ECIW-fabeltjes deel IX

Goedemorgen allemaal. Hierbij weer een paar kwesties om te laten bezinken. Ik vind het vooral belangrijk dat het wonder van Een Cursus van Wonderen niet beperkt blijft tot het corrigeren van onze eigen perceptie; wonderen worden ook als uiting van liefde aangeboden aan onze broeders en zusters. Het is heerlijk om je zo door de HG te laten “gebruiken”. Liefs, Simon

Misvattingen:

Mijn speciale functie is alleen maar om te vergeven, om mijn eigen wrok los te laten. Denken dat ik een speciale aardse rol heb die mij door de Heilige Geest is gegeven, is slechts de verraderlijke stem van speciaalheid.

De Cursus zegt: “Aan ieder geeft Hij een speciale functie in de verlossing die alleen hij vervullen kan, een rol voor hem alleen” (T-25.VI.4:2). Dit is jouw unieke rol in Gods plan. Hij is voor jou uitgekozen door de Heilige Geest op basis van jouw specifieke sterke kanten: “Terwijl Hij jouw kwaliteiten precies ziet zoals ze zijn, en zich evenzeer bewust is waar, waarvoor, op wie en wanneer ze het best kunnen worden toegepast, kiest en aanvaardt Hij jouw rol voor jou.” (W-pI.154.2:2). En door deze krachten uit te oefenen word je “een verlosser voor de heiligen die speciaal aan jouw zorg zijn toevertrouwd” (T-31.VII.8:3). In de bladzijden van de Cursus is het dus Jezus’ stem – niet de stem van jouw speciaalheid – die jou vertelt dat je een belangrijke, goddelijk gekozen rol hebt: “Ik maak je Zijn plan volkomen duidelijk, en zal jou bovendien vertellen welke rol jij daarin speelt, en hoe dringend het is dat je die vervult.” (T-5.VII.4:4).

Het wonder is slechts een verschuiving in de waarneming. Het is niet iets dat in de wereld gebeurt. En het is zeker niet iets dat ik “verricht” in de wereld.

Als je de vijftig wonderprincipes leest, is het duidelijk dat wonderen iets genezends zijn dat overgaat van een wonderdoener naar een wonderontvanger. Wat overgaat is liefde, want wonderen zijn “uitingen van liefde”, en worden in de eerste hoofdstukken van de Cursus vijf keer zo genoemd. Dit is de voornaamste betekenis van “wonder” in de Cursus: een uitdrukking van liefde waardoor we de waarneming van een ander verschuiven. Een wonder als iets dat onze eigen waarneming verschuift, is een belangrijke betekenis van het woord in de Cursus, vooral in het Werkboek, maar het is niet de hoofdbetekenis van de Cursus.

Vergeving heeft niets met de ander te maken. Ik vergeef niet omwille van hen; ik doe het alleen voor mezelf.

In de Cursus is vergeving inherent intermenselijk: door je wrok los te laten, bevrijd je de ander van zijn of haar last van schuld: “Help hem de zware zondelast op te heffen waarmee jij hem beladen hebt en die hij als de zijne heeft aanvaard” (T-19.IV.D.16:5). Vergeving is dus de impuls om zowel onszelf als onze ogenschijnlijke aanvaller te bevrijden.

De Cursus zegt ons nooit dat we eerlijk moeten zijn in deze wereld. Hoe kan dat als de hele wereld een leugen is?

In het gedeelte over eerlijkheid als kenmerk van Gods leraren (H-4.II) beschrijft Jezus een soort mega-eerlijkheid, of ultra-integriteit, waarin al onze gedachten, woorden en daden absoluut consistent zijn. Dit betekent dat elk woord dat we zeggen een eerlijke weerspiegeling is van onze gedachten, daden en andere woorden; dat we altijd ons woord houden (we doen altijd wat we zeggen dat we zullen doen); en zelfs dat elke gedachte die we hebben een eerlijke weerspiegeling is van elke andere gedachte. Dit laat ons niet afzien van normale eerlijkheid. Dit roept ons op tot volmaakte eerlijkheid.

ECIW-fabeltjes deel VIII

Vandaag iets meer leeswerk maar wel over een essentieel thema: onze relatie met anderen. Hierover zijn helaas wat denkbeelden de ECIW-community binnengeslopen die volgens Robert Perry (en mij) haaks staan op de boodschap van Jezus.Mooie zondag gewenst!

Simon

Misvattingen:

Je met anderen verbinden heeft niets te maken met lichamen en de wereld van vorm. We moeten ons alleen met Jezus en de Heilige Geest in onze denkgeest verenigen.

In de Cursus gaat het bij verbinding om denkgeesten die zich verbinden in een gemeenschappelijk doel, in één idee: “Wanneer twee denkgeesten zich als één met elkaar verbinden en één idee gelijkelijk delen, is de eerste schakel in het bewustzijn gelegd dat het Zoonschap één is.” (T-16.II.4:3). Hoewel dit samengaan zich op mentaal niveau afspeelt, zal het gewoonlijk vergemakkelijkt worden door fysieke communicatie (we moeten “lichamen louter beschouwen als een middel om denkgeesten te verbinden en ze te verenigen” (T-8.VII.2:5) en zal het op natuurlijke wijze resulteren in fysieke samenwerking – in samenwerken: “Verlossing moet het dwaze geloof in gescheiden gedachten en gescheiden lichamen, die een gescheiden leven leiden en gescheiden wegen gaan, herzien. Eén functie die afgescheiden denkgeesten met elkaar delen, verenigt hen in één doel” (W-pI.100.1:2-3).

Proberen anderen te helpen maakt de fout alleen maar reëel. Het is een activiteit die vol verborgen ego-agenda’s zit. Waarom proberen “daarbuiten” te helpen als de wereld toch niet echt is?

Het is moeilijk een idee te bedenken dat meer in strijd is met het hart van de Cursus. Hier is hoe Jezus spreekt over pogingen om een ander te helpen, zelfs wanneer die poging onvolmaakt is en beperkt door ego, zoals meestal het geval is in deze wereld: ” Niets ter wereld is heiliger dan iemand te helpen die om hulp vraagt. En beiden komen met deze poging, hoe beperkt ook, hoe gebrekkig ook qua oprechtheid, heel dicht bij Go ” (P-2.V.4:2-3).

Proberen de armen of achtergestelden te dienen versterkt alleen maar het idee dat zij tekortschieten. Het beste wat je voor hen kunt doen is verder kijken dan hun schijnbare gebrek.

