Mijn opstanding in Jezus

Misschien heeft het te maken met mijn Baptisten verleden of met de herinnering aan Pasen nog vers in het geheugen, maar ik blijf geïntrigeerd door de kruisiging van Jezus. Daarbij heb ik gemerkt dat ik hierbij twee invalshoeken gebruik die echter steeds meer versmelten tot één geheel.

De eerste invalshoek is die van het normale, “gezonde” verstand. Vanuit deze invalshoek las ik met interesse het boek “Echo’s van het goede nieuws” door Geurt Henk van Kooten. Van Kooten nam me op knappe wijze mee de geschiedenis in waarbij hij me als het ware ooggetuige maakte van het leven en sterven van Jezus. Ik was blij verrast dat hij overtuigende argumenten aanvoerde voor een vroege datering en de betrouwbaarheid van het Johannes evangelie. Sommige schrijvers beweren dat Jezus nooit echt bestaan heeft, dat hij geen historische figuur is geweest, maar dat de evangeliën als het ware een construct zijn dat opgebouwd is uit oudere sagen en legenden. Ik geloof dit niet en vind het fijn om zo’n erudiet historicus als Van Kooten aan mijn zijde te hebben. Ik leer Jezus kennen als echt mens, maar wel een mens van waaruit het Goddelijk licht de wereld in straalt.

De tweede invalshoek is die van mijn gevoel en intuïtie. Vanuit deze invalshoek lees ik momenteel “Jesus; a gospel of Love” door David Hoffmeister. Op meesterlijke wijze legt hij Een Cursus in Wonderen (ECIW) naast de Bijbel en wijst hij op de overeenkomsten maar vooral op de diepe schoonheid van de boodschap van Jezus. Binnen cursus-land bestaan (licht) verschillende visies op de juiste interpretatie van de cursus waarbij Hoffmeister op dezelfde radicale golflengte zit als Ken Wapnick. Dat betekent dat hij vooral de Goddelijkheid en volmaaktheid van Jezus benadrukt. Hoffmeister ontkent niet dat wij de illusie nog serieus nemen, maar hij stelt dat Jezus de illusie volkomen doorzag en zich niet liet foppen door wat we menen te zien en te ervaren in de wereld. Ik vind het fijn om deze boodschap te lezen en te absorberen. Van binnen klinkt een “ja” tegen deze non-duale visie: “God is licht en er is in Hem in totaal geen duisternis”. Of, in ECIW-termen: Liefde kent geen tegendeel.

Terug naar de kruisiging van Jezus. Ik heb daar al een aantal blogs aan gewijd en verschillende standpunten belicht. Daarbij kreeg ik van lezers soms bijval en soms felle tegenspraak. Als ik de menselijkheid van Jezus benadrukte, wees men me op ECIW-citaten waarin stond dat Jezus geen pijn ervaarde en niet leed aan het kruis. De kruisiging zou juist bedoeld zijn om aan te tonen dat deze narigheid niet echt is. Ooggetuigen die meenden dat Jezus leed, zo stelt men, zagen slechts hun eigen angsten bevestigd.

Als ik de Goddelijkheid van Jezus benadrukte dan wees men mij er op dat Jezus echt mens was. Dat hij gewoon moest eten en drinken en ook dorst had. Soms kiest men een soort tussenoplossing waarbij Jezus wel pijn mag hebben maar, omdat hij zich hier niet tegen verzette, niet zou hebben geleden. Puristen zoals Hoffmeister ontkennen echter ook de pijnsensatie.

Het valt me op dat deze discussie zich altijd afspeelt vanuit een derde-persoonsperspectief. Wij lezen de Bijbel, ECIW of de boeken van genoemde leraren en gaan bedenken wat het meest logisch klinkt. We denken dan na over het mens-zijn van Jezus of juist over zijn God-zijn, over wat onze eigen ervaringen zijn en over hoe we de Bijbel of de metafysica van ECIW moeten interpreteren. Zoals gezegd is er in mijn beleving niks mis met het gebruik van ons verstand, maar als dit het enige instrument is dat we gebruiken dan zitten we voor we er erg in hebben in een nieuwe mini godsdienstoorlog.

Voor mij werkt het beter als ik me beperk tot een eerste-persoonsperspectief. Daarin voel ik me erg bevestigd nadat Een Cursus van Liefde (ECvL) op mijn pad kwam. In dit wonderlijke boek kom ik voor mijn gevoel in een heilige relatie met Jezus terecht. Woorden schieten uiteindelijk tekort als ik contempleer op teksten als: “je bent relatie” en “jij bent mijn eigen, ik ben jouw eigen”.

Vanuit het eerste-persoonsperspectief wordt het leven en de kruisgang van Jezus mijn eigen levensverhaal. Zijn mind en mijn mind zijn niet verschillend maar vormen één geheel. Probeer dit als je wilt te doorvoelen in plaats van te overdenken. Ik voel zowel zijn mens-zijn als zijn God-zijn in mijn eigen mind. Ik ervaar de moeilijkheden en het leed van het menselijk bestaan , maar ook de diepe en alles oplossende vergeving van de visie van Christus.

De kruisgang van Jezus is niet langer het besluit van een historisch relaas van 2000 jaar terug. Nee; het is een intiem symbool van mijn eigen levensverhaal. Jezus wordt zowel de mens waarin alles volbracht werd, als het symbool voor de opstanding in “mijn” mind. Hij is het Licht waarin gezien wordt dat pijn en lijden oplossen in het Licht van Liefde en vergeving. Maar zijn Licht mag mijn Licht zijn.

