ECIW-fabeltjes deel VIII

Vandaag iets meer leeswerk maar wel over een essentieel thema: onze relatie met anderen. Hierover zijn helaas wat denkbeelden de ECIW-community binnengeslopen die volgens Robert Perry (en mij) haaks staan op de boodschap van Jezus.Mooie zondag gewenst!

Simon

Misvattingen:

Je met anderen verbinden heeft niets te maken met lichamen en de wereld van vorm. We moeten ons alleen met Jezus en de Heilige Geest in onze denkgeest verenigen.

In de Cursus gaat het bij verbinding om denkgeesten die zich verbinden in een gemeenschappelijk doel, in één idee: “Wanneer twee denkgeesten zich als één met elkaar verbinden en één idee gelijkelijk delen, is de eerste schakel in het bewustzijn gelegd dat het Zoonschap één is.” (T-16.II.4:3). Hoewel dit samengaan zich op mentaal niveau afspeelt, zal het gewoonlijk vergemakkelijkt worden door fysieke communicatie (we moeten “lichamen louter beschouwen als een middel om denkgeesten te verbinden en ze te verenigen” (T-8.VII.2:5) en zal het op natuurlijke wijze resulteren in fysieke samenwerking – in samenwerken: “Verlossing moet het dwaze geloof in gescheiden gedachten en gescheiden lichamen, die een gescheiden leven leiden en gescheiden wegen gaan, herzien. Eén functie die afgescheiden denkgeesten met elkaar delen, verenigt hen in één doel” (W-pI.100.1:2-3).

Proberen anderen te helpen maakt de fout alleen maar reëel. Het is een activiteit die vol verborgen ego-agenda’s zit. Waarom proberen “daarbuiten” te helpen als de wereld toch niet echt is?

Het is moeilijk een idee te bedenken dat meer in strijd is met het hart van de Cursus. Hier is hoe Jezus spreekt over pogingen om een ander te helpen, zelfs wanneer die poging onvolmaakt is en beperkt door ego, zoals meestal het geval is in deze wereld: ” Niets ter wereld is heiliger dan iemand te helpen die om hulp vraagt. En beiden komen met deze poging, hoe beperkt ook, hoe gebrekkig ook qua oprechtheid, heel dicht bij Go ” (P-2.V.4:2-3).

Proberen de armen of achtergestelden te dienen versterkt alleen maar het idee dat zij tekortschieten. Het beste wat je voor hen kunt doen is verder kijken dan hun schijnbare gebrek.

Verder kijken dan hun schijnbare gebrek is een belangrijk deel van hun genezing, maar dit is volkomen verenigbaar met hen ook op wereldse manieren te helpen. Twee verhalen uit de ontstaansgeschiedenis van de Cursus kunnen het standpunt van de Cursus over het helpen van armen of achtergestelden verduidelijken. Het verhaal over de Mayo-kliniek, dat een sleutelrol speelde in Helen’s aanvaarding van haar rol als scriba van de Cursus, eindigde met Helen en Bill die ervoor kozen een vreemdeling op een vliegveld te helpen, in reactie waarop Jezus tegen Helen zei: “Dit is mijn ware kerk.” Enkele maanden later zei Jezus dat hij ervoor had gezorgd dat Bill een conferentie over revalidatie kon bijwonen, zodat hij over zijn angst heen kon komen om mensen te helpen met lichamelijke gebreken, beschadigde hersenen en verzwakte ego’s. Het beroemde “werkelijk behulpzame” gebed (T-2.V(A).18) werd in feite gedicteerd zodat Bill het mee kon nemen naar deze conferentie. De Cursus zegt: ” En laat jouw dankbaarheid ruimte maken voor allen die samen met jou willen ontsnappen: de zieken, de zwakken, de behoeftigen en de angstigen, en zij die rouwen om een ogenschijnlijk verlies of die schijnbare pijn voelen, die kou of honger lijden, of die de weg van de haat en het pad van de dood gaan” (W-pI.195.5:2).

Trap niet in de grandioze val te denken dat je “de wereld moet verlossen”. De Cursus zegt tenslotte: “Zoek niet om de wereld te veranderen.”

