Wanneer woorden tot leven komen

Gisteravond woonde ik een lezing bij van een dierbare broeder over het thema ‘Ken uzelf’. Een uur lang sprak hij bevlogen en deelde hij zijn inzichten met muziek, uitleg, schema’s en symbolen. Ik was moe en had moeite om zijn gedachtegang te volgen en te doorvoelen. Toch merkte ik hoe oprecht hij zijn inzichten en ervaringen met zijn publiek wilde delen. Zijn boodschap kwam het directst bij mij binnen toen hij muziek liet horen en ons vroeg de ogen te sluiten.

Vanmorgen dacht ik hierdoor aan een opmerking van iemand in een Facebookgroep, die het taalgebruik in Een Cursus van Liefde (ECvL) wat ‘wollig’ noemde. Ik besefte opnieuw hoe gebrekkig onze communicatie vaak verloopt. Daarbij zijn steeds twee partijen betrokken: de zender en de ontvanger. Beiden brengen hun eigen inzichten en ervaringen mee, waaruit een uitwisseling kan ontstaan. Omdat die inzichten en ervaringen in de loop van de tijd veranderen en hopelijk verdiepen, kan ook ons begrip van een boodschap veranderen.

Dat merk ik sterk bij zowel Een Cursus in Wonderen (ECIW) als ECvL. ECIW wordt in eerste instantie vaak gezien als een training voor de denkgeest. Wanneer we het boek voor het eerst openslaan, proberen we het vooral te begrijpen. We denken na over de betekenis van wonderen, zonde, vergeving en verlossing, om maar enkele termen te noemen. Gelukkig biedt ECIW voldoende handvatten voor studie. Zo zijn er leraren die met uitgebreide schema’s de metafysica van ECIW proberen uit te leggen. Dat oogt aangenaam concreet: een wonder is een uiting van liefde, zonde is het geloof in afgescheidenheid en vergeving is niet langer geloven in de droom. Het blijft een hele kluif om overzicht te krijgen, maar wie volhoudt, kan zijn verworven begrip uiteindelijk aan anderen proberen uit te leggen.

Vrijwel iedere ECIW-student zal al snel merken dat intellectueel begrip behulpzaam kan zijn, maar dat het daar niet bij blijft. Er ontstaat een overkoepelend inzicht, waardoor je verbanden gaat zien tussen begrippen die aanvankelijk los van elkaar leken te staan. Ten diepste krijg je gevoel voor de waarheid achter de woorden. Dat gevoel groeit door de ervaringen die voortkomen uit het toepassen van de werkboeklessen. Je hoeft dan niet langer te piekeren over de betekenis van cursustermen; ze beginnen voor je te leven.

Bij een herlezing van ECIW merk je dat je met nieuwe ogen leest. Misschien denk je: ‘O, nu snap ik het pas!’ Veel studenten herkennen die bijzondere ervaring. Al snel blijkt ook dit slechts een tussenstadium, want bij een volgende herlezing komt dezelfde gedachte op, en daarna opnieuw. De tekst blijft dezelfde, maar jij, de ontvanger, verandert en groeit. Daardoor lijkt de boodschap telkens nieuw.

Bij ECvL ervaar ik dit nog sterker. Het woord ‘wollig’ paste ook bij mijn eerste lezing. Gaandeweg groeide echter mijn diepe bewondering voor de manier waarop Jezus in de tekst met ons in gesprek gaat. Zijn woorden sluiten op indrukwekkende wijze aan bij de gebeurtenissen in mijn leven en de ervaringen die daarmee samenhangen. Het lijkt wel maatwerk, volledig toegesneden op wat zich in en door mij voltrekt. Steeds weer denk ik: ‘Wat slaat hij hier de spijker precies op zijn kop.’ Het zogenaamd wollige taalgebruik blijkt juist van een onvoorstelbare precisie. Er staat geen woord te veel.

