Het ik-gevoel

ikke

Vanmorgen las ik in de FB groep ECIW-coach de volgende vraag:

“Kan je zeggen dat het ik- gevoel” wat er iedere keer is als ik in de ochtend wakker word de kern is van alle problemen? En verdwijnt dat ik-gevoel geleidelijk als het doorzien wordt ?”

Deze vraag raakt één van de grootste mysteries van non-dualiteit. Ik besef dat ik soms spreek over dit ik-gevoel als de grote boosdoener maar dat is wat te kort door de bocht. De Cursus zegt dat woorden en taal slechts symbolen zijn van symbolen. Het zijn niet meer dan richtingaanwijzers naar dat wat we ten diepste zijn en waar geen woorden meer voor zijn. Als ik iets preciezer probeer te wijzen dan krijg ik het volgende:

Het ik-gevoel op zich is noch goed noch kwaad, net zomin als het lichaam. Het gaat in de Cursus altijd om de betekenis die we ergens aan geven. De Cursus geeft aan dat wij het lichaam zien als symbool voor de afscheiding die niet nooit heeft plaatsgevonden. Deze betekenis kunnen we herzien, vergeven dus, waardoor het besef van onze ware identiteit, Kind van God verbonden in Liefde met onze Vader, weer kan dagen. Omdat we bij de term “lichaam” de neiging kunnen hebben om slechts te denken aan ons fysieke lichaam, trek ik de term dikwijls breder en spreek ik over “ik-gevoel”. Deze term wordt niet in de Cursus gebruikt maar “geloof in speciaalheid” is ongeveer hetzelfde. Mijn bedoeling is om ook de identificatie met een denkbeeldige emotioneel- en spiritueel afgescheiden identiteit in te sluiten, dus om het, zoals gezegd, breder te trekken dan alleen de identificatie met mijn 80 kilogram.

In het boek “A Course of Love” gaat Jezus uitgebreid in op dit fenomeen van er wel zijn als Zoon van God maar niet als speciaal ikje. Wat mij hierin helpt is dat alles wat we hier in de droom doen en proberen, gezien kan worden als een soort oefeningen om te vergeven en verlossing te ervaren. Op onze onbeholpen manier zoeken we ook in onze illusoire wereld naar “verbinding” door pijn te vermijden en knuffels na te streven. Dit is in engere zin een voorafschaduwing van ons streven naar de hereniging met God, met Liefde.  Dit “kleine”  streven van ons binnen de illusie hoeven we niet met geweld in de kiem te smoren. We hoeven niet als asceet te gaan leven noch ons af te zonderen op de Himalaya. Als we immers het gevecht willen aangaan met dat ik-gevoel dan wordt de illusie alleen maar heftiger en treedt er een soort schizofrenie op. Als we echter zien dat we slechts geloven in een deel van het geheel en dit vergeven door de leiding terug te geven aan het Goddelijke Geheel dan treedt er geen verkramping maar verruiming op. Het oplossen van het geloof in onze lichaamsgrens. Geen angst maar vreugde en vrede. Dit helpt ons op weg naar de hemelpoort; nog steeds binnen de droom maar “as far as we can get”. Van de Hemel, de non-duale werkelijkheid, kunnen we ons met onze illusoire en door tijd en ruimte begrensde hersentjes geen voorstelling maken. We zijn er wel, maar niet afgescheiden en ook niet dood maar springlevend.

Als aan een Tony Parsons wordt gevraagd wie dat dan opmerkt dan zegt hij zoiets als “it is seen by nobody”. De Cursus geeft aan dat wij vanuit ons geloof in speciaalheid niet kunnen streven naar deze eenheid, naar Liefde. De liefde is er al en dat streven van ons is een aperte ontkenning van de eenheid die er al is. We mogen ons wel richten op wat we overduidelijk wél geloven; alles wat we waarnemen en ervaren in de droom. Door dit te vergeven krijgen we als het ware een sneak preview, een glimp van een indruk, van wat “ons” te wachten staat.

Ook in de Cursus wordt gezegd dat God de laatste stap neemt die geen stap is. Dan wordt de illusie gezien door ons Zelf, door de Christus die we Zijn. We moeten dit dus niet duaal opvatten door te denken dat er een oude knorrig baas besluit dat het nu wel welletjes is en ons de beloning geeft. Nee, wij Zelf, ons Christus-bewustzijn besluit zichzelf niet langer te foppen door te blijven geloven in afgescheidenheid. Vanaf het kruis roept Hij: in Uw handen beveel ik mijn geest. Hier schieten woorden nu echt te kort en we worden opgeroepen dit maar even te laten voor wat het is. Soms mogen we binnen ons leven iets meemaken wat de Cursus omschrijft als “openbaring”. Dit is een hoogst persoonlijke ervaring die onbeschrijflijk is en toch niet iets dat speciaal is of wat ons speciaal zou maken. Ik sluit graag af met het volgende citaat uit het werkboek (tussen 350 en 351):

  1. Wat ben ik?

 Ik ben Gods Zoon, compleet, genezen en heel, stralend in de weerspiegeling van Zijn Liefde. In mij is Zijn schepping geheiligd en van eeuwig leven verzekerd. In mij is de liefde vervolmaakt, angst onmogelijk en vreugde gegrondvest zonder tegendeel. Ik ben de heilige woning van God Zelf. Ik ben de Hemel waar Zijn Liefde huist. Ik ben Zijn heilige Zondeloosheid zelf, want in mijn zuiverheid woont de Zijne.

Mijn recht om boos te zijn!

boos kind

Gisteren zat een vriendin, ik noem haar even Petra, steen en been tegen me te klagen over het feit dat haar dochter niet langs wilde komen op tweede Kerstdag omdat ze te druk was met andere zaken. Daarnaast had dochterlief ook ruzie met haar broer en ze had geen zin gezellig met hem Kerst te vieren. Petra had de morele druk aardig opgevoerd. Had ze niet juist de reparatie van de auto van haar dochter betaald zodat deze wat vaker langs kon komen? Gunde ze haar moeder zelfs niet die paar gezellige uurtjes? Het behoeft weinig betoog dat deze aanpak niet echt het gewenste resultaat had opgeleverd. Terwijl Petra hierover sprak werd ze afwisselend boos en verdrietig. Mijn begrip voor haar teleurstelling en voorzichtige pogingen om samen met enige mildheid naar haar dochter te kijken, werkten eerder averechts dan kalmerend.

Ooit volgde ik een opleiding Rationeel Emotieve Therapie en ik probeerde Petra op zo eenvoudig mogelijke wijze een handvat te bieden om haar heftige emoties tot hanteerbare omvang terug te brengen. Ik legde haar uit dat ze aan de keuzes en het gedrag van haar dochter wellicht weinig kon veranderen maar dat ze wellicht haar verwachtingen iets naar beneden kon bijstellen. Petra nam mijn uitleg direct in een judoworp en zei dat ze geen zin had om onverschillig te blijven te midden van al dit onrecht wat haar werd aangedaan. Pogingen om het verschil uit te leggen tussen het eisen van bepaald gedrag van iemand en een voorkeur hebben voor dat gedrag bleken gedoemd te mislukken. Petra meende recht te hebben op haar verontwaardiging, boosheid en verdriet en liet dit niet zomaar afpakken door mij.

Deze gehechtheid aan zelfs negatieve emoties is niet iets vreemds dat alleen Petra betreft. Ik noem haar voorbeeld omdat het eenvoudiger is dit tafereel “buiten” me te zien dan “in eigen denkgeest”. De Cursus trekt deze verslaafdheid aan leed nog veel breder. Ons hele geloof in de non-duale droomwereld is hierop gebaseerd. We houden ons krampachtig vast aan geloof in eigen afgescheidenheid. We willen ons een begrensd ikje voelen, liefst door ons te identificeren met zaken die ons lichamelijk genot verschaffen maar evenzogoed door vastklampen aan ellende als angst en pijn.