Christenen zeggen dat Jezus gestorven is voor onze zonden. Zij vatten dit meestal duaal en historisch op, maar er zit een diepe kern van waarheid in. Ik geloof(de) in zonde (=afscheiding) en Jezus heeft dit geloof ontmaskerd. Ik mag hem zien als “mijn persoonlijke verlosser en Heer’, niet in duale zin maar in diepe, heilige zin. Samen met hem roep ik vanuit mijn pijn en lijden uit: “Vader, vergeef hen (en mijzelf); ze weten niet wat ze doen”. Vervolgens: “In Uw handen beveel ik mijn geest”. En uiteindelijk: “Het is volbracht”.

In, met en door Jezus ben ik de verloren Zoon die verwelkomd wordt door de Vader. Na een leven waarin ik de droomwereld van genot en leed serieus nam, heb ik me uiteindelijk gewend tot de Vader. En deze rende me tegemoet met open armen en bereidde me een feestmaal.

In het verhaal van Jezus komt alles voor mij en in mij samen. Hij is mijn verlosser en Heer; hij is mijn eigen. Wat een wonder, wat een vreugde, wat een voorrecht.

“Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.”

“En Jezus riep met luide stem en zei: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.”

ECIW: “Dit heilig ogenblik wil ik U geven. Neemt U het in handen. Want U wil ik volgen, in de zekerheid dat Uw leiding mij vrede geeft.”

Een droom-ik in een droomwereld.

Inleiding

Wanneer ik op Facebook lange berichten tegenkom, merk ik vaak weerstand om ze te lezen. Ik wil snel begrijpen wat de schrijver me duidelijk wil maken. Ik ben me er dus van bewust dat ook deze blog, door zijn lengte, niet meteen uitnodigt. Toch post ik hem.

De reden daarvoor is dat ik heb gemerkt dat veel mensen – inclusief ECIW-studenten en ikzelf – zich onvoldoende realiseren hoe wij eigenlijk kijken naar wat we ‘de werkelijkheid’ noemen. We nemen meestal vanzelfsprekend aan dat er een materiële wereld buiten ons bestaat, waaruit we ons af en toe terugtrekken om “naar binnen te kijken”. Die aanname wordt zelden onderzocht.

In deze blog wil ik laten zien dat die tegenstelling misleidend is. Er is geen ‘buiten’ waar we ons toe verhouden en geen ‘binnen’ waar we af en toe naartoe gaan. Er is alleen een binnen. Wat wij doorgaans ‘de materiële werkelijkheid’ noemen, is volgens Bernardo Kastrup een gepercipieerde wereld, en volgens Een Cursus in Wonderen zelfs een door ons gedroomde wereld.

Mijn excuses voor de lengte van dit stuk, maar ik beschouw dit thema als fundamenteel. Zonder inzicht hierin blijven we onszelf en de wereld waarin we menen te leven verkeerd begrijpen.

PS: Deze blog is een uitgewerkte versie van het eerdere bericht: Ons hardnekkig geloof in een materiële werkelijkheid.

Daar gaan we 😉

Twee drempels

Er zijn twee fundamentele drempels die het ons moeilijk maken om een dieper besef te krijgen van onze ware identiteit en van de aard van de werkelijkheid:

  1. het geloof in materialisme
  2. onwetendheid over het principe dat projectie perceptie is (inclusief onwetendheid over onze intentie)

1. Ons geloof in materialisme

Het materialistische wereldbeeld houdt in dat we onszelf vanzelfsprekend beschouwen als lichamelijke wezens die leven in een wereld van tijd, ruimte en vormen, geregeerd door natuurwetten zoals causaliteit. Binnen dit denken wordt bewustzijn gezien als een bijproduct van materie, voortkomend uit de werking van het brein.

Dit lijkt overtuigend. Wanneer onze hersenen beschadigd raken, kunnen we bewusteloos raken. En als het lichaam sterft, zo nemen we aan, eindigt het bewustzijn. Dat lijkt een logisch en zelfs onontkoombaar gevolg.

Door de geschiedenis heen heeft men echter vaak vermoed dat er naast de materiële werkelijkheid ook nog een geestelijk domein zou moeten zijn. Dat leidt meestal tot een hybride visie: een materiële wereld en daar ergens “boven” of “achter” een bewustzijnsdomein. Een bekend voorbeeld hiervan is de metafoor uit Het ultieme geheim van Dan Brown, waarin de hersenen worden voorgesteld als een radio-ontvanger die signalen van een vormloos bewustzijn opvangt en vertaalt naar ervaringen.

De filosofische stroming die bekendstaat als het idealisme gaat een stap verder. Zij stelt dat de werkelijkheid in haar geheel geestelijk van aard is. Een hedendaagse vertegenwoordiger hiervan is Bernardo Kastrup, die deze visie aanduidt als analytisch idealisme. Hoewel hij vele boeken nodig heeft gehad om het materialistische wereldbeeld te weerleggen, is zijn kernpunt in feite eenvoudig en voor iedereen zelf te onderzoeken.

Alles wat wij weten over de zogenaamd materiële wereld van vormen, tijd en ruimte, komt namelijk voort uit gewaarwording. We hebben visuele, auditieve, gevoelsmatige, geur- en tastpercepties, en op basis daarvan concluderen we dat er materiële objecten bestaan.

Aan de basis van al deze kennis liggen onze gewaarwordingen: ons bewustzijn van “iets”, al dan niet via meetinstrumenten.  Pas daarna maken we, meestal ongemerkt, een extra stap. We concluderen dat dit “iets” dat we waarnemen een materiële wereld is die buiten ons bestaat en los van ons staat. Die stap zelf is echter geen waarneming, maar een geloofsaanname.