Dan is er nog iets wat me met blije verwondering vervult: ECIW en ECvL beginnen in elkaar over te vloeien. In ECvL zegt Jezus dat ‘mind’ en ‘heart’ een eenheid vormen. In het Nederlands is ‘mind’ vertaald als ‘denkgeest’. De vertalers moesten een keuze maken, en voor die keuze valt veel te zeggen. Gaandeweg ontdek je echter dat ons aardse, conceptuele denken tekortschiet om werkelijk inzicht te bieden. Daarin schuilt iets dubbels: hoewel woorden diep inzicht nooit volledig kunnen weergeven, kunnen we bijna niet anders dan ze toch gebruiken. Daarom is het niet verstandig ons eraan vast te klampen of een beperkt intellectueel begrip als het hoogst haalbare te beschouwen.

ECIW spreekt over de Gedachten die je met God denkt, en ECvL over de kunst van het Denken. Beide wijzen op een verandering van bron. Ons kleine zelf kan met woorden slechts beperkte beelden vormen. Op een gegeven moment komen gedachten echter uit een diepere laag, uit onze Bron. Dan worden verbanden niet alleen gezien, maar ook doorleefd, en vallen allerlei zaken op hun plaats. Daarvoor hoeven we niet te zwoegen of te presteren. Zoals beide cursussen zeggen, mogen we terugtreden als onze eigen leraar.

Misschien zegt het oordeel ‘wollig’ daarom minder over de tekst dan over het moment waarop we haar lezen. Woorden die eerst ontoegankelijk lijken, kunnen later precies benoemen wat we intussen zelf hebben ervaren. De tekst is dan niet veranderd; onze manier van luisteren wel. Zoals bij de muziek tijdens de lezing kan een boodschap ineens voorbij het denken raken en herkenning oproepen. Op zo’n moment hoeven we de woorden niet meer vast te pakken. We laten ze binnenkomen.

Gedragen door Liefde

Een Cursus in Wonderen (ECIW) vergt van zijn lezers de nodige intellectuele arbeid. Daarom stellen sommige critici dat de cursus je “naar je hoofd trekt”. En dat kan ook zeker gebeuren. Toch vind ik de cursus ervaringsgericht. Je kunt proberen te begrijpen waarom het vellen van een oordeel over anderen jouzelf geen goed doet, maar als je een beetje oplet, kun je ook direct voelen wat het vanbinnen met je doet. Hetzelfde geldt voor vergeving zoals de cursus deze onderwijst. Je kunt simpelweg opmerken dat je je blijer voelt als je in de ander geen dader ziet, maar een mogelijk verward en toch liefdevol Kind van God herkent. ECIW vraagt dus niet om een keuze tussen een benadering via het hoofd of via het hart; beide zijn betrokken bij het doen van de cursus.

In Een Cursus van Liefde (ECvL) wordt het prachtig verwoord: het hoofd dient onder curatele van het hart geplaatst te worden. Als dat gebeurt, is er sprake van eenheid van hoofd en hart; kortweg aangeduid als heelheid-van-hart. Om te voorkomen dat je hoofd nu protesteert, voeg ik graag toe dat hoofd (mind) en hart (heart) geen gescheiden zaken zijn. Juist omdat wij in deze termen denken, gebruikt Jezus ze om ons het een en ander uit te leggen.

Ik moest aan deze hoofd-en-hartkwestie denken toen ik nadacht over onze relatie met de Heilige Geest. Ik heb daar meerdere blogs over geschreven en aanvankelijk gebeurde dit volgens een patroon dat ik onbewust vaker volg. Als iemand stellig beweert: “het is A!”, dan heb ik de neiging om te roepen: “nee hoor, B kan ook!”; en omgekeerd.