“Probeer dan ook niet de wereld te veranderen” (T-21.In.1:7) betekent dat we niet moeten proberen de omstandigheden te herschikken om ons plezier te doen. Maar “de wereld verlossen” is overal in de Cursus een ondubbelzinnig positieve uitspraak en komt vaak voor (b.v.: ” Want ons ware doel is de wereld te verlossen “-W-pI.153.8:2). We moeten onszelf zien als hier te zijn voor meer dan alleen onze eigen verlossing: ” Het is meer dan alleen ons geluk dat we zijn komen verwerven ” (W-pI.139.9:4). Ons ware doel omvat iedereen: “Het complete herstel van het Zoonschap is het enige doel van hen die wondergericht zijn. ” (T-1.VII.3:14).

ECIW-fabeltjes deel VII

Vandaag onder meer één van de meest bizarre misvattingen die stelt dat andere broeders en zusters slechts mijn eigen projectie zouden zijn. Hoe kun je vanuit zo’n bijgeloof nog liefde door je heen laten stromen, een heilige relatie aangaan of een wonderwerker zijn?

Hartegroet, Simon

Misvattingen:

Mijn enige verantwoordelijkheid is om de verzoening voor mezelf te aanvaarden. Denken dat ik verantwoordelijk ben voor anderen neemt alleen maar hun verantwoordelijkheid weg om zelf van gedachten te veranderen.

In de Cursus staat: “De enige verantwoordelijkheid van de wonderdoener is de Verzoening voor zichzelf te aanvaarden” (T-2.V.5:1), want de wonderdoener is iemand die wonderen aan anderen geeft, en hij kan niet geven wat hij niet heeft. Dus aanvaarden wij de verzoening als de voorwaarde om wonderen aan anderen te kunnen geven. Wat onze verantwoordelijkheid jegens onze broeder betreft, zegt de Cursus: “Jij bent verantwoordelijk voor hoe hij zichzelf ziet” (T-21.VI.7:5), en “Jij hebt jouw deel in zijn verlossing op je genomen, en jij bent nu jegens hem ten volle verantwoordelijk” (T-17.VIII.5:5).

Er is niemand daarbuiten. Er is er maar één van ons hier. “Anderen” zijn slechts mijn eigen projecties.

Er is misschien geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, niet meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

Er is er maar één nodig voor een heilige relatie – het is heilig als ik het zelf op een heilige manier zie.

De discussies over de heilige relatie – in de Tekst (hoofdstukken 17-22), het Handboek en de Psychotherapiebijlage – beschrijven steeds hetzelfde concept: twee mensen stellen een gemeenschappelijk doel voor hun relatie. Dit gemeenschappelijke doel nodigt de Heilige Geest uit in de relatie, en het is Zijn aanwezigheid, samen met de aanwezigheid van het doel, die de relatie heilig maakt. Als dat het enige concept is dat de Cursus geeft van de heilige relatie, zou dat dan ook niet ons concept moeten zijn?

ECIW-fabeltjes deel VI

Kan de HG werken in de wereld? Moet ik een persoon die me vervelend behandelt zien als ECIW-leraar? Robert Perry geeft zijn visie op deze kwesties.Hartegroet, Simon

Misvattingen:

De Heilige Geest werkt niet in deze wereld. Hoe kan Hij dat als er geen wereld is?

De Cursus spreekt over de Heilige Geest als voortdurend aan het werk in onze denkgeest en in de wereld (“Ik rust in God vandaag, en laat Hem in en door mij werken, terwijl ik in Hem rust, in stilte en volmaakte zekerheid.”-W-pI.120.1:2). Hij regelt al onze intermenselijke ontmoetingen en plant “alles wat plaatsvindt, alle gebeurtenissen in verleden, heden en toekomst” (W-pI.135.18:1). Hij leidt onze gedachten en ons gedrag (T-2.VI.1:1-3) en voorziet zelfs in onze noodzakelijke bezittingen (T-13.VII.12-13). Hoe kan men zeggen dat Hij niet in de wereld werkt?

De Cursus leert ons hoe we overvloed kunnen manifesteren. Arm zijn is een uiting van het “schaarsteprincipe”.

Dit zou een grote verrassing zijn, aangezien de gehechtheid aan materiële zaken (inclusief geld) in de hele Cursus bekritiseerd wordt. Er staat wel dat “Hij [de Heilige Geest] zal voorzien” in onze behoeften als we Hem dat toestaan, maar voegt er dan aan toe “zonder er de minste nadruk op te leggen” (T-13.VII.13:2). Helen slaagde er inderdaad in opzettelijk een sieraad te “manifesteren” – een Florentijnse gouden speld (Een Leven geen Geluk, door Ken Wapnick) – maar dit maakte deel uit van haar “magische fase”, en haar verwerping van die fase is juist datgene waardoor de Cursus door haar heen kon komen. Het “schaarsteprincipe” is in feite een geloof in een gebrek in onszelf, dat we vervolgens proberen op te vullen door dingen in de buitenwereld te verkrijgen. Dus proberen overvloed te manifesteren is een uitdrukking van het schaarsteprincipe.

