Vijftig jaar Een Cursus in Wonderen: voorbij hyperabstracte eenheid

Ik bekeek een video met een recente toespraak van Willem Glaudemans, medevertaler van Een Cursus in Wonderen (ECIW) en een gerespecteerd cursusleraar van het eerste uur. Hij sprak daarin over lichamelijke ziekteverschijnselen en herinnerde aan een centrale gedachte uit de cursus: ik ben niet dit lichaam. Die herinnering kan bijzonder behulpzaam zijn. Zij kan ons bevrijden van de neiging om onszelf of anderen schuldig te verklaren aan lichamelijke pijn, ziekte of ongemak. De hele bedoeling van ECIW is immers juist dat we de pijnlijke, onheilige driehoek van zonde, schuld en angst leren doorzien als de bron van onze nachtmerrie.

Tegelijk merkte ik dat juist deze ogenschijnlijk bevrijdende gedachte ook een nieuwe spanning kan oproepen. Wanneer ik ben niet dit lichaam te eenzijdig of te afstandelijk wordt opgevat, kan er ongemerkt opnieuw een tweedeling ontstaan: hier het lichaam, daar de geest; hier het ego, daar het ware zelf. Iets vergelijkbaars proef ik soms in de manier waarop over het ego wordt gesproken, alsof het iets is waar we afstandelijk naar kunnen kijken of ons van moeten ontdoen, terwijl precies die afstandelijkheid opnieuw een subtiele vorm van dualiteit kan worden.

Het is vanuit het nadenken over dit soort vragen dat ik deze blog schrijf. Willems video bracht mij opnieuw bij een bredere vraag die na vijftig jaar A Course in Miracles actueel blijft: hoe bewaren we de radicale bevrijding van non-dualiteit zonder haar te laten verharden tot een hyperabstract systeem? Hoe voorkomen we dat “niet twee” ongemerkt verandert in een nieuw dogma van “alleen maar één”?

De cursus beoogde, en beoogt nog steeds, een foutief duaal beeld dat we hebben van God en van onszelf te corrigeren. Dat beeld bestaat uit het geloof dat God ons en de wereld heeft gemaakt, dat wij ongehoorzaam werden en ons vervolgens van Hem afkeerden. Daarmee zou de mens fundamenteel zondig zijn en straf verdienen. Om dit belastende, duale Godsbeeld te ontmantelen, is destijds een zo kernachtig mogelijke versie van ACIM uitgegeven: de zogenoemde Foundation for Inner Peace (FIP)-versie.

Die krachtige versie was nodig om ons diep verankerde duale Godsbeeld aan het wankelen te brengen. Je kunt deze aanpak heel kort samenvatten met de slogan: “niet twee, maar één!” ACIM was en is primair bedoeld om ons geloof in dualiteit te doorbreken. Je zou dit als volgt kunnen samenvatten:

  • Alleen Geest is werkelijk.
  • Tijd, ruimte en vorm zijn illusies.
  • God en Zijn Zoon zijn onverdeeld één.
  • De afscheiding heeft metafysisch nooit plaatsgevonden.
  • God kent de fysieke wereld van vorm niet.
  • Er bestaat geen afgescheiden ‘ander’.
  • De uiterlijke wereld is louter een droom van de gespleten denkgeest

Ik heb deze krachtige en absolute visie eerder omschreven als hyperabstract eenheidsdenken. Die krachtige taal had haar functie: zij hielp om ons geloof in afgescheidenheid, ook wel het “geloof in het ego”, te verzwakken en te doorbreken.

Ongeveer twintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie begon met name Robert Perry erop te wijzen dat deze visie weliswaar waardevol was, maar mogelijk absoluter en abstracter dan de oorspronkelijke tekst die Jezus aan Helen Schucman had gedicteerd. Vanuit de kring rond de FIP-editie kwam stevig verzet tegen dit kritische tegengeluid, uiteindelijk zelfs in de vorm van juridische procedures.

Ongeveer vijfentwintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie verscheen A Course of Love (ACOL). Dit boek is enkele jaren geleden in Nederland verschenen als Een Cursus van Liefde (ECvL). Het spreekt naast ons verstand ook ons hart aan, waardoor de toon minder hyperabstract, zachter en intuïtiever is. Ook hierop volgde stevige kritiek vanuit de hoek van de FIP-uitgevers. Hun zorg was dat wij mensen de neiging hebben om de strenge non-duale boodschap van ECIW af te zwakken en er een verwaterd compromis van te maken.

