Uitnodiging van Hem

uitnodiging

We kunnen lang blijven praten over non-dualiteit. Ik doe daar ook graag aan mee. Op zich is daar ook niks mis mee en het is vooral nuttig om te zien dat je op een gegeven moment vastloopt in het denken waar wij zoveel gezag aan hebben toegekend. Ik kreeg zo’n vastloper een kleine 10 jaar geleden nadat ik keer op keer geprobeerd had mijn draai te vinden binnen het klassiek Christelijke geloof. Toch nog min of meer plotseling zag ik een terugkerend patroon in mijn zoektocht tot dan toen. Ik zag dat ik “loopings” maakte. Telkens meende ik een waterdichte theorie, of liever gezegd, Christologie gevonden te hebben. Grootste uitdaging was om binnen de duale visie Gods liefde te rijmen met de ellende die ik om me heen zag. Elke constructie die ik vond of bedacht bleek een beperkte houdbaarheid te hebben. Na verloop van tijd kwamen er haarscheurtjes in en vervolgens stortte het kaartenpakhuis weer in elkaar. Totdat het besef daagde dat elk concept dat ik uit een heilig boek adopteerde, bedacht had, nu geloofde of nog bedenken zou totaal willekeurig was en vroeger of later af zou brokkelen.

Zo, dat gaf lucht. Grootste winst dat dat ik geen last meer had van het beeld van een straffende God. Op zich voldoende aanleiding voor blijdschap en een heel wat zonniger leven. Ook een les in respect richting anderen want ik hoefde niemand meer van mijn gelijk te overtuigen, te evangeliseren of anderszins anderen te redden. Ik ervaarde dit als “verlichting” maar wel in engere zin. Ik had geen last meer van monotheïstische levensovertuigingen waarin een goddelijke macht mij zijn wispelturige wil probeerde op te leggen. Ik wens dit inzicht en deze opluchting iedereen toe, ook mijn broeders en zusters die zich tuis voelen in andere monotheïstische religies. God is liefde; punt.

En toch. De non-dualistische visie beknelde inderdaad niet. Ik hoefde niet dagelijks mijn verstand in een onmogelijke spagaat te dwingen. Er is echter een verschil tussen verstandelijk instemmen met de non-duale waarheid en deze realiseren, zoals dat heet. Voor dat je het in de gaten hebt ga je over deze realisatie weer nieuwe denkbeelden fabriceren, geloven en verdedigen. Deze neiging stemde me, toen ik het in de smiezen kreeg, overigens wel weer een stuk milder richting mijn verleden en richting volgelingen van externe Goden. De kwestie van realisatie gaat nogal wat verder dan het opgeven van het geloof in een externe God. Atheïsme of een agnostische levenshouding zijn geen synoniemen met realisatie.

Wat is er namelijk aan de hand? In klassiek Christelijke termen: het ik blijft op de troon van God zitten. In Cursus-termen: we blijven luisteren naar de stem van het ego en niet die van de Heilige Geest. Beide formuleringen getuigen overigens nog steeds van een duale visie: een “ik” dat op een stoel zit of een “ik” dat gaat kiezen. Kennelijk zijn we er niet nadat we het beeld van God aan stukken hebben geslagen. Na een tijdelijke opluchting blijven we achter in aanbidding voor andere afgoden; die van een ikje en die van fenomenen in een wereld van tijd en ruimte om ons heen.

De Cursus kan zorgen voor het uitbreiden van het inzicht. Terecht stelt ze dat het niet gaat om het opstellen van een universele theologie. Er bestaat echter wel zoiets als een universele ervaring waarbij het niet behulpzaam is om jezelf direct te blokkeren met de vraag of er dan nog een “ik” is die iets aan het ervaren is. Daar zit hem namelijk precies de crux. De Cursus, en andere non-duale visies, wijzen erop dat niet alleen onze klassieke god niet meer is dan een projectie van onszelf, maar dat dit ook geldt voor de wereld die we om ons heen menen te zien. Het valt al niet mee om hier verstandelijk iets bij voor te stellen laat staan om het als waarheid te ervaren en te realiseren. Hier komen de werkboeklessen om de hoek kijken. Hierin worden we gevraagd om ons verstand en onze vooroordelen even te parkeren en de oefeningen maar eens gewoon te doen. Vergeving vormt hierin de sleutel. Hierin wordt eerst de projectie teruggenomen en vervolgens geclassificeerd als onschuldig en van eigen makelij. Maar daar blijft het niet bij. De bijl komt uiteindelijk terecht bij de wortel van de boom; ons geloof dat we een actieve denker, doener, dader, slachtoffer enzovoort zijn. Er worden vragen gesteld aan de realiteit van de interne-prater die zich in ons hoofd lijkt te bevinden. En nu wordt het heet onder de voeten van dit geloof in de validiteit van dit ikje. Het wordt namelijk langzaam maar zeker ontmaskerd en herkend als van dezelfde makelij als wat we buiten ons menen te zien. Eigenlijk niet veel meer dan een hallucinatie van gebakken lucht of, wat chiquer gezegd, alles is Bewustzijn. Wat gebeurt er als het ik-beeld zelf vergeven wordt?

En hier wordt het ikje bang. Onbewust hangt het aan de realiteit van de wereld buiten hem en al helemaal aan de realiteit van hemzelf. De gedachte dat alles wat we menen te zien, inclusief onszelf, niets meer is dan een gedachte waar we als tijdloze en vormloze Christus even mee wilden spelen, is te pittig. We kiezen ervoor de ervaring onze ware natuur, oneindige en vormloze liefde, te verdringen door vast te klampen aan de realiteit van wereld en zelfbeeld.

En wat nu? Lees werkboekles 165 en laat je aanspreken als de Christus die je bent. Zie hoe klein de bereidheid van ons maar hoeft te zijn om Zijn licht binnen te laten stromen in de denkgeest. En kijk dan maar eens wat er gebeurt. Kom er met mij achter hoe wonderlijk dit is en hoe we met onze mond vol tanden komen te staan als we hierover willen praten. Dit praten wordt zo droog, zo abstract terwijl het feest in volle gang is. Geef je over aan Hem en laat je verbazen over Zijn zijn.

WB 165: Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen.

Dodelijke muggenbult?

mug

Als wij werkboekles 163 lezen: “Er is geen dood. De Zoon van God is vrij”, dan blijven onze gedachten gewoonlijk steken op het idee van de dood van ons lichaam. Ons ego protesteert heftig en verwijt ons overmoedige grootspraak. Het zijn ook geen woorden om lichtvoetig te gebruiken. Wanneer we beweren niet bang te zijn voor de dood terwijl we nog steeds geloven dat we in een wereld leven waarin ons van alles overkomt dan is deze uitspraak ook niet meer dan grootspraak.