Verder kijken dan hun schijnbare gebrek is een belangrijk deel van hun genezing, maar dit is volkomen verenigbaar met hen ook op wereldse manieren te helpen. Twee verhalen uit de ontstaansgeschiedenis van de Cursus kunnen het standpunt van de Cursus over het helpen van armen of achtergestelden verduidelijken. Het verhaal over de Mayo-kliniek, dat een sleutelrol speelde in Helen’s aanvaarding van haar rol als scriba van de Cursus, eindigde met Helen en Bill die ervoor kozen een vreemdeling op een vliegveld te helpen, in reactie waarop Jezus tegen Helen zei: “Dit is mijn ware kerk.” Enkele maanden later zei Jezus dat hij ervoor had gezorgd dat Bill een conferentie over revalidatie kon bijwonen, zodat hij over zijn angst heen kon komen om mensen te helpen met lichamelijke gebreken, beschadigde hersenen en verzwakte ego’s. Het beroemde “werkelijk behulpzame” gebed (T-2.V(A).18) werd in feite gedicteerd zodat Bill het mee kon nemen naar deze conferentie. De Cursus zegt: ” En laat jouw dankbaarheid ruimte maken voor allen die samen met jou willen ontsnappen: de zieken, de zwakken, de behoeftigen en de angstigen, en zij die rouwen om een ogenschijnlijk verlies of die schijnbare pijn voelen, die kou of honger lijden, of die de weg van de haat en het pad van de dood gaan” (W-pI.195.5:2).

Trap niet in de grandioze val te denken dat je “de wereld moet verlossen”. De Cursus zegt tenslotte: “Zoek niet om de wereld te veranderen.”

“Probeer dan ook niet de wereld te veranderen” (T-21.In.1:7) betekent dat we niet moeten proberen de omstandigheden te herschikken om ons plezier te doen. Maar “de wereld verlossen” is overal in de Cursus een ondubbelzinnig positieve uitspraak en komt vaak voor (b.v.: ” Want ons ware doel is de wereld te verlossen “-W-pI.153.8:2). We moeten onszelf zien als hier te zijn voor meer dan alleen onze eigen verlossing: ” Het is meer dan alleen ons geluk dat we zijn komen verwerven ” (W-pI.139.9:4). Ons ware doel omvat iedereen: “Het complete herstel van het Zoonschap is het enige doel van hen die wondergericht zijn. ” (T-1.VII.3:14).

ECIW-fabeltjes deel VII

Vandaag onder meer één van de meest bizarre misvattingen die stelt dat andere broeders en zusters slechts mijn eigen projectie zouden zijn. Hoe kun je vanuit zo’n bijgeloof nog liefde door je heen laten stromen, een heilige relatie aangaan of een wonderwerker zijn?

Hartegroet, Simon

Misvattingen:

Mijn enige verantwoordelijkheid is om de verzoening voor mezelf te aanvaarden. Denken dat ik verantwoordelijk ben voor anderen neemt alleen maar hun verantwoordelijkheid weg om zelf van gedachten te veranderen.

In de Cursus staat: “De enige verantwoordelijkheid van de wonderdoener is de Verzoening voor zichzelf te aanvaarden” (T-2.V.5:1), want de wonderdoener is iemand die wonderen aan anderen geeft, en hij kan niet geven wat hij niet heeft. Dus aanvaarden wij de verzoening als de voorwaarde om wonderen aan anderen te kunnen geven. Wat onze verantwoordelijkheid jegens onze broeder betreft, zegt de Cursus: “Jij bent verantwoordelijk voor hoe hij zichzelf ziet” (T-21.VI.7:5), en “Jij hebt jouw deel in zijn verlossing op je genomen, en jij bent nu jegens hem ten volle verantwoordelijk” (T-17.VIII.5:5).

Er is niemand daarbuiten. Er is er maar één van ons hier. “Anderen” zijn slechts mijn eigen projecties.

Er is misschien geen belangrijker thema in de Cursus dan de ware aard van onze broeder als een volmaakt zuivere Zoon van God, die Gods meesterwerk is, die een onschatbare waarde heeft, die onze gelijke is, en die alle zorg en zorg verdient die wij gewoonlijk aan onze speciaalheid besteden: “Alle liefde en zorg, de krachtige bescherming, de gedachte overdag en ‘s nachts, de diepe bekommernis, en de sterke overtuiging dat jij dit bent, horen hem toe.” (T-24.VII.2:7). Het is waar dat lichamen en persoonlijkheden illusies zijn, maar het is moeilijk een idee te bedenken dat meer tegen de visie van de Cursus ingaat dan deze broeder in een illusie te veranderen, niet meer dan een spiegel, louter een projectiescherm.

Er is er maar één nodig voor een heilige relatie – het is heilig als ik het zelf op een heilige manier zie.

De discussies over de heilige relatie – in de Tekst (hoofdstukken 17-22), het Handboek en de Psychotherapiebijlage – beschrijven steeds hetzelfde concept: twee mensen stellen een gemeenschappelijk doel voor hun relatie. Dit gemeenschappelijke doel nodigt de Heilige Geest uit in de relatie, en het is Zijn aanwezigheid, samen met de aanwezigheid van het doel, die de relatie heilig maakt. Als dat het enige concept is dat de Cursus geeft van de heilige relatie, zou dat dan ook niet ons concept moeten zijn?

ECIW-fabeltjes deel VI

Kan de HG werken in de wereld? Moet ik een persoon die me vervelend behandelt zien als ECIW-leraar? Robert Perry geeft zijn visie op deze kwesties.Hartegroet, Simon

Misvattingen:

De Heilige Geest werkt niet in deze wereld. Hoe kan Hij dat als er geen wereld is?

De Cursus spreekt over de Heilige Geest als voortdurend aan het werk in onze denkgeest en in de wereld (“Ik rust in God vandaag, en laat Hem in en door mij werken, terwijl ik in Hem rust, in stilte en volmaakte zekerheid.”-W-pI.120.1:2). Hij regelt al onze intermenselijke ontmoetingen en plant “alles wat plaatsvindt, alle gebeurtenissen in verleden, heden en toekomst” (W-pI.135.18:1). Hij leidt onze gedachten en ons gedrag (T-2.VI.1:1-3) en voorziet zelfs in onze noodzakelijke bezittingen (T-13.VII.12-13). Hoe kan men zeggen dat Hij niet in de wereld werkt?

De Cursus leert ons hoe we overvloed kunnen manifesteren. Arm zijn is een uiting van het “schaarsteprincipe”.

