Happy de peppie!

happy

Het is wel eens aardig om een stapje terug te doen en onze activiteiten rondom de Cursus van een afstandje te bekijken. YouTube en Facebook zijn hiervoor een prima uitgangspunt. De basis is steeds de tekst van de Cursus zelf maar vanaf hier lopen de uitingen van de verschillende vertegenwoordigers sterk uiteen. Mijn persoonlijke favoriet blijft Ken Wapnick. Zowel zijn boekjes als zijn toespraken vind ik zwaar indrukwekkend; doorspekt met een diep begrip van de metafysica van de Cursus. Het kost wellicht wat moeite om door de vorm heen te kijken. Je ziet een wat oudere man die statisch op een stoel zit en stotterend de meest mooie uiteenzettingen geeft.

Sta me toe even een klein ommetje te maken richting Tony Parsons. Hij hanteert geen Cursus-terminologie maar qua inhoud komt het natuurlijk op hetzelfde neer. Ook hier een oudere man, veel stiltes tijdens zijn toespraken en een zaal vol serieuze zoekers hoewel Tony een goed gevoel voor humor heeft.

Wat opvalt bij zowel Ken als Tony is dat hun focus op de inhoud gericht blijft en niet zozeer op de vorm die al dan niet het gevolg kan zijn van hun inzicht. Ze schermen niet met een happy de peppie, hiep-hiep-hoera-stemming, met lichamelijke gezondheid, met aantrekkelijke successen die je te wachten staan als je het pad volgt. Tony is heel realistisch ten opzichte van de grootte van het publiek dat hij met deze ingetogen boodschap bereikt: “deze boodschap zal nooit populair worden”.

Hoe anders profileren andere leraren zich. Sommigen hebben een duidelijk charisma, een haast magnetische aantrekkingskracht. Iemand met een serene of juist positief energetische uitstraling heeft een grote aantrekkingskracht op ons. Dat willen we ook, knellende banden afwerpen, een einde aan de pijn, ons diepste verlangen volgen, ons ego afbreken en onafgebroken geluk!

Ik merk dat ik wat weerstand voel tegen deze ambassadeurs van de gelukkige droom. Dit is niet erg als ik dit maar onderken als een onderdeel van mijn persoonlijke voorkeur en als een uitnodiging tot vergevingswerk. Dit houd me de laatste maanden bezig en is een mooi oefenterrein. Eerste stap hierin is het onderkennen van mijn eigen beperkte oordeel gebaseerd op een uiterlijke vorm. Hoezo is een metafysisch, serieus en doortimmerd verhaal beter dan een aanpak die sterk neigt naar haast Amerikaans positief denken? Zoals altijd lost deze verstandelijke beschouwing mijn vooroordeel niet echt op.

Ik word uitgenodigd te voelen. Als ik zwijg, kijk en voel dan merk ik dat ik mijn oordeel als het ware koester. Mijn ego roep: “het is toch zo? Ze hebben het helemaal niet over vergeven! Ze lijken te vergeten dat de werkboeklessen de weg wijzen en niet hun eigen slappe aftreksels hiervan!”. Ik kijk toe en zie dat mijn geloof in mijn mening haast “lekker” voelt; de verstandige ik tegen de rest. De ik die gelijk wil hebben. Vervolgens is daar die oncomfortabele uitnodiging; wil ik gelijk hebben of vrede ervaren. “Maar het voelt helemaal niet als vrede om mild te zijn richting die positivisten”. Weer kijken naar dat gevoel en Hulp inroepen. Ik mag mijn oordeel op Zijn altaar leggen. Alstublieft Heer, hier houd ik kennelijk aan vast om me lekker afgescheiden, speciaal en superieur te voelen. Kennelijk is het te eng voor me om het aan U over te geven en de vrede te ervaren die het loslaten van mijn oordeel biedt.

En in die stilte komt steeds meer ruimte voor het wonder, voor het oplossen van mijn oordeel. Ik zie de veelkleurigheid, ons zoeken naar de gelukkige droom. En het is goed zo. We spartelen allemaal, met elkaar, naast elkaar, met elkaar verbonden, serieus of juist lachend. In Hem, in de Liefde.

 

Geloof in 2, geloof in 1

2 is 1

Sta eens stil bij wat je nu ten diepste gelooft. Geloof je nu dat je als ikje om je heen kijkt? Vraag je je nu af wat je moet doen? Wil je nu iets anders? Belijd dan je zonden. Huh, klassiek Christelijke termen? Je zonden belijden? Nee, ik heb het niet over een moreel oordeel. Er is geen sprake van dat jij als ikje iets fout hebt gedaan. “Zonde” betekent “afscheiding”. Je zonde belijden betekent: “eerlijk toegeven dat je ervan overtuigd bent dat je een ikje bent dat zich afvraagt wat het moet doen. Zie je het? Zie je jezelf zo staan met je geloof in 2? Zie je de vraag; wat moet ik doen? Zie je je eenzaamheid ondanks het feit dat in gelooft in 2?

Precies hier grijpt de Cursus in. Precies hier komt “Jezus je redden”. Er word je niet gevraagd een onmogelijke kwantum sprong te maken van 2 naar 1. Je zou niet weten hoe je dat moest doen, hoe je hiermee zelfs maar een begin zou kunnen maken zonder je geloof in 2 te bevestigen. Wat moet ik doen? Not again..