Dat dit geloof zo diep verankerd is, verklaart waarom de boeken van Bernardo nodig zijn. Niet omdat zijn redenering zo ingewikkeld is, maar omdat we de denkfouten die voortkomen uit ons materialistische uitgangspunt nauwelijks nog herkennen. In deze blog kan ik onmogelijk alle argumenten bespreken, maar één voorbeeld maakt het probleem duidelijk.

Meestal beschrijven we waarneming als volgt: een object weerkaatst licht, dat licht komt via onze ogen binnen, in de retina worden elektrische impulsen opgewekt, deze worden verwerkt in specifieke hersengebieden, en vervolgens worden we ons bewust van een object. De conclusie lijkt vanzelfsprekend: ik neem een materieel object waar dat zich buiten mij bevindt.

Maar wat weten we hier nu eigenlijk met zekerheid?

Het enige wat onbetwistbaar vaststaat, is dat elk element in dit hele verhaal zelf een waarneming is. Ik neem een vorm waar, ik neem licht waar, ik neem ogen en een retina waar, ik neem elektrische impulsen waar en ik neem hersengebieden waar. Ook processen als ‘weerkaatsing’ en ‘verwerking in de hersenen’ zijn constructies die voortkomen uit waarneming.

Met andere woorden: aan alles wat we menen te weten over de wereld ligt perceptie ten grondslag. Perceptie is niet een onderdeel van onze kennis van de werkelijkheid, maar haar onvermijdelijke fundament.

Daarmee ontkent het analytisch idealisme niet dat er “iets” is waartoe wij ons als waarnemer verhouden. Kastrup ontkent niet het bestaan van een wereld buiten mijn individuele perspectief. Hij stelt echter dat dit “iets” geen materiële substantie is, maar een gebeurtenis binnen een veld van bewustzijn, die wij vervolgens als materieel interpreteren.

Een hamer is dan een fenomeen in en van bewustzijn. Wanneer dit fenomeen samenvalt met datgene wat wij als onze vinger waarnemen, gebeurt er iets binnen bewustzijn dat wij percipiëren als pijn.

Kort gezegd: wij zijn mentale wezens in een mentale werkelijkheid. Alles wat we in onze ervaring tegenkomen kan verklaard worden zonder het aannemen van een zelfstandige, niet‑geestelijke materiële wereld. Ons idee dat materie primair is, is geen waarneming maar een geloof. Wat we daadwerkelijk zeker weten, is slechts dit: er is perceptie, er is bewustzijn van iets. Dat is de enige vaste grond.

2. Onwetendheid over het principe: projectie is perceptie

(inclusief onwetendheid over onze intentie)

Waar het analytisch idealisme van Bernardo Kastrup laat zien dat alles wat wij ‘materie’ noemen uiteindelijk perceptie is, gaat Een Cursus in Wonderen (ECIW) nog een stap verder. ECIW stelt niet alleen dat de wereld die wij ervaren perceptueel van aard is, maar ook dát deze perceptie het resultaat is van projectie.

Volgens ECIW is alleen de denkgeest, de mentale werkelijkheid, werkelijk. Het lichaam en de wereld die wij waarnemen zijn geen objectieve, zelfstandige werkelijkheden, maar ervaringen binnen de denkgeest. Aanvankelijk nemen veel lezers dit aan als een spirituele openbaring die aan Jezus wordt toegeschreven. Pas door het doen van de werkboeklessen krijgt men er geleidelijk meer gevoel en inzicht voor.

Het interessante is dat waar ECIW deze visie als spirituele teaching presenteert, Kastrup vanuit filosofische en rationele argumentatie tot een vergelijkbare conclusie komt. Zijn analytisch idealisme maakt inzichtelijk dat deze visie logisch, begrijpelijk en zelfs het meest voor de hand liggend is, zodra we onze materialistische aannames loslaten.

Toch zit er een wezenlijk verschil tussen beide benaderingen.

Kastrup concludeert dat alles wat wij ervaren perceptie is van een mentale werkelijkheid die in zichzelf neutraal is. ECIW daarentegen stelt dat deze mentale werkelijkheid niet simpelweg ‘is’, maar dat zij gedroomd wordt. Met andere woorden: onze waarneming is niet slechts passief, maar actief voortgebracht. Zij is “onze” projectie.

Met die projectie wordt niet bedoeld dat “ik”, als persoon of ego, bewust de wereld bedacht heb. Daarom zette ik het woord “onze” hier tussen aanhalingstekens. Het gaat niet om Simon, of om jou als individu. ECIW verwijst hiermee naar een veel groter geestelijk geheel, aangeduid als de Zoon van God: één denkgeest die zich wil ervaren als velen.

Dit geestelijke geheel heeft, volgens ECIW, de wens gekoesterd zich afgescheiden te voelen van zijn bron (God, de Vader). Die wens is een keuze in de denkgeest. Het resultaat van die keuze is een ervaring van afzondering, verbeeld in een wereld van tijd, ruimte en vormen.

Een behulpzame vergelijking is die met onze nachtelijke dromen. Wanneer we dromen, geloven we tijdelijk dat we een afzonderlijk personage zijn in een wereld die zich onafhankelijk van ons ontvouwt. We beleven ontmoetingen, emoties en gebeurtenissen alsof ze werkelijk plaatsvinden. Pas bij het ontwaken realiseren we ons dat zowel het droom-ik als de droomwereld voortkwamen uit dezelfde geest.