Dus toen een bekende cursusleraar stelde dat de Heilige Geest geen aparte “entiteit” binnen de Drie-eenheid is, maar onze herinnering aan eenheid, voelde ik me (in lijn met de visie van Robert Perry) geroepen om te protesteren. Die omschrijving voelde voor mij te klein en ik zag het risico dat we, vanuit ons geloof in afgescheidenheid, minder geneigd zouden zijn om ons over te geven aan de leiding van zoiets als onze herinnering. Deze omschrijving maakte de Heilige Geest voor mij te klein, te beperkt, te menselijk.

Maar ook het omgekeerde voelt voor mij niet goed. Als leraren beweren dat de Heilige Geest apart door God geschapen is en ons als aparte entiteit te hulp kan komen, dan is zijn grootsheid wel gered, maar sluipt er een afstandelijkheid naar binnen die wringt. Weliswaar groeit mijn bereidheid om me over te geven aan de Heilige Geest wanneer deze wordt voorgesteld als een soort afgezant van God, maar er treedt ook vervreemding op en daarmee een soort niet-pluisgevoel.

In ECvL wordt voor de Heilige Geest de term “intermediair” gebruikt en er wordt gesteld dat de tijd van de intermediair voorbij is. Nu is het moment om direct vanuit het Christusbewustzijn te gaan leven. En dat gebeurt ook meer en meer, maar nu wordt het lastig om de juiste woorden te vinden.

Het is namelijk gemakkelijk om van een uitspraak te zeggen dat deze niet klopt en dat er ook iets waars zit in het schijnbare tegendeel ervan. Maar zodra je woorden probeert te geven aan hoe het voelt om geleid te worden door de Heilige Geest, of om te leven vanuit het Christusbewustzijn, wordt het lastiger. Toch doe ik een poging.

Want wat er vanuit onze Bron, die Liefde is, door mij heen stroomt, is altijd hetzelfde geweest. Het is het perspectief van waaruit ik deze stroom ervaar dat een schijnbaar onderscheid maakt. Als ik mezelf vooral vanuit een (onbewust) gevoel van afgescheidenheid wil overgeven, helpt het me om me toe te vertrouwen aan iets dat groter is dan mijn kleine zelf. Dan helpt het mij, en dit is persoonlijk, om Hem als anders en groter dan mijn kleine zelf te zien. Ik neem dan als het ware genoegen met een wat duaal beeld van de Heilige Geest, omdat dit simpelweg voor mij werkt.

Wanneer ik mijn hart op die manier durf te openen voor Liefde, ontdek ik dat deze Liefde mijn Basis is, mijn Bron, en dat zij dus niet los van mij staat maar mij draagt. Deze Liefde is intiemer met mij dan wat dan ook; zij draagt mij en omarmt mij.

Nu ik toch zo aan het stamelen ben, stamel ik nog even verder. Aanvankelijk leek het een soort stappenplan. Ik liep ergens tegenaan, merkte onrust op en zag tegelijk dat ik daar zelf weinig aan kon doen. Ik riep de hulp in van de Heilige Geest, vertrouwde op Hem en na enige tijd verzachtte ik wat.

Maar gaandeweg treedt er een soort onmiddellijkheid op. Liefde draagt mij een situatie binnen, ontmoet deze en gaat er direct een intieme relatie mee aan. Gebeurt dit altijd zo makkelijk, snel en harmonieus? Nee hoor; zeker niet. Oude ego-patronen zijn mij niet vreemd en op zulke momenten val ik ontspannen terug op mijn stappenplan. Ik erken dan dat ik er zelf natuurlijk weer eens niet veel van bak, dat ik mezelf beschuldig en veroordeel, en meer van dit soort ongein.

Gelukkig breekt de glimlach sneller door, samen met het besef dat het hele duale rattenplan liefdevol gedragen wordt door Liefde. Het gevoel zelf iets voor elkaar te moeten boksen, slinkt als sneeuw voor de Zon. Tegelijkertijd groeit de dankbaarheid hiervoor. “Neem ontslag als je eigen leraar” voelt als genade, als verlossing. Ik mag minder worden, Hij zal groeien. En dat blijkt mijn grootste geluk. Paradoxaal, maar waar.