Dit zou een grote verrassing zijn, aangezien de gehechtheid aan materiële zaken (inclusief geld) in de hele Cursus bekritiseerd wordt. Er staat wel dat “Hij [de Heilige Geest] zal voorzien” in onze behoeften als we Hem dat toestaan, maar voegt er dan aan toe “zonder er de minste nadruk op te leggen” (T-13.VII.13:2). Helen slaagde er inderdaad in opzettelijk een sieraad te “manifesteren” – een Florentijnse gouden speld (Een Leven geen Geluk, door Ken Wapnick) – maar dit maakte deel uit van haar “magische fase”, en haar verwerping van die fase is juist datgene waardoor de Cursus door haar heen kon komen. Het “schaarsteprincipe” is in feite een geloof in een gebrek in onszelf, dat we vervolgens proberen op te vullen door dingen in de buitenwereld te verkrijgen. Dus proberen overvloed te manifesteren is een uitdrukking van het schaarsteprincipe.

Die persoon is mijn grootste leraar omdat hij op al mijn knoppen drukt. Hij is mijn redder omdat hij mijn ego aan het licht brengt, waar ik het kan laten gaan.

Dit is niet hoe de Cursus over “leraar” spreekt, noch hoe hij over “verlosser” spreekt (op één uitzondering na). Een leraar in de Cursus is iemand die anderen het denksysteem onderwijst waarin hij gelooft. Een verlosser is iemand die de verlossing die in hem is, naar anderen uitbreidt. Dus mijn leraar, in de positieve zin, is iemand die mij Gods denksysteem leert. In het Handboek is het specifiek iemand die mij begeleidt op het pad van de Cursus. En mijn verlosser is iemand die verlossing naar mij uitbreidt. In het bijzonder is het iemand die ik genezen heb, en wiens dankbaarheid mij doet ontwaken tot de heiligheid in mij.

ECIW-fabeltjes V

Ik ervaar de correcties door Robert Perry van onze vastgeroeste overtuigingen als warm en bevrijdend. Hetzelfde wens ik andere lezers toe. Hartegroet, Simon

Onjuiste opvattingen:

Telkens wanneer de Cursus zelfs maar lijkt te zeggen dat dualiteit of afscheiding werkelijk is, kunnen we er zeker van zijn dat hij metaforisch spreekt. Hij vertelt ons slechts een aangenaam sprookje om ons af te schermen van zijn ware radicale leer.

Er is letterlijk geen spoor van deze opvatting in de Cursus. Zo’n opvatting zou ons het recht geven de Cursus een andere vorm te geven door veel van wat erin staat als louter metafoor te bestempelen. In plaats daarvan gebruikt de Cursus een minimum aan symboliek, want (zoals Jezus tegen Helen zei) “symbolisch” betekent “open voor vele verschillende interpretaties”. Dat is het tegenovergestelde van duidelijk, en de Cursus benadrukt herhaaldelijk dat hij duidelijk, direct en ondubbelzinnig is; dat het een cursus is “die precies bedoelt wat hij zegt” (T-8.IX.8:1).

Wanneer de Cursus zegt dat de wereld een illusie is, bedoelt hij de wereld zoals wij die zien. De wereld op zich, afgezien van onze oordelen en projecties, is werkelijk.

De Cursus maakt duidelijk dat wat illusoir is aan de wereld, verandering is. De reden dat “God haar [de wereld] niet geschapen heeft” is dat “er in de wereld die jij ziet niets is dat eeuwig standhoudt” (VvT-4.1:2-3). Daarom is alles in de wereld dat verandert, dat niet eeuwig duurt, een illusie die God niet geschapen heeft. Het is dus meer dan alleen de wereld zoals wij die zien die niet echt is. Het is al het fysieke, want verandering is de kern van het fysieke. Wat illusoir is omvat daarom “de sterren…nacht en dag…de getijden, de seizoenen en de levens van de mensen” (T-29.VI.2:8-9).

“Er is geen wereld” betekent dat de wereld die wij zien in geen enkele zin van het woord bestaat. Er was geen Holocaust. Er is geen Darfur. Het heeft geen zin om je zieke hond diergeneeskundige zorg te geven; hij is er niet. Waarom zou je in het zwembad duiken om een verdrinkend kind te redden? Het is er niet.

Op een ultiem niveau is de wereld zelf nooit gebeurd. Maar op het niveau van deze wereld gebeuren deze dingen wel en zijn ze ook gebeurd, en onze reactie moet zorgzaam zijn, niet gevoelloos. Toen Jezus in het oorspronkelijke gedicteerde werk verwees naar de Holocaust, zei hij niet: “Er was geen Holocaust,” maar: “Ik heb er vele tranen om gelaten.” In plaats van onverschillig te zijn tegenover lijden, is het de bedoeling dat we mensen uit hun lijden verlossen. De Cursus zegt dat we door onze wonderen – onze uitingen van liefde – in feite de uiterlijke schijn van tragedie kunnen wegnemen, en juist door die weg te nemen bewijzen we dat die schijn onwerkelijk moet zijn geweest (T-30.VIII.2).

ECIW-fabeltjes deel IV

Als je de lijst van Robert Perry doorleest dan valt pas op hoeveel aannames we maken rond de betekenis van ECIW. Het is goed om daar bij stil te staan omdat deze aannames grote invloed hebben op hoe we met de Cursus omgaan en hoe we in het leven staan.

De Cursus gaat niet over gedrag. Het gaat alleen om een verandering van denkwijze. Zegt de Cursus immers niet: “Ik hoef niets te doen”?

Gedrag neemt juist een uiterst belangrijke plaats in de Cursus in. Zelfs het gedeelte “Ik hoef niets te doen” geeft aan dat het plan van de Heilige Geest voor ons leven veel “druk bezig zijn” inhoudt (T-18.VII.8:3). Als we eenmaal ons denken veranderen, is het de bedoeling dat we door ons gedrag wonderen aan anderen geven. De Cursus zegt dat we “het lichaam enkel en alleen hiervoor moeten gebruiken” (T-8.VII.3:3). En deze naar buiten gerichte uiting van liefde is een noodzakelijke versterking van ons veranderde denken. Het mag ons dan ook niet verbazen dat Jezus tegen Helen en Bill zei: “Deze cursus is een gids voor gedrag.”

De Cursus waarschuwt ons tegen “het werkelijk maken van de dwaling”. Telkens als we praten over het belang van iets in deze wereld, maken we de afscheiding reëel.