Volgens ECIW is onze zogenaamde wakkere toestand hiermee volledig vergelijkbaar. Ook nu dromen we een avatar — een lichaam met een naam, geschiedenis en persoonlijkheid — die zich beweegt in een droomwereld die we voor absoluut werkelijk houden. Het verschil met de nachtelijke droom is slechts dat deze droom consistenter en collectiever is.

Het geloof in deze wereld krijgt extra kracht doordat het nauw samenhangt met het idee van kwetsbaarheid en sterfelijkheid van het lichaam. Het lichaam lijkt het bewijs van onze afgescheidenheid. Tegelijkertijd weet de denkgeest, diep vanbinnen, dat deze afscheiding gebaseerd is op een vergissing. Dat innerlijke weten manifesteert zich als onbewuste schuldgevoelens en de neiging tot zelfveroordeling en zelfbestraffing.

Hier wordt het verschil tussen Kastrup en ECIW opnieuw duidelijk. Waar Kastrup spreekt over dissociatie als een neutraal gegeven — een splitsing binnen bewustzijn — stelt ECIW dat er intentie aan ten grondslag ligt. De afscheiding is niet slechts iets dat gebeurde, maar iets waarvoor gekozen werd, en die keuze wordt vervolgens systematisch verhuld.

Samenvattend: perceptie is niet alleen de basis van onze ervaring van de wereld, zij is ook projectie. We nemen niet zomaar waar wat er is; we nemen waar wat we, op een dieper niveau van de denkgeest, willen waarnemen. Zolang we dit niet onderkennen, blijven we gevangen in een wereld die we voor buiten onszelf houden, terwijl zij in werkelijkheid binnen de denkgeest verschijnt.

Het is een lang en intens betoog; daar ben ik me van bewust. Toch is deze lengte geen toeval. De manier waarop wij naar onszelf en naar de werkelijkheid kijken, is zo diep verankerd dat oppervlakkige correcties niet volstaan. Wat hier verkend wordt, raakt aan de kern van onze identiteit en aan het fundament van onze ervaring.

Om duidelijk te maken dat dit geen persoonlijke speculatie is, maar nauw aansluit bij de visie van Een Cursus in Wonderen, wil ik afsluiten met een passage uit hoofdstuk 19 van het Tekstboek. Deze passage verwoordt, in meer existentiële en poëtische taal, precies datgene wat in deze blog rationeel is onderzocht:

Dit is de donkerste sluier, die door het geloof in de dood wordt hooggehouden, en door zijn aantrekkingskracht wordt beschermd. De toewijding aan de dood en aan zijn oppermacht is slechts een plechtige gelofte: de belofte aan het ego, in het geheim gedaan, deze sluier nooit op te lichten, hem niet te na te komen, of zelfs maar te vermoeden dat hij er is. Dit is het geheime akkoord dat met het ego is gesloten om wat zich achter de sluier bevindt voor altijd aan het zicht onttrokken en in vergetelheid te houden. Dit is jouw belofte om nooit toe te laten dat eenheid jou uit de afscheiding wegroept; het grote geheugenverlies waarin de Godsherinnering volkomen vergeten lijkt; de breuk tussen je Zelf en jou; de angst voor God — de slotstap in je dissociatie.

Ons hardnekkig geloof in een materiële werkelijkheid

Veel studenten van A Course in Miracles herkennen dat de cursus een uiterst radicale uitspraak doet over de aard van de werkelijkheid: de wereld die wij zien is niet werkelijk zoals wij denken, en alles wat wij ervaren vindt plaats in de geest. Toch blijft dit voor velen iets wat ze begrijpen in woorden, maar niet werkelijk ervaren. Het voelt alsof er ergens een kloof zit tussen de metafysica die ze bestuderen en de wereld die ze dagelijks waarnemen. Juist hier kan het helpen om kort stil te staan bij een hedendaagse filosofische benadering die verrassend dicht in de buurt komt van wat de cursus zegt, namelijk het analytisch idealisme van Bernardo Kastrup.

Kastrup vertrekt niet vanuit spiritualiteit, maar vanuit filosofie en wetenschap. Hij stelt de vraag wat we eigenlijk met zekerheid kunnen zeggen over de werkelijkheid, en komt tot een opvallend eenvoudige conclusie: alles wat wij ooit kennen, kennen we als ervaring in bewustzijn. We hebben nooit directe toegang tot een wereld buiten bewustzijn; zelfs wat wij “materie” noemen, verschijnt altijd als een ervaring, bijvoorbeeld als zien, voelen of meten. Vanuit die redenering is het volgens hem logischer om te zeggen dat bewustzijn fundamenteel is, en dat de fysieke wereld een verschijningsvorm binnen dat bewustzijn is, in plaats van andersom. Zijn werk sluit aan bij discussies in de filosofie van de geest en bij interpretaties van de moderne natuurkunde waarin de rol van observatie en informatie steeds centraler staat. Daarmee is zijn visie geen zweverige speculatie, maar een serieuze, rationeel onderbouwde positie binnen het huidige denken.

Voor veel studenten van de cursus kan dit in eerste instantie herkenbaar klinken. Het idee dat de wereld niet los van de geest bestaat, maar daarin verschijnt, ligt immers dicht bij uitspraken als “projectie maakt perceptie”. En toch gebeurt er iets opmerkelijks: zelfs wanneer iemand deze redenering volledig volgt en logisch overtuigend vindt, blijft de ervaring van een externe, materiële wereld vaak onaangetast. Men begrijpt dat alles in bewustzijn verschijnt, maar voelt het niet zo. De wereld blijft “daarbuiten”.