Bij het voorbeeld van Petra kunnen we zonder al te veel moeite zien dat er iets van een keus bestaat. Is ze bereid haar dwangmatige eis (mijn dochter moet komen) te veranderen in een mildere voorkeur (het zou fijn zijn als ze zou komen)? Voel je dat deze verandering een verschillend resultaat oplevert? Grote boosheid en frustratie in het eerste geval en “gewone” teleurstelling in het tweede geval? In feite zei ik tegen Petra dat ze de kwestie wellicht iets minder serieus moest nemen. Zie je de overeenkomst met de Cursus waarin Jezus ons zegt dat we niet moeten vergeten te glimlachen om onze illusies? Petra wordt niet gevraagd als een koele onverschillige kikker haar schouders op te halen. De Cursus roept net zo min op tot onverschilligheid. Jezus biedt ons echter de mogelijkheid om middels vergeving wat mildheid te laten binnenstromen in onze droom. Hiermee kan de nachtmerrie veranderen in een gelukkige droom.

Ook van de reactie van Petra kunnen we wat leren. Ze richtte haar woede op mij toen ik haar “gerechtvaardigde woede” probeerde af te pakken. Ze voelde zich weliswaar rot maar het was haar ellende en daar moest ik vanaf blijven. In de Bijbel lezen we dat Jezus tegen de mensen zegt dat het Koninkrijk der hemelen reeds aanwezig is. Anders gezegd; de liefde is er reeds, hier en nu voor iedereen die hier simpelweg “ja” tegen zegt. Wij beelden onszelf in dat wij dankbaar Jezus’ boodschap geaccepteerd zouden hebben als wij ons ruim 2000 jaar geleden in zijn publiek hadden bevonden. Wij zouden hem in ieder geval nooit aan het kruis genageld hebben. Toch? Helaas, vergeet het maar. Onze voortdurende droom is het bewijs dat wij van moment tot moment steeds weer opnieuw kiezen om de liefde af te wijzen, om de Christus te kruisigen.

Wij hebben hier ook een handige methode voor bedacht. We willen niet erkennen dat we onszelf deze ellende aandoen. Wij hebben onze eigen “dochter” die de boosdoener is. Deze dochter zijn alle zogenaamde anderen die wij in ons dagelijks leven tegen komen en die zich niet gedragen zoals wij dat van hen eisen. In de vorm deze anderen komt Jezus echter naar ons toe om ons wonderen en liefde aan te bieden. Wij kiezen er echter voor om Hem niet te herkennen en ons te verdedigen of zelfs Hem opnieuw te kruisigen door die anderen aan te vallen. Wat we zaaien zullen we oogsten. Als we haat zaaien zullen we ons afgescheiden en vervelend voelen. Verlossing hiervan is maar op één manier mogelijk: door ons oordeel over onze broeders en zusters te parkeren en aan Hem te vragen door ons heen naar hen toe te stromen. Zo mogen we in hen herkennen Wie we zijn; de Christus, de Zoon van God, Liefde (WB 349).

Vandaag laat ik de visie van Christus voor mij
Naar alles kijken en ik beoordeel het niet,
maar schenk in plaats daarvan alles een wonder van liefde.

 Zo wil ik alle dingen die ik zie bevrijden en ze de vrijheid geven die ik zoek. Want zo gehoorzaam ik de wet van de liefde en geef ik wat ik wil vinden en tot het mijne maken wil. Het zal mij gegeven worden, omdat ik dat gekozen heb als het geschenk dat ik wens te geven. Vader, Uw geschenken zijn de mijne. Elk dat ik aanvaard geeft me een wonder om weg te geven. En door te geven zoals ik ontvangen wil, leer ik dat Uw genezende wonderen mij toebehoren.

 Onze Vader kent onze behoeften. Hij geeft ons de genade waarmee ze alle worden vervuld. En zo vertrouwen we op Hem om ons wonderen te zenden om daarmee de wereld te zegenen en onze denkgeest te genezen terwijl we terugkeren naar Hem.

Een ‘klein’ voorbeeld

postNLGisteravond belde PostNL aan met slechts één doos wijn onder de arm in plaats van de bestelde twee dozen. “Hé, weet u zeker dat u maar één doos voor me heeft?” Jawel, de natgeregende bezorger wist het zeker en sprong weer snel in zijn bestelbus. Getverderrie, heb ik hier misschien een mailtje over gehad? Nee dus. Irritatie. Nou ja, dan zal ik morgenochtend maar even bellen en ik hoop maar dat het geen welles nietes discussie gaat worden want daar heb ik geen zin in maar gelukkig heb ik niks getekend (bezorgdheid = angst). Vervolgens komt daar, zoals zo vaak met enige vertraging, het besef dat ik me onevenredig druk maak om zoiets ‘kleins’. Dit gaat toch helemaal nergens over? Man, doe toch even rustig en verbeeld je toch niet van te voren allerlei dingen en rampscenario’s. Jeetje, dit slaat echt helemaal nergens meer op.

Al met al een mooie illustratie dat het voor het ego niet zo veel uitmaakt. Zelfs als je nuchter moet vaststellen dat dit een storm in een glas water is, valt er evengoed een vergevingsles te leren als wanneer inbrekers mijn hele huisraad zouden stelen. De confrontatie met de eerste regel van werkboekles 348 is dan ook best confronterend: Ik heb geen reden tot woede of angst.. “Geen reden, geen reden??!! Natuurlijk heb ik wel een reden!! Ze hebben gewoon niet geleverd wat afgesproken was, mij daar niet van te voren over geïnformeerd en nu moet ik er weer achter aan, een ander bezorgmoment afspreken en en en….” De Heilige Geest lacht vriendelijk en kijk me aan. Hij herhaalt: geen reden. Elke keer is het weer confronterend om zo met het fenomeen projectie te worden geconfronteerd. En de Stem gaat nog even door om uit te leggen hoe het wel zit: want U omringt mij. En in elke behoefte die ik zie, is Uw genade mij genoeg.

Eerst wat onnodige schaamte. Hoe kan ik toch zo hardleers zijn en zeker omdat het zoiets totaal banaals is als een foutje bij een bestelling? Maar er is geen rangorde in ellende. Dit gebeuren is een symptoom van een ziekte in de denkgeest die nu, nogmaals, gezien kan worden zodat ik mag leren te vergeven. Dus ga ik terug naar de irritatie en de angst. Ik ga erin staan en kijk wat er gebeurt als ik me blootstel aan de zin “ik heb hier geen reden voor”. Nu luister ik zonder direct een weerwoord te bieden. Ik overweeg de mogelijkheid dat dit wáár is, dat ik dit echt mezelf aandoe. Het wonder dient zich snel aan. De trouw van Liefde ontroert me telkens weer. Slechts deze kleine bereidheid om Hem te laten kijken, opnieuw te kiezen is genoeg. Onmiddellijk raakt Hij mijn hart aan. Direct is er sprake van dat wonderlijke “oplossen”. Het is niet dat ik een soort cognitieve geruststelling krijg dat die tweede doos met wijn wel een keer komt. Nee, de bodem valt totaal uit dit hele voorval. De uitkomst doet er gewoonweg niet meer zo toe. Natuurlijk ga ik straks bellen en hoop ik mijn wijnvoorraadje aan te kunnen vullen zoals gepland. Maar de kramp is weggenomen, een wondertje? Nee, een wonder. Hierbij de rest van Les 348:

Vader, laat mij gedenken dat U hier bent en dat ik niet alleen ben. Eeuwigdurende Liefde omringt mij. Ik heb geen reden tot iets anders dan de volmaakte vrede en vreugde die ik met U deel. Welke behoefte heb ik aan kwaadheid of angst? Volmaakte veiligheid omringt mij. Kan ik bang zijn, als Uw eeuwige belofte mij vergezelt? Volmaakte zondeloosheid omringt mij. Wat kan ik vrezen, wanneer U mij geschapen hebt in een heiligheid als de Uwe zo volmaakt?