Vergeven, dat is de sleutel. Niet vanuit een schijnbaar 2. Jij als ikje kunt niet vergeven zonder je meer te voelen dan die denkbeeldige ander. Nee, het goede nieuws is dat Hij er is om je te vergeven. Hij zal de modder van je voeten wassen. Herinner je Petrus bij het tafereel van de voetwassing? Petrus wil zelf wat doen. Hij wil Jezus de voeten wassen. Maar zo kan het niet. Petrus moet leren zich over te geven aan de Ene, aan 1, aan Jezus. Hij moet zich laten reinigen door Hem, door de Liefde.

Wanneer voelen we ons heel erg 2? In de speciale relaties. De 2-relatie die we hebben met de hele wereld die we geprojecteerd hebben juist met als doel om ons 2 te kunnen voelen. Maar vooral in relatie met onze broeders en zusters. We vinden het niet leuk wat ze ons zogenaamd aandoen of we willen juist dat ze ons iets geven. Liefde, aandacht, seks. We spelen met hen het spel van 2.

Totdat. Totdat Jezus ons laat zien dat Hij in de ogenschijnlijk meest extreme omstandigheid dit spel niet meespeelt. Hij vergeeft de mensen die hem geselen, uitlachten, bespuwen en hem kruisigen. Hij speelt het spel van 2 niet mee. Hoe flikt hij dat? Hij flikt het helemaal niet als kleine Jezus. Hij geeft zich totaal over aan de Vader, aan God, aan Liefde. Hij illustreert onze zoektocht. Vanuit het “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’, zoals we ons nu voelen, naar “In Uw handen beveel ik mijn geest” naar het “Het is volbracht”. Het aanroepen van Zijn Naam.

Waar 2 verenigd zijn in Zijn naam, in 1, daar zal Hij zijn. Daar zal Hij harten vullen. Daar vragen we niet wat wij moeten doen. Daar is overgave aan de ene Heilige Wil, Zijn Wil. Daar is Liefde, daar is zegen, daar zijn tranen van geluk. Dankbaar.

Les 246

Houden van mijn Vader is houden van Zijn Zoon.

Laat me niet denken dat ik de weg naar God kan vinden als ik haat draag in mijn hart. Laat me niet proberen Gods Zoon te kwetsen en dan denken dat ik zijn Vader kan kennen of mijn Zelf. Laat niet toe dat ik mezelf niet herken en desondanks geloof dat mijn bewustzijn mijn Vader kan omvatten, of dat mijn denkgeest zich een voorstelling kan maken van alle liefde die mijn Vader voor mij heeft, en alle liefde die ik Hem teruggeef.

Ik zal de weg aanvaarden die U, mijn Vader, voor mij kiest, om tot U te komen. Want daarin zal ik slagen, het is immers Uw Wil. En ik wil inzien dat wat U wilt evenzeer is wat ik wil, en niets dan dat. En dus kies ik ervoor te houden van Uw Zoon. Amen.

 

Onbewust masochisme

laat het verleden los

Bij anderen zie je het zo makkelijk. De gescheiden vriendin wiens ex al lang uit beeld is maar die blijft klagen over wat haar door hem is aangedaan. De ontslagen ex-collega die al ander werk gevonden heeft maar blijft hangen in de boosheid op haar vorige werkgever. Als ik er heel voorzichtig op wijs dat dit alles NU niet meer aan de orde is dan gaan beide over op het geven van uitleg dat het heel logisch is dat ze zich zo voelen, dat dit gewoon menselijk is en zelfs, jawel, dat ze recht hebben op dit gevoel van een misdeeld slachtoffer te zijn.

Sta ik hier soeverein en glimlachend boven? Nee, allerminst. Die splinter bij die ander springt nu eenmaal duidelijker in het oog dan die balk mij mezelf. Als ik immers met de Cursus een stapje terug doe dan wordt hierin uitgelegd dat de hele vertoning die we opvoeren in deze droomwereld voortkomt uit ons verlangen om ons in de hel te willen wanen in plaats van te ontwaken en te beseffen dat we in de hemel zijn.

Ik kies ervoor om het spel van afscheiding te spelen. Door een grote boze buitenwereld te projecteren lukt het me om ellende te ervaren en het toneelstukje “ik op weg naar geluk” op te voeren. Ik Zelf, die liefde en geluk ben, kies ervoor om me klein te voelen en te verwachten dat ik geluk ergens daarbuiten ga weten te vinden. Dat geluk zou dan moeten bestaan uit een partner die doet wat ik wil, een werkgever die me de hemel in prijst en me overlaadt met geld, een prachtig huis, een mooie auto, goede gezondheid en zonovergoten vakanties. En als hier iets niet naar mijn zin is, bijvoorbeeld bij genoemde vervelende partner of werkgever, dan ben ik boos en misdeeld en is er sprake van een schuldige ander.

De Cursus leert ons dat we ons onbewust schuldig voelen over onze vermeende rebellie tegen God, onze verbeelde afscheiding van de liefde. Dit voelt echter zo stom, banaal en akelig dat we liever een droomwereld bedenken die ons van alles aandoet. Als de Cursus ons hierop wijst reageren we net zo defensief als vriendin en ex-collega. “Hoezo, wil je beweren dat ik mezelf ziek maak? Dat slachtoffers van rampen en oorlog er zelf om gevraagd hebben? Hoe durf je, dat is onmenselijk en wreed!”.