Vanuit het perspectief van de cursus is dit geen klein detail, maar precies de sleutel. Het verschil tussen begrijpen en werkelijk zien heeft namelijk te maken met iets wat Kastrup slechts zijdelings aanraakt, maar wat binnen de cursus centraal staat: de rol van intentie of wil. De cursus leert dat perceptie niet neutraal is. Wij zien de wereld niet simpelweg zoals zij is, maar zoals wij haar willen zien. Dat betekent dat de ervaring van een externe wereld niet alleen een vergissing in denken is, maar ook een keuze op een dieper niveau van de geest.

Hier wordt duidelijk waar de cursus verder gaat dan het analytisch idealisme. Waar Kastrup laat zien dat de wereld in bewustzijn verschijnt, legt de cursus uit waarom wij haar als buiten ons blijven ervaren. Volgens de cursus is er een verlangen naar afscheiding, een wens om een afzonderlijk zelf te zijn in een wereld die los van ons bestaat. Die wens kleurt onze waarneming zodanig dat de wereld automatisch als extern en materieel wordt ervaren. Zelfs als het denken gecorrigeerd wordt, kan die onderliggende keuze intact blijven, waardoor de ervaring niet mee verandert.

Dit verklaart waarom zoveel studenten de metafysica van de cursus kunnen herhalen zonder dat hun waarneming wezenlijk verschuift. Het ego kan de ideeën prima begrijpen, zolang ze geen directe bedreiging vormen voor zijn basis: het geloof in afscheiding. Het is dus niet zo dat mensen tekortschieten in intelligentie of inzicht. Wat er gebeurt, is subtieler. Er is een onbewuste terughoudendheid om de implicaties van de waarheid volledig toe te laten, omdat die implicaties het vertrouwde zelfbeeld ondermijnen.

Wanneer dit eenmaal wordt gezien, verandert ook de manier waarop je naar dit “probleem” kijkt. Het gaat niet langer om het beter uitleggen van de metafysica, maar om het herkennen van de weerstand tegen het daadwerkelijk loslaten van een bepaald wereldbeeld. De cursus biedt daarvoor een andere ingang dan filosofie: niet het aanscherpen van begrip, maar het beoefenen van vergeving, waarbij vergeving wordt opgevat als het loslaten van onze interpretaties en oordelen. In dat proces begint de waarneming geleidelijk te verschuiven, niet omdat we onszelf overtuigen van een nieuwe theorie, maar omdat we minder vasthouden aan de oude.

Vanuit die benadering wordt het ook begrijpelijk waarom dit proces niet geforceerd kan worden, noch bij jezelf, noch bij anderen. In de woorden en de benadering van de cursus ligt de nadruk steeds op bereidheid: je hoeft de waarheid niet te maken, maar alleen de blokkades ertegen los te laten. Zolang er nog angst is voor wat het betekent als de wereld niet werkelijk buiten je is, zal de ervaring zich daarnaar blijven vormen.

Wat overblijft is een zachtere, maar eerlijkere houding. Niet het idee dat anderen het “nog niet snappen”, maar het besef dat iedereen, op zijn eigen tempo, door lagen van gehechtheid en identificatie heen beweegt. Het inzicht dat alles in de geest verschijnt is uiteindelijk niet iets wat je afdwingt met argumenten, maar iets wat zich aandient wanneer de behoefte aan afscheiding begint te ontspannen. En precies daar ontmoeten de filosofie van Kastrup en de weg van de cursus elkaar: in de aanwijzing dat de werkelijkheid niet is wat ze lijkt, maar dat het werkelijke inzicht pas ontstaat wanneer die aanwijzing ook innerlijk wordt toegelaten.

Van geloof naar vertrouwen – de weg van de Cursus

Veel van wat ons verdeelt, ontstaat niet zozeer door wat we ervaren, maar door wat we denken te moeten geloven. Dat geldt ook binnen Een Cursus in Wonderen. We kunnen de Cursus benaderen als een samenhangend denksysteem dat we moeten begrijpen, aannemen en verdedigen. Maar wie eerlijk kijkt, ontdekt al snel dat Jezus in de Cursus juist expliciet zegt dat dit níet de bedoeling is.

De Cursus nodigt ons niet uit tot het ontwikkelen van een universele theologie die verstandelijk sluitend is. Ze vraagt ons niet om een metafysica te omarmen die logisch waterdicht moet zijn binnen het kader van ons gewone denken. Integendeel: het Tekstboek zelf stelt dat woorden en concepten uiteindelijk slechts symbolen zijn, bedoeld om ons ergens voorbij te brengen.

De kern van de Cursus ligt dan ook niet in het Tekstboek, maar in het Werkboek. Niet in begrijpen, maar in oefenen. Niet in gelijk krijgen, maar in bereidwilligheid. De dagelijkse lessen zijn geen intellectuele puzzels die we moeten oplossen, maar uitnodigingen tot ervaring. Ze vragen ons steeds opnieuw om het denken even te laten rusten en ons open te stellen voor een andere manier van waarnemen.

Wanneer we die lessen werkelijk doen – niet perfect, maar eerlijk – vangen we soms glimpen op van wat de Cursus een ander domein noemt. Momenten van rust, helderheid, zachtheid of diepe verbondenheid. Vaak zijn ze vluchtig en moeilijk onder woorden te brengen. En juist daarom zijn ze zo wezenlijk. Ze laten zich niet afdwingen en niet bewijzen, maar ze worden herkend.

Pas vanuit zulke ervaringen kan het Tekstboek langzaam een andere betekenis krijgen. Wat eerder abstract, paradoxaal of zelfs onlogisch leek, begint dan op een dieper niveau te resoneren. Niet omdat we het ineens beter snappen, maar omdat we het herkennen. De metafysica wordt dan geen theorie die we moeten verdedigen, maar een taal die woorden geeft aan iets wat we al hebben geproefd.

In dat proces verandert ook de plaats van het verstand. Het verstand wordt niet afgewezen en zeker niet onderdrukt. Het komt als het ware onder curatele van het hart. Dat wil zeggen: het verstand hoeft niet langer te leiden, maar mag volgen. Het deelt mee in de vreugde van een samenhang en een logica die ons alledaagse, rationele denken overstijgt. Een logica die niet dwingt, maar verheldert. Niet sluit, maar opent.

Dit is een subtiele, maar cruciale verschuiving. Zolang we de Cursus gebruiken om ons wereldbeeld te bevestigen, blijven we in het domein van het hoofd. Dan wordt non-dualiteit een overtuiging, vergeving een concept en liefde een idee. Maar wanneer we bereid zijn het niet te weten, en ons daadwerkelijk laten onderwijzen door ervaring, verschuift het zwaartepunt vanzelf naar het hart.

Vanuit die houding wordt ook duidelijk waarom Jezus zo weinig waarde hecht aan overtuigen. De ervaring waar de Cursus naar verwijst, kan niet worden overgedragen via argumenten. Ze kan alleen worden geleefd. Daarom zegt hij ons niet dat we anderen moeten corrigeren, maar dat we wonderen moeten laten gebeuren. Niet door woorden, maar door onze houding van liefde, mildheid en vergeving.

Dat maakt de weg van de Cursus tegelijkertijd nederig en krachtig. Nederig, omdat we moeten erkennen dat ons begrip beperkt is. Krachtig, omdat we ontdekken dat vertrouwen verder reikt dan denken. Eerst vertrouwen – en dan zien. Eerst oefenen – en dan begrijpen. En soms zelfs: begrijpen zonder woorden.

Misschien is dat wel de diepste beweging van hoofd naar hart waar de Cursus ons toe uitnodigt. Niet het opgeven van het denken, maar het loslaten van zijn heerschappij. Het verstand mag meevieren, maar het hart wijst de weg. En precies daar, in die stille verschuiving, begint de ervaring waar geen theologie tegenop kan.

Hartegroet,

Simon Schoonderwoerd (ECIWcoach.com)

Pasen als feest van verlossing!

Het is Pasen. Een mooie gelegenheid om het gezellig te hebben met elkaar. Morgen komt er familie bij ons op bezoek voor een paaslunch. De werkenden onder ons hebben maandag lekker vrij, ook mooi meegenomen. Prima natuurlijk, en ik geniet ook van de gezelligheid, het bijpraten en vooral van de gevulde eitjes. Leuk allemaal. Dinsdag is het voor de meesten van ons weer: “over naar de orde van de dag”.

Orde? Welke orde? Als we om ons heen kijken, is het eerder de wanorde van de dag. De wereld staat op meerdere plekken in brand en hoewel het allemaal redelijk ver weg lijkt voor ons in Nederland, beginnen we voorzichtig de gevolgen te ervaren. En juist hierover gaat Pasen werkelijk: de dagelijkse wanorde is doorbroken en ontmaskerd. Dat is wat het verhaal van de kruisiging, maar vooral van de opstanding van Jezus, ons wil duidelijk maken.

In een situatie van groot onrecht en extreem geweld gaf Jezus een ultiem antwoord. Hij beantwoordde beschuldiging en onredelijke martelingen met onvoorwaardelijke liefde: “Vergeef hun, Vader, want zij weten niet wat zij doen.”
Een Cursus in Wonderen leert ons wat werkelijke vergeving inhoudt. Het betekent niet dat je de ander werkelijk schuldig acht en hem de straf die hij eigenlijk verdient niet aanrekent. Nee, Jezus bedoelt niet: “Jullie zijn zondig en hartstikke fout, God wil jullie eigenlijk voor straf kruisigen, maar goed nieuws: Hij leeft Zijn toorn uit op mij!”

Wat hebben we met dit verhaal een karikatuur gemaakt van onze liefdevolle Vader. Van de Vader die in werkelijkheid zijn afgedwaalde zoon met open armen tegemoet rent en een feestmaal voor hem organiseert. God is liefde en er is in Hem in het geheel geen duisternis. Dat is het goede nieuws van Pasen. Jezus toont deze onvoorwaardelijke liefde van onze Vader en hoe deze liefde ons draagt, zelfs dwars door de ellende en de dood van het lichaam.

Jezus is, zolang we nog geloven in de echtheid van de tijd, onze voorloper en onze hoop. Maar in waarheid biedt Hij nu aan ieder van ons die somber en bedroefd is en die gelooft in de wanorde van de dag, nieuwe hoop, kracht en de zekerheid van verlossing. Hoe? Door niet te geloven in de slechtheid van onze broeders, door in hen een roep om liefde te zien, zelfs als ze ons aanvallen. De kracht daartoe is niet de kracht van één mens, genaamd Jezus. Jezus ziet zichzelf niet als superman, maar wijst op de Bron van de kracht. Dit demonstreert Hij in de ultieme uitroep: “Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest.” En Hij, onze Vader, onze Bron, onze Liefde, is trouw. De dood blijkt niet het laatste woord te hebben; Pasen is het feest van de opstanding. Het is volbracht, en het is nooit anders geweest!