Gods genade is ons genoeg in alles wat Hij ons wil laten doen. En dat alleen kiezen we tot onze wil, evenzeer als het de Zijne is.

Van woede naar vrede (les 347)

woede

De les van vandaag gaat over woede (347). De eerste zin luidt: “woede moet voortkomen uit oordelen”. Ook woede is zo’n woord met een forse betekenis en we moeten oppassen dat we onszelf niet te snel in slaap sussen door te geloven dat wij soms wel een beetje boos zijn maar toch zelden woedend. De Cursus gebruikt dikke viltstiften om onze aandacht te trekken met plaatjes die tot de verbeelding spreken. Een zinnetje als “als ik over iemand een mening heb dan kan ik wat geïrriteerd raken” boeit niet echt. Voor ons binnen onze droomwereld maakt het nogal wat uit of je je woedend voelt of licht geïrriteerd. Voor de Cursus niet. Er is een gevoel van “ik versus de rest” of dat gevoel is er niet. Kernoorlog, schietincident, messteek, vuistslag, duwtje, woede of lichte irritatie zijn niet wezenlijk verschillend van elkaar.

Dat brengt me bij de tweede zin: “Oordelen is het wapen dat ik tegen mijzelf gebruik”. Jawel, tegen mijzelf dus niet tegen een ander. Dit is in het begin lastig te herkennen. We hebben helemaal niet het idee dat we onszelf aanvallen als we boos zijn op een ander, in welke gradatie dan ook. Toch? We menen een booswicht buiten onszelf te zien en dáár ageren we tegen. Die moet immers veranderen! De Cursus lijkt, zoals zo vaak, de boel op z’n kop te willen zetten. Om enig begrip te krijgen voor wat er bedoelt wordt, vraag ik je om te overwegen dat je een geheime agenda kunt hebben. Niet geheim voor de mensen buiten je maar geheim voor jezelf. De omschrijving “blinde vlek” is wellicht verhelderend. Je bent ergens boos op om een bepaalde zogenaamd evidente reden (bijvoorbeeld het nare gedrag van een ander) maar de Cursus stelt dat dit mogelijk niet het hele verhaal is, zacht gezegd. Je hebt een verborgen reden om boos te willen zijn. Je hanteert het instrument “oordelen” met als reden om je een stevig afgescheiden ikje te voelen, zelfs al lijkt het helemaal niet leuk om een boos ikje te zijn. Geloof mij niet zondermeer maar voel. Voel dat er iets lijkt te verharden “binnen in je” als je je boos maakt over iemand. Merk daarbij op dat voor het mechanisme van deze verharding het niet uitmaakt of je je echt woedend maakt of dat je je licht irriteert. Kortgezegd; je hebt een geheime reden om je boos te willen maken. De reden is de versterking van dat ik-gevoel, die verharding. De vraag is ook niet “waarom maak ik me boos?” Deze vraag leidt gewoonlijk tot het zoeken naar zogenaamde oorzaken buiten je zelf. Maar nee, de betere vraag is “waartoe kies ik voor oordelen en boosheid ervaren?”. Dan pas komt de aap uit de mouw: je wilt je onbewust meer afgescheiden voelen, hoe paradoxaal dit ook klinkt.

De derde zin van de les vat onze verborgen reden samen: “om het wonder van mij weg te houden”. Wat gebeurt er namelijk als we niet luisteren naar het stemmetje van het ego dat schreeuwt om een oordeel? Op het moment dat we feeling krijgen voor die verharding dan kunnen we opnieuw kiezen. Dit kiezen is echter wel een ander kiezen dan wat wij gewoonlijk doen. Onze kleine ego-keuze zou kunnen zijn om te proberen wat aardiger te doen of om onze woede in te slikken. Dat is echter niet meer dan rommelen in de marge en het leidt tot krampachtig en onecht gedrag. Als we echter stil gaan staan in de hardheid die we voelen dan kunnen we ons richten op een andere Stem. Ik noem het de laatste tijd graag de Stem van het Geheel. Het Geheel dat ons omvat en waarin een wijsheid en een liefde aanwezig zijn die wij vanuit ons kleine ikje niet kennen, sterker nog; het is een eenheid en liefde die we vrezen. Het is de Stem namens God, namens de Liefde. Het is de Heilige Geest. Nu zijn we bij de sleutel van de Cursus. Als we vanuit onze verharding ons durven open te stellen voor die Stem, voor die Liefde zonder verdere eisen over wat die Stem dan precies voor ons zou moeten gaan doen, dan kan het wonder moeiteloos plaatsvinden. Dit is verlossing, dit is genade. Dan daagt het inzicht dat er helemaal geen denkbeeldige ander is om boos op te zijn maar dat we vanuit eenheid zijn gaan geloven in anderen (en een buitenwereld) met als verborgen agenda om ons afgescheiden van God, van Liefde te kunnen voelen. Zo raar, we hebben als Zoon van God onze projectie serieus genomen om onszelf te kunnen kruisigen en het wonder van liefde en vrede van onszelf weg te houden.

Het is eigenlijk zo eenvoudig; oordeel = jezelf als afgescheiden ervaren. Liefde laten stromen = jezelf als liefde ervaren. Dus kies gewoon voor Liefde. Een klein beetje bereidwilligheid, dat is alles. De verdere tekst van les 347 luidt:

“Vader, ik wens wat tegen mijn wil ingaat, en wat ik wil hebben, wens ik niet. Orden mijn denkgeest, Vader. Hij is ziek. Maar U hebt vrijheid aangeboden, en ik kies er vandaag voor aanspraak te maken op Uw geschenk. En dus geef ik al het oordelen aan Degene die U mij gegeven hebt om voor mij te oordelen. Hij ziet wat ik waarneem, en toch kent Hij de waarheid. Hij ziet pijn, en toch begrijpt Hij dat die niet werkelijk is, en in Zijn begrip wordt die genezen. Hij schenkt de wonderen die mijn dromen voor mijn bewustzijn verborgen willen houden. Laat Hem vandaag oordelen. Ik ken mijn wil niet, maar Hij is er zeker van dat die de Uwe is. En Hij zal voor mij spreken en Uw wonderen uitnodigen tot mij te komen.

 Luister vandaag. Wees heel stil en hoor de zachtmoedige Stem namens God, die je verzekert dat Hij jou heeft beoordeeld als de Zoon die Hij liefheeft.”

 

Verslaafd aan zonde, schuld en pijn

Hit-Me-6-300-dpi

Waar denk je aan bij het woord “offeren”? In eerste instantie denk ik aan het doodmaken van beesten om het weer goed te maken tussen God en mij met als ultiem offer de dood van Jezus voor mijn zonden. Als je wat minder gehersenspoeld bent door dit wrede traditionele bijgeloof dan denk je wellicht meer in algemene zin aan het opgeven aan iets waar je erg aan gehecht bent om, jawel, iets te bemachtigen wat je nog liever wilt. Zo kun je in het schaakspel een stuk offeren om uiteindelijk nog wat zwaardere stukken te kunnen slaan van je tegenstander.