Maar nee, dat zegt de Cursus niet. Er is geen klein schuldig ikje dat zo machtig zou zijn dat het echt die ellende over zichzelf kan afroepen en echt schuldig zou willen zijn. Dat zou dat denkbeeldige ikje wel willen. Zo makkelijk laat het ego zich niet afschepen. Als het zelf niet verantwoordelijk is voor de shit die het ervaart dan moet het God zijn. Dan is God wreed en dat weigert het ikje te geloven. Of ik of God is schuldig. Die blinde vlek in deze redenering is enorm. De aanname dat er sowieso sprake is van ik en God. Nee dus. Vanuit de eenheid die je werkelijk bent, als Zoon van God, projecteer je een nietig dwaas idee dat zowel buitenwereld (of buiten-God) en een ikje lijkt op te leveren. De droom is begonnen van ikje versus de wereld of ikje versus God.

Maar wat kan die “ik” dan doen? In feite niets want juist die wens om te “doen” bevestigt de illusie dat er iets gebeurd is dat gecorrigeerd kan worden, dat er een ikje bestaat dat in actie zou kunnen komen. Daarom is vergeven “niets doen en het overlaten aan de Heilige Geest”, aan de liefde die je bent. Middel en Doel zijn één. We zijn niet in een buitenwereld. Er is nog steeds slechts eenheid. Elke ervaring die hierin verschijnt, elke doe-neiging of slachtoffer-neiging mogen we gaan leren herkennen als valse getuigen. Als afgoden voor wie we gekozen hebben om te knielen om onze denkbeeldige afgescheiden identiteit te bevestigen. Maar nu is het genoeg, want:

WB 244: Nergens in de wereld ben ik in gevaar.

Ik hoef Uw Naam slechts aan te roepen (de waarneming, pijn, emotie naar het Licht brengen) en ik zal me mijn veiligheid en Uw Liefde herinneren, want die zijn één. En daar bevinden we ons in waarheid. We zijn die ene Denkgeest en in God zijn we veilig. Want wat kan God Zelf komen bedreigen, of bang maken? We zijn eeuwig deel van Hem!

De ik-illusie

Ik word wakker door het hoesten van een buurjongetje dat in de tuin van de buurvrouw kampeert. Vervolgens hoor ik het grondlawaai van Schiphol. Ik kijk op mijn wekker. Kwart voor zeven. Zal ik al opstaan? Ik twijfel even want ik wil mijn vrouw niet wakker maken, ze ligt nog zo lekker te slapen.

Zie hier een tamelijk doorsnee beschrijving van een begin van een gewone dag. Onbewust ga ik er vanuit dat ik eerst sliep en nu wakker ben geworden. Ik ervaar mezelf als afgescheiden persoontje die van alles waarneemt, bedenkt en kan gaan doen. Het voelt zo normaal, zo vertrouwd.

Dat ikje kan vervolgens wat uit de Cursus lezen, de werkboekles overdenken en verder gaan reizen op zijn spirituele pad. Op weg naar mooie ervaringen, liefst verlichting en ontwaken. Onbewust geloof ik in het bestaan van wat de Cursus aanduidt als “een kleine kloof”. Een ruimte tussen het subject (de observator) en alles wat er in zijn bewustzijn verschijnt (de objecten, inclusief gedachten en gevoelens).

Ik word me bewust van dat “ik-gevoel” en ik ervaar het als heel reëel, als het vaste uitgangspunt van heel mijn doen en laten. Maar hoe vast is vast? Is er wel zoiets als een ongrijpbaar ikje dat van alles meemaakt? Door goed te kijken valt op te merken dat het ikje gedefinieerd wordt door allerlei waarnemingen. Er wordt als het ware een (boos) ikje geboren op het moment dat boosheid verschijnt in bewustzijn. Het horen van het hoesten van de buurjongen vormt in bewustzijn de (licht geïrriteerde) luisteraar. Waar is die zogenaamd constante “ik” als er niks wordt waargenomen?

De Cursus wijst ons op deze omgekeerde wereld. Vanuit eenheid worden projecties verzonnen (zogenaamde objecten “buiten ons”) inclusief gedachten en gevoelens. Direct hieraan vastgekoppeld wordt het ik-gevoel geboren, het is onlosmakelijk verbonden aan de andere projecties en hier niet van onderscheiden. Anders gezegd; door te projecteren (buitenwereld, gedachten, gevoelens) en waarnemen wordt de illusie geboren dat er en ikje bestaat die van alles waarneemt terwijl er alleen is wat ogenschijnlijk verschijnt. Nergens wordt een echt bestaand afgescheiden ikje gevonden. Het is niet meer dan een echo van de projecties. Een echo die we de status van afgescheiden ikje, van ego, hebben toegedicht. We hebben de speciale relatie gemaakt met een denkbeeldige buitenwereld, anderen, gedachten en gevoelens.