In de werkboekles (95) van vandaag van ECIW zien we dit direct terug:

Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper.

Oftewel: “In Uw handen beveel Ik mijn geest.”

Liefdevolle Vader, Jezus: duizendmaal dank!

Zalig paasfeest, broeders en zusters,

Hartegroet,
Simon Schoonderwoerd (ECIWcoach.com).

Fasen van ontwaken?

<Opmerking: Vandaag een lange, pittige maar in mijn beleving belangrijke post die handelt over de kernboodschap van Een Cursus in Wonderen (ECIW) en Een Cursus van Liefde (ECvL); over ontwaken ofwel verlossing. Misschien biedt deze post ook wat helderheid over die raadselachtige ECIW-uitspraak die stelt dat wij onszelf kruisigen. Dat past dan weer goed bij de Paasdagen. 😊).

Er bestaan meer dan genoeg theorieën en boeken over de fasen van groei in bewustzijn. Vaak zijn daaraan stappenplannen gekoppeld die beschrijven hoe we van de ene fase naar de andere zouden kunnen gaan. Daar wil ik eigenlijk geen nieuw schema aan toevoegen. Tegelijk merk ik dat ook ik er niet aan ontkom om dat wat in wezen één is – één fenomeen in de menselijke geest – toch in stukjes op te knippen om erover te kunnen communiceren. Zodra die stukjes elkaar in de tijd lijken op te volgen, ontstaat al snel iets dat verdacht veel lijkt op verschillende fasen. Probeer daarom vooral met je gevoel te luisteren, terwijl je verstand de rol vervult van dienstbare assistent. Vanuit die houding durf ik voorzichtig te spreken over de fasen van ontwaken, ofwel over de ontwikkeling van de relatie tussen onszelf en de wereld. Let wel op; de term ‘fasen’ verwijst hier niet naar een werkelijk ontwikkelingsproces, maar naar ogenschijnlijke verschillen in waarneming binnen een keuze die altijd in het huidige moment plaatsvindt.” Dit gezegd hebbende ga ik van start.

Aanvankelijk ervaren we onszelf als kwetsbare wezentjes in een wereld die los van ons lijkt te bestaan. We voelen ons afhankelijk van die wereld: we hebben zuurstof nodig, drinken, voedsel, onderdak, enzovoort. We ervaren behoeften en doen ons best om deze te vervullen. Er is een sterk gevoel van kwetsbaarheid en afhankelijkheid. ECIW verwoordt dit kernachtig met de uitspraak: “We voelen ons het slachtoffer van de wereld die we zien.”

Wanneer we ons begeven op het pad van bewustzijnsontwikkeling, horen we dat onze neiging om gebeurtenissen als positief of negatief te beoordelen voortkomt uit oordelen. Het ene vinden we slecht en willen we vermijden, het andere vinden we goed en willen we nastreven. Vervolgens kunnen we proberen dit oordelen achterwege te laten en te experimenteren met het accepteren van wat ons overkomt. Dit wordt soms verwoord als: “Ik geef me over aan de wil van God.” We streven dan naar neutraliteit, naar stoïcisme, soms zelfs naar onverschilligheid. We willen de onbewogen waarnemer zijn van alles wat voorbijtrekt: de blauwe hemel achter de wolken.

In Bijbel- en cursusland komt op dit punt liefde om de hoek kijken. Het geheel begint warmer te voelen wanneer we spreken over toegewijde waarneming en over het omarmen van situaties en medemensen. Jezus roept ons in de Bijbel immers op om God lief te hebben met ons gehele hart, ziel en verstand, en onze naaste als onszelf.

Laten we hier even pas op de plaats maken en de blik naar binnen slaan, als je wilt. Kun je voelen hoe de relatie die je meent te hebben met de buitenwereld als het ware van temperatuur verandert? Eerst kan die relatie koud en vijandig aanvoelen (slachtofferschap), daarna neutraal (zeg maar kamertemperatuur) en vervolgens liefdevol, als een warm bad.

Maar ondanks deze plezierige en nuttige verschuiving blijft ons onbewuste gevoel duaal. We ervaren nog steeds een buitenwereld waartoe we ons moeten verhouden. Er lijkt iemand te zijn die ervaart, en iets dat ervaren wordt. Dat geldt zowel voor gebeurtenissen in de zogenaamde buitenwereld als voor “gebeurtenissen” in de binnenwereld: gedachten, gevoelens en emoties.

ECIW en ECvL gaan verder dan deze duale visie. In de cursussen vindt een perspectiefwisseling plaats, waarin we verschuiven van “de wereld overkomt mij” naar “wij projecteren de wereld die we menen te zien”. De zogenaamde buitenwereld blijkt een projectie te zijn in de denkgeest van het Zoonschap. Wij hebben de wereld waartoe we ons proberen te verhouden dus zelf bedacht, op basis van een merkwaardige intentie: we wilden ons speciaal voelen en daarmee afgescheiden. Dat zet onze kijk op de relatie tussen onszelf en de wereld volledig op zijn kop.

Hiermee komt een belangrijk aspect in beeld: onze vergeten intentie. De centrale vraag wordt dan: waartoe projecteren we een buitenwereld? Het antwoord luidt: om onszelf te ervaren als een afgescheiden “ervaarder” in een wereld buiten ons.