Vijftig jaar Een Cursus in Wonderen: voorbij hyperabstracte eenheid

Ik bekeek een video met een recente toespraak van Willem Glaudemans, medevertaler van Een Cursus in Wonderen (ECIW) en een gerespecteerd cursusleraar van het eerste uur. Hij sprak daarin over lichamelijke ziekteverschijnselen en herinnerde aan een centrale gedachte uit de cursus: ik ben niet dit lichaam. Die herinnering kan bijzonder behulpzaam zijn. Zij kan ons bevrijden van de neiging om onszelf of anderen schuldig te verklaren aan lichamelijke pijn, ziekte of ongemak. De hele bedoeling van ECIW is immers juist dat we de pijnlijke, onheilige driehoek van zonde, schuld en angst leren doorzien als de bron van onze nachtmerrie.

Tegelijk merkte ik dat juist deze ogenschijnlijk bevrijdende gedachte ook een nieuwe spanning kan oproepen. Wanneer ik ben niet dit lichaam te eenzijdig of te afstandelijk wordt opgevat, kan er ongemerkt opnieuw een tweedeling ontstaan: hier het lichaam, daar de geest; hier het ego, daar het ware zelf. Iets vergelijkbaars proef ik soms in de manier waarop over het ego wordt gesproken, alsof het iets is waar we afstandelijk naar kunnen kijken of ons van moeten ontdoen, terwijl precies die afstandelijkheid opnieuw een subtiele vorm van dualiteit kan worden.

Het is vanuit het nadenken over dit soort vragen dat ik deze blog schrijf. Willems video bracht mij opnieuw bij een bredere vraag die na vijftig jaar A Course in Miracles actueel blijft: hoe bewaren we de radicale bevrijding van non-dualiteit zonder haar te laten verharden tot een hyperabstract systeem? Hoe voorkomen we dat “niet twee” ongemerkt verandert in een nieuw dogma van “alleen maar één”?

De cursus beoogde, en beoogt nog steeds, een foutief duaal beeld dat we hebben van God en van onszelf te corrigeren. Dat beeld bestaat uit het geloof dat God ons en de wereld heeft gemaakt, dat wij ongehoorzaam werden en ons vervolgens van Hem afkeerden. Daarmee zou de mens fundamenteel zondig zijn en straf verdienen. Om dit belastende, duale Godsbeeld te ontmantelen, is destijds een zo kernachtig mogelijke versie van ACIM uitgegeven: de zogenoemde Foundation for Inner Peace (FIP)-versie.

Die krachtige versie was nodig om ons diep verankerde duale Godsbeeld aan het wankelen te brengen. Je kunt deze aanpak heel kort samenvatten met de slogan: “niet twee, maar één!” ACIM was en is primair bedoeld om ons geloof in dualiteit te doorbreken. Je zou dit als volgt kunnen samenvatten:

  • Alleen Geest is werkelijk.
  • Tijd, ruimte en vorm zijn illusies.
  • God en Zijn Zoon zijn onverdeeld één.
  • De afscheiding heeft metafysisch nooit plaatsgevonden.
  • God kent de fysieke wereld van vorm niet.
  • Er bestaat geen afgescheiden ‘ander’.
  • De uiterlijke wereld is louter een droom van de gespleten denkgeest

Ik heb deze krachtige en absolute visie eerder omschreven als hyperabstract eenheidsdenken. Die krachtige taal had haar functie: zij hielp om ons geloof in afgescheidenheid, ook wel het “geloof in het ego”, te verzwakken en te doorbreken.

Ongeveer twintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie begon met name Robert Perry erop te wijzen dat deze visie weliswaar waardevol was, maar mogelijk absoluter en abstracter dan de oorspronkelijke tekst die Jezus aan Helen Schucman had gedicteerd. Vanuit de kring rond de FIP-editie kwam stevig verzet tegen dit kritische tegengeluid, uiteindelijk zelfs in de vorm van juridische procedures.

