede. En heel de wereld gaat in stilte heen wanneer deze vrede haar omhult en haar met zachtheid naar de waarheid voert, niet langer nu de woonplaats van de angst. Want liefde is gekomen en heeft de wereld genezen door haar de vrede van Christus te geven.

Doe ik het wel goed?

Ik wil het zo graag goed doen. Als je dit eens rustig tot je door laat dringen dan proef je dat er angst doorklinkt. Angst om het fout te doen. Want wat verbeeld ik mezelf als ik het niet goed zou doen? Dan lijken er even twee antwoorden te zijn. Het eerste antwoord lijkt wat meer gericht op de buitenwereld. Het klinkt een beetje als ‘dan stel ik anderen teleur’ of ‘dan worden anderen boos op me’. Het tweede antwoord lijkt van binnenuit te komen. ‘Dan stel ik mezelf teleur’ of ‘dan word ik kwaad op mezelf’. Maar van binnen of van buiten, dat maakt niet uit.

Want nu begint het schuldgevoel door te klinken. Ik ben slecht bezig als ik het fout doe. Ik zou me moeten schamen en verdien straf. Anderen of ikzelf veroordelen me. Foei Simon, slecht gedaan. Dat valt me van je tegen. Of, als medestudenten onder elkaar, je handelt nog wel erg veel vanuit je ego. Dat hoort natuurlijk niet. Je hebt nog heel wat te leren jongen. Spijt hoort hier ook bij. Shit, hoe kon ik dat nu zeggen, schrijven of doen? Ik heb een vreselijke fout begaan.

En dan de grote onzichtbare in het geheel. De zonde. Het diepe geloof dat er een ikje bestaat. Dat er daadwerkelijk zo iemand als Simon rondloopt die iets niet goed zou kunnen doen. Of, iets subtieler, die het juist heel goed zou kunnen doen. Iemand die straf of lofprijzing zou kunnen verdienen. Dit is de grote aanname. Maar er is niemand die gestraft kan worden of het compliment in ontvangst nemen. En dat is opletten geblazen. Dus niet: Simon is verheven boven dingen fout of goed kunnen doen. Maar wel: Simon bestaat niet als afgescheiden figuurtje.

Ik heb dus het geloof omarmd dat ik wel besta. Dat ik afgescheiden ben en het leven heb gestolen van God. Dus denk ik dat ik gezondigd heb en daadoor schuldig ben. Dat ik eigenlijk gestraft moet worden tenzij ik mijn uiterste best doe. Ik moet gestraft worden door God, door anderen of door mijzelf. Doet er niet toe. Zolang het mij maar helpt om me echt afgescheiden te kunnen voelen. Maar wie ben ik zonder de aanname dat ik het fout of goed kan doen (met dank aan Byron Katie)? Wie ben ik dan? Durf ik dit geloof los te laten of word ik dan een beetje bang voor de bedreigende vrijheid? Dat mag zomaar niet, het is hoogmoed, Godslastering, waanzin, dat mag je niet doen. Dat mag niemand doen. Iedereen moet verantwoordelijkheid dragen. Binnen de illusie: jawel. In werkelijkheid: ‘iedereen’ bestaat niet en er is ook niet ‘iets’ dat gedragen kan worden.

Kunnen we voelen wat er gebeurt als we dat geloof in verantwoordelijkheid los willen laten? Zien we het ego in paniek raken, zijn houvast verliezen? Tijd voor hulp en vergeving. Geen vergeving van een morele zonde. Maar luisteren naar een zachte Stem die me zegt: ‘je hebt helemaal niets gedaan, wees niet bang want je bent louter Liefde’

WB 284: Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen.