
Tijdens een gezellige bijeenkomst met wat vrienden maakte op een gegeven moment iemand een grappig bedoelde opmerking die, in mijn beleving, ten koste ging van mij. Ik probeerde hierboven te staan en lachte een beetje mee als een boer met kiespijn. Dit voorval schoot me vanmorgen in gedachten en gewoonlijk betekent dit dat ik een les ben vergeten te leren. Zo’n les komt dan gewoon telkens weer voorbij, hetzij in ons zogenaamd echte leven hetzij als herinnering.
Bij de herinnering aan het voorval kreeg ik de Cursus weer in notendop voorgeschoteld. Er is geen rangorde in illusies en ik ervaarde die grappig bedoelde opmerking als een aanval. Dat voelde niet fijn en mijn eerste reactie was het doen van een vergevingsoefening om van dat nare gevoel van gekwetstheid af te komen. Hierbij lijkt het alsof ik al besefte dat die vriend van me weinig met het nare gevoel te maken had, maar deze conclusie is voorbarig. In feite was ik egocentrisch bezig om een gekwetstheid van mijn gevoelens te “genezen”. Terwijl ik zo op mezelf gericht was dacht ik niet direct meer aan de vriend. “Ik” meende pijn te hebben en “ik” wilde hiervan af.
Na enige tijd besefte ik dat ik me nog steeds slachtoffer voelde van de opmerking van de ander en slechts bezig was de vermeende schade te herstellen. Vervolgens richtte ik de aandacht op het ontschuldigen van deze broeder. Verstandelijk besefte ik dat hij me slechts een spiegel voorhield. Dit voorval vond plaats om mij een les te leren. Hierop volgde de klassieke ego-reactie. Tjonge Simon, wat een beginnersfout, natuurlijk betreft je vriend geen schuld, je bent zélf schuldig aan het ontstaan van dit nare gevoel! Het zwartepieten met schuld gevoelens was begonnen. Eerst voelde ik me dus slachtoffer van een denkbeeldige buitenwereld in de vorm van een ander en vervolgens keerde de geprojecteerde schuld naar me terug en vond ik mezelf een kluns. Hierbij kwam het “ik doe dit mezelf aan” in gedachten. Ook deze prachtige cursus-waarheid wordt door het ego echter aangevuld met een mismaaksel: “dus nu ben je zelf schuldig”.
Dit is zo’n geniepige versie van de ego-wet van behoud van schuld. Het maakt het ego niet uit of deze schuld “buiten” of “binnen” ligt; als deze maar fier overeind gehouden wordt. Iemand moet schuldig zijn; een ander of desnoods ikzelf. Maar het “ik ben geen slachtoffer van de wereld die ik zie” gaat niet over echte schuld. De kerngedachte is juist dat er een vergissing is gemaakt door mij door in termen van schuld te gaan denken. Er is nooit sprake van schuld. Ik wil schuld hoe dan ook introduceren in de droom juist om….. me een afgescheiden ikje te kunnen blijven voelen. Het ultieme instrument hierbij is een misplaatst schuldgevoel. Bij de eerste nepgedachte die opkwam in de denkgeest (hé, er is sprake van een afgescheiden ikje dat zich los heeft weten te maken van God) ontstond een schuldgevoel. Een diep gevoel van gezondigd te hebben tegen de Eenheid, tegen God, tegen de Liefde. Het was te heftig om dit schuldgevoel in de denkgeest onder ogen te zien en dit vormde de oerknal waarin de schuld naar buiten gekotst werd in de vorm van een lichaam dat zich in het zichtbare universum bevindt.
Deze geprojecteerde schuld nam ik weliswaar eerst terug, niet mijn vriend maar ik zou schuldig zijn, maar daarmee ontkrachtte ik nog niet het geloof in de echtheid van deze schuld. Mijn geheime agenda is immers om de vermeende echtheid van schuld juist niet te willen kwijtraken. Dit terugnemen biedt echter wel de mogelijkheid om de sleutel uit les 141 te gebruiken (121): Vergeving is de sleutel tot geluk. Een luide vreugdekreet klinkt op als ik de schuld naar het licht breng en samen met Hem ernaar durf te kijken. Nu herinner ik me om weer te lachen: kijk Heer, ik geloofde zojuist in schuld! DIT IS NIET WAAR! Ik speel verstoppertje voor U in het paradijs maar het is niet nodig. U zoekt mij niet boos maar als een liefdevolle vader. In mijn spel ben ik weggekropen achter een donkere steen en bang geworden voor mijn eigen gedachten en verzinsels. Ik hoef echter slechts te stoppen met dit spelletje en dan biedt vergeving me alles wat ik wens (122).
Heer slechts uw gedachten van verbinding, eenheid en uiteindelijk die ene stralende gedachte van Liefde zijn echt. Heer spoel me schoon van verbeelde gedachten van aanval, zonde en schuld. Alles is in U en van U.
Mijn denkgeest bevat enkel wat ik denk met God.
Vergeving is volgens de Cursus het antwoord op alle conflict zoals we dat hier in onze droomwereld ervaren. Als we gewoon eens onbevangen naar dat woord “vergeven” kijken dan roept dat direct de volgende vragen op: wie of wat moeten we vergeven en hoe moeten we dat doen? Herkenbaar? We leren al snel dat het vergeven van de Cursus niet hetzelfde is als het vergeven zoals we dat gewend waren in de droom. Bij het klassieke vergeven vinden we dat iemand de fout is ingegaan en daardoor schuldig is maar we besluiten om dit zo goed en kwaad als het kan door de vingers te zien. Als dat min of meer lukt zijn we stiekem een beetje trots op onszelf en voelen we ons moreel verheven.
Kenmerkend voor onze verwarde toestand is dat we de neiging hebben om discussies te voeren over van alles en nog wat terwijl we hierbij ons uitgangspunt als vanzelfsprekend beschouwen. Bekend voorbeeld is de vraag hoe de afscheiding kon optreden ofwel hoe het ego kon ontstaan. Vanuit ons perspectief, dat we normaal en vanzelfsprekend vinden, is dit een heel normale en legitieme vraag. De werkelijkheid is echter radicaal en verpletterend. Ons ikje, dat zo nadenkend kijkt bij het stellen van deze vraag en zijn best doet een bevredigend antwoord te vinden, is onderdeel van de illusie. “Wij” zien dit over het hoofd en menen dat ons zo vertrouwde denken iets gaat verhelderen over dit ikje, ons ego. Maar de afscheiding heeft niet plaats gevonden, er bestaat geen afgescheiden ikje in een buitenwereld, tijd en ruimte bestaan niet, onze concepten hebben geen betekenis en het bouwen van een theorie over een ikje met behulp van deze concepten, die beperkt zijn door hun vorm, is een droom binnen de droom.
In de stukjes die ik schrijf spreek ik met regelmaat over het “ikje”. Dit is een term die nergens in de Cursus voorkomt. Het betreft het geloof in het nietig en dwaas idee van afscheiding, het geloof in een illusoire nepidentiteit die zich beweegt in denkbeeldige tijd en ruimte en hierbij in gevecht is met nare ervaringen en zogenaamde andere personen. In mijn beleving sluit de term “ikje” strak aan bij mijn ervaring in de droomwereld, zowel op gevoels- als op gedachten- en gedragsniveau. Zo kan ik schrijven dat dit ikje worstelt om terug naar huis te gaan, om eenheid te ervaren of dat dit ikje in feite bang is voor het binnen laten van de liefde die we in werkelijkheid zijn.
“Gewoon rustig zitten en kijken wat er in bewustzijn verschijnt’. Klinkt dit bekend? Veel spirituele stromingen geven dit advies. Een variant hiervan is in het westen populair geworden in de vorm van mindfulness. Ik heb ook menigmaal tijdens retraites glazig zitten kijken naar een kaarsje of een mooie bos bloemen en ook ik heb met veel aandacht tijdens de eerste mindfulness-les op een rozijn zitten kauwen zodat ik alle sensaties onbevooroordeeld binnen kon laten komen. Het is fijn om zo met aandacht gewaar te zijn van alles wat zich aandient en hier is helemaal niks mis mee. Maar het ego zou het ego niet zijn als het deze fijne oefening zou gebruiken om ons wijs te maken dat deze ons een soort uiteindelijke climax gaat bieden, een duurzame ervaring van de hemel.