Die persoon is mijn grootste leraar omdat hij op al mijn knoppen drukt. Hij is mijn redder omdat hij mijn ego aan het licht brengt, waar ik het kan laten gaan.

Dit is niet hoe de Cursus over “leraar” spreekt, noch hoe hij over “verlosser” spreekt (op één uitzondering na). Een leraar in de Cursus is iemand die anderen het denksysteem onderwijst waarin hij gelooft. Een verlosser is iemand die de verlossing die in hem is, naar anderen uitbreidt. Dus mijn leraar, in de positieve zin, is iemand die mij Gods denksysteem leert. In het Handboek is het specifiek iemand die mij begeleidt op het pad van de Cursus. En mijn verlosser is iemand die verlossing naar mij uitbreidt. In het bijzonder is het iemand die ik genezen heb, en wiens dankbaarheid mij doet ontwaken tot de heiligheid in mij.

ECIW-fabeltjes V

Ik ervaar de correcties door Robert Perry van onze vastgeroeste overtuigingen als warm en bevrijdend. Hetzelfde wens ik andere lezers toe. Hartegroet, Simon

Onjuiste opvattingen:

Telkens wanneer de Cursus zelfs maar lijkt te zeggen dat dualiteit of afscheiding werkelijk is, kunnen we er zeker van zijn dat hij metaforisch spreekt. Hij vertelt ons slechts een aangenaam sprookje om ons af te schermen van zijn ware radicale leer.

Er is letterlijk geen spoor van deze opvatting in de Cursus. Zo’n opvatting zou ons het recht geven de Cursus een andere vorm te geven door veel van wat erin staat als louter metafoor te bestempelen. In plaats daarvan gebruikt de Cursus een minimum aan symboliek, want (zoals Jezus tegen Helen zei) “symbolisch” betekent “open voor vele verschillende interpretaties”. Dat is het tegenovergestelde van duidelijk, en de Cursus benadrukt herhaaldelijk dat hij duidelijk, direct en ondubbelzinnig is; dat het een cursus is “die precies bedoelt wat hij zegt” (T-8.IX.8:1).

Wanneer de Cursus zegt dat de wereld een illusie is, bedoelt hij de wereld zoals wij die zien. De wereld op zich, afgezien van onze oordelen en projecties, is werkelijk.

De Cursus maakt duidelijk dat wat illusoir is aan de wereld, verandering is. De reden dat “God haar [de wereld] niet geschapen heeft” is dat “er in de wereld die jij ziet niets is dat eeuwig standhoudt” (VvT-4.1:2-3). Daarom is alles in de wereld dat verandert, dat niet eeuwig duurt, een illusie die God niet geschapen heeft. Het is dus meer dan alleen de wereld zoals wij die zien die niet echt is. Het is al het fysieke, want verandering is de kern van het fysieke. Wat illusoir is omvat daarom “de sterren…nacht en dag…de getijden, de seizoenen en de levens van de mensen” (T-29.VI.2:8-9).

“Er is geen wereld” betekent dat de wereld die wij zien in geen enkele zin van het woord bestaat. Er was geen Holocaust. Er is geen Darfur. Het heeft geen zin om je zieke hond diergeneeskundige zorg te geven; hij is er niet. Waarom zou je in het zwembad duiken om een verdrinkend kind te redden? Het is er niet.

Op een ultiem niveau is de wereld zelf nooit gebeurd. Maar op het niveau van deze wereld gebeuren deze dingen wel en zijn ze ook gebeurd, en onze reactie moet zorgzaam zijn, niet gevoelloos. Toen Jezus in het oorspronkelijke gedicteerde werk verwees naar de Holocaust, zei hij niet: “Er was geen Holocaust,” maar: “Ik heb er vele tranen om gelaten.” In plaats van onverschillig te zijn tegenover lijden, is het de bedoeling dat we mensen uit hun lijden verlossen. De Cursus zegt dat we door onze wonderen – onze uitingen van liefde – in feite de uiterlijke schijn van tragedie kunnen wegnemen, en juist door die weg te nemen bewijzen we dat die schijn onwerkelijk moet zijn geweest (T-30.VIII.2).