En nu wordt het grappig. We zien namelijk dat ik-gevoel, die echo, op beschreven wijze ontstaan, we begrijpen met ons verstand dat het geen werkelijke substantie bevat en… we willen ervan af. “Ik wil niet langer leven met een ego!”. We lopen echter hopeloos achter de droomfeiten aan. De Zoon van God is al lekker het spelletje “de buitenwereld en ik” aan het spelen en wil nu in dit spel wél de verzonnen buitenwereld behouden maar dan zonder “ik”. En dat kan dus niet. Beide bestaan niet echt maar het is wel een “package deal”. Met geloof in de projecties ontstaat geloof in het ego die dit alles zou waarnemen. Met het ego die lacht, die huilt, die ervaart en plannen maakt in de eveneens geprojecteerde dimensie van ruimte en tijd. Je kunt jezelf niet aan je haren uit het moeras trekken want moeras en ik zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden illusies. En, Goddank, dat hoeft ook niet. Lees als je wilt deze prachtige passage uit het Tekstboek (Hfst 16, VI-12) met me mee:

De Heilige Geest vraagt je slechts dit kleine beetje hulp: treed, telkens wanneer jouw gedachten naar een speciale relatie afdwalen die jou nog altijd aantrekt, met Hem in een heilig ogenblik, en laat Hem jou daar bevrijden. 2Hij heeft slechts jouw bereidwilligheid om Zijn perspectief te delen nodig om jou dat volledig te kunnen geven. 3En jouw bereidwilligheid hoeft niet volledig te zijn omdat de Zijne volmaakt is. 4Het is Zijn taak door Zijn volmaakt geloof jouw onwilligheid al  erzoenend goed te maken, en het is Zijn geloof dat jij daar met Hem deelt. 5Vanuit jouw erkenning van je onwilligheid om te worden bevrijd, wordt jou Zijn volmaakte bereidwilligheid gegeven. 6Roep Hem aan, want de Hemel luistert naar Zijn Roep. 7En laat Hem voor jou de Hemel aanroepen.

Dit is de sleutel van vergeving. Hier zit alles in. Lees regel 5 nog eens: “de erkenning van onze onwilligheid!” Dit gaat zo diep. Wij die denken zo eerlijk “ons ego” te willen loslaten. Iets wat dus sowieso onmogelijk en onnodig is, maar toch. Zelfs dit onnodige “willen” is niet 100% gemeend. Waarom niet? Als we 100% zouden kiezen dan zouden we nu niet de illusie van afscheiding ervaren. Juist onze wens om afgescheiden te ervaren brengt ons tot projecteren en de ogenschijnlijke geboorte van het ego. Dus zelfs binnen de droom willen we eigenlijk toch niet dat ik-gevoel overboord zetten. We willen het hoogstens een beetje omdat ergens nog de herinnering aan liefde ons bij is gebleven. Dat hele zachte, liefdevolle Stemmetje.

En dan, God is genadig, liefde is almachtig; regel 3: “Onze bereidwilligheid hoeft niet volledig te zijn..” Halleluja, we zijn gered door Hem, door de Almachtige Liefde die we ten diepste zijn. We hoeven de deur maar op een klein kiertje te openen en we worden verder gedragen op machtige vleugels.

WB 239: De heerlijkheid van mijn Vader is de mijne.

Loopings

loopings

In m’n zoektocht naar ‘de waarheid’ maakte ik, jarenlang wat ik aanduidde als, “loopings”. Hierbij was ik het ene moment overtuigd van de waarheid van het duale wereldbeeld (het klassieke Christelijke geloof) en non-duale visies (verlichting, Satsang en zo).  Krampachtig vroeg ik me steeds af: hoe zit het nou? Wat is er nu écht waar?

Wat ik daarbij stelselmatig over het hoofd zag was het feit dat ik bij al mijn wikken en wegen altijd uitging van mezelf als ijkpunt. De stille aanname was dat er een ikje was dat de waarheid zou kunnen vinden. Daarbij zag ik totaal over het hoofd dat ik in wezen al gekozen had voor geloof in een duale werkelijkheid, ook al was ik nog zo op zoek naar de waarheid binnen non-duale stromingen.

Hetzelfde merken we als we met de Cursus bezig gaan. Als we onze tanden zetten in de metafysica, in het Tekstboek, dan geeft dat oneindig veel stof tot discussie. Zonder dat we het in de gaten hebben gaan we er toch weer vanuit dat de echte werkelijkheid onze duale wereld is en vragen ons vervolgens af hoe God / de Cursus zo wreed kan zijn, waarom de Cursus stelt dat het “eigen schuld dikke bult” is, hoe we van ons ego af moeten komen enzovoorts. Ongemerkt hebben we al gekozen voor de autoriteit van ons ikje dat wel eens zal gaan bepalen wat waar is en wat bestreden moet worden.

Is dit zo erg? Nee, het is totaal onschuldig en niet alleen iets waar beginnende studenten mee worstelen. Totdat we het gelaat van Christus aanschouwen en zolang we nog naar de ogenschijnlijke sluier voor dit gelaat staren, blijven we mini-loopings maken; van mystieke ervaring van eenheid naar duale waarneming en ervaring in een ogenschijnlijke wereld. Voor de compleetheid; de laatste ‘stap’ zet God (duaal gezegd, ik weet het). Hierbij wordt doorzien dat zelfs bij de mystieke ervaring, de gelukkige droom, nog steeds geloof gehecht wordt aan een ikje met een fijne ervaring.

Terug naar de Cursus. Discussies over het Tekstboek zijn prima. Ik zie deze als het in hapklare brokken snijden van een bepaalde boodschap, van geestelijk voedsel. Maar dan. Dan is de uitnodiging om niet eindeloos naar het stukje voedsel wat aan je vork bungelt te blijven staren maar om het in je mond te stoppen en te eten. Anders gezegd; je wordt uitgenodigd om de werkboeklessen te doen. Moet je de metafysica daarvoor totaal doorzien? Laat ik de metafoor nog even doorzetten. Moet je de exacte samenstelling van de voedsel kennen om gevoed te kunnen worden? Nee dus. Met een bepaald vertrouwen steek je de hap in je mond. En de volgende hap. En als je een jaartje gegeten hebt dan blijkt dat je gezond- en doorvoed bent. Dat is ongemerkt gegaan.

