Zie zijn zondeloosheid..

embrace-the-trucker

Met de Cursus heb je elke dag vuurwerk. Kijk nu toch weer die afsluitende zin van WB357:”Zie zijn zondeloosheid en wees genezen”. Dat is het en meer niet. Hoe simpel willen we het hebben?
Ik laat wat mensen die ik ken voorbij trekken in mijn gedachten. De positieve en negatieve oordelen en gevoelens wisselen elkaar snel af. Meestal zijn deze niet heel erg uitgesproken maar de ene mens mag ik gewoon wat meer dan de andere. Mensen die ik wat liever mag  lijken me iets te kunnen geven waar ik behoefte aan meen te hebben. Vriendelijke woorden, waardering, genegenheid, gezelligheid en ga zo maar door. De Cursus spreekt van speciale liefdesrelaties. De waardering die ik voel voor deze ‘aardige mensen’ is toch voorwaardelijk. Als ze zich een keer vervelend gedragen dan kan ik het nog door de vingers zien maar het moet geen gewoonte worden want dan liggen ze eruit.

Het gevoel iemand echt intens te haten ken ik niet. Er is niemand die ik dood wens. Toch is de kwaliteit van de speciale haat-relatie mij natuurlijk ook niet vreemd. Er zijn wel degelijk mensen die ik afwijs, wiens gedrag en manier van doen ik niet kan accepteren. Ik maak mezelf wijs dat ik iets beter ben dan die vrachtwagen chauffeur uit Berlijn omdat ik niet overga op doodslag. Toch is het verschil tussen mijn bescheiden hekel hebben aan sommige personen de haat van terroristen slechts een kwantitatief verschil binnen de droomwereld waarin we menen te leven. Ten diepste doe ik met mijn oordeeltje en de terrorist met zijn aanslag hetzelfde; we menen zonde te zien in een ander die een aanval rechtvaardigt. Ik schiet een klein oordeel-kogeltje af en de terrorist pakt een wat groter wapen.

Wij allebei voelen ons afgescheiden van onze broeders. Zodra het kleinste geloof in ons ikje de denkgeest binnensloop en we niet meer konden glimlachen om dit bijgeloof, voelden we de grens tussen ik en jij. Kijk goed naar binnen en let heel goed op dit gevoel. Merk dat de geboorte van het kleinste ik-gevoel altijd gepaard gaat met de geboorte van het jij-gevoel. Deze geboorte heeft bijwerkingen. Zodra de tweedeling lijkt te ontstaan, vermoed je dat er iets met je kan gebeuren (een aanval door een ander) en dat je behoeftig bent (ik heb iets van die ander nodig). Angst ziet nu het daglicht met in zijn voetspoor de woede op die denkbeeldige ander. Zodra we ons menen losgedacht te hebben uit de eenheid die we zijn is er spraken van oorlog met denkbeeldige anderen en met een denkbeeldig van ons afgescheiden God. Hier voelen we ons schuldig over. Die schuld is ondragelijk maar gelukkig lukt het ons dit te projecteren op de buitenwereld, op die ander. Die is fout, die is zondig en die verdient de doodstraf waarvan ik onbewust meen dat ik die zelf verdien. Een vicieuze cirkel van angst, aanval en schuldgevoel.

Hoe kom ik hiervan af? Wat moet ik doen om dit los te laten? Het helpt me om te zien dat in deze twee vragen het woordje “ik” een prominente plaats inneemt. Diezelfde ik ziet dus direct de aanname over het hoofd dat ervan wordt uitgegaan dat er een “ik” is die ergens vanaf moet zien te komen, die moet loslaten en die een verloren gewaande vrede moet zien terug te pakken.

Goddank leer ik steeds sneller om te stoppen met spartelen. Ik leer zien dat er een verborgen weerstand is om het spel van ik-versus-jij los te laten, om de zondeloosheid van de ander te zien. Dit spel gebruik ik juist om weg te blijven van die overweldigende liefde waarin jij en ik verenigd zijn. Nu valt de titel van WB 357 op zijn plaats:

“De waarheid beantwoordt elk beroep dat we doen op God door eerst met wonderen te reageren, en dan tot ons terug te keren om zichzelf te zijn”

Here Jezus ik kan mijn negatieve oordelen over anderen niet uit eigen kracht loslaten. Ik blijk het gewoonweg niet echt te willen. Maar die kleine wil tot angst en strijd is niet mijn echte Wil die ook de Uwe is. Dus ik dank U dat ik mag zeggen met Jezus: “in Uw handen beveel ik mijn geest” en vervolgens mag ik mijn hele kleine vertrouwen zetten op Uw belofte. U beantwoordt elk beroep. Dank.