Offeren is echter weer zo’n woord dat de Cursus gebruikt om een kernovertuiging van ons bloot te leggen. Prima als hierbij eerst de dramatische voorbeelden ons te binnen schieten maar allengs kan ons begrip van de diepte van ons geloof in offeren zich gaan uitbreiden in onze denkgeest. Maar laten we beginnen bij die grote betekenis die zo verbonden is met ons gevoel dat we ergens harstikke fout zitten en dat we dit goed moeten maken. De Cursus leert ons dat “zonde”, nog zo’n zwaar beladen woord, ons geloof beschrijft in de afscheiding van God, van de Liefde die we zijn. Deze vergissing voltrok zich niet in een ver verleden, tijd bestaat immers niet, maar deze vergissing vindt nu plaats. Bij de constatering “hé, ik ben hier, apart van de wereld”, bij het gevoel dus dat we als afgescheiden wezentje bestaan is de zonde-vergissing aan de orde.

Wat dan volgt is iets wat ons nauwelijks aanspreekt wanneer we net met de Cursus begonnen zijn. We krijgen namelijk een besef van schuld. Aanvankelijk reageren we op deze mededeling met het ophalen van de schouders. Ook schuld is zo’n ouderwets beladen woord en gewoonlijk voelen we ons helemaal niet schuldig. Slechts wanneer we naar ons idee iets heel oneerlijks hebben gedaan waar iemand anders zwaar de dupe van is geworden beginnen wij te geloven dat we schuldig zijn. Ook dat gevoel krijgen voor het ontstaan van een schuldgevoel, eigenlijk tegelijk met het geloof in zonde (in afscheiding dus) groeit als we ons een tijdje bezig houden met de Cursus. Maar let goed op. Hier staat dus niet dat we langzaam maar zeker in de gaten krijgen dat we schuldig zijn. Nee, we geloven in afscheiding en naarmate we meer opmerkzaam worden kunnen we opmerken dat dit onmiddellijk leidt tot een schuldgevoel. Als je hier woorden bij zoekt dan kun je zeggen dat we ons schuldig voelen omdat we denken dat we de liefde de rug toe hebben toegekeerd. We voelen ons, anders gezegd, schuldig tegenover God.

En wie schuldig is, zo geloven wij met stelligheid, verdient straf. Ten diepste denken we dat we God, de Liefde, met onze verbeelde daad van rebellie zo kwaad hebben gemaakt dat hij ons met geweld terug wil brengen, niet naar Zijn liefde maar naar het stukslaan van onze denkbeeldige grens. Met het kapot maken van ons lichaam, symbool van de afscheiding, door ons te doden. Ken Wapnick brengt dit nare trio dikwijls ter sprake: sin, guilt, fear (zonde, schuld, angst). Wij geloven zo zeer in de echtheid van dit illustere trio dat we écht menen dat er voldaan moet worden aan de toorn van God. Er moet in dit bijgeloof geleden worden. God vergt van ons dat we iets opgeven, dat we pijn lijden en iets gaan verliezen dat ons dierbaar is. In het Oude Testament moest een offerdier maar deze toorn van God voor ons stillen. In het Nieuwe Testament krijgen we het onmogelijke voor elkaar. We proberen een brug te slaan tussen een God die liefde is en ons bijgeloof dat er wel degelijk bloed moet vloeien voor onze ingebeelde zonde en schuld. Het is een illustratie van de genialiteit van ons ego; onze liefdevolle Vader betaalt zelf de prijs voor onze, nog steeds heel echt veronderstelde, zonde; God laat zijn eigen Zoon de prijs betalen door het lichaam van Jezus uiteen te laten rijten door zweepslagen en de kruisdood.

Zijn we ondertussen wel verlost van dit nare bijgeloof? Wij menen van wel en denken dat alleen nog enkele traditionele Christenen zo dom zijn om dit te geloven. Maar helaas. Als het besef van de betekenis van de symboliek van de Cursus verder uitbreidt in onze denkgeest dan leren we hoe dat idee dat we moeten lijden om vrede te ervaren zich hier diep heeft ingegraven. En dan zeg ik het nog heel beperkt en dualistisch. Er is namelijk geen ikje dat zich onbewust zondig en schuldig voelt maar door vast te houden aan geloof in zonde en schuld houden we de illusie in stand dat we een ikje zijn. Wij durven dit geloof niet op te geven omdat dit de realisatie met zich zou meebrengen dat we…zullen sterven? Nee! Dat we nog steeds de door God geschapen Zoon zijn, innig verbonden met Hem.

Bij het offeren denken we nu niet dikwijls meer aan het doden van dieren of zelfs van een mens. Aan het uiterste einde van het offer-spectrum staat echter alles wat we menen te moeten geven of doen om te mogen ontwaken. Merk je verslaving maar eens op dat je echt nog iets moet doen (stil worden, mediteren, studeren, begrijpen) om te liefde weer te mogen ervaren. Ook van die boze God die ons zou willen straffen zijn we nog lang niet af. Onbewust geloven we dat we lichamelijke ongemakken verdienen, van pijntjes, psychische problemen, slapeloosheid, kanker tot aan de dood. Ook hierin blijven we halsstarrig geloven, juist omdat we het onbewust nodig menen te hebben om de ik-illusie overeind te houden.

Dus vandaag het goede nieuws, werkboekles 343:

Er wordt van mij geen offer gevraagd
Om Gods genade en vrede te vinden.

Het einde van lijden kan geen verlies zijn. De gave van alles kan alleen maar winst zijn. U geeft alleen. U neemt nooit weg. En U hebt mij geschapen om zoals U te zijn, dus offeren wordt voor mij even onmogelijk als voor U. Ook ik moet geven. En zo wordt alles mij voor eeuwig en altijd gegeven. Zoals ik werd geschapen, zo blijf ik. Uw Zoon kan geen offer brengen, want hij moet compleet zijn, omdat hij de functie heeft U compleet te maken. Ik ben compleet omdat ik Uw Zoon ben. Ik kan niet verliezen, want ik kan alleen maar geven, en alles hoort mij toe, in alle eeuwigheid.

De genade en de vrede van God zijn vrij. Verlossing kent geen prijs. Ze is een geschenk dat slechts vrij gegeven en ontvangen kan worden. En dit is wat we vandaag willen leren.

“Snappen” van de Cursus

snappen we het nogDe woorden die de Cursus gebruikt om ons te helpen om te ontwaken uit de droom kunnen wat grotesk lijken en niet helemaal meer van deze tijd. Een paar voorbeelden hiervan zijn woorden als God, zonde en schuld. Zo ging het gisteren in werkboekles 341 over zondeloosheid: Ik kan slechts mijn eigen zondeloosheid aanvallen, en alleen die is het die mij geborgen houdt. Daar zie ik trouwens nog zo’n groot woord staan: “aanvallen”. Als we nog niet zo lang met de Cursus bezig zijn koppelen we in onze denkgeest deze grote woorden met gebeurtenissen die wij zelf ook “groot” noemen, als we er al überhaupt enige feeling mee hebben. Zonde en schuld worden op een grote hoop gegooid en ze komen pas in beeld als we menen dat anderen of wijzelf iets grondig verprutst hebben en daarmee flink wat leed hebben veroorzaakt. Bij een aanval denken we aan verkrachting en moord en in een wat later stadium wellicht ook aan een verbale aanval. Door deze koppeling van grote woorden aan grote gebeurtenissen beperken we de Cursus tot een klein deel van ons leven. Als we gevraagd worden naar voorbeelden komen deze zogenaamd grote kwesties het eerst in beeld. De enorme ruzie met de baas en het schuld gevoel omdat we wilden scheiden van een onmogelijke partner.