“De dwaling reëel maken” is geen term van de Cursus. De eigenlijke term is “dwaling [niet de dwaling] werkelijk maken.” Dit verwijst niet naar het werkelijk maken van de afscheiding door de dingen in de wereld als werkelijk en belangrijk te beschouwen (de betekenis van “de dwaling werkelijk maken”). De term verwijst eerder naar het werkelijk maken van de dwalingen van onze broeder door ze te zien als echte zonden met werkelijk echte gevolgen. Helaas is dit sleutelbegrip vrijwel vervangen door de vervormde versie ervan (de dwaling reëel maken).

“Niveauverwarring” is denken dat ziekte, genezing, het wonder, het heilige ogenblik, de heilige relatie, vergeving en verlossing iets te maken hebben met het lichaam of de wereld.

Helaas is het moeilijk te achterhalen wat “niveauverwarring” betekent, omdat de meeste verwijzingen ernaar door de redactie uit de FIP Cursus zijn verwijderd. De “niveaus” in “niveauverwarring” zijn de niveaus van de geest en het fysieke, en de term verwijst naar het ten onrechte toewijzen van de waarden van een van deze niveaus aan het andere. Het verwijst gewoonlijk naar het ten onrechte denken dat we de waarden van het spirituele niveau – zoals geluk, identiteit, realiteit en thuis – kunnen vinden op het fysieke niveau. Dat we ze daar niet kunnen vinden, betekent echter niet dat genezing, het wonder, de heilige relatie en verlossing niets met de wereld te maken hebben – dat hebben ze wel. Het vinden van spirituele waarden impliceert activiteiten en interacties in de wereld, en genereert op zijn beurt effecten in de wereld.

ECIW-fabeltjes deel III

Goedemorgen vrienden! We gaan verder met de boeiende serie door Robert Perry over allerlei opvattingen die binnengeslopen zijn in de ECIW-community. Laten we ze open-minded lezen!

De Heilige Geest is slechts een metafoor voor onze eigen herinnering aan God. De Heilige Geest als een werkelijk geschapen Wezen met zijn eigen bewustzijn, wil, gedachten en gevoelens bestaat niet.

Tenminste achttien keer zegt de Cursus dat God de Heilige Geest schiep, die in de Cursus consequent wordt beschreven als hebbende Zijn eigen wil, gedachten en gevoelens. De vorm die de Heilige Geest aanneemt als een “stem” in de droom is een illusie (VvT6:4:5) en zal uiteindelijk voorbijgaan (VvT6:5:8), maar Zijn werkelijkheid als een door God geschapen Geest is eeuwig (T-5.I.5:6-7). Hij is niet onze “herinnering aan God”, want dat is in de Cursus een technische term voor ons uiteindelijke ontwaken, wat van toepassing is wanneer God (niet de Heilige Geest) ons weer optilt tot volmaakte kennis.

Het doet er niet toe of Jezus de Cursus wel of niet geschreven heeft. Het zou niets veranderen als Mickey Mouse de Cursus schreef. Er staat nog steeds wat er staat.

Als Jezus de Cursus niet geschreven heeft, zou dat de claim van auteurschap, die aan de hele Cursus ten grondslag ligt, tot een leugen maken, of op zijn best tot een waanidee. Maar als hij het wel geschreven heeft, draagt de Cursus het gezag van de meest invloedrijke verlossingsfiguur in de wereldgeschiedenis. En voor degenen die zich diep verbonden voelen met de figuur van Jezus, betekent dit dat het volgen van de Cursus een daad is van hem volgen en nauw met hem verbonden zijn. Aan het eind van het Werkboek zegt hij dat we, door ons bij hem aan te sluiten in zijn jaar van beoefening, ” vonden we één doel dat we deelden. En zo heb jij je met mij verenigd, dus wat ik ben, ben jij eveneens ” (W-dII.14.2:2-3).

Ik denk wel dat “Jezus” de Cursus geschreven heeft, maar deze Jezus heeft weinig of niets te maken met de Jezus waarover in de Bijbel gesproken wordt.

De Jezus van de Cursus spreekt duidelijk over zichzelf als de figuur waarover we lezen in de evangeliën van het Nieuwe Testament. Hij spreekt over zijn geboorte, zijn wonderen, zijn uitspraken, zijn discipelen, zijn kruisiging, zijn verrijzenis, en zijn hemelvaart. Hij corrigeert wel traditionele opvattingen, en dat houdt ook in dat hij bepaalde uitspraken uit de evangeliën corrigeert (en in minstens drie gevallen beweert dat hij een bepaalde uitspraak nooit heeft gedaan), maar dat is iets heel anders dan zich distantiëren van de Bijbelse Jezus. In plaats daarvan ziet hij de Cursus als een voortzetting van wat Jezus tweeduizend jaar geleden in zijn aardse bediening begon (VvT-5.5:3-4).

ECIW-fabeltjes deel II

Robert Perry van The Circle of Atonement heeft een reader geschreven waarin hij uitlegt dat er allerlei opvattingen de ECIW-community zijn binnengeslopen die niet inherent zijn aan ECIW zelf. Ik heb hier gedeelten uit vertaald. Gisteren plaatste ik het eerste deel hiervan op de website maar vergat ik deze inleidende woorden te plaatsen. Dit leidde bij sommige lezers tot verwarring, waarvoor excuus.

Hartegroet,

Simon

God is onpersoonlijk. Hij is niet zozeer een Wezen maar een “iets-heid”. Hij weet niet eens dat wij er zijn.

De Cursus beschrijft God nooit als onpersoonlijk. Hij zegt wel dat Hij geen vorm heeft, maar beschrijft Hem altijd als een Zelf met Wil, dat liefheeft en schept. De Cursus spreekt vaak over onze relatie met Hem (het is moeilijk een relatie te hebben met “iets-heid”), en zegt dat Hij, terwijl wij slapen, zich eenzaam voelt, naar onze terugkeer verlangt, ons naar huis roept, en met open Armen op ons wacht.

God weet niet van de scheiding. Als Hij dat wel wist, zou Hij net zo krankzinnig zijn als wij.

De Cursus schildert dat God een respons geeft op de afscheiding, een respons die vooral tot uiting komt in Zijn schepping van de Heilige Geest. Dit impliceert natuurlijk dat God zich bewust was van de afscheiding, iets wat twee belangrijke passages ons ronduit zeggen. De ene zegt dat God weet van ons gebrek aan vreugde dat voortkomt uit de scheiding: “En dit weet Hij. Hij weet het in Zijn eigen Wezen, en in de ervaring daarvan van Zijn Zoons ervaring” (T-4.VII.6:5-6). De ander zegt: “En dus dacht Hij: ‘Mijn kinderen slapen en moeten worden gewekt.” (T-6.V.1:8).