 

 

Lekker roddelen?

roddelenHet vergt eerlijkheid om toe te geven dat ik roddelen soms best wel lekker vind. Dat hoort immers niet. Als ik denk aan roddelaars dan denk ik aan wat simpele en domme mensen met een nare karaktereigenschap. Stiekemerds. Maar juist het feit dat ik me boven roddelaars verheven acht zou me een seintje moeten geven dat ik aan het projecteren ben. Dat ik iets bij een ander afwijs wat ik zelf onbewust wil doen maar waarvan ik ergens wel aanvoel dat het niet zo liefdevol is.

Het maakt niet zoveel uit of we de neiging hebben om anderen de maat te nemen of dat we eerder klaar staan om onszelf de grond in te boren. Zelfverwijt. In het gezin waarin ik geboren ben hebben we allemaal nogal de neiging om meer te praten dan te luisteren. Dit veroordeelde ik vooral bij mijn ouders maar, zo gaat dat helaas, ik merk dit trekje ook bij mezelf. Dit wil ik niet dus neem ik me telkens voor eens wat meer m’n mond te houden als bijvoorbeeld m’n twee oudste dochters op bezoek komen. Maar na een half uurtje voer ik al weer het hoogste woord. Hoewel het wel wat verbetert, heb ik dan als ik ’s avonds op bed lig een beetje een kater. Snetver man, waarom trapte je er nu weer in? Hardleerse sukkel!

Wat een gek trekje is die neiging om anderen en / of jezelf te veroordelen en de grond in te stampen. Waartoe doen we dit? Om daar achter te komen moet ik goed opletten. Want wat er gebeurt bij het veroordelen van anderen en gek genoeg ook van mezelf is dat ik de illusie voed dat er twee partijen zijn. Ik en de ander of, bij zelfveroordeling, m’n goed ikje en m’n hardleerse ikje. Zodra ik oordeel, vindt er een ogenschijnlijke verharding plaats in m’n ik-gevoel. Natuurlijk is het helemaal fijn als andere roddelaars met me mee doen. Dit geeft wat extra gewicht aan de ‘waarheid’ van mijn oordeel en als de andere het ook doen dan lijkt mijn schuldgevoel over het geroddel wat te worden verdund. We doen het tenslotte allemaal.

Wat zegt de werkboekles van vandaag (WB351)? “Mijn zondige broeder is mijn gids naar pijn”. Natuurlijk is de kernboodschap van de Cursus juist dat er geen zondige broeders zijn (“Wie anders is mijn broeder dan Uw heilige Zoon”). We hebben het dus over onze keuze: “En ik zal zien wie ik verkies te zien”. Ik kies ervoor om wat mijn zintuigen me lijken te tonen serieus te nemen. Ik meen echt dat de woorden en daden van mijn broeders samenvallen met hun diepste zijn. Als ze me bijvoorbeeld verbaal aan lijken te vallen dan neem ik dit serieus. Ik hecht mijn geloof aan een vijandige wereld die me overkomt omdat dit het beeld van een afgescheiden slachtoffer-ikje bevestigt. Ik kies ervoor om me via de veroordeling van een ander (of van mezelf) wat meer afgescheiden te voelen van God, van Liefde. Ik meen dat dit gevoel van afgescheidenheid, deze bunker die ik maak, me veiligheid kan bieden. En ten diepste voert dit weer terug op de angst voor eenheid, voor de Liefde die we zijn.

Kijk eens naar ons voorbeeld, Jezus. Wat was zijn reactie op het geroddel, de zweepslagen en de kruisiging? “Vergeef hen vader, ze weten niet wat ze doen!”. Wow.. Kan ik op die manier kijken naar die vervelende collega, naar die automobilist en naar mezelf? Kan ik de ware waarneming toelaten? Op “eigen kracht” lukt me dat niet. Mijn verslaving aan de neiging om te oordelen is zo groot dat ik een Coach nodig heb. Zodra ik opmerk dat ik er weer intrap wend ik me tot Hem. “Heer, ik heb weer die neiging om die ander of mezelf te kruisigen. Ik doe dit omdat ik me hierdoor lekker “ik” voel en tegelijk voel ik me hier schuldig over. Hier ben ik met mijn onnodige angst en mijn onnodige schuldgevoel. Heer, dank dat u me liefhebt en in mij geen zonde ziet. Help me om met uw liefdevolle ogen zo ook naar die ander en naar mezelf te kijken. Leer me dat het vergeven van mijn projecties, het openen naar mijn broeders, leidt tot het binnenstromen van Uw altijd aanwezige Liefde”.