Het gevoel van afgescheidenheid is het sterkst wanneer we een vijandige wereld projecteren – wanneer we kiezen voor de nachtmerrie van slachtofferschap. Krijg je hier oog voor, dan ontstaat ook begrip voor de pogingen om dat gevoel van afgescheidenheid te verzachten. Dat doen we door neutraler of welwillender naar de wereld en naar anderen te kijken. Zodra dit lukt, verandert de hardheid van het afgescheidenheidsgevoel. Er ontstaat meer besef van verbinding tussen onszelf en de wereld.

Maar volgens de cursussen gaat ook dit niet ver genoeg. Het is te vergelijken met dromen. De overgang van een nachtmerrie naar een plezierige droom is niet hetzelfde als ontwaken. Ontwaken is het moment waarop het besef doorbreekt: “Hé, ik heb dit allemaal zelf bedacht. Ik was een acteur in een door mezelf ontworpen decor.”

We kunnen nog dieper de denkgeest in door opnieuw stil te staan bij de waartoe-vraag. Waartoe projecteert de Zoon een lichaam en waarnemingen van een binnen- en buitenwereld? Omdat elke gewaarwording iets lijkt te suggereren: ik, een afgescheiden wezen, ervaar iets waar ik los van sta.  De Zoon produceert dus zelf het denkbeeld van iets in de geest en neemt daar vervolgens afstand van. De “ervaarder” blijkt dus de bron van de eigen ervaring te zijn. Wie goed oplet, kan zien dat met deze projectietruc ook het geloof in ruimte en tijd ontstaat. Dat vormt het ideale decor voor het drama van een ikje dat reist door tijd en ruimte.

Het vergt grote oplettendheid om te zien dat bij elke ervaring die we zelf maken – elke projectie – een schijnbare splitsing optreedt tussen “ervaarder” enerzijds en “gebeurtenis” (in binnen- en buitenwereld) anderzijds waarop wordt toegezien. Het merkwaardige is dat we vervolgens proberen af te komen van de nare ervaring die we zelf hebben voortgebracht. Dat is de betekenis van de ECIW-uitspraak dat we onszelf kruisigen.

Tot slot keren we terug naar het begin: de relatie. ECIW spreekt over de Heilige Relatie en over Schepping. Gods Schepping is niet de wereld van vormen in tijd en ruimte. Die Schepping is tijdloos en bedoeld om tijdloos kennen mogelijk te maken. Door te scheppen kent God Zichzelf als God, en kennen wij onszelf als Zonen en medescheppers. Wij hebben dit Scheppen – het goddelijk projecteren dat de cursus “uitbreiden” noemt – vervangen door maken: het menselijk projecteren van een droom in tijd en ruimte.

Waarnemen en omarmen doen de duale grenzen vervagen en kunnen zo opstapjes vormen naar ontwaken. Dat ontwaken is de realisatie dat wij onze droom projecteren vanuit de eenheid van ons Zoonschap. Daarbij ontstaat de illusie van een dolend ikje dat staande probeert te blijven in een wereld van tijd en ruimte.

Aanvankelijk krijg je oog voor dit proces op een verstandelijk en theoretisch niveau. Later ga je het als het ware voelen plaatsvinden, telkens wanneer je merkt dat je jezelf vanuit een duale positie beoordeelt en probeert bij te sturen. Uiteindelijk gloort het inzicht dat wij medescheppers zijn. Ook dit inzicht roept gemakkelijk misverstanden op, omdat we het vaak interpreteren vanuit ons geloof in afgescheidenheid. We belanden dan al snel in het populaire domein van manifesteren: het creëren van een fijnere (droom)wereld binnen tijd en ruimte. Dat is niet per se verkeerd. Je kunt het vergelijken met lucide dromen, waarin we bijna wakker worden en merken dat we de droom enigszins kunnen sturen. Maar bij werkelijk ontwaken en werkelijk medeschepper-zijn voltrekt zich iets radicaal anders. Dan is er een onvoorstelbare realisatie van verbondenheid met onze Bron, van de Heilige Relatie. We beseffen dan ten diepste dat ontwaken geen verdienste is van het kleine ikje. Vanuit een veel dieper perspectief wordt doorzien dat dit ikje zelf een droomfiguur is, levend in een droomwereld.

Jezus stelt dan ook in ECIW dat God de laatste stap zet. En let wel: God is hierin geen entiteit buiten onszelf, maar het liefdevolle zijn dat onze Bron en identiteit vormt. Het gaat om het totale oplossen van ons geloof in afgescheidenheid. Ontwaken, verlossing en realisatie vallen hier samen. De bodem valt als het ware weg onder ons geloof in afgescheidenheid. In dankbaarheid ervaren we de onvoorstelbare liefde van onze Bron.

Zo klinkt dit in ECIW (Les 106):

Vandaag wordt de belofte van Gods Woord vervuld. Luister en wees stil. Hij wil tot je spreken. Hij komt met wonderen, duizendmaal zo vreugdevol en wonderschoon als waarvan jij ooit gedroomd hebt of waarnaar jij in je dromen hebt verlangd. Zijn wonderen zijn waar. Ze zullen niet vervliegen wanneer het dromen eindigt. In plaats daarvan beëindigen ze de droom en duren eeuwig voort, want ze komen van God tot Zijn geliefde Zoon, wiens andere naam jij is. Bereid jezelf voor op wonderen vandaag. Sta toe vandaag dat jouw Vaders aloude belofte aan jou en al je broeders wordt ingelost.

Wij kunnen dit alles niet bevatten – ik dus ook niet. Wat ik hier heb geprobeerd, is iets weer te geven van dat mysterie dat steeds dieper doordringt in onze denkgeest. Hopelijk resoneert het enigszins en helpt het ons om ons verder te openen voor de liefde die we zijn.

Hartegroet,


Simon