God verhoort geen gebeden. De gebeden in het tweede deel van het Werkboek zijn niet bedoeld om gebeden te worden. Het zijn metaforen.

De Cursus vertelt ons minstens achttien keer dat God elke roep van ons hoort en beantwoordt, en vertelt ons geen enkele keer iets anders. Er zijn Werkboeklessen waarin ons gezegd wordt tot God te bidden als onderdeel van onze oefening voor die dag (bijv. W71.9 en W140.12). De eerste Werkboekles waarin we tot God zeggen (“Uw genade is mij gegeven. Ik eis die nu op”) opent met de woorden: “God spreekt tot ons. Zullen wij niet tot Hem spreken?” (W168.1:1-2). Toen Helen de gebeden in deel II van het werkboek opschreef, omcirkelde ze deze met aanhalingstekens, om aan te geven dat het de bedoeling was dat we ze zouden zeggen.

ECIW-fabeltjes deel I

Robert Perry van The Circle of Atonement heeft een reader geschreven waarin hij uitlegt dat er allerlei opvattingen de ECIW-community zijn binnengeslopen die niet inherent zijn aan ECIW zelf. Ik heb hier gedeelten uit vertaald

De misvattingen:

Er is niet één juiste interpretatie van de Cursus. Alle interpretaties moeten worden erkend. Het zoeken naar de “juiste” gaat alleen maar over ego’s die proberen gelijk te krijgen.

Hoewel we allemaal feilbare interpretatoren zijn en het dus altijd een werk in uitvoering is om de juiste interpretatie te krijgen, is er Jezus zeker veel aan gelegen dat wij de Cursus interpreteren zoals hij het bedoeld heeft. Hij beschouwde de Cursus duidelijk als “niet voor meer dan één uitleg vatbaar” (commentaar aan Helen). Door de Cursus heen geeft hij aan dat het ego altijd probeert te verdraaien wat hij ons zegt. Hij spoort ons aan deze neiging tegen te gaan door de Cursus niet “overhaast of verkeerd” te lezen (M-29.7:3), en door te leren “deze dwaze toepassingen [de verdraaiingen door het ego van Cursuspassages] te zien, en de betekenis die ze lijken te hebben te verwerpen” (W-pI.196.2:4).

Telkens wanneer we beginnen te praten over verschillen en meningsverschillen, zijn we in ego. Een juiste ego-loze reactie op verschillen in interpretatie is het “uitscheuren van de bladzijde waar strijd over bestaat”.

Jezus zelf sprak echter ook over verschillen tussen zijn leringen en de leringen van Freud, Edgar Cayce, en het Nieuwe Testament. Hij deed dit echter altijd op een respectvolle manier, waarbij hij zorgvuldig was en ook punten van overeenstemming bevestigde. Waarom zouden we, in plaats van de bladzijde uit te scheuren, niet samen op zoek gaan naar wat de Cursus werkelijk zegt? ” Maar wanneer er twee of meer zich verbinden in hun zoektocht naar de waarheid, kan het ego zijn gebrek aan inhoud niet langer verdedigen” (T-14.X.9:6).

De Cursus is niet bedoeld om bestudeerd te worden, alleen om ervaren te worden. Bestudering ervan maakt er alleen maar een intellectuele oefening van.

Jezus vertelde Helen en Bill dat hun studie van de Cursus van cruciaal belang was, en paste wat hij zei toe op alle studenten: “Bill heeft heel intelligent voorgesteld dat jullie je beiden ten doel moeten stellen om werkelijk voor deze cursus te studeren. Er kan geen twijfel bestaan over de wijsheid van deze beslissing, voor iedere student die wil slagen.” Studie is niet in strijd met ervaring. Integendeel, studie is de poort naar ervaring en, op de juiste manier gedaan, is zelf ervaringsgericht.

Is Een Cursus in Wonderen een non-duale visie?

Bron: https://www.quora.com/Is-a-course-in-miracles-non-dualistic

Auteur: Don Giacobbe (Vertaald met DeepL door Simon)

Het korte antwoord is dat “Een Cursus in Wonderen” geen totaal nondualisme is. Het is echter ook geen totaal dualisme. In tegenstelling tot elke andere filosofie is de Cursus een unieke combinatie van enkele aspecten van non-dualisme en enkele aspecten van dualisme. De Cursus kan met recht “gekwalificeerd nondualisme” worden genoemd, wat als volgt nader wordt toegelicht;

De “Christus,” het “Zelf,” en het “Zoonschap” zijn drie termen die hetzelfde betekenen. Ze beschrijven elk de ene Zoon van God in Zijn Heelheid. Elke term beschrijft jou zoals je werkelijk bent, nu en voor altijd. Jouw Identiteit is in de Heelheid van de Vader en de Zoon, aangezien geen van beide afzonderlijk of volledig is zonder de ander. Als je alleen deze goddelijke Eenheid zou zijn, zou je geen goddelijke individualiteit hebben. Dit gebrek aan individualiteit is typisch het volledige “non-dualisme” van de Oosterse filosofie. De Cursus biedt “gekwalificeerd nondualisme” dat het nondualistische idee van volledige versmelting met God omvat, maar de kwalificatie is dat je individualiteit niet verloren gaat in deze volledige versmelting met God. Integendeel, in je vereniging met God wordt je op het ego gebaseerde individualiteit ongedaan gemaakt en vervangen door je ware individualiteit in God. Je Vader heeft je echter geschapen met een tweeledige natuur van zowel je individualiteit als je heelheid als deel van God Zelf.

Eén deel van je tweeledige natuur is dat je een individueel deel bent van de ene Christus. Het andere deel van je tweeledige natuur is dat je de hele Christus bent. Je tweeledige natuur lijkt een paradox te zijn vanuit jouw perceptie. Vanuit jouw beperkte perceptie geldt dat je niet tegelijkertijd een uniek deel van de Christus en de hele Christus kunt zijn. Maar perceptie in deze wereld brengt het gewaarzijn van afzonderlijke delen die kunnen samengaan om heelheid te maken in hun combinatie. Maar het totale bewustzijn van kennis in de Hemel weet dit:

” Hoewel ieder aspect het geheel is, kun je dit niet weten voordat jij ziet dat ieder aspect hetzelfde is, waargenomen in hetzelfde licht en daarom één.”
(T-13.VIII.5.:3)

Kennis in de Hemel aanvaardt volledig de heelheid in elk deel van de ene Christus, maar perceptie in deze wereld ziet elk deel als slechts een klein deel van een groter geheel.