Mijn zondeloze broeder is mijn gids naar vrede.

Even een mijmering..

just_a_thought__steven_universe__by_loopusomg-dafjukz

Het valt me op dat m’n aardse droomleventje steeds meer doortrokken wordt door de Cursus, door het verlangen om naar Hem te luisteren. Toen ik de eerste keer de werkboeklessen deed vond ik het nogal een opgave om bepaalde oefeningen zo dikwijls te doen. Steeds meer vallen nu Cursus-citaten me spontaan en veelvuldig te binnen.

Een ‘bijwerking’ van de Cursus las ik zojuist (T2 III 4):

“Dit herstelt de macht van de denkgeest en maakt het hem steeds onmogelijker om uitstel te dulden, in het besef dat het de pijn slechts nodeloos vermeerdert. Hierdoor wordt de denkgeest almaar gevoeliger voor wat hij vroeger gezien zou hebben als heel kleine steken van onbehagen.”

Het is een soort conflict-antennetje. De kleinste irritatie wordt opgemerkt, het kleinste gevoel van ongenoegen. “He, ik geloof dat het echt is wat er nu gebeurt. Ik stink erin”. Voorheen was m’n primaire reactie: “wat kan IK hieraan doen?” Nu is het meer “hoe kan ik zo snel mogelijk opzij stappen en Hem Zijn ding laten doen?”.

Langzaam maar zeker groeit het vertrouwen. Steeds meer wordt gezien dat het maar zo lijkt dat er zoveel verschillende kwesties zijn. Maar belangrijker; steeds meer laat ik slechts dat ene antwoord gebeuren, de Verzoening. Dankbaar dat het niet van mij afhangt!

Mijn keuze voor negatieve beelden

aleppo-syria

Afgelopen week fietste ik over de Geniedijk in Hoofddorp. Een groepje van drie jongens van een jaar of 15 stond vuurwerk af te steken. Een ander groepje wat kleinere kinderen fietste erlangs. Eén van de fietsertjes riep baldadig richting de grotere jongens of hij ook wat vuurwerk mocht. Zonder zich een seconde te bedenken gaf zo’n grotere gast razend snel een trap tegen de fietser. Gelukkig kon deze zich overeind houden.

Vanmorgen werd ik wakker. Iets te vroeg en met wat hoofdpijn. Ik keek op mijn smartphone en kwam terecht in een nieuwsrubriek. Platgegooide steden in Syrië, doden en gewonden. Russische dreiging. Geruzie rondom Wilders.

Wat hebben deze gebeurtenissen met elkaar gemeen? Vooral dit; ik geloof ze. Ik geloof dat het waar is wat ik zie. Ik geloof dat mijn medemensen agressievelingen zijn, ruziemakers, onruststokers. Ik voel me onveilig en bedreigd en vind dat de wereld waarin ik leef steeds grimmiger wordt, steeds ongezelliger. Ik denk aan het mooie pleidooi van Jan Terlouw. We vertrouwen elkaar niet meer. Zo jammer.

Maar wat als ik nu eens besluit om niet langer te geloven wat mijn ogen me lijken te laten zien? Ik zeg krachtig tegen mijn gedachten en tegen mijn duistere wereldbeeld: “Ik geloof dit niet langer”. Wat gebeurt er? Helpt het? Nee, niet echt. Door te zeggen dat ik het niet geloof blijkt des te sterker dat ik het juist heel erg geloof. Dat negatieve beeld van een slachtoffer Simon in een lichaam in een steeds bedreigender wordende wereld lijkt heel sterk. Toch is het dat niet. Mijn geloof in de echtheid hierin is heel sterk. Waarom geloof ik dit zo sterk? Waarom ervaar ik weerstand om dit geloof in twijfel te trekken?