Tijdens vele ‘gesprekken’ die ik mag voeren via mail merk ik dat het soms even stil wordt als ik vraag hoe men de werkboeklessen ervaart. Niet zelden krijg ik te horen dat men ze onzinnig vond, erdoor verward raakte of er maar mee gestopt is. Mijn medestudent vraagt me om hem of haar te overtuigen van de waarheid van de Cursus. Maar dat lukt me niet door samen uren te praten over wat er op het bord ligt. Pas als men gaat eten komen er de eerste echte ervaringen, de wonderen uit de Cursus. Dan wordt de communicatie makkelijker, vloeiender. Samen kunnen we het wonderlijke licht dat in de denkgeest gaat schijnen erkennen en vieren. Ons verheugen over de vrede, die alle verstand te boven gaat.

Maar ook het praten hoort erbij. Ik heb jarenlang een pennenstrijd gevoerd met een oude mysticus. Ik ervaarde het in ieder geval als “strijd”. De Cursus leert ons dat angst voor de liefde de basis is voor die vechtneiging van ons. We willen be-GRIJPEN liever dan loslaten en vertrouwen. Laat ik afsluiten met een citaat uit de werkboekles van vandaag (237):

“Vandaag wil ik de waarheid over mezelf aanvaarden. Ik zal in heerlijkheid opstaan en het licht in me toestaan heel de dag over de wereld te schijnen”

Word wakker!

Nachtmerrie2

Een tijdje geleden had ik vlak na het inslapen een nachtmerrie. Kennelijk lag ik te kreunen en te vechten totdat m’n vrouw me liefdevol wakker maakte. “Je hebt een nachtmerrie Simon, rustig maar”. Vrijwel direct zakte de angst weg en besefte ik dat ik veilig in mijn eigen bed lag, gewoon thuis.

Zo moet het zijn voor God om zijn Zoon te zien worstelen in zijn slaap, dualistisch gezegd. De Zoon heeft vanuit de onbegrensde eenheid zichzelf een lichaam gedroomd met een verleden en in interactie met een buitenwereld en andere afgescheiden personen. Hij is druk bezig met het maken van beelden, met projecteren. Van sommige beelden gelooft hij dat deze in een echt verleden gebeurd zijn. Bijvoorbeeld beelden van een boze moeder, een teleurgestelde vader, van nare werksituaties en ga maar zo door. De Zoon gelooft deze beelden en laat dit geloof Zijn denkbeeldige identiteit bepalen. “Ik kan er niks aan doen dat ik conflicten vermijd, dat moest ik als kind doen om te overleven”.

Andere droombeelden die de Zoon aan het maken is betreffen zaken die zogenaamd nu om hem heen gebeuren. Niet alleen indrukwekkende of angstaanjagende gebeurtenissen. Nee, elke simpele, kleine waarneming is een droombeeld dat de Zoon maakt om in te geloven. Door als het ware te geloven in de echo van een geprojecteerd beeld (de waarneming) wil de Zoon zichzelf definiëren. “Ik hoor lawaai dus ik moet een afgescheiden ikje zijn met oren die dat horen en die wat van dit lawaai vindt”. Hij is totaal vergeten dat Hij de dromer is. Dat Hij een doel heeft om dit beeld van een buitenwereld te maken, een intentie. De Zoon maakt in Zijn slaap beelden uit een zogenaamd verleden, heden en toekomst om zich een afgescheiden angsthaasje in het nu te voelen. Een afgescheiden ikje in de oneindigheid.

Vanuit God, vanuit de Liefde die we Zelf (non-duaal deze keer) zijn spreken we tot onZelf vanuit de Cursus. De Cursus is de Goddelijke tegenhanger van mijn lieve vrouw die me zegt: “word wakker, Zoon van God, je bent nog altijd mijn Kind, veilig Thuis”.

WB 234: Vader, vandaag ben ik wederom Uw Zoon.
WB 235: God in Zijn goedheid wil dat ik ben verlost:

“Ik hoef maar naar alle dingen te kijken die me lijken te kwellen en met volmaakte zekerheid mezelf te verzekeren: ‘God wil dat ik hiervan word verlost”

“Uw Liefde heeft mij geschapen en mijn zondeloosheid voor eeuwig tot deel van U gemaakt”

 

Het ikje doorzien

wie-ben-ik1

Wat verwachten we van de Cursus? Wees eens eerlijk. Durf, als het van toepassing voor je is, te erkennen dat je een mooie voorstelling van de verlichting hebt gemaakt die je hoopt te zullen bereiken door het beoefenen van de Cursus. Spreek je gevoel uit, ook al weet je verstand dat dit streven naar verlichting zogenaamd not-done is. Schreeuw het eens uit: “Ik wil nu eindelijk eens verlicht raken!”. Wees eens totaal duaal incorrect. Dat is je basis.

Hoe denk je dat je je zal voelen als dat gebeurt? Zorgeloos, vredig, extatisch, blij, liefdevol..? Benoem het maar. Zie je verwachtingen onder ogen, zonder oordeel. Sta jezelf toe moe te zijn, hongerig, zat van het zoeken, smachtend naar dat ultieme inzicht, pijnvrij. Brul het uit, grom, grauw en laat alle ongeduld er zijn.

