Het valt ons niet moeilijk om te stellen dat het heelal ooit begon met de Big Bang. Als we vanaf dit gebeuren beginnen te redeneren, dan kunnen we gaan spreken over een uitdijend heelal (maar waarin eigenlijk?) en over van alles dat met tijd en ruimte te maken heeft. Als we proberen te bedenken wat er dan vóór deze Big Bang was, dan lopen we tegen een grappige paradox aan. Want pas vanaf dat “moment” kan er sprake zijn van tijd en ruimte, en deze vormen de fundamenten waarop ons verstand, waaraan we zoveel waarde hechten, is gebaseerd. Het is nuttig om dit met introspectie te onderzoeken. Onderzoek vanbinnen hoe denken geregeerd wordt door het fenomeen tijd en causaliteit (eerst dit, toen dat; dit veroorzaakt dat; om dit te bereiken moet ik dat doen enz.). Het is dus een gigantische, doch onschuldige, vorm van arrogantie als we menen te kunnen “begrijpen” wat vooraf ging aan de Big Bang of wat er zich aan de buitenzijde van dat uitdijende heelal bevindt. De vragen zijn geen zinvolle vragen, maar illustraties van de beperktheid van ons denken.
ECIW is in feite een vingerwijzing naar onze onbewuste arrogantie en de hegemonie van ons beperkte denken. Wij kunnen alleen maar beperkte concepten produceren die thuishoren in het post-Big Bang-gebeuren. Jezus stelt in ECIW echter dat onze ware identiteit “pre-“Big Bang is, waarbij ik “pre” tussen quotes moet zetten, omdat het begrip betekenisloos is als het over tijdloosheid gaat. De vraag “wat was er voordat de tijd begon” is een contradictio in terminis.
Maar wat valt er dan nog over te zeggen, zelfs door een mens als Jezus in ECIW? In feite niets, zoals Jezus ook toegeeft in het boek. Er worden woorden gebruikt als Kennis, Gedachten van God, Schepping, Zonen, allemaal met hoofdletters die zoiets willen zeggen als: deze woorden worden nu niet gebruikt in de ons bekende betekenis, maar op een ander “niveau”, waarbij ook dit woord eigenlijk weer te duaal is.
Moeten we dan de zogenaamde metafysica van ECIW gewoon maar tot ons nemen als een nieuw geloof? Nee, dat is ook niet de bedoeling, en ook hier is Jezus duidelijk over als hij aangeeft geen universele theologie te willen bieden. Eigenlijk doet nadenken over de metafysica ongeveer hetzelfde met ons als die kwestie van de Big Bang; het is nuttig om ons de beperktheid van ons verstand te laten zien, zodat we misschien kunnen ontspannen en “iets anders” kunnen laten binnenkomen.
Dit alles laat ook de zinloosheid zien van eindeloze discussies met ECIW-critici over de metafysica van de cursus. In dergelijke discussies wordt eerst het verstand, in de cursus aangeduid met ego, op de troon gezet, terwijl de hele kwestie juist de beperktheid van dit verstand is. De criticus die hiermee geen genoegen neemt en dit afdoet als een cirkelredenering, ziet niet dat hij ook een onmogelijke vraag stelt: de vraag om met het denken te omschrijven hoe dat wat het denken overstijgt eruit ziet. Een onmogelijk verzoek.
Hiermee lijkt een patstelling te zijn ontstaan. Als ons verstand er niet bij kan en als blind geloof ook niet het antwoord is, wat dan? Dan biedt Jezus ons in ECIW de 365 Werkboeklessen aan. Kunnen die ons dan antwoorden verschaffen die we kunnen gebruiken om uit te leggen hoe het zit? Nee, dat is niet het doel van Jezus. Hij wil ons rustig begeleiden naar wat ECIW aanduidt als een universele ervaring.