De Cursus leert dat er sprake is van een verborgen agenda van het ego. Het is heel paradoxaal maar ik wens juist te geloven dat ik belichaamd slachtoffer ben in een boze wereld. Iedere twijfel hieraan wordt door het ego met argwaan bezien. Wat als ik werkboekles 343 toepas en op alles wat ik zie vergeving laat rusten? Vanuit mijn kleine ikje is dit kennelijk erg lastig. Ik ervaar zelfs weerstand om mijn blik voorbij te laten gaan aan de beelden die mijn ogen mijn tonen. Vanuit mijn kleine zelf  lukt me nauwelijks om te zien dat vechtersbazen en ik  onbegrensde, liefdevolle Zonen van God zijn. Ik geef er de voorkeur aan te blijven hangen aan “de buitenkant”, aan wat ik op hen (en daarmee op mezelf) projecteer. Om anders te kijken en opnieuw te kiezen heb ik hulp nodig, Zijn ogen, Zijn Stem.

Als ik me openstel voor de mogelijkheid om de door mij gekoesterde projecties los te laten voelt het haast of ik iets moet opgeven. Of ik iets moet offeren. Maar er wordt van mij helemaal geen offer gevraagd om Gods genade en vrede te vinden (WB343). Het is slechts angst voor mij om de afgoden van de geprojecteerde wereld niet meer te geloven, de bedrieglijke beelden los te laten en mijn vertrouwen te richten op liefde. Want als ik mijn broeders zie met de ogen der liefde dan ervaar ik de liefde in mijzelf. Die openheid voelt kwetsbaar en eng. Maar tegelijk ook hoopvol, liefdevol. Dus vandaag leer ik de wet van de liefde: wat ik mijn broeders geef is mijn gave aan mij (WB344). “Heer ik bied U mijn angst, mijn geloof in mijn projecties waarmee ik me probeer af te houden van Uw Liefde. Heer hier ben ik, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Boze oude man.

img_0539

Een korte vakantie op Tenerife. Dinsdagochtend bij het ontbijtbuffet zoeken m’n vrouw en ik een plekje op het terras. We gaan zitten en beginnen te smullen van al het lekkers. Wat een mooie ochtend! Er verschijnt een oude manlijke toerist aan onze tafel die met zwaar Duits accent ons in het Engels toebijt: “This is my tabel!”Verbaasd kijken we hem aan. Er stond geen tasje, er hing geen jas of vestje en het bestek was nog onaangeroerd. Er staat wel al een thermoskannetje koffie. Ook nog onaangeroerd. “This is my table and my coffee”. Even vrees ik dat hij wil gaan meppen. Met kloppend hart antwoord ik dat we very sorry zijn en wel ergens anders willen gaan zitten. Meneer is echter zo boos dat communicatie niet meer mogelijk blijkt. Hij gaat ziedend twee tafels verder zitten en beklaagt zich bij de obers. “They took my table!” M’n vrouw en ik begrijpen het niet. “Er stond inderdaad wel al een koffiekannetje, dat had ons aan het denken moeten zetten”, zegt ze. “Maar er zijn nog zoveel tafels leeg, wat is het probleem?”, antwoord ik.

Dit voorval kwam weer in m’n gedachten vanmorgen toen ik WB 335 las “Ik kies ervoor mijn broeders zondeloosheid te zien”. Koos ik daarvoor? Nou, nee. Ik vond het een overdreven oude, starre engerd. Dat is m’n snelle ego-reactie, de makkelijke keuze voor de brede weg die naar (denkbeeldige) zonde leidt. Waarom reageer ik zo? Waarom ging mijn hart zo tekeer? Waarom verdedig ik me en heb ik weinig vriendelijke gedachten over iemand die ik niet graag als broer zou willen hebben?

Als ik het onderzoek merk ik dat hij appelleert aan een gevoel van fout-zijn van mij. Niet zozeer fout zijn in engere zin over dat lullige tafeltje. Nee, een dieper gevoel van fout-zijn. Ik projecteer op deze man het beeld van een boze vader-god. Ik meen dat ik hem iets heb aangedaan. Ik heb me los gedacht van hem en ben nu kwetsbaar en schuldig. Hij is nu buiten mij in de vorm van deze boze broeder. Er begint een beetje begrip te komen voor het boos vertrokken gezicht van hem. Ook hij meent afgescheiden te zijn en gelukkig te worden als hij zijn eigen plek krijgt. Hij ziet nog niet dat dit tafeltje een symbool is voor de liefde die hij echt zoekt, die hij meent kwijtgeraakt te zijn. Hij meent dat ik zijn liefde heb gestolen en wil me aanvallen om het terug te krijgen. Hij voelt zich alleen, verdwaasd en bang. Net als ik. Samen zijn we gevangen in projecties vanuit vermeende eenzaamheid en armoede. Beiden wanhopig opzoek naar de liefde die we zijn.