De Cursus laat zien dat de angst voor de ogenschijnlijke fysieke dood een symbool is, een heel krachtig symbool overigens, voor ons geloof in onze afscheiding in alle ontelbare voorbeelden binnen de illusie. De, in onze ogen, zowel grote voorbeelden als de schijnbare onbenullige voorbeelden.

Laat me dit illustreren. Vanmorgen meende ik dat ik het slachtoffer geworden was van een bloeddorstige mug. Deze had m’n voet weten te vinden en daaruit wat bloed afgetapt. Kennelijk is het daarbij nodig wat gif achter te laten zodat de voet nog uren hinderlijk jeukt. Nu komt het: zolang ik geloof dat er een ikje is dat een lichaam heeft dat prooi is geweest van een klein dingetje buiten mij toon ik aan dat ik nog steeds geloof in de dood.

Het ego wil vervolgens dit soort voorbeelden laten ontsporen door zich dood te gaan staren op de slachtoffer-dader vraag met daaraan gekoppeld dezelfde kwestie in termen van onschuld en schuld. Want als ik beweer dat me niets van buitenaf kan overkomen dan moet ik wel volgens het ego schuldig zijn aan m’n eigen muggenbult. Emoties lopen hoog op als het geen mugje betreft maar een menselijke verkrachter of moordenaar. Maar nee, ik ben noch onschuldig slachtoffer noch schuldige dader. De ultieme conclusie van de Cursus is namelijk dat ik helemaal niet ben als afgescheiden ikje. Maar deze visie is veel te heftig voor dit denkbeeldige ikje. Het is liever slachtoffer of desnoods dader maar het wil absoluut niet horen dat z’n hele ik-besef een illusie is.

Daarom verkiest het ervoor te geloven in de dood, om de dood te aanbidden als afgod. Het is een vlucht voor het besef van de heerlijke waarheid dat de Zoon van God nog steeds is zoals Hij geschapen werd. Onbegrensde eeuwige liefde.

Terug naar de muggenbult, naar de illusie. De niveauverwarring wordt hier al snel groot. We vragen ons af wat we met de kennis van de Cursus nu in Godsnaam moeten doen? Moeten we dit bultje en de jeuk met alle macht negeren en proberen weg-te-cursussen? Of juist niet? Lieve broeders en zusters, dat doet er totaal niet toe. We worden opgeroepen om oog te krijgen voor wat er in de denkgeest gebeurt. “Hee, ik geloof kennelijk dat er een ikje is dat dapper moet standhouden tegen de jeuk en vooral niet mag krabben. Wat een grappig geloof. En ja zeg, ik zie dat ik nu even extra geloof dat ik een ikje ben.” Of misschien: “Hee, ik zie dat ik een ikje ben dat van de jeuk af wil en een tube Azaron pakt. Kijk, het ikje denkt nu dat het iets beter gaat omdat de jeuk wegtrekt. Grappig zeg, dit geloof in een ikje dat van alles voor elkaar krijgt”. Dit alles is totaal onschuldig en niet meer dan een mogelijkheid om wat te leren.

Jezus heeft besloten een voorbeeld te kiezen dat jullie wat meer zal aanspreken dan mijn muggenbult. Hij heeft laten zien hoe Hij aankeek tegen de kruisiging. Hij heeft geweigerd hier de schuldvraag te lanceren en besloot liefdevol te blijven kijken naar de soldaten die hem aan het kruis sloegen. Hij heeft laten zien dat hij in de soldaten zijn broeders zag. Hij zag in hen de liefde die ze zijn (WB 161: Geef me jouw zegen, heilige Zoon van God) opdat hij op ultieme wijze WB 162 kon laten zien: Ik ben zoals God mij geschapen heeft zodat wij overtuigd mochten raken van WB 163: Er is geen dood. De Zoon van God is vrij.

Kijk hieronder met me mee hoe dit voorbeeld Paulus tot jubelen bracht. Verslik je niet in het woord “zonde” wat niet meer wil zeggen als geloof in afgescheidenheid, in een ikje. Jezus, dank voor uw voorbeeld en dat u ons de weg van overgave aan de liefde hebt laten zien!

1 Korintiërs 15

53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

 

Ontstollend ikje

kinderhandenmetlichtje

Gisteren namen we de projectie terug van een broeder op wie we boos waren. We konden zien dat het negatieve beeld dat we van hem koesteren bestaat uit gestolde energie, gestold bewustzijn. Vergeven is het voorbijzien aan deze vorm en op die wijze het licht, de warmte, de energie van dit gestolde bewustzijn weer vrij laten komen. Alleen hierdoor is het mogelijk dat je dezelfde energie, hetzelfde bewustzijn in jezelf herkent als je ware Identiteit.

Dit voorbeeld met boosheid op een broeder is slechts een voorbeeld van het universele principe van vergeving van de wereld die we menen te zien. Er is geen rangorde in wonderen en ook niet in illusies. Alles wat we buiten ons menen te zien is niets anders dan een projectie die bedoeld is om de illusie van afgescheidenheid in stand te houden. Niet alleen negatieve opvattingen die we over andere mensen koesteren. Nee, elke waarneming, elke perceptie, elk gevoel, elke conceptuele opvatting. Ons geloof in elke waarneming van iets buiten ons is slechts een spelletje om ons lekker “ik” te kunnen blijven voelen.

Maar wie is die ik? Kijk nu eens naar binnen en ervaar de afgescheiden identiteit van wat jij “ik” noemt. Zie je hoe vanzelfsprekend je het vindt dat dit ikje echt is? Zie je hoe je meent dat dit ikje bestaat in tijd en ruimte en dat het dingen moet bedenken, doen en bereiken om verlicht te worden? Maar wat is dit ikje? En nu komt de crux. Dit ikje is niets meer of niets minder dan een ander beeld waarin we zijn gaan geloven. Het beeld dat je hebt van een broeder, van een tafel, van een hondendrol, van een gevoel, van een gedachten van alles wat je meent te zien is van exact dezelfde kwaliteit, gestold bewustzijn, als dat van je ik-gevoel. Ongedeeld bewustzijn had niets anders om de illusie te scheppen dan zichzelf. Als een spin die een web maakt vanuit haar eigen materie zo maakte bewustzijn de droom van de buitenwereld en de droom van een hiervan afgescheiden ikje.