En ga dan eens rustig zitten of lekker liggen; whatever. Kijk eens naar het eerste wat in je bewustzijn verschijnt, hoe onbenullig het je ook mag toeschijnen. Het kriebeltje aan je neus, je bril die wat knelt achter je oor, het geluid van een auto, je arm die wat koud aanvoelt. Voel of ervaar je heel weinig, te weinig naar je zin? Prima, dan is dat wat er is. Kijk naar alles (of bijna niks) wat er in bewustzijn verschijnt en stel je eens voorzichtig voor dat DIT het is. Dit is alles wat nodig is, het is precies goed zo.

En kijk nu nog eens naar die subtiele en tedere roerselen in bewustzijn. Stel je eens voor dat dit exact is wat je besteld hebt, wat je wilt ervaren. Niks meer, niks minder. Dit zijn de ervaringen die je hebt uitgenodigd met een bepaalde reden. Welke reden? Waartoe wil je deze gewone dingetjes ervaren? Je doet het onbewust om je afgescheiden te kunnen voelen. Kijk maar eens heel goed wat er bij elke subtiele kleine ervaring geboren wordt. Zie dat bij de kriebel aan je neus de gedachte verschijnt “mijn neus kriebelt”. Ik voel de bril knellen, ik hoor de auto, ik voel kou aan mijn arm. Zie je het? Zie je ‘ik’ verschijnen bij elke waarneming?

Zie nu maar eens de zogenaamd grote dromen binnenkomen. Ik wil verlichting, ik wil veranderen, ik wil dit of dat. Zie je het weer? De geboorte van het ik? Zie je dat je het niet kunt stoppen. “Wel verdomme, ik wil nu niks meer!” Gefopt, daar is het ikje weer. Wat dan? Wat moet IK dan?

Zie dat het slechts een spelletje is dat je speelt. Je zou het spelletje een naam kunnen geven: “projecteer en verschijn”. Uit het ongedeelde Christus-bewustzijn dat we ten diepste zijn projecteren we een waarneming. Waartoe? Vanwege het bijbehorende echo-effect. Wie iets waarneemt moet er zelf wel zijn en regelt zo de geboorte van Zijn eigen fictieve ikje. Waarom we dit spelletje spelen? Because we can. Gewoon voor de lol. De Zoon van God maakt deze droom van projecties om zichzelf een ontevreden ikje te kunnen voelen. Lees dit alsjeblieft zorgvuldig want hier glijden we gewoonlijk direct uit. Wat staat hier niet? Hier staat niet dat mijn ikje de wereld maakt en daarmee schuldig is aan de eigen ellende die het over zichzelf lijkt af te roepen. Dat zou, overigens onschuldige, arrogantie zijn. Dat muisje Simon die het universum met tijd, ruimte, atomen, mensen, ziekte en oorlog zou scheppen, tja..

Nee, het mysterie God, Liefde stroomt uit in de Zoon van God, onvoorstelbaar maar, één met God. En die Zoon van God houdt van overdrijven en projecteren om zich even ikje te voelen. Bij elke projectie, elk plan, elke voorgenomen beweging, elk oordeel creëert hij het briesende muisje. Het muisje wil zichzelf vervolgens van kant maken, van “kant-cursussen”, om zich lekker en pijnloos te kunnen voelen. Wat een grap.

Wat moeten we dan doen als we die projecties zien verschijnen in bewustzijn? Zie dat je dus niks kunt doen zonder de illusie van de doener te versterken. Je kunt wel als het ware een onderzoekende houding aannemen. Wat er verschijnt in bewustzijn ben je zelf, het is Goddelijk, het is het beminde. Laat het maar gebeuren en besef dat dit is wat Jij (met een hoofdletter) kennelijk wil om het spel van jij (met een kleine j) te kunnen spelen. Herinner je slechts en glimlach opnieuw.

WB 231: Vader, ik wil me niets herinneren dan U.

Te persoonlijk

Het valt niet mee voor ons als schijnfiguren in een droom om gevoel te krijgen voor de non-duale visie van de Cursus. Herhaaldelijk hinken we op twee gedachten, misschien moet ik zeggen twee “denksystemen”, en dan ontstaat er veel verwarring. Een paar voorbeelden.

 

  • We menen te begrijpen dat de Cursus beweert dat ziekte je eigen keuze is. Vervolgens worden we gekweld door schuldgevoel als we ziek worden.
  • Als we de ellende buiten ons menen te zien, bijvoorbeeld in de vorm van oorlogsslachtoffers, dan menen we in het verlengde van dit dat het hun eigen schuld is en dat we als “verlichte” figuren dit niet serieus hoeven te nemen en minzaam mogen lachen.
  • Als we een beetje geïnspireerd raken dan krijgen we de indruk dat we grote beslissingen moeten gaan nemen in ons leven. We ‘moeten’ afscheid nemen van lastige figuren om ons heen of stoppen met onze vertrouwde baan en het roer helemaal omgooien, bij voorkeur in de richting van een fel begeerd leraarschap op spiritueel gebied.

Deze opvattingen zijn niet fout, zondig of stom en we stinken er allemaal met regelmaat weer in, inclusief ondergetekende. We nemen ons denkbeeldige wereldje in feite veel te persoonlijk terwijl de Cursus leert dat we als afgescheiden persoontje juist niet bestaan.