Ongeveer vijfentwintig jaar na het verschijnen van de FIP-editie verscheen A Course of Love (ACOL). Dit boek is enkele jaren geleden in Nederland verschenen als Een Cursus van Liefde (ECvL). Het spreekt naast ons verstand ook ons hart aan, waardoor de toon minder hyperabstract, zachter en intuïtiever is. Ook hierop volgde stevige kritiek vanuit de hoek van de FIP-uitgevers. Hun zorg was dat wij mensen de neiging hebben om de strenge non-duale boodschap van ECIW af te zwakken en er een verwaterd compromis van te maken.

En die zorg is niet zonder grond. Wij mensen hebben die neiging ongetwijfeld, en het is goed om daar alert op te blijven. Tegelijkertijd bestaat er volgens mij ook een andere neiging die ons — en helaas ook sommige ECIW-leraren — gemakkelijk als blinde vlek parten kan spelen. We kunnen ons eigen verstand heilig en maatgevend verklaren en daarbij vergeten dat ons menselijk denken zelf duaal van aard is. Ons denken laat maar beperkt ruimte voor het onbegrijpelijke, voor het mysterie van de schepping.

Daarom lijkt het mij belangrijk dat aanhangers van hyperabstract eenheidsdenken opnieuw stilstaan bij de subtiliteit van het begrip non-dualiteit; letterlijk: “niet twee”. “Niet twee” is toch gewoon één? Waarom spreken we dan over non-duaal en niet simpelweg over eenheid? Het antwoord is dat ook “één” de lading niet volledig dekt. Wanneer je zegt dat alles één is, kan er nauwelijks nog ruimte overblijven voor het mysterie van schepping. Schepping verwijst juist naar dat wonder waarbij binnen eenheid toch iets kan worden ervaren dat aanvoelt als twee. En dat “gevoel” verdient het niet om te snel te worden weggezet als een menselijke tekortkoming of als een illusie die zo snel mogelijk ontkend moet worden.

Misschien had zo’n radicale, hyperabstracte eenheidstheorie ooit haar functie in het corrigeren van ons bijgeloof in de absoluutheid van twee, maar we hoeven daar niet in door te schieten. Die twee is onderdeel van het wonder van ons bestaan en onlosmakelijk verbonden met — en opgenomen in — één.

Daarbij ligt er volgens mij nog een subtieler gevaar op de loer. Het gevaar zit zowel in verwatering als in het maken van een abstracte leerstelling van non-dualiteit. ECIW is niet bedoeld als een systeem van ideeën dat we correct moeten leren begrijpen. De woorden en ideeën van de cursus hebben uiteindelijk geen waarde als ze alleen maar ons denken vullen met een ander, spiritueler wereldbeeld. Hun functie is dat we ze werkelijk gaan leven en dat ze ons helpen om anders te gaan kijken, anders te gaan ervaren en ons in het dagelijks leven te openen voor wat waar is.

Een nuancering van de eerdere opsomming zou dan als volg klinken:

  • De fysieke wereld is een waardevolle expressie binnen de geestelijke werkelijkheid.
  • Tijd en vorm zijn leermiddelen op weg naar de verheffing van het Zelf.
  • God en de Zoon zijn in liefdevolle eenheid én relatie verbonden.
  • De schepping is geen verleden fout, maar een voortdurend gebeuren in het heden.
  • God openbaart Zich direct in en door de menselijke ervaring.
  • Mens en medemens ontmoeten elkaar in een heilige, onafscheidelijke relatie.
  • Binnenwereld en buitenwereld weerspiegelen elkaar (“Zo binnen, zo buiten”)

Ook dit zijn woorden die per definitie tekortschieten, maar ze kunnen helpen voorkomen dat we als ECIW-studenten wegvluchten in een collectieve spirituele bypass. Dan zouden we onszelf in feite opnieuw verliezen in een duaal geloof, doordat we onze menselijke ervaring loskoppelen van wat we als geestelijke realiteit zien.