Als we langer bezig zijn met de Cursus, of gewoon een snelle leerling zijn die er kennelijk aan toe is, dan beginnen de basistermen van de Cursus steeds breder toepasbaar te blijken. Ze siepelen als het ware steeds dieper onze denkgeest in en blijken toepasbaar op steeds meer aspecten van dat leven van ons en ja, zelfs op elk aspect hiervan. Dit is een vorm van generaliseren in de positieve vorm van het woord. Waar we eerst bij elk van de grote termen ons best moesten doen om er enig gevoel bij te krijgen beginnen nu deze termen te leven en ons dingen te onthullen. En er gebeurt nog iets. Naarmate de grote concepten meer- en een diepere betekenis beginnen te krijgen, beginnen ze elkaar ook steeds meer te raken, te omarmen en één geheel te vormen. Er groeit ontzag voor de opbouw van de Cursus, de samenhang, de wijsheid. Dit is werkelijk een zeer wonderlijk leersysteem.

Dat brengt me bij de werkboekles van vandaag (342): Ik laat op alles vergeving rusten, want zo wordt vergeving mij geschonken. Eerst het grote woord “vergeving”. Ook dit woord wint steeds meer aan betekenis. Eerst besluiten we maar eens om iets minder haatdragend te zijn en wat meer dingen door de vingers te zien. Dan worden we er op gewezen dat deze vorm van vergeven ons subtiel een vals gevoel van superioriteit geeft. Ik zou moreel verhevener zijn dan jij en in mijn grote goedheid scheid ik jou je schuld kwijt. Eigenlijk moet jij me nu eeuwig dankbaar blijven en lezers met een klassiek Christelijke achtergrond zullen nu terugdenken aan de dankbaarheid die we God verschuldigd zijn omdat hij zijn zondeloze zoon voor ons aan het kruis heeft laten nagelen. Vervolgens de verontwaardigde noodkreet: “moeten we dan alles maar door de vingers zien? Er is toch gewoon kwaad in de wereld dat niet zomaar vergeven en vergeten mag worden?” De verwarring kan compleet worden als we dan menen te begrijpen dat het eigenlijk allemaal onze eigen schuld is omdat we iets aan het projecteren zijn. Een dierbare medestudente mailde me in dit verband het volgende:

“Hoe waar en wie moeten we vergeven. Of moeten we gewoon zeggen ‘ze bestaan niet’. Dit kan ik volledig niet plaatsen en kan mij zwaar van streek brengen, in die zin, dat alles wat ik in de cursus geleerd heb, klaar is voor de vuilbak. Dit stuk klopt gewoon niet.”

Een hartenkreet die me raakt en toch zo moeilijk één, twee drie te beantwoorden is. Want dit brengt me terug bij m’n inleiding. We kunnen namelijk niet met de kleine betekenis van woorden als vergeving, schuld en projectie een sluitende redenering bedenken waarvan ons, evenzeer beperkte verstand, zegt: “oh ja, logisch. Nu laat ik het rusten, niks aan de hand meer”. We mogen verontwaardigd zijn, boos en verward maar een mooi verhaaltje wat logisch klinkt zal hier niks aan veranderen. Uitleg kan ons een stukje op weg helpen, ons als het ware voorsorteren om op een andere manier te gaan luisteren. Of liever gezegd, om ons oor bij een andere Bron te luisteren te leggen. De verontwaardiging mag gevoeld worden, nee, moet gevoeld worden. De boosheid op de Cursus en op God moeten ook gevoeld worden willen ze door ons gezien en erkend worden. We mogen midden in onze verontwaardiging gaan staan maar dan komt de belangrijke vraag: waarvan verwachten wij het antwoord? Verwachten wij in één keer rust te vinden in een gammel bouwwerkje dat aan elkaar hangt van door ons nog niet helemaal begrepen concepten? Of kunnen we Hulp vragen op een stille manier om te ontdekken wat deze boosheid met ons doet, waartoe we boos zijn en zelfs waarom we onbewust zo graag vasthouden aan deze boosheid. Het is onze verslaafdheid aan verontwaardigd zijn en boos zijn die maakt dat we maar zo langzaam kalmeren. Kunnen we dat bij ons zelf leren zien, leren voelen. Hoe zou het zijn om Zijn onvoorwaardelijke liefde ook naar de zogenaamde daders te laten stromen?

En dan dat gekke wonder. Als we bereid zijn onze sleutel te gebruiken, de sleutel van vergeving, dan gaat de zware deur van onze boosheid een heel klein beetje open. Vanzelf komt er dan een beetje licht door dat voorzichtig straalt naar zogenaamd slachtoffer en zogenaamde dader. Door dit (door)geven van licht wordt een gek principe van de Cursus duidelijk. Geven en ontvangen zijn één. Middel en doel zijn één. Door voorzichtig te vergeven, door voorzichtig liefde te geven mag je ontdekken dat je liefde bent. Pas dan verdwijnt er iets van de hardheid, de boosheid. Het kleine rare woordje “vergeven” komt tot leven!

Les 342

Ik laat op alles vergeving rusten,
Want zo wordt vergeving mij geschonken.

Ik dank U, Vader, voor Uw plan mij te verlossen uit de hel die ik heb gemaakt. Hij is niet werkelijk. En U hebt mij het middel verschaft om zijn onwerkelijkheid aan mij te bewijzen. De sleutel ligt in mijn hand, en ik heb de deur bereikt waarachter het eind van dromen ligt. Ik sta voor de Hemelpoort, en vraag me af of ik naar binnen zal gaan om thuis te zijn. Laat ik vandaag niet opnieuw dralen. Laat me alles vergeven en laat de schepping zijn zoals U haar wilt en zoals ze is. Laat ik me herinneren dat ik Uw Zoon ben, en als ik deze deur uiteindelijk open, laat me dan in het schitterende licht van de waarheid alle illusies vergeten, terwijl de herinnering van U tot mij terugkeert.

 Broeder, vergeef me nu. Ik kom tot je om jou met mij mee naar huis te nemen. En terwijl we gaan, gaat de wereld met ons mee op onze weg naar God.

Slachtoffer of dader?

verkoudenM’n vrouw is snip verkouden. Dat is niet bevorderlijk voor haar nachtrust en evenmin voor de mijne. Vanmorgen dacht ik aan dat kleine rot virusje dat ons in deze winterse dagen hoestbuien, een kop vol snot en een gevoel van malaise kan geven. Natuurlijk vind ik het nu zielig voor m’n vrouw maar eerlijk gezegd zie ik ook op tegen het onvermijdelijke gevolg waarbij het virusje zich ook een weg naar mijn lichaam zal weten te vinden. Iets vroeger dan normaal las ik vanmorgen de toepasselijke werkboekles 340: Vandaag kan ik vrij van lijden zijn. Deze les ligt in het verlengde van les 338 “Ik ondervind uitsluitend de gevolgen van mijn gedachten” en les 339 “Ik zal ontvangen wat ik maar vraag”. In deze lessen klinkt de kernwaarheid van de Cursus door: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie”.

Tja, hoe moet ik dit nu zien in het licht van die schijnbaar onvermijdelijke verkoudheid? Een eerste reactie kan bestaan uit een hartelijk weglachen van deze neiging tot hypochondrie. Want waar heb ik het over als ik ons virusje relateer aan de kanker waar zoveel mensen mee worstelen en het geweld en de oorlogen die we op tv zien? Met deze gedachtegang raken we direct aan een principe van de Cursus. Er is geen rangorde in wonderen en daarmee ook niet in de ellende waarvan we denken dat deze ons overkomt. De kern van de zaak blijft hetzelfde. In alle situaties, of we die nu aanstellerij of een ramp noemen, menen we dat we een slachtoffertje zijn van iets dat ons tegen onze wil in overkomt.