Lees de drie voorbeelden hierboven nog eens door. De lijst kan makkelijk uitgebreid worden maar het gaat nu even om het patroon. Kijk eens goed wie de hoofdrol speelt. Zie je het afgescheiden ikje dat zich schuldig voelt over ziekte, die minzaam en afstandelijk zit te glimlachen en die zit te dubben welke draconische acties hij of zij moet ondernemen? Anders gezegd; we zitten middenin de denkbeeldige afscheiding. In de identificatie met ons kleine zelf.

De werkboekles (229) van vandaag is een wake-up call: Liefde, die mij geschapen heeft, is wat ik ben. Weet je wat meer behulpzame vragen zijn?

  • Wat betekent vergeven als we in stilte naar onze vermeende ziektes en pijn kijken?
  • Wat kan er vanuit liefde gaan stromen (en zich in de denkbeeldige vorm vertalen) als we vol mededogen zien hoe onze broeders en zusters lijden in deze droomwereld?
  • Er zijn geen grote en kleine kwesties; we dienen te leren vergeven in ieder moment van ons leven. Hoe beleef je je volgende ademhaling? Hoe ervaar je de wind in je gezicht? Wie of wat hoort dat vliegtuig? Wat kan er vanuit liefde gebeuren en gaan stromen in zelfs de kleinste kwesties van ons leven?

We hechten nog steeds veel geloof in de afgescheiden groteske doener. In dat ikje dat dingen probeert te begrijpen, dat afstandelijk wil doen, dat grote problemen gaat oplossen en het roer gaat omgooien. Maar wat als we onze meningen durven op te schorten? Als we durven zwijgen en durven te vertrouwen op een zachte Stem? Op die zeker inspiratie, zo warm, vol mededogen en liefdevol?

“Vader, ik dank U voor wat ik ben, dat U mijn Identiteit onaangetast en vrij van zonden hebt bewaard, te midden van alle zondegedachten die mijn dwaze denkgeest verzonnen heeft. En ik dank U dat U me daarvan hebt verlost. Amen.”

Zo moe..

moe

Soms komt zo’n klein zinnetje heel direct bij me binnen (WB 224): “Help me nu herinneren, Vader, want ik ben de wereld die ik zie moe”. Toen ik begon op het padloze pad en de boeken van Krishnamurti las, ervaarde ik na enkele jaren driftig lezen en overdenken ook deze moeheid. Misschien is moedeloosheid een beter woord. Het klonk zo mooi waar hij het over had maar tegelijkertijd zo onbereikbaar. Het beeld dat bij me naar boven kwam was dat van een ballonvaarder die vanuit zijn ballon me uitnodigde om samen met hem van het uitzicht te genieten. Maar hoe kon ik ook in dat bakje onder de ballon komen? “Gooi dan toch een ladder naar beneden!”, smeekte ik mijn goeroe.

Afgelopen week herlas ik het boek van Tony Parsons: “Niemand hier..”. Net als Krishnamurti geeft Tony aan dat er geen weg, geen methode is naar verlichting. Het is fijn om zijn woorden te lezen. Er is grote herkenning vanuit de Cursus. De waarheid resoneert, ongrijpbaar doch krachtig.

Tony geeft aan dat we niks kunnen doen om verlichting te bereiken. Dit herkennen we natuurlijk vanuit de Cursus; een doener die zich vol goede moed in beweging zet op weg naar een fijne orgastisch geestelijke ervaring getuigt slechts van geloof in dualiteit. Vanaf de eerste stap kijkt de wandelaar echter fier en hoopvol om zich heen. Zo, daar gaan we dan, op weg naar mooie horizonten, omhoog naar het bakje onder de ballon. En wellicht moeten we ook allemaal zo beginnen aan onze denkbeeldige reis. Op weg naar een fijner en probleemloos leven voor ons ikje. Maar na korte of langere tijd word je hiervan moe. Zeker, er komen vreugdevolle perioden waarbij je blij meent dat het eindelijk zo ver is. Je hebt het zogenaamd door en bent helemaal happy! Maar dan komt geheid de terugslag. Een duistere periode, uitzichtloos. Het batterijtje van ons ego heeft helaas twee polen; de plus pool en de min pool. Na regen komt zonneschijn en omgekeerd. Ik ben mijn Naam vergeten en weet niet waarheen ik ga, wie ik ben of wat ik doe.

En dan WB les 224. Soms lees je zo gemakkelijk heen over die “algemene lessen met grote woorden”. Maar juist in zo’n duistere periode is les 224 een baken van weldadig licht. “God is mijn vader, en Hij houdt van Zijn Zoon”. Ik sta mezelf toe om hier ook op dualistische wijze van te genieten samen met mijn vriend Jezus. Er staat gelukkig niet: “God kijkt naar mijn gepieker en besluit zich niks van dat illusoir gedoe aan te trekken”. Nee, God ziet in mij Zijn beminde Zoon. Maar hoe kan ik dat ervaren, die liefde van God?