Vergeven is het laten oplossen van de gestolde energie. Gisteren merkten we bevrijding toen we dat ene negatieve beeld van die broeder konden neutraliseren en vervolgens omarmen. Een scheidslijn leek weg te vallen. Liefde kon weer stromen. Vandaag worden we uitgenodigd vergeving uit te breiden naar het beeld van onszelf.

WB 162: Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

Kijk naar de ogenschijnlijke substantie van dat ikje. Zie dat het iets voor lijkt te stellen en bekijk ook dit ik-concept eerst neutraal. Laat je zelfoordeel varen en neem een onderzoekende houding aan, nieuwsgierig haast. Hoe voelt het, hoe hard is het, hoe groot is het? Neem hier de tijd voor. Beter kun je deze niet gebruiken dan voor vergevingsoefeningen. Neem vervolgens je zelfbeeld in je handpalm, je oordelen, je pijntjes, gedachten en gevoelens en kijk er met mededogen naar, liefdevol. Zie hoe dit brokje gestold bewustzijn net als die zwarte kool van gisteren langzaam gaat gloeien. Het gaat licht verspreiden en warmte. Het wordt licht, heel licht en transparant. Ik ben zoals God mij geschapen heeft.

“Er is geen droom die niet door deze woorden wordt verjaagd, geen gedachte aan zonde en geen illusie die de droom bevat, die niet zal vervluchtigen ten overstaan van hun macht”

Gestolde zwarte haat

kampvuur_sessie_free-use

Wat een oefening krijgen we vandaag aangeboden in werkboekles 161:

“Geef me jouw zegen heilige Zoon van God”.

De Cursus vraagt ons om één broeder (of zuster) in gedachten te nemen en hem om verlossing te vragen. Wat een totale omkering van de manier waarop ik gewoonlijk denk. Als ik op mijn stoel ga zitten op mijn zolderkamer komt er direct een beeld naar boven van een man waar ik een lichte aversie tegen heb. Ik heb van hem de indruk dat hij me niet zo graag mag. Dit meen ik te af te kunnen leiden uit de manier waarop hij naar me kijkt en uit het feit dat hij me nadrukkelijk lijkt te negeren door me niet te groeten, zelfs niet als ik vriendelijk naar hem knik.

“Nou, dan niet”, denk ik dan op mijn beurt en als ik heel eerlijk ben, moet ik bekennen dat ik dit aanvul met iets weinig fraais zoals “eikel”. Laat ik het niet mooier maken dan het is. Natuurlijk komt deze persoon wel vaker in mijn gedachten als ik vergevingsoefeningen doe. Ik kom hiermee echter niet veel verder dan dat ik mezelf forceer en probeer met een moeizame glimlach een liefdevolle gedachte voor deze broeder eruit te persen. De Cursus noemt dit “vergeving om te doden”. Het komt voort uit een arrogantie die zoiets zegt als “laat ik maar de wijste zijn”. Ondertussen versterk ik hiermee mijn overtuiging dat deze broeder fout is en dat ik als persoon op een spiritueel pad boven hem verheven ben. Natuurlijk houd ik deze duistere gedachten en gevoelens zorgvuldig verborgen want echt trots ben ik er niet op. Toch moet ook deze onderste, modderige steen boven komen anders zal er binnen in mij niets kunnen veranderen.

Goed dan, deze broeder verschijnt in m’n gedachten. Moet ik hem nu om een zegen vragen? Moet ik gaan slijmen om zijn goedkeuring te krijgen? Een vriendelijk knikje, een groet? Nee natuurlijk niet. Dat zou slechts meer van hetzelfde zijn, van nep-vergeven waarbij ik nog steeds denk dat ik de wijste ben. Nee, ik mag zien dat het beeld dat ik van hem heb een soort symbool is van gestolde, negatieve energie. Ik heb met deze energie een vorm gemaakt, een afgod, waar ik mijn haat op kan richten. Als ik heel goed oplet kan ik voelen wat dit met mij doet. Ik kan een verharding voelen in mijn afkeer. En dan dat bekende paradoxale fenomeen; ik koester deze verharding, deze bevestiging van het zogenaamde feit dat ik sterk en afgescheiden ben. Dat ik op mezelf sta en de goedkeuring van een ander helemaal niet nodig heb. Pff, ik heb helemaal niemand nodig, waarom zou ik hem moeten vergeven?

Vervolgens nodigt de Cursus me uit om die negatieve energie waarmee ik die boosaardige broeder geboetseerd heb vrij te laten komen. Ik visualiseer deze energie als een zwarte, kille, donkere steenkool als een klomp in mijn hart. Ik sta er koud en grimmig naar te kijken. Dan kijk ik naar dit duistere oordeel waar ik me zo voor schaam en til het omhoog, duidelijk zichtbaar nu. Zoals ik het nu opschrijf en de donkere zwarte kool aan u lezers toon, zo kijk ik er ook zelf naar en zo laat ik Hem zijn licht erop schijnen. Ik zie nu mijn negatieve oordeel en stop dit niet weg hoewel alles in mij roept om die zwarte kool weer snel te verbergen.

Ik wacht slechts, minuten lang en kijk met Hem. Langzaam, heel langzaam zie ik de kool  opwarmen en gaan gloeien. Het wordt wat warmer nu.  Nu kan ik zien, nee, ik kan voelen, hoe de zwarte contouren van mijn haat iets vervagen en dat er een warme straling van mijn broeder begint uit te gaan. Het is nog geen “halleluja, prijs de Heer” wonder. Nee, het is een sprankje licht, een sprankje warmte dat vanuit hem komt en waarvan ik merk dat het me goed doet. Dit is de weg, ik weet het, Ik mag mijn oordeel over mijn broeder stukje bij beetje loslaten zodat de haat die ik op hem geprojecteerd heb omgevormd kan worden in warmte, in liefde.

Wat voelt dit toch wonderlijk dubbel. Door de teugels van mijn haat iets los te laten en voorbij mijn negatieve projectie te kijken kan de warmte weer gaan stromen. Het wordt steeds helderder dat ik slechts mijzelf kruisig als ik een ander aan het kruis timmer. Als ik de spijkers uit zijn handen en voeten trek kan hij van het kruis komen en met zijn vrije handen de doornenkroon van mijn hoofd af halen. Hij is mijn verlosser. Ik heb negatieve energie in hem gefixeerd maar mag naar hem toegaan om deze energie vrij te laten zodat deze ons allebei kan verwarmen. Geven en ontvangen zijn waarlijk één. Prachtig vreemd.