Terug naar de drie werkboeklessen die ik citeerde. Hier reageert het ego namelijk steevast op dezelfde manier op. De manier van redeneren is ongeveer als volgt. “Aha, als deze ellende me niet overkomt dan is er maar één andere conclusie mogelijk: ik doe het mezelf aan. Jeetje wat stom! Laat ik er maar zo snel mogelijk mee stoppen. Waarom lukt dat nou niet? Ben ik nou zo stom of snap ik het niet? Het is nu eigenlijk allemaal mijn eigen schuld”.

Het ego scheert hiermee vlak langs de waarheid maar mist deze toch omdat het slechts één van de twee volgende uitkomsten wil accepteren: ik ben slachtoffer en, als dit niet klop, dan ben ik de schuldige dader. Tijdens bijeenkomsten en in de Facebook groepen is er steevast wel een broeder of zuster die onze ego-gedachtegang helder voor ons uitschreeuwt: “wil je beweren dat het de eigen schuld is van die uitgehongerde kindjes?” De Cursus, als symbool van God, wordt hiermee weer vervormd tot een monsterlijk en kwaadaardig gedrocht. Dit kan toch niet waar zijn? De spiegelbeeldige tegenhanger komt overigens dan ook voorbij. Als er geen schuld ligt in de boze buitenwereld dan betekent dit dat een man als Hitler niets te verwijten valt. Daarmee zijn dus alle Joodse slachtoffers plotseling daders van hun eigen ellende. Ik kan nog wel even doorgaan met het opsommen van onze ego-reacties, aan voorbeelden geen gebrek.

Deze reactie hoeven we overigens niet te veroordelen als een broeder of zuster zo eerlijk is om deze als aanklacht tegen de Cursus uit te schreeuwen. Misschien hebben we zelf vanuit een soort gezapige Cursus-correctheid deze authentieke schreeuw wel gesmoord in prettig klinkende affirmaties. Laat die rauwe vraag maar gewoon toe. Waarom overkomt deze ellende mij en, als het slechts mijn eigen projectie is, waarom doe ik dan zo stom en kan ik er niet mee ophouden?

Het kan ons helpen om nu terug te grijpen naar de metafysica van de Cursus. Want wat is de basisgedachte? Dat we als Zoon van God in feite één zijn met onze Schepper, dat we onbegrensde liefde zijn. Maar welke droom verkiezen we te dromen? De droom dat we afgescheiden zijn, een ikje met grenzen die we echt kunnen ervaren. Maar dan helpt het helemaal niet als we als Zoon om ons heen kijken en alleen maar onze Vader zien die ons lachend en liefdevol met open armen altijd opwacht. Nee, we moeten de denkbeeldige deur uit en op weg naar een boze wereld waarin we ons, jawel, slachtoffer of dader kunnen voelen. Jammer dat deze deur er in werkelijkheid niet is. Nou, dan projecteren we die maar. Dat projecteren doen we vanuit die onverdeelde, ene denkgeest waarin alleen liefde heerst. In de onechte droom die we projecteren kunnen we ons een ikje voelen. Om deze droom in stand te houden kunnen we als ikje slechts kiezen uit twee opties: ik wil slachtoffer zijn of dader. Als ikje binnen de droom kan ik helemaal niks met de waarheid dat deze twee rollen geen van beiden tot het domein van de werkelijkheid behoren. Want wat gebeurt er als ik beide rollen kan vergeven door de liefde weer de droom binnen te laten stromen. Precies, dan word ik wakker. En dat wilde ik dus juist niet, anders was ik nooit begonnen met deze droom!

Zie je het gebeuren? Als we denken dat we niet langer slachtoffer zijn van de verkoudheid maar de dader hiervan dan geloven we nog steeds in de macht van dat ikje. Of juist in de onmacht, dat doet er niet toe, zolang we maar geloven in dat IKJE. Maar die hele droom klopt niet en we kunnen er onszelf niet aan onze haren uittrekken. Er is maar één waarheid die dat spartelende ikje kan kalmeren. Een uitstrekken naar de Vader, naar de bron, naar de liefde waar we in waarheid nog steeds grenzeloos mee verbonden zijn. Dus eindig ik met het eind van les 340:

“Wees blij vandaag! Wees blij! Er is vandaag geen ruimte voor iets anders dan blijdschap en dank. Onze Vader heeft deze dag Zijn Zoon verlost. Er zal niemand van ons zijn die vandaag niet zal worden verlost. Niemand die in angst zal blijven, en niemand die de Vader niet om Zich heen zal scharen, ontwaakt in de Hemel, in het Hart van de liefde”.

 

De waarneming vergeven

zintuigenDe Cursus is in elke werkboekles radicaal non-duaal. Vandaag komt in les 336 de onuitsprekelijke waarheid wel heel dichtbij. Met de titel van de les kunnen we nog wel uit de voeten: “Vergeving laat me weten dat denkgeesten verbonden zijn”. Ach ja, ik voel me inderdaad wel verbonden met een boel mensen. In feite hebben we het allemaal moeilijk en doen we op onze eigen wijze ons best om er iets van te maken. Maar de les gaat verder: “Vergeving is het aangewezen middel om waarneming te beëindigen”. We lopen dan tegen termen aan als “waarneming” en “kennis” en zeker als we relatief kort met de Cursus bezig zijn raken we hier de draad en de betekenis een beetje kwijt.

Het is nog relatief veilig voor ons geloof in ons ikje om te blijven hangen in pogingen om onszelf een beetje verbonden te voelen met anderen. Hier is niks mis mee en het vergeven van vervelende broeders en zusters kan de eerste en laatste “oefening” zijn voor ontwaken. Jezus leidt ons in de Cursus niet voor niks terug naar de betekenis van het vergeven van denkbeeldige anderen in onze speciale relaties. Langzaam maar zeker beginnen we te snappen dat het woord “speciaal” in de Cursus ons niet zo enthousiast maakt als hetzelfde woord in de betekenis die wij er gewoonlijk aan geven. Want kort door de bocht is het speciaal in de Cursus een synoniem voor een ordinaire koehandel waarbij we proberen te voorkomen dat we klappen krijgen en er naar streven om van zoveel mogelijk mensen een aai over de bol te mogen ontvangen. Nee, het doel van de Cursus is de heilige relatie en ook hierbij blijven we makkelijk denken aan de relatie tussen twee mensen. Maar het gaat verder.

De Cursus brengt ons vandaag naar de relatie die we menen te hebben met alles wat we menen waar te nemen. Niet alleen de relatie die we menen te hebben met andere mensen maar de relatie die we menen te hebben met een tafel, een geluid dat we horen, een gevoel dat we voelen, een gedachte die we opmerken en met onze koude handen die we in de winter voelen. Kortom: de les van vandaag gaat over waarneming. Praten hierover trekt ons gemakkelijk naar ons hoofd en we kunnen ons werkelijk suf gaan piekeren. Dat effect had het lang op mij en ik ben wel eens na een uurtje geluisterd te hebben naar Tony Parsons de zaal uitgelopen om gewoon te gaan wandelen in Amsterdam. Dit zegt niks over de Cursus of over Tony maar over genoemde neiging om met ons hoofd aan de slag te gaan.