Misschien is daarom de belangrijkste vraag niet of we “twee” of “één” moeten geloven. Want ook “één” kan een concept worden waarachter we ons verschuilen. De werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer we stil genoeg worden om niet langer vast te houden aan onze ideeën over wat de werkelijkheid zou moeten zijn. Is “niet twee, maar één” uiteindelijk een waarheid die je moet geloven — of een uitnodiging om zó stil te worden dat je zelf ontdekt dat er inderdaad nooit twee zijn geweest?

Ik eindig met een mooie passage uit ECvL die dit kernachtig samenvat:

“Vervolgens heb jij jezelf nog meer in verwarring gebracht door te accepteren dat je uit twee zelven bestaat: een ego zelf, dat wordt vertegenwoordigd door het lichaam en een spiritueel zelf, dat de vertegenwoordiger is van een onzichtbare wereld waarin je kunt geloven maar waar je geen deel van kunt uitmaken. Daarmee heb je het ego en de geest lijnrecht tegenover elkaar geplaatst in een conflict waarin het ego vecht tegen een onzichtbare interne vijand. […] De waarheid verenigt. Zij verdeelt niet.”

De directe weg

Toen ik een jaar of zestien was, begon ik spirituele verlichting na te streven. Omdat ik veel boeken las, ontdekte ik al snel dat juist dit najagen van verlichting de illusie versterkt dat er zoiets bestaat als een klein zelf dat verlicht zou kunnen worden. De hele grap van verlichting is nu juist het inzicht dat dit kleine zelf een soort fenomeen is van afgescheidenheid binnen het Goddelijke Geheel van waaruit het oprijst. Later kon ik hier de ECIW-termen aan koppelen; we zijn als Zoon van God een onafscheidelijk Aspect van Hem, onze Bron.

Dit intellectueel doorhebben is wat anders dan dit door en door ervaren als realiteit. Hier loop ik tegen de grens aan van ons per definitie duale taalgebruik. Immers, bij het woord “ervaren” gaan we nog steeds uit van dat kleine zelf dat dan een soort ervaring van eenheid zou hebben. We kunnen maar moeilijk met woorden vangen dat we niet van ordinair zelf naar spiritueel zelf op weg zijn, een zelf met spirituele ervaringen, maar dat er een soort diep ontluiken plaatsvindt waarbij ervaring en degene die ervaart als het ware samenkomen, waarbij dit wel geweten wordt. Geweten door wie? Door het Weten Zelf.

Zelfs de titel van deze blog: “de directe weg” wordt dan doorzien als onjuist. Een weg suggereert immers een vordering, bezien vanuit een bepaald perspectief. En ongemerkt is het dan weer dat kleine zelf dat meent nu eindelijk aardig op weg te zijn. Terwijl dat diepere weten juist inhoudt dat de onzinnigheid van zelfverbetering doorzien wordt. Maar ja, vooralsnog kunnen we niet anders dan onze toevlucht nemen tot gebrekkige taal om het onduidbare te proberen te duiden.

Jezus is natuurlijk bekend met de beperking van het voorstellingsvermogen van het kleine zelf. Toch spreekt hij in ECIW van vergeving en van verlossing of van het kiezen voor een ander, meer liefdevol perspectief. Net zoals ik op jonge leeftijd doorzag dat het streven naar verlichting onzin was, zo zijn er ook velen die al snel roepen dat er niets te vergeven valt, dat verlossing dus onzinnig is en dat gaan kiezen voor een meer liefdevolle bril een onvrede suggereert met “dat wat is”. En wie is het die dan ontevreden is en die toch weer op instrumentele wijze de situatie probeert te fixen? Jawel, ons bekende zelf op weg naar zelfverbetering.