Vandaag nog zo’n les (127) die het predicaat ‘totaal anders’ verdient: Er is geen liefde dan die van God. Gewoonlijk zijn we bereid ons eigen begrip van wat liefde is een beetje op te rekken bij het lezen van deze les. Zo van: oh ja, we moeten ons best doen om iedereen lief te gaan hebben en we moeten wat minder voorwaarden verbinden aan onze liefde. Dit is zeker een goed begin maar we mogen dieper duiken, veel dieper. Reeds in de eerste werkboeklessen leren we dat we zelf alle betekenis hebben gegeven aan de dingen die we buiten onszelf menen te zien en ook aan onze gedachten. Daarin worden we ook zo stevig gecorrigeerd als we lezen dat niets wat we menen te zien of te denken iets betekent. Onbewust houden we vast dat we wel degelijk allerlei verschillende zaken zien en dat het toch nog wel íets zal betekenen.
Jezus richt zich in de Cursus tot ons terwijl we dromen. Hij is wakker en wij slapen. We kunnen ons dat verschil tussen de werkelijkheid die Hij ziet en de droom die wij menen te zien niet voorstellen. Het is zó anders.. Dit neemt niet weg dat we dit toch constant proberen te doen. Een paar voorbeelden uit les 126. Het schijnt ons toe dat andere mensen los van ons staan. Aan dit beeld hechten wij in onze droomtoestand erg veel geloof. Vanuit de veilige omgeving van mijn eigen huis ervaar ik soms momenten waarin ik iets van de innige verbondenheid met anderen ervaar. Maar als ik er dan op uit ga en zogenaamde vreemden ontmoet dan lijkt er een automatisme op te treden dat de afstand tussen mezelf en denkbeeldige anderen groter en vanzelfsprekend maakt. Ik geloof dat ik die ander niet ken en dat gereserveerdheid en zelfs preventieve achterdocht op hun plaats zijn. Dat is toch normaal? Je weet toch nooit wat die ander van plan is? Verder met les 126: wij denken dat zij kunnen zondigen zonder onze waarneming van onszelf te beïnvloeden, terwijl wij hun zonde kunnen beoordelen en toch buiten veroordeling en in vrede kunnen blijven.
Gisteren zag ik op het journaal een stukje over het lawaaiprotest dat zou moeten plaatsvinden tijdens de dodenherdenking. Zojuist las ik hierover:
Een niet onbelangrijke stap in het cursuswerk is om het fenomeen projectie een beetje in de smiezen te krijgen. Zo kan ik me irriteren aan eigenwijze mensen die het laatste woord willen hebben. Slik. In de spiegel kijken is niet altijd even leuk. Er is het ego veel aan gelegen om het mechanisme van projectie voor ons te verbergen. Het gebeurt dan ook niet zelfden dat ik niet in het moment zélf in de gaten heb dat ik er weer eens ingetuind ben. Voor het doen van de vergevingsoefening maakt dit overigens niet veel uit. Het ego zal, vanuit geloof in de echtheid van tijd, ons graag vertellen dat het nu te laat is. Dat het kwaad al geschied is. Dat is gelukkig onzin. Een bepaald voorval komt ook later weer makkelijk bovendrijven en dan blijken de bijbehorende gevoelens nog springlevend. We krijgen gewoon telkens de gelegenheid om een niet geleerde les alsnog te leren.
Afgelopen week mocht ik een mailwisseling hebben met een niet-cursus leraar die ik erg respecteer. Hij staat een leerweg voor die uitgaat van onze dagelijkse ervaringen en stelt dat de weg naar ontwaken bestaat uit het aangaan van al deze ervaringen inclusief de nare gevoelens waar we gewoonlijk van weg willen vluchten. Ik kan me hier erg in vinden. Deze leraar kan tamelijk fel van leer trekken tegen andere stromingen of leringen en in het schrijven met mij werd ook de Cursus niet gespaard. Het was voor mij een mooie oefeningen waarin ik me telkens mocht herinneren dat de waarheid mijn verdediging niet nodig heeft. Enige tijd probeerde ik deze leraar te laten zien dat zijn weg van het aanvaarden van gevoelens geenszins in tegenspraak is met de weg van vergeving zoals de Cursus deze voorstaat. Hij koos er echter voor om, op grond van de info die hij had, de Cursus af te doen als “te mentaal” en “teveel op het hoofd gericht”. Dit is een verwijt dat door meer leraren zo geuit wordt en wat ons mag helpen om dit aspect te onderzoeken om ervan te leren.