Met mijn -en zijn vermeende kwetsbaarheid in gedachte wend ik me tot Hem. Heer, vanuit mijzelf kan ik alleen maar aanvallen en verdedigen. Zie mijn angst. De angst om de mogelijkheid toe te laten dat ik nooit een ikje ben geweest, dat mij niks ontbeert, dat ik me mag overgeven aan U. Ik hoef geen muren overeind te houden, ik ben niet schuldig en ik zie mijn denkbeeldige kwetsbaarheid weerspiegeld in deze oude broeder. Heer, dank voor Uw zegen, Uw verzekering aan ons dat we totaal zondeloos zijn.

Lichamelijke effecten

img_0538

Ik las in een FB-groep een stukje van een geliefde broeder die tijdens zijn studie van de Cursus allerlei lichamelijke sensaties ervaarde. De tekst maakte indruk op me maar zette me ook aan het denken. Temeer daar hij, in mijn ogen, toch een beetje doorschoot naar een uiterste; ‘het begint pas echt wat te worden met je studie van de Cursus als je allerlei lichamelijke, energetische sensaties meemaakt’. Hij nam hiermee enigszins stelling tegen studenten voor wie de Cursus een louter mentale exercitie lijkt te zijn.

Het lijkt me toe dat het écht maken van verschijnselen binnen de illusie op twee manieren wat kan doorslaan. Ik zal de twee uitersten schetsen:

1: Er hoeft binnen de droom niks te veranderen want het is toch niet echt.
2: Als er niks binnen de droom verandert dan is het nóg niet echt

Het valt niet mee om de slimheid van het ego te ontmaskeren. Ik doe een poging:

Ad 1: Er kan hier sprake zijn van angst voor het omvallen van vertrouwde beelden binnen de droom. Anders gezegd; krampachtig vasthouden aan de onveranderlijkheid van bijvoorbeeld ziekte (omdat deze toch niet echt zou zijn) kan juist voorkomen uit angst voor het wegvallen van de vermeende zekerheid van ziekte, van de dualiteit en van het slachtofferschap.
Ad 2: Voordat je het beseft neemt het ego op deze manier de illusie weer heel serieus en eist het het wegvallen hiervan (genezen van ziekte, opvallende energetische effecten) als bewijs dat God echt ingrijpt binnen onze droom.

Samenvattend: je kunt als Cursus-schriftgeleerde lichamelijke genezing niet toestaan omdat je uit angst eist dat hier géén verandering in mag gebeuren maar je kunt hem ook juist opeisen als bewijs dat er wél echt iets in de denkgeest is gebeurd.

Mij helpt het om, heel onzuiver, de Bijbel in gedachten te nemen. Op z’n zachtst gezegd gebeuren daar heel opmerkelijke wonderen binnen de illusie van onze wereld, tot aan het verschijnen van Jezus in fysieke vorm na zijn dood toe. Maar Jezus zegt ook ergens dat mensen die kunnen geloven zonder (de effecten) te zien zalig zijn.

Het lijkt me dat in deze discussie krampachtigheid en angst goede indicatoren zijn voor activiteit van het ego. Als er niks mág gebeuren of als er juist iets móet gebeuren dan treedt er een onheilig moeten het gesprek binnen. De woorden van onze geliefde broeder Koos Janson komen nu in me op. Echte genezing betreft altijd de denkgeest (er is immers niet anders) en als dit gepaard lijkt te gaan met een wondertje binnen de illusie dan is dit het toefje op de taart. Echt nodig? Nee. Echt fout? Nee. Maar wel lekker zo nu en dan!

Ik zal mezelf vandaag geen pijn meer doen (WB330)

maria-van-lida

Rare titel. Als je dit tegen een niet-Cursus-student zegt zal deze je niet begrijpend aankijken. Nogal wiedes dat je jezelf geen pijn wilt doen. Toch? Kennelijk niet. Kennelijk beweert de Cursus dat we onszelf wel pijn doen.