En die zorg is niet zonder grond. Wij mensen hebben die neiging ongetwijfeld, en het is goed om daar alert op te blijven. Tegelijkertijd bestaat er volgens mij ook een andere neiging die ons — en helaas ook sommige ECIW-leraren — gemakkelijk als blinde vlek parten kan spelen. We kunnen ons eigen verstand heilig en maatgevend verklaren en daarbij vergeten dat ons menselijk denken zelf duaal van aard is. Ons denken laat maar beperkt ruimte voor het onbegrijpelijke, voor het mysterie van de schepping.

Daarom lijkt het mij belangrijk dat aanhangers van hyperabstract eenheidsdenken opnieuw stilstaan bij de subtiliteit van het begrip non-dualiteit; letterlijk: “niet twee”. “Niet twee” is toch gewoon één? Waarom spreken we dan over non-duaal en niet simpelweg over eenheid? Het antwoord is dat ook “één” de lading niet volledig dekt. Wanneer je zegt dat alles één is, kan er nauwelijks nog ruimte overblijven voor het mysterie van schepping. Schepping verwijst juist naar dat wonder waarbij binnen eenheid toch iets kan worden ervaren dat aanvoelt als twee. En dat “gevoel” verdient het niet om te snel te worden weggezet als een menselijke tekortkoming of als een illusie die zo snel mogelijk ontkend moet worden.

Misschien had zo’n radicale, hyperabstracte eenheidstheorie ooit haar functie in het corrigeren van ons bijgeloof in de absoluutheid van twee, maar we hoeven daar niet in door te schieten. Die twee is onderdeel van het wonder van ons bestaan en onlosmakelijk verbonden met — en opgenomen in — één.

Daarbij ligt er volgens mij nog een subtieler gevaar op de loer. Het gevaar zit zowel in verwatering als in het maken van een abstracte leerstelling van non-dualiteit. ECIW is niet bedoeld als een systeem van ideeën dat we correct moeten leren begrijpen. De woorden en ideeën van de cursus hebben uiteindelijk geen waarde als ze alleen maar ons denken vullen met een ander, spiritueler wereldbeeld. Hun functie is dat we ze werkelijk gaan leven en dat ze ons helpen om anders te gaan kijken, anders te gaan ervaren en ons in het dagelijks leven te openen voor wat waar is.

Een nuancering van de eerdere opsomming zou dan als volg klinken:

  • De fysieke wereld is een waardevolle expressie binnen de geestelijke werkelijkheid.
  • Tijd en vorm zijn leermiddelen op weg naar de verheffing van het Zelf.
  • God en de Zoon zijn in liefdevolle eenheid én relatie verbonden.
  • De schepping is geen verleden fout, maar een voortdurend gebeuren in het heden.
  • God openbaart Zich direct in en door de menselijke ervaring.
  • Mens en medemens ontmoeten elkaar in een heilige, onafscheidelijke relatie.
  • Binnenwereld en buitenwereld weerspiegelen elkaar (“Zo binnen, zo buiten”)

Ook dit zijn woorden die per definitie tekortschieten, maar ze kunnen helpen voorkomen dat we als ECIW-studenten wegvluchten in een collectieve spirituele bypass. Dan zouden we onszelf in feite opnieuw verliezen in een duaal geloof, doordat we onze menselijke ervaring loskoppelen van wat we als geestelijke realiteit zien.

Misschien is daarom de belangrijkste vraag niet of we “twee” of “één” moeten geloven. Want ook “één” kan een concept worden waarachter we ons verschuilen. De werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer we stil genoeg worden om niet langer vast te houden aan onze ideeën over wat de werkelijkheid zou moeten zijn. Is “niet twee, maar één” uiteindelijk een waarheid die je moet geloven — of een uitnodiging om zó stil te worden dat je zelf ontdekt dat er inderdaad nooit twee zijn geweest?

Ik eindig met een mooie passage uit ECvL die dit kernachtig samenvat:

“Vervolgens heb jij jezelf nog meer in verwarring gebracht door te accepteren dat je uit twee zelven bestaat: een ego zelf, dat wordt vertegenwoordigd door het lichaam en een spiritueel zelf, dat de vertegenwoordiger is van een onzichtbare wereld waarin je kunt geloven maar waar je geen deel van kunt uitmaken. Daarmee heb je het ego en de geest lijnrecht tegenover elkaar geplaatst in een conflict waarin het ego vecht tegen een onzichtbare interne vijand. […] De waarheid verenigt. Zij verdeelt niet.”

Plaats een reactie