Doorgeefkanaal

pinksterenHet is bijna Pinksteren. Als kind vond ik het zo’n fascinerend verhaal. De uitstorting van de Heilige Geest over een grote groep mensen. Wow. Lijkt me heerlijk om zo’n bak met Goddelijke zegen over me uitgestort te krijgen. En ik nu maar worstelen om iets van die zachte Stem op te mogen vangen in mijn binnenste. Ik zou er wat voor over hebben om gewoon zo’n stortvloed van warme liefde over me heen te krijgen zonder dat ik hier moeite voor zou hoeven te doen.

Iets beter beschouwd hoef ik natuurlijk nu geen moeite te doen. Wie is het die denkt zich te moeten inspannen en wat heeft hij toch in zijn koppie gehaald over wat daarbij het doel zou moeten zijn? We hebben werkelijk geen benul wat het Goddelijke doel van ons leven is, laat staan wat we zouden moeten doen. Luisteren is voor ons het motto.

Dat luisteren lijkt zo makkelijk. We vinden het zo vanzelfsprekend dat we kunnen luisteren. Ik hoor toch de geluiden buiten en ik hoor toch wat je zegt? Maar toch. Laatste maanden ben ik weer begonnen met mindfulness en luisteren naar geluiden vormt hierin een oefening. Vanmorgen had ik niet direct zin in het houden van stille tijd. De weerstand hiertegen is veelzeggend. Immers, bij stille tijd hoeven we even niks te doen en mogen we onszelf in de ontvang-stand, in de luisterstand zetten. De weerstand tegen deze stille tijd komt vanuit mijn ego. Dit meent de stilte helemaal niet nodig te hebben. Studeren, nadenken, praten en schrijven vindt het allemaal prima. Maar ongericht en open luisteren? Dat is eng, vaag en het biedt te weinig houvast.

Dus daar zit ik dan op mijn kamer op zolder. Met de gebruikelijke lichte tegenzin maar ondertussen wel in de wetenschap dat ik het toch maar gewoon moet doen. Even landen op mijn stoel. Mmm. Ik voel mijn voeten op de grond, mijn billen op de stoel, wat frisse lucht die door het raam naar binnen komt langs mijn gezicht en een pijntje her en der. Dan het luisteren. Gezellige vogelgeluidjes. Mmm. Grondlawaai van Schiphol. Bah, wat hoor je dat toch goed hier. Een hond blaft, iemand zet een fiets buiten. Ik label dus alles wat ik hoor en vind het logisch dat ik vogelgeluiden prefereer boven vliegtuigmotoren. Met regelmaat dwalen mijn gedachten af. Geduldig besluit ik telkens weer te luisteren. Gewoon als oefening, zonder dwang, zonder haast. Ik neem lekker ruim de tijd en laat ook mijn oordelen over wat ik hoor opkomen en weer verdwijnen. Gewoon luisteren naar de geluiden, met openheid, nieuwsgierigheid en de oordelen maar laten zijn voor wat ze zijn.

Nu pas komt er enig besef van de stilte en vrede die er al lang was natuurlijk. Zo is het ook met Zijn Stem. Hij spreekt niet zo af en toe als Hij er een keertje zin in heeft. De waarheid is waar, altijd. God, de Liefde is voor ons vrijelijk beschikbaar, altijd. Dit merken we echter niet als we er continue voor kiezen om naar de drukke ADHD-er in ons hoofd te luisteren. Deze babbelaar is niet zonder reden druk. Onbewust hebben we hem onze volmacht gegeven om onze aandacht te binden. Door geloof in zijn gebabbel en door te blijven zitten in de sneltrein van onze gedachten en ervaringen proberen we Zijn tedere aanraking te vermijden. Het is zo tegenstrijdig, zo paradoxaal; ik zeg dat ik vrede wil en doe er alles aan om deze maar niet te hoeven ervaren.

Dat luisteren waar ik het nu over heb moeten we niet gelijkstellen aan de fysieke versie hiervan binnen onze illusie, het genoemde luisteren met onze oren. Nee, het gaat meer om onze houding die hierin wordt vertegenwoordigd. Een houding van open ontvankelijkheid jegens alles en iedereen waarbij we ons oordeel hierover wel zien maar niet meer serieus nemen. De Cursus noemt dit vergeven. Een accepterend luisteren en rusten in alle ervaringen die we opdoen in situaties en met anderen. Onze aandacht mag zich teder, liefdevol verbinden met wat we menen te zien binnen de illusie. Dit kan ons ikje niet, maar als we telkens weer ervoor kiezen terug te keren naar die zachte stille Stem dan kan deze zich verbinden met onze ervaringen. Een zachte zegen stroomt dan van Hem, door ons heen naar alles en iedereen. Dit is ons ware dienaarschap. We zijn een doorgeefkanaal van Zijn liefde. We hoeven alleen maar rustig uit de weg te stappen zodat Zijn liefde kan stromen. Dat voelt onwennig en dus stoppen we met regelmaat door naar het ego te luisteren zodat de ervaring van de liefdesstroom wat wordt afgeknepen. Geeft niks. Glimlachen en weer rustig opzij stappen. En weer, en weer en weer. Het is zo wonderlijk; we leren de liefde ervaren door deze door ons heen te laten stromen, van Hem naar onze broeders en zusters. Wat een wonderschone werkelijkheid. Liefde die zich voluit laat ervaren door haar voluit weg te geven. Gratis, voor niks, we hoeven er niks voor te doen dan ons ervoor open te stellen.

WB 154: Ik ben een van de dienaren van God, en ik ben dankbaar dat ik het middel bezit om in te zien dat ik vrij ben.

The Way of the Heart Lesson 11: I am loved, I am loving, I am lovable forever.

 

Complimenten en kritiek krijgen.

kritiek_tip_autisme-1024x1024

Is de Cursus wel zo leuk? In mijn ervaring is het woord “leuk” niet echt van toepassing. Soms voel ik me als iemand die bij bewustzijn wordt ontleed door de wijsheid van Hem die in de Cursus aan het woord is. De Heilige Geest is liefdevol, jawel. Maar ik ervaar Zijn wijsheid als confronterend en niet zelden als pijnlijk. Het voortschrijdend inzicht dat Hij biedt laat me steeds meer de eigenschappen van het ego zien en het is niet bepaald een fraai beeld dat hierbij naar voren komt. Jezus hangt mijn vuile was voor me buiten en het vergt een leerproces, en vooral Zijn onvoorwaardelijke liefde en steun, om daar eerlijk naar te kijken en niet direct gillend weg te rennen.