Dus nu terug naar waarneming. Voel nu eens voor de verandering dat bij elke waarneming die plaats vindt direct een bijverschijnsel optreedt. Zodra je iets ziet, hoort, ruikt, voelt of wat dan ook dan is daar de stilzwijgende conclusie: IK neem iets waar. Neem even de tijd om dit heel direct, zonder piekeren gewoon op te merken. Meer niet. Hé ja; ik merk dat ik inderdaad nu geloof dat IK woorden lees. Zie je het? Het is als het ware een package-deal: elke waarneming komt met als bijwerking met dat geloof in afgescheidenheid; een ik die iets waarneem. Toch even een metafysische opmerking: de Cursus leert ons dat juist hiertoe de denkgeest heeft besloten om de illusie van een wereld van tijd en ruimte te maken. Allemaal met als doel om precies deze illusie te maken: ik neem iets waar.

En nu? Krampachtig proberen hiermee te stoppen? Ha, ha; gefopt. Hiermee draai je jezelf verder het drijfzand van de illusie in. Nu is er zogenaamd niet alleen een ikje ontstaan maar kan dat ikje ook nog eens stevig aan de slag. Rustig blijven nu. We lezen verder:

“Vergeving vaagt alle vervormingen weg en opent het verborgen altaar voor de waarheid. Haar lelies zenden hun licht de denkgeest in en roepen die op terug te keren en naar binnen te kijken, om te vinden wat hij tevergeefs buiten zich heeft gezocht. Want hier, en hier alleen, wordt innerlijke vrede hervonden, want dit is de woonplaats van God Zelf”

Zie je dat, de Cursus spreekt nu over het vergeven van onze waarnemingen. Het vergeven is dus niet beperkt tot die vervelende broeder maar breidt zich uit tot onze waarneming. Hier smelten metafysica en werkboeklessen samen tot één universele ervaring: zodra we opmerken dat een waarneming bedoeld is om de ik-illusie te bestendigen dan mogen we hier gewoon bij stil staan. Vergeving is geen “doen” maar opmerken en dan.. Dan ons God, Liefde, Eenheid herinneren en het hier van verwachten. Wat moeten we dan verwachten? Niets, laat het open. Rust in die constatering dat je denkt een ikje te zijn dat iets waarneemt en stel je dan gewoon in vertrouwen open.

We kunnen hierbij op een angst stuiten. Ons ego zal ons influisteren dat bij het opgeven van het geloof in een ikje dat iets waarneemt we zullen verdwijnen, lees: sterven. Het is niet voor niks dat we liever jarenlang veilig blijven spelen met het vergeven van andere mensen om ons een beetje verbonden te kunnen voelen met hem. Nogmaals, niks mis mee maar het gaat verder. Veel verder. Want bij het vergeven van onze waarneming samen met Hem, met het loslaten van geloof in een ikje zullen we niet sterven. Er zal dan pas sprake zijn van Kennis. Van het inzicht dat we Gods schepping zijn. We zijn er wel degelijk, één met Hem, niet als ikje maar als de Heilige Zoon. Ons rationele ikje grijpt, grabbelt, probeert de boel op een rijtje te krijgen. Maar dit is geen raadsel dat opgelost moet worden door een denkend ikje maar een mysterie dat geleefd mag worden. De les sluit af met een gebed:

Moge vergeving in stilte mijn dromen van afscheiding en zonde wegwissen. Vader, laat me dan naar binnen kijken en ontdekken dat U Uw belofte omtrent mijn zondeloosheid gehouden hebt; dat Uw Woord onveranderd blijft in mijn denkgeest, en Uw Liefde nog altijd woont in mijn hart.

Het conflict aangaan

OLYMPUS DIGITAL CAMERADe werkboekles van vandaag gaat over het beëindigen van conflicten: WB333: “Vergeving beëindigt hier de droom van conflict”. Aanvankelijk kunnen we een erg beperkte voorstelling hebben van wat de Cursus bedoelt met een conflict. In de meest beperkte zin is het een situatie waarin je het niet eens bent met iemand anders. Dit kan dan binnen de illusie variëren van het een kleine ergernis omdat iemand je laat wachten tot het bedenkelijke niveau waarbij Donald Trump vindt dat een andere bange man in Noord Korea niet dezelfde verschrikkelijke wapens mag hebben als hijzelf.

Maar de betekenis van het woord conflict gaat veel verder. Iedere identificatie van ons met iets dat een vorm lijkt te hebben in tijd en ruimte is op te vatten als een conflict. Probleem van zo’n erg abstracte formulering is dat het niemand meer aanspreekt. Haal het iets dichter bij door te beseffen dat dit alles is waar je als ikje, als denkbeeldig afgescheiden wezentje, mee te maken denkt te hebben. Dus niet alleen tegenspoed in de wereld maar ook pijntjes, piekeren en nare gevoelens. Nu moet ik het nog iets preciezer zeggen want al deze ongein is in wezen neutraal totdat.. Totdat er ergens een besluit genomen wordt dat het niet oké is. Daarin zit het conflict: de vaststelling dat iets wat je ervaart niet oké is en echt moet veranderen. Deze onvrede dus. En zelfs als je zou willen besluiten om niet langer ontevreden te zijn dan nog zit je al in de mindfuck.

En dan komt werkboekles 333 met grote kracht aan het woord:

“Een conflict moet worden opgelost. Je kunt het niet vermijden, opzij schuiven, ontkennen, vermommen, elders zien, anders noemen of door enige vorm van misleiding verbergen, als je eraan ontsnappen wilt. Het moet precies gezien worden zoals het is, daar waar je denkt dat het is, in de werkelijkheid die eraan gegeven is en met het doel dat de denkgeest eraan heeft toegekend. Want alleen dan worden zijn verdedigingen opgeheven en kan de waarheid haar licht erover laten schijnen terwijl het verdwijnt.”

Het is goed om heel goed tot je door te laten dringen wat hier staat of, om te beginnen, wat hier niet staat. Hier staat niet dat je overhaast moet concluderen dat alles maar een droom is die je snel naast je neer mag leggen omdat je dat meent te begrijpen vanuit de Cursus. Hier staat ook niet dat je maar zo snel mogelijk een positief klinkende werkboekles moet reciteren om de ellende zo snel mogelijk kwijt te raken. Want oh, wat is dit toch wat we graag willen. Let maar eens op je eigen verlangen en enthousiasme als plotseling iemand zich uit de anonimiteit verheft en zegt: “Ja, nu zie ik het. Alles viel plotseling op z’n plaats op 29 november 2017 en alle angst viel in één keer van me af. Vanaf nu geef ik bijeenkomsten waar ik andere zal leren hoe ze deze verlichting ook kunnen bereiken”. We willen direct op de voorste rij gaan zitten. En nu moet ik oppassen. Ik beweer dus niet dat er geen liefdevolle leraren zijn waarvoor dit daadwerkelijk geldt. Maar m’n punt is om je bewust te maken van je verlangen om ook deze extatische staat te bereiken die we aanduiden met het woord “verlichting”.