Ik ken broeders en zusters die, net als Amoda Maa in deze video, de onzinnigheid van streven naar verlichting, vergeving en verlossing daadwerkelijk (deels) doorzien. Ze hebben recht van spreken en hun woorden zijn, net als die van Amoda in deze prachtige video en hopelijk deze blog, behulpzaam. Toch schieten we er weinig mee op als we angstig worden om ons “duaal uit te drukken”. Als jongeling werd ik bang om ervoor uit te komen dat ik naar verlichting streefde totdat ik, als een soort verslaafde, voor de spiegel ging staan en eerlijk zei: “hallo, ik ben Simon en ik streef naar spirituele verlichting, naar een soort ultiem geestelijk orgasme”.

Deze eerlijkheid is, meen ik, belangrijk. Het is goed om te onderkennen dat je een beeld hebt gevormd van hoe jij je ideale zelf voor je ziet. Misschien meen je dat je altijd aardig moet zijn, alles moet accepteren en de hele tijd moet glimlachen. Grenzeloze vriendelijkheid wellicht. Of wellicht streef je naar zelfloosheid, naar het oplossen als druppeltje in een oceaan van liefde. Vooral Een Cursus van Liefde (ECvL) zegt hier rake dingen over.

In mijn beleving is het onhandig om op basis van verstandelijk begrip, en zonder dit echt gerealiseerd te hebben, ECIW terzijde te schuiven, een enkeling daargelaten. Zolang we hier rondlopen in een fysiek lichaam ervaren we zaken die ons tonen dat we nog (deels) vanuit dat kleine zelf leven en ons hiermee (deels) identificeren. We herkennen dat op momenten dat onze innerlijke vrede verstoord raakt.

Op zo’n moment kunnen we zien dat we ons dom, niet-spiritueel, onaardig, schuldig, verward, etc. voelen. En hoewel ik weet dat er in absolute eenheid niets te kiezen valt, adviseert Jezus om simpelweg hier te beginnen en te kiezen voor “vergeving”. Een mooi subtiel woord uit ECIW is “bereidwilligheid”, ofwel: wees wonderbereid. ECvL gebruikt woorden als tederheid en toegewijde waarneming. En ja, wellicht zit hier aanvankelijk simpelweg de wens in om je onvrede te veranderen in vrede. Wees eerlijk: “ik voel nu onvrede en wil vrede”. Is dit volgens de hoogste inzichten nodig? Nee. Houdt dit de dualiteit voorlopig in stand? Het lijkt zo. Moeten we uiteindelijk niet komen tot zoiets als: “Ik heb vrede met mijn onvrede”? Prachtig, diep en helemaal waar.

Maar tot die tijd mogen we zonder schuldgevoel voor de spiegel gaan staan en zeggen:

“Ik kan mijn gevoelens van gedeprimeerdheid, onrust of tobberij [of mijn gedachten over deze situatie, persoon of gebeurtenis] vervangen door vrede.”

En neem dit vooral niet van mij aan, want ik heb deze cursieve zin uit Werkboekles 34 van ECIW. Het is een aanbeveling van Jezus. En laat hij het hierbij? Zeker niet, want in Les 35 vervolgt hij met:

Mijn denkgeest is deel van Die van God. Ik ben heel heilig.

Ik geef hem graag het laatste woord door de derde alinea van deze les weer te geven:

Het idee voor vandaag biedt een heel ander zicht op jezelf. Door jouw Bron vast te stellen, stelt het jouw Identiteit vast, en het beschrijft jou zoals jij in waarheid werkelijk moet zijn. We zullen voor het idee van vandaag een iets andere vorm van toepassing hanteren, omdat vandaag de nadruk ligt op de waarnemer en niet op wat hij waarneemt.https://youtu.be/iQT9UtqNHvY?si=kvZ97JIvoxwp3zKa