Laten we eens op een hoog abstractieniveau beginnen. Alles wat je nu waarneemt, lichamelijke gewaarwordingen, gevoelens, gedachten, geluiden, beelden enz, kan nergens anders gebeuren dan in de / je denkgeest. Ook dit is iets wat veel onbegrip en zelfs weerstand zal oproepen. Wij zijn er stellig van overtuigd dat wij ons in de wereld bevinden. Het omkeren hiervan, de hele wereld inclusief het lichaam, verschijnt in de denkgeest, kan bizar overkomen.

Toch bevat deze zienswijze een machtige sleutel. Immers, als wij ons in een grote boze buitenwereld bevinden dan overkomt ons zogenaamd van alles. Leuke dingen maar ook narigheid die we liever niet willen. Vast verbonden met dit beeld is dat we slachtoffer menen te zijn van een wereld die we buiten ons menen te zien. De Cursus keert het dus om. Wij projecteren alles wat we menen te zien binnen onze denkgeest. Wij hebben zelf betekenis gegeven aan alles wat we menen waar te nemen. Dit is een bijna ongelofelijke visie.

Het ego voelt zich hier erg ongemakkelijk bij. Het wordt namelijk ontmaskerd als niet meer dan een geloof in een beeld van een ikje dat we erg serieus zijn gaan nemen. Een ikje dat een lichaam heeft en een dappere strijd voert op weg naar een beter leven en een betere wereld. Zodra de Cursus het geloof in dit beeld gaat ondergraven, wordt het ego erg onrustig. “Dit kan niet, mag niet, is belachelijk”. Als het idee van de geprojecteerde wereld wel eens wordt onderzocht dan zet ons ego de joker in. “Aha, ik ben het die projecteert, ik lees zelfs dat ik mezelf pijn doet dus wat ben ik stom en schuldig aan al dit leed!”.

Vervolgens gaat dit, nu zogenaamd schuldige, ikje druk aan de gang om op te houden met al dit projecteren. “Het is mijn eigen schuld en ik ga er nu mee kappen”. Het gevolg? Spanning. Het leven wordt een groot gevecht met spanning in je gevoelens, je denken en in je lichaam. Je draait jezelf in de knoop, vindt dat je daar nu ook zelf schuldig aan bent, en maakt het zo steeds erger.

Het lijkt er op dat, een gelukkige student daargelaten, we allemaal eerst deze worsteling met onszelf moeten voeren. Moeten voeren? Nee, houd je vast, willen voeren. Dus toch eigen schuld? Nee, we doen dit uit angst en een bang kind is niet schuldig. We geloven namelijk de projecties van de hele santenkraam, van een worstelend ikje in een grote boze buitenwereld, juist omdat dit ons ik-gevoel versterkt. We willen ons gek genoeg een strijdend ikje voelen. Dit dapper vechtend ikje lijdt aan een onbewuste angst voor eenheid (verdwijnen, in zijn optiek!) en wil dus per definitie niet opgeven. Het heeft een verborgen agenda. Het zoekt en vecht maar wil niet vinden en niet oplossen in de liefde die je eigenlijke thuis is. Het ikje is onderdeel van het “probleem” en inspanningen vanuit ons ikje kunnen dus nergens toe leiden.

De echte oplossing? “Ik” kan zichzelf niet oplossen maar dit wel erkennen en ruimte geven aan een andere keuze. Namelijk niks te doen,  kiezen voor Liefde, voor eenheid, de Heilige Geest. Dit is vergeving. Deze termen zijn soms te abstract voor onze duale vechthouding dus mogen we kiezen voor overgave aan Jezus of aan de Heilige Moeder Maria. Visualiseer jezelf als bang kindje en laat Jezus of Maria stralend van liefde naar je toe komen. Doe jezelf geen pijn meer, laat je liefhebben, laat je thuisbrengen. Laat de Liefde je toefluisteren dat er niets is gebeurd en dat je niet hebt gezondigd. Je bent totaal onschuldig, gezegend Kind van God.

Laten we er vandaag voor kiezen dat Hij onze Identiteit is.

Ik kies de tweede plaats.

put-god-first

Je hebt van die lessen die zo diep binnenkomen. Les 328 is er zo een voor mij:
“Ik kies de tweede plaats om de eerste te verwerven”. Ik ben zo vrij om te lezen: “Ik kies de tweede plaats om vrede te ervaren”. Dit is zo tegengesteld aan onze ego-wereld. Waar mogelijk kiezen we altijd de eerste plaats. We willen in de “driver-seat” zitten; plannen, dirigeren, controleren, doelen bereiken.

