De werkboekles van vandaag (187) luidt: “Ik zegen de wereld, want ik zegen mijzelf”. De les brengt ons terug naar onze diepste identiteit, waarin we één zijn met onze medemensen. Deze diepste identiteit is liefde, en liefde heeft de wonderlijke eigenschap dat ze toeneemt als ze gaat stromen of, een beetje duaal uitgedrukt, als ze wordt weggegeven of geschonken. Je kunt dit overdenken, aannemelijk vinden en voor waar aannemen, maar het werkt pas transformerend als je het echt vanbinnen gaat ervaren. Goed beschouwd ervaren we dit al dikwijls. Je kunt vrij simpel opmerken dat het fijn is om iets voor iemand te betekenen. Dat kan door iets voor iemand te doen, maar ook door iemand iets te geven waaraan hij of zij behoefte heeft. Het maakt je gewoon blij en je verwacht er niets voor terug.
Maar niet zelden is onze liefde nog niet zo onvoorwaardelijk. Dan bekijken we onze “gift” wat zakelijker. We kennen uitspraken als: “Het moet wel van twee kanten komen” of “Voor wat hoort wat”. In de werkboekles legt Jezus dit uit met het wat zwaar klinkende woord “offer”. Dat houdt in dat we menen dat het ons iets kost als we iemand iets aanbieden; dat we iets opofferen. Dat kan tijd zijn, inspanning, geld of iets anders dat we waardevol vinden en waarvan we denken dat we het kwijtraken als we het aan iemand geven. Misschien is het goed om wat voorbeelden te geven.
In een partnerrelatie kunnen beide partners hun steentje bijdragen in het huishouden. In gedachten kan er een soort balans worden bijgehouden. Als deze balans in de beleving van één van beiden scheef hangt, dan kan diegene zeggen: “Doe jij ook eens wat!”. Dit kan ook subtieler geformuleerd worden. Als degene die meent meer dan genoeg te hebben gedaan neerploft op de bank, kan het vriendelijk geformuleerde: “Wil jij voor mij een lekker kopje thee maken?” eigenlijk een verkapte beschuldiging inhouden met een veel sterkere lading: “Jij zit hier maar op je luie krent, laat mij al het werk doen en ik vind dat jij best eens wat voor mij kunt doen!”. Let wel: dit kan de lading zijn, het hoeft natuurlijk niet.
Ander voorbeeld. Iemand die denkt vanuit afgescheidenheid en schaarste kan ook moeite hebben om iets te ontvangen. Nodig zo iemand uit voor een lekkere lunch en hij of zij komt met een bos bloemen aan van 30 euro. De ogenschijnlijk gulle gever kan, wederom “kan”, zich schuldig voelen om onvoorwaardelijke liefde te accepteren en heeft het idee dat het direct weer “goedgemaakt” dient te worden.
Als je er oog voor krijgt, dan zie je in het dagelijks leven talloze voorbeelden. Natuurlijk zie je dit ook bij jezelf gebeuren en dat kan best pijnlijk zijn. Waar je misschien dacht spiritueel gevorderd te zijn en onvoorwaardelijk lief te hebben, merk je toch ook bij jezelf dit balansdenken op.
Mij helpt het om dit niet te veroordelen, maar om het te zien als een wat geperverteerde of, positiever gelabeld, vervormde afspiegeling van de diepere waarheid dat geven en ontvangen in waarheid één zijn. Als je stil bent en rust in je hart, dan voel je woordeloos en direct de waarheid van de reciprociteit van geven en ontvangen. Je voelt dat in de oordeelloze, vrije stroom van liefde, al dan niet vertaald in een vorm in onze wereld, vreugde opbloeit. Het klinkt misschien banaal, maar hoe fijn is het om iemand dat boek te geven dat je ergens zag liggen en waarvan je weet dat het hem blij maakt? Hoe leuk is het om een vriend een kopje koffie en een gebakje aan te bieden op een terras?
Maar als we gaan geloven in afgescheidenheid, dan sluipen angst (krijg of geef ik wel genoeg?), schuld en boosheid (verdorie, ik geef of ontvang te weinig) naar binnen. Onze “duale” oplossing is te proberen met vormen (tijd, geld, inspanning) de balans te herstellen. De gevoelens zijn een wake-up call, maar onze reactie erop gebeurt op het niveau van vorm en lost daarom niks op. De illusie van afgescheidenheid blijft gewoon bestaan.
Die wake-up call kan echter ook ten goede gebruikt worden als we stil worden en onze denkgeest richten op de Heilige Geest of op liefde. Wat is hier aan de hand? Het kan wat sleets klinken, maar het is toch een diepe waarheid: alles is een uiting van liefde of een roep om liefde. Onvoorwaardelijke liefde. En dan wordt het voor ons lastig, want we willen graag wat concreter weten wat we moeten doen.
Moeten we gewoon alle eisen van die ander maar inwilligen? Hoe direct of indirect die ook geformuleerd worden? Wees eerlijk richting jezelf. Je kunt innerlijk verzuchten en denken: “Ach, laat ik maar weer de wijste zijn; ik offer me wel weer op!” Maar kijk goed en zie hoe je boosheid opkropt en de ander beschuldigt. Misschien vind je ook jezelf wel een slappe sukkel dat je weer toegeeft. Nee, je hoeft geen voetveeg te worden. De Heilige Geest, Liefde, wil niet alleen voor die ander zorgen, maar ook voor jou. Jullie zijn immers één. Dus kun je “Nee, dat wil ik niet” zeggen zonder boosheid en zonder schuld? Niet om je sterk, machtig en superieur te voelen, maar omdat dit op dat moment de meest liefdevolle respons is voor jou én voor die ander?
Het vergt mildheid en oplettendheid, maar dan kunnen die alledaagse situaties een prachtige leerschool vormen waarmee onze speciale haat- en liefdesrelaties getransformeerd kunnen worden naar heilige relaties. Het vraagt gevoeligheid voor de emoties van die ander en van jezelf, én vertrouwen in de helende kracht van liefde. Een beetje humor helpt ook: “Oops, I did it again” (Britney Spears).