Nu mogen we dankbaar zijn voor de Cursus. Hierin wordt de onmogelijke brug geslagen tussen de non-duale werkelijkheid en onze duale droomwereld. Ik kijk vast naar les 225. Wat staat daar over de liefde van God? “Ik moet haar wel teruggeven, want ik wil dat zij in volle bewustzijn de mijne is”. Dat is de sleutel. Wie liefde geeft zal haar ervaren. Vergeven, noemt de Cursus dit. Maar hoe zouden wij zo’n abstracte non-duale God kunnen liefhebben? Dat wordt ons niet gevraagd. Vergeving is betekenisloos in de hemel. Maar binnen onze illusie mogen wij onze kinderen, onze projecties van situaties en anderen, vergeven. Ook dit vergeven is niet afstandelijk, zo van: “ach, het is allemaal onecht en het raakt me niet”. Nee, we mogen die ander zien als onszelf en innig beminnen. In onze eigen schepping ontmoeten we de beminde, de Zoon van God. Als we ons oordeel, onze aanval, loslaten en die ander onvoorwaardelijk liefhebben dan stroomt daarmee de liefde ook weer door onszelf. Dit is het wonder. Die ander en ik zijn één en liefde wordt slechts ten volle ervaren als we liefhebben.

Krishnamurti en Tony zeggen dat we niks kunnen doen. Dat klopt. Als klein ikje kunnen we niks bijdragen. God zet de laatste stap; genade. Die God zijn we echter uiteindelijk Zelf. Niet zelf, met een kleine z. In de liefdevolle omarming van die ander, van de wereld, van ons ikje worden we ons weer bewust van de liefde die we zijn. Wat een wonder; om onszelf te kennen als liefde moeten we leren deze onvoorwaardelijk te late stromen. Dat kunnen we niet zelf. Maar lees, weer 225:

“Je hebt je hand naar mij uitgestrekt, en ik zal jou nooit verlaten. Wij zijn één, en het is louter deze eenheid die we zoeken, nu we deze paar stappen volbrengen, waarmee de reis eindigt die nooit begonnen is”

Je houdt jezelf voor de gek

buikspreker

Neem eens iemand in gedachten waar je nu een probleempje mee hebt. Het hoeft niet over iets groots te gaan. Een lichte irritatie is genoeg. Stel je die persoon levendig voor, hoe hij (of zij) tegenover je staat en datgene doet of zegt waar je niet blij van wordt. Probeer je vervolgens voor te stellen dat die ander eigenlijk een levensgrote pop is. Niet zomaar een pop, nee, zo’n buikspreekpop die jij zelf bestuurt met je arm. Stel je nu voor dat wat die pop doet of zegt in werkelijkheid wordt ingegeven door jou! Je doet dit zo onzichtbaar mogelijk door bijvoorbeeld je eigen lippen niet te bewegen. Kijk nog eens naar die ander, naar zijn gedrag of naar zijn mimiek. Luister naar zijn stem en naar wat hij voor lelijks zegt. En probeer dan de afstand tussen die ‘pop’ en jezelf te doorzien. Stel je voor dat jij (onbewust) de bewegingen en uitlatingen van de pop aanstuurt. Merk je de weerstand tegen dit idee?

Toch is dit wat de Cursus, en elke non-duale visie, stelt. Alles wat ons lijkt te overkomen is een illusie. We zien slechts wat we uit onszelf projecteren. Dat gaat overigens heel ver. Als voorbeeld nam ik een persoon die iets naars tegen je deed. Maar het geldt voor de hele buitenwereld die je meent te zien. De huizen, de bomen, dat vliegtuig; allemaal marionetten van jou.

Deze gedachtesprong is vrijwel niet te nemen voor ons. Dat komt omdat ook onze voorstelling van de poppenspeler veel te beperkt, veel te klein is. “Hoe kan ik nou al die ingewikkelde dingen buiten me bedacht hebben?”. Goede vraag. Dat kun jij ook helemaal niet. Als klein mensje met je beperkte hersenen denk je dat je heel knap bent en aardig wat kunt bedenken maar dat valt inderdaad erg tegen. Jij als klein ikje kan helemaal geen cellen, moleculen of ruimte en tijd maken met je gedachten. Maar weet je Wie dat wel kan? Jij als Zoon van God. Jij als onbegrensde creatieve Goddelijke bron.

En dan een grote verrassing. Jij als Heilige Zoon van God kunt niet alleen de buitenwereld bedenken maar je hebt ook je ik-gevoel bedacht. Dat ik-gevoel roep je juist op door een zogenaamde buitenwereld te projecteren. Dit ikje waar we zo blindelings vanuit gaan is echter net zo goed een bedenksel als de schutting in je tuin. De Heilige Zoon van God heeft bij wijze van spelletje een heel poppenspel bedacht en zit hier nu heel geconcentreerd en serieus mee te spelen om zichzelf bag, boos, verdrietig, blij, afgescheiden, sterfelijk enzovoorts te kunnen voelen. De Cursus is een ruwe verstoorder van dit spel. Het is een bijdehand kind in de zaal dat plotseling roept: “He, grapjas; je houdt jezelf voor de gek; je doet het allemaal zelf!”.

Als Heilige Zoon van God willen we ons een klein afgescheiden ikje in een buitenwereld voelen. Maar nu zijn we het zat. We willen naar huis en zijn bereid die pop van ons hand te trekken en te zien dat we hier niet van gescheiden zijn. We zijn één. Vanuit ons ikje durven we dat niet. We denken dat door het ontmaskeren van de illusie ook wij als ene toeschouwer zullen verdwijnen. Lees nu WB les 221 en voel hoe de liefde van Jezus, van ons diepste Zelf, ons tegemoet komt. Lees en word stil: “Aanvaard mijn vertrouwen, want het is dat van jou. Onze denkgeest is één ”. Of les 222: God is met mij. Ik leef en beweeg in Hem. Wow, mind blowing..