Vanmorgen kreeg ik het beeld van zo’n startknop van een YouTube video. Het filmpje staat nog stil, je hebt je vinger nog niet op de knop gedrukt. Dat moment, nog voor het indrukken van de startknop is een levensgrote kans. Wat doe je? Start je de ego-film en laat je jezelf meezuigen in een nieuw verhaaltje? Een verhaaltje dat er zogenaamd toe doet?

Of houd je je hand even stil en richt je je hoofd op? Je begint nog niet, maar luistert naar een stille Stem die altijd spreekt maar zich nooit opdringt. Je kiest, al is het maar voor even, de tweede plaats. Wacht af. Wacht niet op iets speciaals, op een spectaculaire ervaring. Maar rust gewoon in Zijn armen. Pauzeer gewoon even, totaal ontspannen en in overgave en vertrouwen dat je in goede handen bent; in Zijn handen. Wat een zegen die tweede plaats. Wat een wonder dat de liefde in jou zich niet hoeft te vermoeien met lastige keuzes. Die liefde weet gewoon. Ze is totaal.

Het voelt zo natuurlijk om Hem de eerste plaats te geven. Niet knarsetandend, niet met tegenzin maar omdat je Zijn liefde mag voelen stromen als je hiervoor kiest. Hij overweldigt je niet met geweld en laat je vrij jouw startknop in te drukken en los te gaan in de droom. Maar als je even pauzeert dan is Hij trouw en liefdevol. Altijd.

Ik hoef slechts..

smartphone

Ik hoef slechts uit mijn bed te springen en me in de dag te storten
Ik hoef slechts druk te zijn met plannen maken
Ik hoef slechts elke keer op mijn smartphone te kijken
Ik hoef slechts te zoeken naar afleiding en vertier
Ik hoef maar te blijven lezen en tv te kijken

Om niets te horen
Om niets te vinden
Om me te blijven verliezen in talloze indrukken

Maar om even op een stoel te gaan zitten
Om even te luisteren, te voelen, te glimlachen
Om vanuit stilte eens niet te doen
Niet te rennen, mezelf niet dol te draaien
Maar om me verwachtingsvol te openen
In vertrouwen, in stille verwachting van het onbekende

Zie de weerstand die opkomt om zo ‘niets’ te doen
Hoor het ego zeggen: ‘pff, als ik dat wil kan ik het wel’
“Maar nu even niet, ik heb het te druk’
Herken die weerstand als angst
Blijf er maar eens bij stilstaan
Stil zitten, zoals je wilt
Kijk naar de onwil, de worsteling van het ego
Die wil weg van hier, weg van het stille wachten op Hem

Zijn de genoemde activiteiten dan fout?
Nee, alles is neutraal
Maar als je ze doet om Hem te ontlopen, om jezelf te verdoven
Dan nog ben je niet fout of schuldig, maar je ontzegt jezelf de ervaring
De ervaring van Zijn vrede, Zijn Liefde

WB 327: Ik hoef slechts te roepen en U geeft me antwoord

 

 

Ben jij ook zo bang?

surprised young woman holding white empty paper isolated on white

WB 323: Ik breng graag het “offer” van de angst

Wat klinkt dat aantrekkelijk; mijn angst opgeven. Natuurlijk wil ik van mijn angsten afkomen. Dat wil toch iedereen? Ik zag pas op tv een programma over een angst die me bekend voorkomt. Spreken in het openbaar. Dit schijnt één van de meest wijd verbreide angsten te zijn. Ik moet voor m’n werk regelmatig spreken voor groepen en groepjes. Dat ging me altijd goed af en ik kreeg complimenten voor mijn duidelijke manier van uitleggen en humoristische presentaties. Tot mei 2013. Ik stond voor een groep buitenlandse collega’s een verhaal te houden toen ik me plotseling pijnlijk bewust werd van mijn hartslag en een lichte onzekerheid in mijn stem. Gewoon niet op letten, zou je zeggen. Maar dat lukte dus niet en ik kwam in een vicieuze cirkel die uitmondde in een paniekaanval. Ik liep nog net niet gillend weg maar had dringend behoefte aan een luikje in de grond waar ik door kon verdwijnen. In de periode daarna breidde de angst zich als een olievlek uit totdat ik zelfs het meest onbenullige telefoontje enorm eng begon te vinden en ik probeerde situaties die me spannend leken te ontlopen.