Neem de werkboekles van vandaag eens (153): “In mijn verdedigingsloosheid ligt mijn veiligheid”. Als ik hier in alle rust een beetje over babbel en schrijf kan ik dit inzicht rustig beamen. Niks aan de hand, lekker veilig. Maar dan die weerbarstige praktijk. De werkelijke diepte van mijn inzicht wordt natuurlijk niet hier achter mijn computer zichtbaar maar in de praktijk van alledag. Gelukkig kom ik in die praktijk veel broeders en zusters, mijn leraren, tegen die iets vinden van wat ik zeg, doe of schrijf. Wat zij van mij vinden doet in feite totaal niet ter zake. Van positieve beoordelingen leer ik weinig. Als ik een compliment krijg dan zwelt mijn ego wat op en het bijbehorende tevreden gevoel incasseer ik tamelijk onbewust en het motiveert me nauwelijks om me eens af te vragen wat die zwelling van mijn ego mij zou kunnen leren.

Nee, dan de in de ogen van mijn ego minder positieve kritiek. Hoe ga ik daar mee om? Het ego kruipt op de stoel van interne rechter en gaat de ogenschijnlijke feiten eens op een rij zetten. Belangrijkste vraag hierbij voor hem is wie er nu gelijk heeft; die ander of ik. Het vervolg kan dan bestaan uit het aangaan van de discussie, een compromis vinden, mijn gelijk proberen te halen of grimlachend toegeven dat de ander een punt heeft. Mijn ego vindt deze uitkomst best wel belangrijk maar talloze situaties als deze kunnen voorbij komen zonder dat ik ook maar iets leer.

Dat leren begint pas bij dat eerste gevoel van “AU!”. In tegenstelling tot het “Ja, lekker” bij een compliment, verschijnt de AU veel helderder in het bewustzijn. Dit AU biedt telkens opnieuw een kans om echt iets te leren. Het is namelijk de pijnlijke illustratie van mijn geloof in afgescheidenheid. De, in de ogen van het ego, onterechte kritiek biedt de meest duidelijke kans om te leren. De AU wordt dan gevolgd door verontwaardiging over de vermeende aanval van die ander. In één doorgaande beweging wordt de AU omgezet in boosheid en bereid ik de tegenaanval voor. Natuurlijk heb ik geleerd te blijven glimlachen en mildheid en rust voor te wenden. Maar hierin is de Cursus dus zo pijnlijk duidelijk; onderhuids schuilt een woeste moordlust die ik liefst niet erken en al helemaal niet durf toe te geven aan anderen.

En toch kan er niks wezenlijks gebeuren als ik niet bereid ben om in alle eerlijkheid naar dit agressieve monster te kijken. De Cursus spreekt meen ik ergens over een grommende, blaffende en schuimbekkende hond. Dit beest houd ik het liefst in de kelder, verborgen voor de buren. Toch is de uitnodiging om niet weg te kijken maar om stil de aandacht op dit walgelijke beest te richten. Om de agressie te zien en te doorvoelen en vervolgens hetzelfde te doen met de schaamte hierover. Kennelijk zijn dit krachten en gevoelens die er gewoon zijn. Terwijl ik zo bibberend naar dat heftige beest kijk, reik ik zonder mijn ogen ervan af te halen mijn hand naar die Stille Vriend die naast me zit. Samen kijken is veel fijner. Eerst probeer ik het monster nog weg te jagen; “kssst, ksst; sodemieter op, ik wil je niet in mijn denkgeest!”. Stil maar, zegt mijn Vriend. Wacht maar even. Kijk maar rustig, blijf er maar gewoon bij.

De neiging om te reageren op de “onterechte kritiek” is niet in ene weg. Golven van boosheid blijven opkomen in mijn denkgeest. “Zal ik toch niet even die ander rustig op zijn nummer zetten?”. Oeps, ik doe het weer. Ik kijk schuldbewust naar die wijze Vriend van me. Tot mijn verrassing wordt Hij niet boos op mijn hardleersheid. Hij glimlacht vriendelijk naar me en nodigt me uit om te gaan voelen wat er gebeurt als ik de woeste neiging om gelijk te willen krijgen een beetje kan loslaten. Zo komt er wat lucht in het geheel. Kleine golfjes van vrede. Heerlijk zo.

WB 153: In mijn verdedigingsloosheid ligt mijn vrijheid.

Stribbelend ego

Peuter-aandacht-vragen

Het gebeurt helaas vaak, te vaak naar mijn zin. Rond 5 uur ’s ochtends word ik wakker, soms uit een droom. In sneltreinvaart vult het bewustzijn zich met gedachten, gevoelens en sensaties die ik niet bepaald als positief ervaar. Het heeft een paar jaar geduurd maar deze eigenwijze student heeft eindelijk enigszins geleerd waar hij met deze sensaties naar toe moet. Voorheen ging ik vechten waarbij ik me zuchtend van de ene op de andere zij wierp en de draken in mijn hoofd en lijf probeerde te doden. Helaas klopt het sprookje waarbij er voor elke afgehakte kop van de draak er twee nieuwe vuurspugende hoofden verschijnen. Dus nu staak ik dit gevecht vrijwel direct. Ik draai me op mijn rug, een houding waarvan ik weet dat ik hierin niet in slaap val.

Oké, wat lijkt er allemaal aan de hand te zijn? Het ego roept allerlei bedreigende boodschappen. Pijntjes in het lichaam worden gepresenteerd als het begin van een terminale aandoening. Kleine probleempjes worden vergroot tot bergen. Hier overheen wordt als sausje de angst gegoten dat door dit wakker liggen er een dag vol slaperigheid op me af zal komen. Ik kijk ernaar, zo rustig als ik kan. Inventariserend haast. Telkens vraag ik geduldig: “is er nog iets?”. Na een paar minuten is alles wel opgesomd. Ik bedank het ego voor dit hele relaas en doe dan aanspraak op mij recht en macht om naar de andere Partij te gaan luisteren.

Bij het enigszins tot rust brengen van de gedachtestroom helpt het me om nu niet langer de sensaties te labelen maar om te voelen. Natuurlijk kwebbelt het ego er telkens weer doorheen. Die lijkt zich niet veel aan te trekken van mijn voornemen. Ik zie het maar even als een klein kind dat niet wil dat mama een gesprek voert met de buurvrouw. Ik geef het kindje heel kort aandacht, een aai over het bolletje, maar luister dan toch naar de buurvrouw. Ik luister naar de geluiden, veraf en dichtbij. Ik open me voor gevoelens, zonder ervan af te willen.