ECIW-fabeltjes deel IV

Als je de lijst van Robert Perry doorleest dan valt pas op hoeveel aannames we maken rond de betekenis van ECIW. Het is goed om daar bij stil te staan omdat deze aannames grote invloed hebben op hoe we met de Cursus omgaan en hoe we in het leven staan.

De Cursus gaat niet over gedrag. Het gaat alleen om een verandering van denkwijze. Zegt de Cursus immers niet: “Ik hoef niets te doen”?

Gedrag neemt juist een uiterst belangrijke plaats in de Cursus in. Zelfs het gedeelte “Ik hoef niets te doen” geeft aan dat het plan van de Heilige Geest voor ons leven veel “druk bezig zijn” inhoudt (T-18.VII.8:3). Als we eenmaal ons denken veranderen, is het de bedoeling dat we door ons gedrag wonderen aan anderen geven. De Cursus zegt dat we “het lichaam enkel en alleen hiervoor moeten gebruiken” (T-8.VII.3:3). En deze naar buiten gerichte uiting van liefde is een noodzakelijke versterking van ons veranderde denken. Het mag ons dan ook niet verbazen dat Jezus tegen Helen en Bill zei: “Deze cursus is een gids voor gedrag.”

De Cursus waarschuwt ons tegen “het werkelijk maken van de dwaling”. Telkens als we praten over het belang van iets in deze wereld, maken we de afscheiding reëel.

“De dwaling reëel maken” is geen term van de Cursus. De eigenlijke term is “dwaling [niet de dwaling] werkelijk maken.” Dit verwijst niet naar het werkelijk maken van de afscheiding door de dingen in de wereld als werkelijk en belangrijk te beschouwen (de betekenis van “de dwaling werkelijk maken”). De term verwijst eerder naar het werkelijk maken van de dwalingen van onze broeder door ze te zien als echte zonden met werkelijk echte gevolgen. Helaas is dit sleutelbegrip vrijwel vervangen door de vervormde versie ervan (de dwaling reëel maken).

“Niveauverwarring” is denken dat ziekte, genezing, het wonder, het heilige ogenblik, de heilige relatie, vergeving en verlossing iets te maken hebben met het lichaam of de wereld.

Helaas is het moeilijk te achterhalen wat “niveauverwarring” betekent, omdat de meeste verwijzingen ernaar door de redactie uit de FIP Cursus zijn verwijderd. De “niveaus” in “niveauverwarring” zijn de niveaus van de geest en het fysieke, en de term verwijst naar het ten onrechte toewijzen van de waarden van een van deze niveaus aan het andere. Het verwijst gewoonlijk naar het ten onrechte denken dat we de waarden van het spirituele niveau – zoals geluk, identiteit, realiteit en thuis – kunnen vinden op het fysieke niveau. Dat we ze daar niet kunnen vinden, betekent echter niet dat genezing, het wonder, de heilige relatie en verlossing niets met de wereld te maken hebben – dat hebben ze wel. Het vinden van spirituele waarden impliceert activiteiten en interacties in de wereld, en genereert op zijn beurt effecten in de wereld.

ECIW-fabeltjes deel III

Goedemorgen vrienden! We gaan verder met de boeiende serie door Robert Perry over allerlei opvattingen die binnengeslopen zijn in de ECIW-community. Laten we ze open-minded lezen!

De Heilige Geest is slechts een metafoor voor onze eigen herinnering aan God. De Heilige Geest als een werkelijk geschapen Wezen met zijn eigen bewustzijn, wil, gedachten en gevoelens bestaat niet.

Tenminste achttien keer zegt de Cursus dat God de Heilige Geest schiep, die in de Cursus consequent wordt beschreven als hebbende Zijn eigen wil, gedachten en gevoelens. De vorm die de Heilige Geest aanneemt als een “stem” in de droom is een illusie (VvT6:4:5) en zal uiteindelijk voorbijgaan (VvT6:5:8), maar Zijn werkelijkheid als een door God geschapen Geest is eeuwig (T-5.I.5:6-7). Hij is niet onze “herinnering aan God”, want dat is in de Cursus een technische term voor ons uiteindelijke ontwaken, wat van toepassing is wanneer God (niet de Heilige Geest) ons weer optilt tot volmaakte kennis.

Het doet er niet toe of Jezus de Cursus wel of niet geschreven heeft. Het zou niets veranderen als Mickey Mouse de Cursus schreef. Er staat nog steeds wat er staat.