Direct kan ons kritische verstand weer het zwaard ter hand nemen en, terecht, stellen dat ervaringen tot het domein van tijd en ruimte behoren en dus onderworpen kunnen worden aan kritische toetsing. Ik zeg hier “terecht”, omdat ook Jezus aangeeft dat ECIW tot aan “het randje” kan brengen, zeg maar tot t=0,000…1 seconde na de Big Bang. Iets van t=0 wordt hier “voelbaar”, als een herinnering aan een oeroud lied dat we vergeten zijn, maar dat ons blij maakt. ECIW spreekt van het heilig ogenblik, van de gelukkige droom en van de nieuwe wereld.
De metafysica van ECIW werkt als een spiegel in een poging om ons benul te laten krijgen waar we ieder (tijdloos) moment mee bezig zijn. Vanuit de tijdloosheid lijkt er een beslissing plaats te vinden om onszelf te BigBang-en; onszelf de dimensie van tijd en ruimte in te projecteren. Dit, per definitie ook weer beperkte, concept komt voor in verschillende religies en levensbeschouwingen, met verschillende waarderingen.
Zo spreekt ECIW vanuit onze huidige wat negatieve ervaring, waarbij we gaan geloven dat na ons ge-BigBang de afgescheidenheid een feit is. Een afgescheidenheid die we, lang verhaal kort, als “hel” percipiëren. In de Complete Editie van ECIW klinkt een iets milder geluid, waarbij benadrukt wordt dat er een correctieprincipe zit ingebouwd in het gebeuren, waarbij we als het ware door de BigBang, door de ervaring van dualiteit, in feite gedwongen worden om ons onze Bron weer te herinneren. Deze herinnering wordt later de Stem (van God, de Heilige Geest) genoemd.
Een Cursus van Liefde (ECvL) stelt hetzelfde iets anders. Hierin legt Jezus uit dat tijd en ruimte niet per se foute boel zijn, tenzij we deze aangrijpen om de illusie van afgescheidenheid en angst bot te gaan vieren. Andere religies en dergelijke komen met hun eigen verhaal.
Terug naar de Werkboeklessen. Hierin leren we op talloze manieren om wonderwerkers te worden. Het wonder bestaat uit het opschorten van ons geloof in de echtheid van tijd en ruimte (leren inzien dat projectie onze perceptie bepaalt) en om ons af te stemmen op het ontvangen en doorgeven van liefde, waarbij we kunnen ontdekken dat liefde onze Bron vormt en tevens middel en doel (herinnering van de Bron) is.
Kernwoorden zijn openheid (bereidheid ons vastgeroeste denken te laten corrigeren) en overgave (aan liefde). Maar helaas zijn dit niet de kwaliteiten die bepalend zijn voor de mensheid van nu. De ECIW-critici, en in feite zijn we dit allemaal, willen begrijpen en op eigen beentjes staan. Het zoeken naar openheid en het willen belichamen van liefde staan niet zo hoog op onze agenda. Zie hier de paradox. De enige manier om enig “antwoord” te krijgen op de vraag “wie of wat ben ik?”, bestaat niet uit een overtuigend filosofisch, psychologisch of theologisch betoog, maar uit bereidwilligheid. Een gruwel voor de trotse “verlichte” mens.
Juist hier raken we aan iets dat verrassend dicht ligt bij de woorden die Jezus in de Bijbel spreekt. Hij prijst immers de “armen van geest”, niet omdat zij minder zouden zijn, maar omdat zij hun vermeende weten hebben losgelaten en openstaan voor wat hen gegeven wordt. En ook wanneer hij zegt dat wij moeten worden als kinderen om het Koninkrijk binnen te gaan, wijst hij niet op naïviteit, maar op een staat van ontvankelijkheid, verwondering en vertrouwen – vrij van de kramp om alles te willen begrijpen.
Misschien is dat wel de meest eerlijke conclusie: dat de grootste waarheid zich niet laat grijpen door het denken, maar slechts kan worden ontvangen door wie bereid is eenvoudig te worden. Zoals een kind. Zoals een “arme van geest”. In die zin is de weg waar ECIW naar wijst geen intellectuele overwinning, maar een innerlijke omkering – van weten naar bereidheid, van begrijpen naar ontvangen, van denken naar zijn.

Heel wijs, mooi en verhelderend weer, Simon.
Dank !
Verstuurd vanaf mijn iPhone
LikeLike