Vanmorgen kreeg ik hierbij de associatie van het offeren uit de Bijbel. In het paradijs had Adam, als Zoon van God, eerst aan alle dieren en verschijnselen een naam gegeven. Uit een geheel van trillende energie had hij delen afgezonderd, geïsoleerd. Vervolgens had hij met zijn verworven kennis van goed en kwaad er een label opgeplakt; deze ervaring vind ik leuk en deze niet. Op gelijke wijze ben ik de maker van al mijn sensaties die mij nu lijken te overkomen. Ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie maar de maker. Het zijn mijn eigen projecties. Hoe gek het ook lijkt, ik kies ervoor om me nu even vervelend te voelen omdat het de illusie versterkt dat ik een machteloos ikje ben.

Ik glimlach nu en kijk nog eens naar die sensaties die zich lijken op te dringen maar waarvan ik nu weet dat ik ze over mezelf afroep. Ik hoef me hierover niet schuldig te voelen, de Zoon van God speelt slechts maar nu is het tijd dit kinderspeelgoed aan de kant te leggen. Het is tijd om de terugweg aan te vangen en mijn maaksels met vreugde aan te bieden aan God. Zoals de mensen uit het oude testament een dankoffer brachten aan God zo leg ik mijn gedachten, gevoelens en gewaarwordingen op zijn altaar. De terugweg is begonnen, van ogenschijnlijk echte vormen en gebeurtenissen naar de abstracte wereld van God. Terug naar de liefde. Mijn broeders uit de Bijbel lieten zien dat ze beseften dat ze het relatieve inzagen van de dingen die ze offerden. “Kijk Heer, in het spel van de schepping had ik hier waarde aan gehecht maar ik erken nu dat het niets voorstelt en met liefde geef ik het terug aan U”.

Zo geef ik met liefde het hele pakket van al mijn negatieve sensaties aan Hem. Terwijl ik ze laat verdampen op het altaar open ik me voor Zijn liefde. Ik leg ook mijn gevoelens jegens andere mensen op dit altaar. Gevoelens van angst, wrok en weerzin leg ik voor zijn aangezicht. Er valt op te merken dat ik met regelmaat weerzin ervaar om zelfs negatieve gevoelens los te laten. Wat blijft dit toch paradoxaal; op weg naar de liefde wil ik soms nog even vasthouden aan zaken die mij het zicht op Zijn liefde belemmeren.

Ik geef mezelf hierin de tijd. Laat ik een geduldige student zijn, vol van vertrouwen. God is trouw en Hij blijft eindeloos op me wachten. Als ik nog even wil spelen met oud speelgoed dan trekt Hij het niet wild uit mijn handen. Als geduldige Vader wacht Hij aan de rand van de zandbak totdat ik mijn schepje laat liggen en op Zijn schoot kruip. “Dag jongen, ben je daar?”, vraagt Hij liefdevol. Kom maar, dan gaan we naar Huis. Hij tilt me op Zijn sterke schouders en draagt me. En ik kijk om me heen in stille verwondering. Naar de schepping, Zijn schepping.

WB 151: Alle dingen zijn een weerklank van de Stem namens God.

Aanvallen?

dit-is-de-man-achter-de-aanslag-in-manchester

Aan de ontbijttafel blader ik wat door de krant. In een ingezonden stukje schrijft iemand dat we niet moeten investeren in het begrijpen van zelfmoordterroristen. Er zou maar één gepast antwoord zijn; we moeten ze aanvallen en de oorlog verklaren. M’n ego gromt instemmend. Ik blader verder. De PVDA probeert zich weer te profileren door te fulmineren tegen de farmaceutische industrie. Zoals altijd een gemakkelijke prooi waartegen we ons met graagte verenigen in gezamenlijke verontwaardiging. Gelukkig hebben we altijd terroristen, farma, het bankwezen, Shell, Trump, Noord-Korea en ga zo maar door als doelwit voor onze zogenaamd gerechtvaardigde morele aanvallen.

De Cursus heeft een mooi woord voor dit fenomeen waarbij we de schuldigen buiten ons zien en waarbij we een verbale of fysieke aanval gerechtvaardigd vinden: projectie. Ze wijst ons erop dat er een reden is waarom wij zo geneigd zijn een schuldige buiten ons aan te wijzen waartegen we onze giftige pijlen van veroordeling en aanval kunnen richten. Die neiging gaat helemaal terug tot ons geloof in onze afscheiding van God, het ontstaan van ons ik-gevoel door dit nietig dwaze ik-besef serieus te nemen. Zodra we menen dat dit gelukt is, voelen we ons schuldig over deze denkbeeldige rebellie. De omvang van dit schuldgevoel realiseren we ons niet. Dat komt omdat we dit zo onverdraaglijk vinden dat we het weg willen stoppen. We willen het onderdrukken. De meest effectieve manier die we konden bedenken was genoemde projectie. Hierbij geloven we dat we de rottigheid weg kunnen projecteren uit die ene denkgeest die we ten diepste zijn en ook altijd zullen blijven. Het hele universum, ruimte en tijd is het gevolg van deze projectie. Wij hebben ons een buitenwereld gemaakt om ons afgescheiden te kunnen blijven voelen. Een klein onschuldig slachtoffer-ikje in een grote boze buitenwereld.

Ik wil niet pedant alle eerder genoemde denkbeeldige sentimenten tegen denkbeeldig onrecht-buiten-ons veroordelen en wegzetten als een stomme reactie van naïeve broeders en zusters. Daarmee zou ik in exact dezelfde valkuil stappen en me afkeren tegen denkbeeldige stupiditeit buiten me. Natuurlijk huil ook ik mee met slachtoffers van geweld en voel ik de machteloosheid die zo makkelijk omslaat in gevoelens van wraak. Maar toch;  we hebben uiteindelijk allemaal maar één weg te gaan, één les te leren. Uiteindelijk dienen we de projecties terug te nemen en te ontmaskeren als een dynamiek die we gebruiken om ons lekker “ik” en afgescheiden te voelen. Als je mij recht op mijn ego af vraagt wat we dan moeten doen tegen terroristen en zelfverrijking dan kan ik vanuit mijn kleine ikje natuurlijk ook geen enkel antwoord geven dat rekening houdt met de complexiteit van onze illusie.