Als Jezus de Cursus niet geschreven heeft, zou dat de claim van auteurschap, die aan de hele Cursus ten grondslag ligt, tot een leugen maken, of op zijn best tot een waanidee. Maar als hij het wel geschreven heeft, draagt de Cursus het gezag van de meest invloedrijke verlossingsfiguur in de wereldgeschiedenis. En voor degenen die zich diep verbonden voelen met de figuur van Jezus, betekent dit dat het volgen van de Cursus een daad is van hem volgen en nauw met hem verbonden zijn. Aan het eind van het Werkboek zegt hij dat we, door ons bij hem aan te sluiten in zijn jaar van beoefening, ” vonden we één doel dat we deelden. En zo heb jij je met mij verenigd, dus wat ik ben, ben jij eveneens ” (W-dII.14.2:2-3).

Ik denk wel dat “Jezus” de Cursus geschreven heeft, maar deze Jezus heeft weinig of niets te maken met de Jezus waarover in de Bijbel gesproken wordt.

De Jezus van de Cursus spreekt duidelijk over zichzelf als de figuur waarover we lezen in de evangeliën van het Nieuwe Testament. Hij spreekt over zijn geboorte, zijn wonderen, zijn uitspraken, zijn discipelen, zijn kruisiging, zijn verrijzenis, en zijn hemelvaart. Hij corrigeert wel traditionele opvattingen, en dat houdt ook in dat hij bepaalde uitspraken uit de evangeliën corrigeert (en in minstens drie gevallen beweert dat hij een bepaalde uitspraak nooit heeft gedaan), maar dat is iets heel anders dan zich distantiëren van de Bijbelse Jezus. In plaats daarvan ziet hij de Cursus als een voortzetting van wat Jezus tweeduizend jaar geleden in zijn aardse bediening begon (VvT-5.5:3-4).

ECIW-fabeltjes deel II

Robert Perry van The Circle of Atonement heeft een reader geschreven waarin hij uitlegt dat er allerlei opvattingen de ECIW-community zijn binnengeslopen die niet inherent zijn aan ECIW zelf. Ik heb hier gedeelten uit vertaald. Gisteren plaatste ik het eerste deel hiervan op de website maar vergat ik deze inleidende woorden te plaatsen. Dit leidde bij sommige lezers tot verwarring, waarvoor excuus.

Hartegroet,

Simon

God is onpersoonlijk. Hij is niet zozeer een Wezen maar een “iets-heid”. Hij weet niet eens dat wij er zijn.

De Cursus beschrijft God nooit als onpersoonlijk. Hij zegt wel dat Hij geen vorm heeft, maar beschrijft Hem altijd als een Zelf met Wil, dat liefheeft en schept. De Cursus spreekt vaak over onze relatie met Hem (het is moeilijk een relatie te hebben met “iets-heid”), en zegt dat Hij, terwijl wij slapen, zich eenzaam voelt, naar onze terugkeer verlangt, ons naar huis roept, en met open Armen op ons wacht.

God weet niet van de scheiding. Als Hij dat wel wist, zou Hij net zo krankzinnig zijn als wij.

De Cursus schildert dat God een respons geeft op de afscheiding, een respons die vooral tot uiting komt in Zijn schepping van de Heilige Geest. Dit impliceert natuurlijk dat God zich bewust was van de afscheiding, iets wat twee belangrijke passages ons ronduit zeggen. De ene zegt dat God weet van ons gebrek aan vreugde dat voortkomt uit de scheiding: “En dit weet Hij. Hij weet het in Zijn eigen Wezen, en in de ervaring daarvan van Zijn Zoons ervaring” (T-4.VII.6:5-6). De ander zegt: “En dus dacht Hij: ‘Mijn kinderen slapen en moeten worden gewekt.” (T-6.V.1:8).

God verhoort geen gebeden. De gebeden in het tweede deel van het Werkboek zijn niet bedoeld om gebeden te worden. Het zijn metaforen.

De Cursus vertelt ons minstens achttien keer dat God elke roep van ons hoort en beantwoordt, en vertelt ons geen enkele keer iets anders. Er zijn Werkboeklessen waarin ons gezegd wordt tot God te bidden als onderdeel van onze oefening voor die dag (bijv. W71.9 en W140.12). De eerste Werkboekles waarin we tot God zeggen (“Uw genade is mij gegeven. Ik eis die nu op”) opent met de woorden: “God spreekt tot ons. Zullen wij niet tot Hem spreken?” (W168.1:1-2). Toen Helen de gebeden in deel II van het werkboek opschreef, omcirkelde ze deze met aanhalingstekens, om aan te geven dat het de bedoeling was dat we ze zouden zeggen.