Het geheel definieert wel het deel, maar het deel definieert niet het geheel. Toch is ten dele kennen volledig kennen vanwege het fundamentele verschil tussen kennis en waarneming. In waarneming is het geheel opgebouwd uit delen die zich kunnen scheiden en zich in verschillende constellaties opnieuw kunnen samenvoegen. Kennis verandert echter nooit, zodat haar constellatie permanent is. Het idee van deel-geheel-relaties heeft alleen op het niveau van de waarneming, waar verandering mogelijk is, enige betekenis. Voor het overige is er geen verschil tussen het deel en het geheel.” (T-8.VIII.1:10-15)

Ik schreef bovenstaand antwoord in 2017, maar nu in 2019 schrijf ik dit commentaar om relevante ondersteunende citaten toe te voegen om een dieper begrip te geven van waarom de Cursus het totale nondualisme niet ondersteunt, zoals dat wordt bepleit in het oosterse geloof in het volledige Advaita nondualisme. De inleiding tot de Cursus bevat deze uitspraak: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat.” (T-in.2:2-3) Dit betekent dat alleen God en Zijn werkelijkheid werkelijk is, en dat niets buiten God bestaat, omdat het niet werkelijk is en geen deel uitmaakt van God. De Cursus stelt dat de wereld onwerkelijk is en uiteindelijk zullen we ontdekken dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden. Op het eerste gezicht lijkt dit alles totaal nondualisme te zijn. De Cursus beweert echter dat er twee dingen zijn die werkelijk zijn binnen de verder illusoire wereld van tijd en ruimte.

Iedere liefdevolle gedachte die de Zoon van God ooit heeft gehad is eeuwig. De liefdevolle gedachten die zijn denkgeest in deze wereld waarneemt, vormen de enige werkelijkheid van de wereld. Het zijn nog steeds waarnemingen, omdat hij nog steeds gelooft dat hij afgescheiden is. Toch zijn ze eeuwig, omdat ze liefdevol zijn. En doordat ze liefdevol zijn, zijn ze als de Vader, en kunnen daarom niet sterven.” (T-11.VII.2:1-5)

Naast het feit dat de inhoud (niet de vorm) van elke liefdevolle gedachte echt en eeuwig is ben jij, samen met alle andere geestelijke wezens die door God zijn geschapen, het andere dat wel echt is in de wereld van de dromen. Je dromen van wereldse ruimte en tijd zijn niet echt en bestaan niet, maar jij als de dromer van de droom bent net zo echt als je Vader. Wanneer je ontwaakt in de Hemel zullen je dromen ongedaan gemaakt worden en je ego zal ongedaan gemaakt worden, maar je individuele Identiteit als een schepping van God zal vreugdevol gevierd worden omdat je je weer volledig bewust zult worden van je ware natuur binnen de werkelijkheid van God.

Het woord “non-duaal” betekent “niet-twee”. Totaal non-dualisme betekent dat er geen individualiteit is omdat God de ongedifferentieerde Grond van Zijn is. Totaal non-dualisme is vergelijkbaar met een regendruppel die in de oceaan valt en oplost en al zijn individualiteit verliest. Zeker, God is eenheid, maar Zijn eenheid omvat ook Zijn geschapen wezens die deel zijn van Zijn werkelijkheid en Zijn eenheid. Het enige onderscheid tussen God en Zijn geschapen wezens is dat Hij de Eerste Oorzaak is en dat Zijn Zoon Zijn Gevolg is.

” Hij is de eerste in die zin dat Hij de Eerste is in de Heilige Drie-eenheid Zelf. Hij is de Oerschepper, omdat Hij Zijn medescheppers schiep.” (T-7.I.7:5-6).

De Vader en de Zoon zijn verenigd in de werkelijkheid van Gods eenheid. Maar de Cursus beweert ook dat er vele Zonen zijn die de delen zijn van het hele Zoonschap dat de Christus is. Hoe is het mogelijk dat God één Zoon heeft en toch ook vele Zonen heeft die de delen zijn van de ene Zoon, de ene Christus?

Totale non-dualiteit beweert dat er één werkelijkheid is die binnen haar eenheid geen enkel verschil toestaat. Ik beweer dat de Cursus een gekwalificeerd nondualisme is waarin er harmonieuze verschillen zijn binnen de eenheid. Er is dus geen totaal verlies van individualiteit in de versmelting met de eenheid van God. In tegenstelling tot de regendruppel die terugkeert naar de oceaan en al zijn individualiteit verliest, ben jij als een regendruppel die terugkeert naar de oceaan en paradoxaal genoeg een regendruppel blijft. Je verliest je ego in de Hemel, maar je herwint het bewustzijn van je individualiteit als een van Gods geschapen wezens. Je bent een individueel deel van de ene Christus, en je bent tegelijkertijd de hele Christus.

“Het inzicht van het deel als geheel, en van het geheel in ieder deel is volmaakt natuurlijk, want dat is de manier waarop God denkt, en wat natuurlijk is voor Hem is natuurlijk voor jou.”
(T-16.II.3:3).

Toen je in de Hemel in slaap viel en een niet-bestaande wereld van afscheiding droomde, overdreef en vervormde je je deel-zijn (je goddelijke individualiteit) door je te identificeren met een ego en een lichaam. Ook vergat je volledig je heelheid in Christus. Het ego, als de overdrijving en vervorming van je deel-zijn, zal ongedaan worden gemaakt wanneer je ontwaakt. In je ontwaken zul je niet oplossen in de ongedifferentieerde Grond van Zijn van je Vader. Integendeel, je zult het bewustzijn van je onveranderlijke goddelijke individualiteit herstellen, dat in de Cursus vele malen op deze manier wordt uitgedrukt: “Ik ben zoals God mij geschapen heeft.” God schiep jou met individualiteit en met heelheid. Daarom moet je voor altijd je individualiteit en heelheid behouden binnen de werkelijkheid van Zijn eenheid. Let in het volgende citaat op de uitspraak dat toen God jou schiep, Hij je “alles als individu” gaf:

God, die alle zijn omvat, heeft wezens geschapen die elk voor zich alles hebben, maar die dat willen delen om hun vreugde te vergroten. Niets werkelijks kan vergroot worden, behalve door het te delen. Dat is de reden dat God jou geschapen heeft. De Goddelijke Abstractie schept vreugde in het delen. Dat is wat schepping betekent.” (T-4.VII.5:1-5).