Ik kan dan ook niet meer doen dan wijzen op de Goddelijke weg die ons gewezen wordt in de Cursus. De weg van vergeving door hulp te vragen aan onze innerlijke Gids. Vanuit ons kleine zelf weten we niet wat we kunnen- of moeten doen. Al onze acties blijven doorspekt met beperkte oordelen, standpunten en aanvallen. We worden echter uitgenodigd om te doorzien, nee, te doorvoelen welke verharding dit oplevert in ons binnenste, in onze denkgeest, en te besluiten dat we dit niet langer willen. Dit is het moment om opnieuw te kiezen: (138): De Hemel is een beslissing die ik moet nemen. En als we er dan voor kiezen om naar de Stem van vrede te luisteren en de oorlogstaal van het ego te negeren is er dat wonder. Onze veroordeling maakt plaats voor Zijn zegening van onze broeders en zusters die zo verdwaasd zijn dat ze menen anderen te moeten beroven of vermoorden om gelukkig te zijn. We kunnen hun geloof, wellicht in minder dramatische vormen maar van dezelfde essentie, ook in onszelf herkennen en vergeven. We worden altijd samen vergeven, samen schoongespoeld. (137) Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen.

Hoe zullen we dan reageren? Dit kunnen we vanuit ons beperkte ikje niet voorspellen. Hier komt vertrouwen om de hoek kijken. Het vertrouwen dat onze overgave aan de Liefde altijd tot iets moois leidt waarbij iedereen het beste af zal blijken te zijn. Vuisten zullen zich uiteindelijk otspannen, armen zullen gespreid worden om elkaar te omarmen. En wellicht zal dan de terrorist zijn bommen ontmantelen en zullen we elkaar met betraande ogen bezien en de Hemel zien. In elkaar, in Liefde, in Hem.

Niets aan de hand, niks te vergeven?

Niets aan de hand

Lekker, zo’n dag die je gewoon toelacht. Een pril zonnetje schijnt al door de gordijnen van de slaapkamer. Als eerste pak ik na het wakker worden mijn iPhone waarop ik de werkboekles van de dag lees (141): Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God. Dat is mooi, heel mooi. Vervolgens open ik de app van de krant en lees een paar berichten. Mmmm. Daarna denk ik met een tevreden glimlach terug aan gisteren. Dat was een gezellige middag. Nu dwalen mijn gedachten af naar straks. Ik ga nog een stukje rennen. Had ik eigenlijk gisteren willen doen, maar toen kwam het niet uit. Welke route zal ik straks lopen?

Tja. Mijn denkgeest loopt vol met gedachten die ik kennelijk aantrekkelijk en de moeite waard vind en ze geven me positieve, blijde gevoelens. Het zijn gedachten waar ik ook weinig last van heb. Het is eerder omgekeerd, het lijken mij gedachten toe die illustreren dat ik gelukkig ben. Ik ben tevreden en heb zin in de nieuwe dag. In zo’n “positieve” bui is mijn gerichtheid op de Cursus minder. Ik lees de volgende zin: “Vergeving is de sleutel tot geluk”. Mooi hoor, heel mooi, mompel ik in gedachten. Maar wat zou ik willen of moeten vergeven als ik me prima voel en fijne gedachten denk? Mijn motivatie tot het doen van vergevingsoefeningen is een stuk groter als ik aanvals- of verdedigingsgedachten koester en de daarbij behorende nare gevoelens ervaar. De laatste zin dan maar: “Vergeving biedt me alles wat ik wens”. Ach, al met al ben ik met mijn blijde gedachten van nu toch redelijk tevreden.

Natuurlijk is er niks mis met het hebben van blijde gedachten en bijbehorende gevoelens. Net zo min overigens als met hun negatieve varianten. Het zijn echter twee kanten van dezelfde medaille. De medaille van het ego en het geloof in een afgescheiden ikje dat zowel gelukkig als ongelukkig kan zijn en meent het verschil hiertussen te kennen. Denken we zo niet allemaal? Als mijn denkbeeldig afgescheiden ikje zich positief verhoudt tot de buitenwereld dan noemen we dat geluk, bij een negatieve verhouding spreken we van ongeluk. In het eerste geval leunen we tevreden achterover, in het tweede geval gaan we vergeven om gelukkig te worden. Bij dit alles nemen we dus onze gedachten en gevoelens, hetzij positief hetzij negatief, behoorlijk serieus.

Dat brengt me terug bij “wat ik denk met God”. Wij kunnen ons geen denken voorstellen zonder gedachten. Maar God denkt geen afgescheiden gedachten. God denkt überhaupt niet zoals wij denken. Ons zogenaamde denken, de stroom van positieve en negatieve gedachten, is een geloof in concepten die zwaar bepaald worden door ruimte en tijd. Kun je je gedachten voorstellen die niet “ergens” over gaan? Denken over mensen, dingen of situaties is iets wat alleen lijkt te gebeuren in onze duale illusie van tijd en ruimte.

Het is niet voor niets dat we bij verschillende meditatievormen uitgenodigd worden onze aandacht te richten op de stille ruimte tussen de gedachten of dat waarin de gedachten verschijnen. Een dergelijk betoog is natuurlijk ook te houden voor de gevoelens en andere gewaarwordingen die door ons bewustzijn heen lijken te trekken. Pas in die ruimte vinden we een rust, een stilte en een vrede die al ons denken ver te boven gaat.

Nu valt de werkboekles wat op zijn plaats. Wat is “vergeven” namelijk anders dan alles wat zich lijkt voor te doen, al onze projecties zoals waarnemingen, gedachten en gevoelens, slechts te ontvangen in de liefde van de Heilige Geest? Om er ons niet langer mee te identificeren maar om weer te leren glimlachen om hun intrinsieke neutraliteit? Ze zijn niks en ze staan al helemaal op geen enkele manier in relatie tot wat we wel zijn; onbegrensde Liefde. Zo wordt vergeven inderdaad de sleutel tot geluk en biedt het alles wat ik zou kunnen wensen. Zo breidt het woordeloze denken van God, Zijn liefde en bewustzijn, zich uit over alles, kijken we eraan voorbij en kunnen we zien dat het goed is zo, ongeacht de vormen die in dit bewustzijn op lijken te doemen.

Het mooie van de Cursus vind ik dat ze een stap verder gaat dan veel Advaita leraren die met name de aandacht leggen op het geven van aandacht aan de schijnbare inhoud van het bewustzijn. In de metafysica van de Cursus wordt namelijk uitgelegd waartoe wij zo druk aan het projecteren en identificeren zijn. Dit is omdat er in het onbegrensde bewustzijn dat nietig dwaze idee is ontstaan dat afscheiding van het onbegrensde bewustzijn mogelijk is. Dit vervulde ons met zoveel angst voor de eenheid, voor de liefde, dat we een binnen- en een buiten wilde maken. Dat we tijd en ruimte wilden maken en allerlei waarnemingen, gedachten en gevoelens die onze illusie van een ikje die dit meemaakt zouden versterken en bevestigen.