Waarom noem ik dit? Omdat ik in deze periode leerde hoe weinig je hebt aan een rationeel verhaal of aan een goed voornemen. “Iedereen vindt het eng, het valt wel mee, wat is het ergste dat kan gebeuren?” Dat soort geruststellingen. Bij mij kwam er ook nog een soort existentiële schaamte bij. Ik vond het een aanfluiting dat ik als trouwe Cursus-student de bibberitis kreeg van zoiets onbenulligst als het toespreken van een groep broeders en zusters.

Misschien heb ik nu vooral de aandacht van lezers die dergelijke angsten ook hebben. Wellicht zit je nu op het puntje van je stoel om te horen hoe je hier nu eindelijk vanaf kan komen. Je wilt dolgraag dat offer van de angst brengen en heerlijk vrij verder leven. Dan kan het teleurstellend zijn als ik je geen simpele truc zal aanreiken. Toch kunnen deze angsten op een diepe manier waardevol zijn.

Eerst even wat voorbereidend werk met het hoofd. Op zich gaat een theorietje je niet helpen om van je angst af te komen. De vraag is echter vooral of die angst iets is om van af te moeten komen. Het ego vindt van wel, natuurlijk. Angst voelt erg oncomfortabel en de schaamte die ermee gepaard gaat al evenzo. Het ego heeft besloten dat alle zaken (hartkloppingen, hyperventilatie, angst- en schaamtegevoelens) heel reëel zijn en dat ze moeten verdwijnen. Dan volgt nu misschien een verrassing. Het adagio van het ego is namelijk: zoek en vind niet. Huh? Ik breng toch graag het offer van de angst?

En dat brengt me bij een onbewuste agenda van het ego. Want wat is de enorme conclusie van iemand die erg bang is? IK BESTA EN KAN DOOD GAAN! Zo voelt het tenminste. En deze hartenkreet koestert het ego enorm. Het is de kern van zijn denksysteem en het zal het kosten wat het kost willen verdedigen. De oorsprong hiervan is de vergissing dat we ons los gedacht hebben van God, van de liefde. Bibberend staan we in ons nakie in het paradijs en we vrezen dat God in zijn boosheid om onze eigenwijze zonde ons zal willen doden. We proberen zijn boze en afkeurende blik te ontwijken en projecteren een denkbeeldige wereld waarin we onze afgescheidenheid menen te beleven in een lichaam. Maar diezelfde angst om gedood te worden achtervolgt ons ook binnen de illusie. Angst voor pijn, ziekte en angst voor onze broeders en zusters op wie we de macht van het boze, veroordelende oog projecteren. We voelen ons diep afgescheiden en schuldig en zijn bang voor het vernietigende oordeel. Onbewust: het oordeel door God; pijnlijk bewust: het oordeel van die tientallen ogen die ons onderzoekend opnemen.

Is dit te volgen? Let dan eens op dat je probeert om hier een inzicht aan te ontfutselen waarmee je van die rotangst af kunt komen. Klopt dit? Dan bewijst het dat je nog steeds die angstreacties erg serieus neemt! Je meent dat ze bedreigend zijn en overwonnen moeten worden. Iets om je voor te schamen? Je schuldig te voelen? Nee, houd op! Reageer op jezelf zoals een liefdevolle ouder reageert op een angstig kind. Niet uitlachen, niet belachelijk maken, niet veroordelen maar oppakken, troosten, zachte geruststellende woordjes en even lekker knuffelen. Dit heb je nodig. En dat heeft even tijd nodig. Niet in het echt, maar wel voor ons gevoel binnen de illusie. Toch kan het begrijpen van de metafysica van de angst je helpen om deze vergevingsoefening te doen. In de vorm van een gebed:

Lieve Heer, wat ben ik bang. Bang om beoordeeld en afgewezen te worden door mijn broeders en zusters. In feite bang om door u afgewezen te worden omdat ik me “ik” voel, kwetsbaar en afgescheiden. Zie me staan in mijn angst. Ik kan hier niks mee want de ik die meent te moeten vechten is juist de bron van de angst. Hier ben ik, liefde, hier ben ik Goede Herder. Dank U dat ik met al mijn angst bij U mag komen. Dat ik mag sidderen en beven en al mijn angst mag laten zien. Dank dat U me nooit afwijst maar me troost. Dank dat ik niet doodga als ik mijn angst bij U breng. Dank dat ik mag bidden: “ Ik breng graag het “offer” van de angst”.