In de Hemel zou er geen delen in de schepping zijn als er geen afzonderlijke delen van God waren om het delen met Hem te doen. Als de Cursus totaal nondualisme zou onderwijzen, zou er geen Zoon van God zijn en zeker geen delen die het Zoonschap vormen.

“Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft. Als al Zijn scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen.” (T-2.VII.6:1-3).

Jezus is een van de delen van het Zoonschap, die zichzelf uw “oudere broer” noemt. Jullie lijken in alle opzichten op Jezus, behalve dat hij ontwaakt is tot zijn ware natuur en jullie niet. Daarom zegt Jezus:

Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken.” (T-1.II.3:10).

Volgens het totale non-dualisme zou de ontwaakte Jezus volledig met God moeten zijn samengesmolten en zijn gehele individualiteit hebben verloren. Er zou dus geen individu zijn om Jezus te noemen omdat hij volledig met God zou zijn versmolten en God zou zijn geworden. Maar als die volledige non-dualistische versmelting had plaatsgevonden, zou er geen individu zijn dat “Jezus” wordt genoemd om Helen Schucman de Cursus te dicteren. De aanwezigheid van de Cursus zelf, gedicteerd door Jezus, is het bewijs dat Jezus zijn individualiteit heeft behouden als het ontwaakte deel van de ene Christus en als de hele Christus.

Als de Cursus volledig nondualisme zou onderwijzen, zou er ook geen goddelijk individueel deel van God zijn dat de “Heilige Geest” wordt genoemd, van wie de Cursus zegt dat hij “de Stem van God” is en die door God geschapen is. De Heilige Geest is het deel van de Heilige Drie-eenheid dat het gedeeltelijke bewustzijn van perceptie en het totale bewustzijn van kennis bezit. Het doel van de Heilige Geest is de slapende Zoon van God te helpen ontwaken uit zijn dromen van afscheiding en zijn ware goddelijke individualiteit te aanvaarden als deel van Christus en als de gehele Christus. Het volgende citaat zegt dat bij het ontwaken in de Hemel, het “gevoel van afgescheidenheid verdwijnt.”


Niets kan zegevieren over een Zoon van God die zijn geest in de Handen van zijn Vader beveelt. Door dit te doen ontwaakt de denkgeest uit zijn slaap en herinnert zich zijn Schepper. Alle gevoel van afgescheidenheid verdwijnt. De Zoon van God is een deel van de Heilige Drie-eenheid, maar de Drie-eenheid Zelf is één. Er is geen verwarring binnen de Niveaus hiervan, omdat Zij één van Denkgeest en Wil zijn.” (T-3.II.5:1-5).

Hoewel er geen gevoel van afscheiding is in de Hemel, lost de Heilige Drie-eenheid niet op in het ongedifferentieerde Wezen van God. In de eenheid van de Hemel blijven de delen van de Heilige Drie-eenheid duidelijk uniek, terwijl zij tegelijkertijd volledig verenigd zijn in één Geest en één Wil. Er zijn verschillende filosofieën van totaal non-dualisme, maar geen van hen spreekt over de versie van de Cursus van de Drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die een volledig harmonieuze verscheidenheid toestaat binnen de context van de eenheid van de Hemel.

Een op ego gebaseerde individualiteit gebaseerd op afscheiding is duidelijk zinloos. Maar het volledige verlies van alle individualiteit in het totale non-dualisme zou betekenen dat de wezens die God geschapen heeft geen inherente individuele betekenis in zichzelf zouden hebben als delen van God. Is God als een kind dat in de oceaan speelt terwijl hij toekijkt hoe zijn zandkastelen worden opgelost door de opkomende vloed van de oceaan? God heeft geen betekenisloze schepsels geschapen die weer oplossen in Zijn ongedifferentieerde Wezen. Hij schiep geen unieke schepsels die door hem individueel geliefd werden en toch verdwijnen zonder een spoor achter te laten. Wat God geschapen heeft blijft voor altijd onveranderlijk, net zoals Hij voor altijd onveranderlijk is. Het is Gods Wil dat je voor altijd bij Hem bent als een van Zijn geschapen wezens.

Maar Hij <De Heilige Geest> kan zich God niet voorstellen zonder jou, omdat het niet Gods Wil is zonder jou te zijn. Wanneer jij geleerd hebt dat jouw wil die van God is, kun jij evenmin willen dat je zonder Hem bent als Hij kan willen zonder jou te zijn. Dat is vrijheid en dat is vreugde. Ontzeg jezelf dit, en je ontzegt God Zijn Koninkrijk, want hiervoor heeft Hij jou geschapen.” (T-8.II.6:3-6).

God, inclusief Zijn schepping, neemt voortdurend toe omdat Hij nooit oplost wat Hij schept. Verandert God dan omdat Hij Zijn schepping vermeerdert? Nee, Hij verandert niet. Het is een deel van Gods onveranderlijkheid dat Hij onveranderlijk vermeerdert.

Wat tijdloos is bestaat altijd, omdat het wezen ervan eeuwig onveranderlijk is. Het verandert niet door te vermeerderen, omdat het voor eeuwig geschapen werd om te vermeerderen.” (T-7.I.7:9-10).

Natuurlijk zal Gods Wil de hele wereld van tijd en ruimte ongedaan maken, maar de God van Liefde zou niet overwegen ook maar één van Zijn geschapen wezens in de Hemel ongedaan te maken. Dus jouw individualiteit in Hem kan nooit ongedaan worden gemaakt. Jij bent een individuele Gedachte in de Denkgeest van God, en je zult dat voor altijd blijven, net zoals Jezus en elk ander deel van het Zoonschap een unieke Gedachte is in de Denkgeest van God.

In de volmaakte zekerheid van haar onveranderlijkheid en van haar rust in haar eeuwige thuis, heeft de Gedachte die God van jou bewaart nooit de Denkgeest verlaten van haar Schepper die zij kent, zoals haar Schepper weet van haar bestaan.” (T-30.III.10:5).

Je bent een Gedachte van God die wacht op jouw keuze om je ware aard terug te vinden.

De Gedachten van God zijn ver boven iedere verandering verheven, en ze stralen voor eeuwig. Ze wachten niet op geboorte. Ze wachten op een welkom en op herinnering. De Gedachte die God van jou bewaart is als een ster, onveranderlijk aan een eeuwig firmament” (T-30.III.8:1-4).