Toch is de waarheid nooit veranderd en tegelijk met het ontstaan van de illusie was daar de herinnering aan hoe het werkelijk is. Die “roep terug” is de Stem van de Heilige Geest. De Magneet van de waarheid waartoe we naar terug getrokken kunnen worden als we weigeren ons mee te laten sleuren in de illusie. We kunnen onze angst hiervoor zien en net zomin serieus nemen als de rest wat zich lijkt voor te doen. Vergeven dus; de sleutel tot geluk en alles wat ik wens.

Stoppen met “doen”

Meditatie-3-1024x768

Ik kan mezelf bezig zien als drukke doener. Er lijkt zich in mijn hoofd een entiteit te bevinden die actief is om bepaalde doelen te bereiken. Laten we deze entiteit maar weer eens ego noemen. Ego beoordeelt ook vrijwel continu of de situatie al oké is of dat er nog iets moet gebeuren. Vroeger of later kiest hij steeds voor de tweede optie; wat zich voordoet vindt hij niet goed genoeg.

Puristen binnen non-dualistische kringen zeggen soms, terecht, dat het niet mogelijk is te streven naar het zwijgen van dit ego. Dat is niet ingewikkeld om te begrijpen zodra je ziet dat het de streber zelf is die dat gaat proberen. Iets willen gaan doen om wat minder te doen schiet niet echt op. Het is echter jammer wanneer je op basis van deze opvatting het kind met het badwater weggooit en niet een vorm van stiltebeoefening inbouwt in je leven. Een druk doend ego kan gezien worden als een flinke schreeuwlelijk en het valt niet mee om de zachte Stem van de Heilige Geest te horen als het ego er non-stop doorheen zit te tetteren.

Er zijn veel technieken die ons behulpzaam kunnen zijn om, althans enigszins, uit die doe-mode te komen. Een vrij simpele maar uiterst effectieve techniek wordt ook vaak toegepast aan het begin van Cursus-bijeenkomsten. Hierbij wordt even tijd genomen om als het ware te landen in de tijd en ruimte waarin je op dat moment bent. Kortgezegd komt het er op neer dat je de aandacht richt op wat je met je zintuigen waarneemt. Dit is overigens ook de kern van mindfulness. Door je aandacht te brengen naar het luisteren (zonder oordelen, naar alle geluiden) of naar het voelen (je gewicht op de ondergrond, de lucht langs je gezicht, andere gewaarwordingen) gaat er als het ware een knop om; van druk doen naar ontvankelijkheid.

Dit verklaart direct de weerstand die we ervaren tegen stille tijd. Misschien herken je het wel. Ik bespeur het in elk geval wel bij mezelf. Misschien begin je even met luisteren naar geluiden maar binnen de kortste keren ga je weer kopje onder in een stroom van gedachten. Mijn eerste reactie hierop is er een van arrogantie: “ach, zo’n stilte-oefening. Als ik echt zou willen dat lukt me dat makkelijk maar ik heb gewoon nu hier even weinig zin in”. Hier zit echter meer achter. Het is namelijk de weerstand van het ego dat zich bedreigd voelt dat weg wil uit de situatie waarin gevraagd wordt om niet te doen maar te ontspannen en te ontvangen.

Als dit gezien wordt kan er fanatisme ontstaan waarbij de doener er een schepje bovenop doet om niet meer te doen. Dit is het mechanisme waar genoemde hardcore non-dualisten op wijzen als ze de zinloosheid van dit soort oefeningen willen aantonen. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Bij mindfulness leer je om heel mild en liefdevol met dit afdwalen om te gaan. Sterker nog, het afdwalen en weer terugbrengen van de rustige aandacht is de oefening. Heel mild laat je je niet van de wijs brengen door gedachten, gevoelens en gewaarwordingen die langstrekken. Elke keer ga je terug naar luisteren, voelen, ontvankelijkheid. Door dit geregeld met deze liefde en zachtheid te doen merk je dat het een gewoonte kan worden die ook nog eens weldadig voelt.

En nu de parallel met de Cursus en ons dagelijks leven in de zogenaamde buitenwereld. De Cursus gaat uit van het inzicht “zo binnen zo buiten”, omdat er geen binnen en buiten de denkgeest bestaat. Waar ik naar toe wil is onze houding ten opzichte van zaken die we buiten ons willen projecteren. Denk aan lastige mensen of andere ongewenste situaties. Zie je de overeenkomst met de storingen van onze “eigen” ongewenste gewaarwordingen tijdens een mindfulness oefening? Hoe kunnen we nu omgaan met de ongewenste “uiterlijke” omstandigheden? Op precies dezelfde wijze als bij mindfulness. We nemen de situatie waar, we zien onze reactie en reageren met een milde glimlach. We gaan niet mee in de illusie maar stemmen af op het voelen, op het luisteren naar de zachte Stem van de Heilige Geest. Dit doen we met eindeloos geduld, keer op keer, als gelukkige en geduldige studenten. We hoeven de situatie niet zelf te fiksen, we hoeven niks te doen of te veranderen. Ten diepste hebben we vanuit het ego ook geen idee wat we zouden moeten doen. Deze wijsheid komt vanuit een veel dieper laag, vanuit ons Zelf, vanuit de Heilige Geest. Constant mogen we onze aandacht terugbrengen naar Hem en daarmee uit de doe-mode komen en in de wonderstaat komen waarin genezing kan plaats vinden. Het aanbod van een zegening is er namelijk altijd. We hoeven deze alleen maar in ontvangst te nemen door ons over te geven aan de leiding, die feitelijk ook nooit in onze handen was,  aan het geheel waarin wij bevat zijn. Uit dit geheel, uit deze milde diepte komt altijd, jawel, altijd een antwoord, een respons, de genade. Wellicht voelen we dat niet direct omdat we er voor kiezen de “verstoring” nog even serieus te nemen. Als dit gebeurt mogen we keer op keer samen met Hem hier als het ware doorheen kijken. Erin rusten zodat het wonder van genezing kan gebeuren. Als genade, vanZelf.

WB 140: Alleen van verlossing kan worden gezegd dat ze geneest. Spreek tot ons, Vader, opdat wij mogen worden genezen.