Wanneer je ontwaakt, zul je jezelf niet herinneren zoals de Gedachte die God over Jezus heeft, toen hij geschapen werd. In plaats daarvan zul je je de Gedachte herinneren die God over jou heeft toen Hij jou schiep als een individueel en eeuwig deel van Zichzelf. God heeft jou individueel lief en Hij zal Zijn individuele liefde voor jou niet in Hem laten oplossen en geen spoor achterlaten van jou als een unieke Gedachte in Zijn Denkgeest. De Gedachten van God veranderen nooit en zijn voor eeuwig geliefd, ondanks tijdelijke dromen van afscheiding.

De Gedachte die God van jou bewaart, blijft volmaakt onaangetast door jouw vergeten.

Ze zal altijd precies zo zijn als ze was vóór de tijd toen jij haar vergat, en zal precies dezelfde zijn wanneer jij je haar herinnert. En ze blijft dezelfde in het tijdsinterval waarin jij haar vergat.” (T-30.III.7:6-8).

Alle Gedachten van God zijn van gelijke waarde.

Er is geen rangorde naar moeilijkheid bij wonderen, omdat al Gods Zonen gelijkwaardig zijn, en hun gelijkheid is hun eenheid. De hele macht van God bevindt zich in ieder deel van Hem, en niets dat tegenstrijdig is aan Zijn Wil is groot of klein.” (T-11.VI .10:5-6).

Jij bent een Zoon van God die gelijk is aan alle andere Zonen van God, maar je behoudt toch je goddelijke individualiteit binnen de context van eenheid. Als een Gedachte van God ben je niet bijzonder op grond van het ego-idee van afgescheidenheid dat een illusie is. Als een individuele Gedachte die God van jou heeft, heb je een goddelijke speciaalheid die gebaseerd is op het feit dat God jou individueel liefheeft. Merk op dat Jezus in het volgende citaat zegt dat al zijn broeders individueel speciaal zijn in hun opname in de eenheid. Jezus verwijst echter niet naar speciaalheid gebaseerd op het ego-idee van afscheiding en uitsluiting.

” God bevoorrecht niet. Al Zijn kinderen hebben Zijn totale liefde en al Zijn gaven worden vrijelijk en gelijkelijk aan allen geschonken. ’Als gij niet wordt als kleine kinderen’ betekent: als je niet ten volle inziet dat je volkomen afhankelijk bent van God, kun je niet de werkelijke macht van de Zoon in zijn ware relatie tot de Vader kennen. De speciaalheid van Gods Zonen berust niet op uitsluiting maar op insluiting. Al mijn broeders zijn speciaal.” (T-1.V.3:2-6).

Als de Hemel volledig nondualistisch was, zou je zo volledig met God samensmelten dat je niet in staat zou zijn om te scheppen zoals God. Bovendien zou je niet in staat zijn je eigen creaties te hebben, zoals de Cursus beweert dat je in de Hemel bezit als een uitdrukking van Gods Liefde die zich door jou uitstrekt om te scheppen zoals Hij. Jezus zegt:

De hele macht van Gods Zoon ligt in ons allen, maar niet in een van ons alleen. God wil niet dat wij alleen zijn, omdat Hij niet alleen wil zijn. ”Daarom heeft Hij Zijn Zoon geschapen en hem de macht gegeven om met Hem te scheppen. Onze scheppingen zijn even heilig als wijzelf en wij, als de Zonen van God Zelf, zijn even heilig als Hij. Door middel van onze scheppingen breiden wij onze liefde uit, en vermeerderen zo de vreugde van de Heilige Drie-eenheid. Jij begrijpt dit niet, want jij die Gods eigen schat bent, beschouwt jezelf niet als waardevol. Uitgaande van die overtuiging kun jij helemaal niets begrijpen.” (T-8.VI.8:5-11).

In het vorige citaat zegt Jezus dat je “jezelf niet als waardevol beschouwt”. Realiseer je je hoe waardevol je individueel bent? Je bent niet waardevol om welke ego-gebaseerde wereldse reden dan ook. Toch heb je oneindige waarde omdat je een individueel deel van God bent en omdat God je individueel liefheeft met al Zijn Liefde. Hij schiep jou door jou al Zijn Liefde te geven. Gods liefde voor jou zou betekenisloos voor je zijn als er absoluut geen individuele jij was om bemind te worden, zoals zou gebeuren met volledig non-dualisme. Zeker, het zou egoïsme zijn om te geloven dat God meer van jou houdt dan van de andere delen van het Zoonschap. God houdt niet van het ego dat slechts een illusie van jou is. God houdt echter wel van je zoals Hij je geschapen heeft en zoals je voor altijd in de Hemel zult blijven.

Het inzicht dat God jou individueel liefheeft, is uiterst nuttig als motivatie voor geestelijke groei naar het ontwaken tot je ware natuur. Dit begrip zal leiden tot de directe ervaring van God die jou individueel liefheeft. Het zal je helpen om te ontwaken tot je ware goddelijke individualiteit als je elke dag een stille tijd hebt om Zijn Liefde te verwelkomen en te ervaren. Deze stille tijd kan gebruikt worden om jezelf eraan te herinneren dat God je nu liefheeft als een van Zijn goddelijke en individuele Zonen, net zoals Hij je liefgehad heeft sinds je individuele schepping en net zoals Hij je voor altijd zal blijven liefhebben.

Vader, ik werd geschapen in Uw Denkgeest, een heilige Gedachte die zijn thuis nooit verlaten heeft. Ik ben voor eeuwig Uw Gevolg en U bent voor eeuwig en altijd mijn Oorzaak.” (W-326.1:1-2).

Ben je bereid te aanvaarden dat jij en elke broeder die je ontmoet, de individuele geliefde Zoon van je Vader is? Het lijkt passend te besluiten met de versie van de Cursus van het verhaal van de verloren zoon, dat jouw verhaal is van jouw terugkeer naar het bewustzijn van je individuele spirituele identiteit:

Luister naar het verhaal van de verloren zoon en verneem wat Gods schat is en die van jou: deze zoon van een liefdevolle vader verliet zijn thuis en meende dat hij alles had verbrast aan niets van enige waarde, hoewel hij toentertijd de waardeloosheid ervan niet inzag. Hij schaamde zich ervoor naar zijn vader terug te keren, omdat hij dacht dat hij hem had gekwetst. Maar toen hij thuiskwam verwelkomde de vader hem vol vreugde, omdat de zoon zelf zijn vaders schat was. Hij wilde niets anders. God wil alleen Zijn Zoon omdat Zijn Zoon Zijn enige schat is.” (T-8. VI. 4:1-4, 5:1).