Ik zag onlangs Paul Smit op de tv die een heerlijk antwoord gaf op de vraag: ben je verlicht? “Nee, maar het is wel fijn het leven als lichter te ervaren”. Prachtig. Maar zie de hunkering naar die verlichting, naar die lichtere vorm van leven, maar gewoon als een signaal. Voel heel precies die omslag van het ervaren van een rot gevoel naar de wens om hier zo snel mogelijk vanaf te komen. Glimlach gewoon om deze neiging om weg te lopen voor dat wat zich in het ogenblik aandient. Kies dan nogmaals, maar kies niet direct voor de vlucht naar verlichting door bijvoorbeeld het affirmeren van een Cursus-tekst. Daal eerst open en onderzoekend of in datgene waarvan je eigenlijk wilt wegrennen. Dat voelt gek om te doen, onnatuurlijk haast. Nogmaals: Het moet precies gezien worden zoals het is, daar waar je denkt dat het is, in de werkelijkheid die eraan gegeven is en met het doel dat de denkgeest eraan heeft toegekend. Hier helpt een beetje besef van de metafysica van de Cursus. Onze denkgeest heeft klaarblijkelijk een doel met de identificatie met de ellende. Ons verborgen doel is het vastklampen aan de “zonde” (het geloof in afscheiding) door onbewust ellende te projecteren die langs deze heilloze weg ons waanidee van een slachtoffer “ikje” in de grote boze buitenwereld bevestigt. Dat lijken droge woorden maar probeer er gevoelsmatig de vinger op te leggen. Voel dat je gehecht bent aan de illusie van ik-versus-de-rest/wereld/ellende. Daal in dat gevoel af als iemand die aan een touw afdaalt in een donkere grot. Niet zwelgend en buitelend vol zelfbeklag maar wakker en onderzoekend. Nieuwsgierig haast. Probeer het hele plaatje te absorberen: je ideeën erover maar vooral je gevoelens en je neiging om weg te vluchten. Zie die neiging en doe het niet. Kijk het schijnbare monster recht in de ogen en dan… Ja, dan pas volgt die laatste verlossende zin: “Want alleen dan worden zijn verdedigingen opgeheven en kan de waarheid haar licht erover laten schijnen terwijl het verdwijnt.” Dan kan de boel weer gaan stromen. Dan kan het licht weer door je heen schijnen. Dan kan er een spontane actie komen die een totaal andere kwaliteit heeft dan onze verkrampte pogingen er zelf iets van te maken. Dus dankbaar mag ik eindigen met het gebedsdeel van de werkboekles:

Vader, vergeving is het licht dat U gekozen hebt om alle conflict en twijfel weg te schijnen en om het pad te verlichten van onze terugkeer naar U. Geen ander licht dan dit kan een eind maken aan onze boze droom. Geen ander licht dan dit kan de wereld verlossen. Want dit alleen zal nooit en in geen enkel opzicht falen, omdat het Uw gave is aan Uw geliefde Zoon.

 

 

Onbewust duaal

hemel openDe Cursus komt ons tegemoet in de droom waarin wij ons menen te bevinden. Iets anders is ook niet mogelijk. We mogen blije studenten zijn en dagelijks onze werkboeklessen doen. Dit is niet fout, zondig of stom maar zo af en toe kan het verfrissend zijn om ons het non-duale karakter van de Cursus weer even te herinneren. In ons geloof in een duale werkelijkheid gaan we uit van de vanzelfsprekendheid van een ikje dat ergens mee bezig is, in dit geval dus de Cursus. We zijn er zo aan gewend aan te nemen dat de uitgangssituatie is: ik doe de Cursus. Vanuit deze aanname kunnen we denken dat we vorderen of juist niet. We kunnen menen dat we “het” langzaam maar zeker leren te begrijpen zonder in de gaten te hebben dat er ook hierbij een ikje is die iets zou kunnen ‘grijpen’ en als zijn waarheid of inzicht zou kunnen koesteren.

Een ikje dat ouder wordt, iets leert, nog wat tijd nodig heeft, nog steeds lijdt en verlichting hiervan zoekt. “Wij” kunnen als ikje niet over onze eigen schaduw heen springen en daarmee stoppen met al onze pogingen om de non-duale werkelijkheid weer te vervormen tot een duaal concept. Maar toch. Een stapje in de goede richting, wat dus helemaal niet kan maar goed, is de erkenning dat we ons als werkend ikje alleen maar dieper de illusie in draaien en besluiten om hulp te vragen aan God, Jezus of de Heilige Geest. Hiermee zorgen we tenminste voor een zeker kortsluiting in het eindeloze circuit van ons ego. Toch is ook dit niet meer dan een tussenstap op de weg waarnaar geen stappen leiden. Want heel snel verliezen we uit het oog dat ook bij denkbeeldige overgave aan zo’n heilige entiteit er sprake blijft van geloof in een duale werkelijkheid. In feite doen we hetzelfde als alle aanhangers van de monotheïstische religies gedaan hebben; we plaatsen God op een voetstuk en willen ons, in meer of mindere mate, aan Hem onderwerpen om hier profijt van te hebben.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de werkboekles van vandaag (331): Er is geen conflict want mijn wil is die van U. Merk eens op hoe zeer we geneigd zijn om hier snel ja tegen te zeggen en weer over te gaan tot de orde van de dag. Er blijft zoiets hangen als “ja, ik moet net als God ook wat meer liefde willen. Goh, wat lijken we toch op elkaar”. Zo interpreteren wij “het delen van Gods wil”; een ikje dat ongeveer hetzelfde wil als God.

Wij hebben echter vanuit ons kleine ikje, met ons kleine willetje, totaal geen idee van wat het Heilige Geheel Wil. Want daar praten wij over. Wij willen ons wat beter voelen, liefst wat extatisch. Ikke, ikke ikke en de rest..? Want wat zou het Absolute, de Heilige Eenheid nu echt willen? Wat is binnen de droom echt behulpzaam voor het geheel en niet alleen voor ons? Is het echt het beste voor iedereen als ik zo snel mogelijk klachtenvrij word of is er een hoger perspectief van waaruit geweten wordt dat ik hiermee slechts tevreden verder slaap en droom? Ergens staat dat wij met ons willetje een mugje zijn dat schreeuwt tegen het heelal. We zijn een uitademing in de storm, een flikkerend kaarsje naast de zon. En dan heb ik het over dat ego-ikje. Want onze ware Wil is van een orde waar we ons in de verste verte geen voorstelling van kunnen maken. Iets van de eerbied van de klassieke gelovigen zou ons goed doen. Geen eerbied om onszelf klein te maken maar eerbied met kwaliteiten als sprakeloosheid, verwondering en grenzeloze verbaasdheid over die oneindige Liefde.

Maar dan de in de ogen van klassiek gelovigen blasfemische waarheid: dit oneindige wonder, dit zijn wij als Zoon van God, als Christus. Geschapen en toch onlosmakelijk van onze Vader. Dit is de oneindige Liefde waar we de ogen naar mogen opslaan vanuit onze identificatie met ons ikje. Dit is ons ware Zelf en dan is daar dat ongelofelijke inzicht; het zelfje biedt zich vol vertrouwen aan…aan Zichzelf. Niet aan een God buiten zichzelf. Als hier een glimp van mag dagen. Dat er slechts één denkgeest is waarbinnen dit gebeurt. Het is de “collaps”, de ineenstorting van het duale wereldbeeld. God die zijn eigen Zoon “offert”, de wereld met Zichzelf verzoenende. Maar dan offeren in de zin van het totaal doorzien van de illusie, een openen van de hemel, een scheuren van het wandkleed in de tempel, de totale terugkomst van de Zoon in de schoot van de Vader.

Jezus liet ons zien dat dit onze wegloze weg is. Wij mogen ook zo kijken naar de ogenschijnlijk afgescheiden mensen om ons heen, onze broeders en zusters en ook door de vorm heen kijken naar Christus die ze zijn; in eenheid verbonden met ons. Ook wij mogen woordeloos gaan ervaren dat middel (vergeven, het laten stromen van Liefde) en doel (onze Identiteit als Liefde hervinden) één zijn.

Ik besef dat bovenstaande woorden armzalige pennenstreken zijn om het wonderlijke en het voor ons beperkte denken onkenbare te schetsen. Dus sluit ik af met het citaat uit de Cursus die we onszelf vanuit het Christus-Zijn ieder moment geven:

Les 331

Er is geen conflict, want mijn wil is die van U.

Hoe dwaas, Vader, te geloven dat Uw Zoon de oorzaak van zijn eigen lijden zou kunnen zijn! Zou hij een plan kunnen maken voor zijn verdoemenis en achtergelaten worden zonder een zekere weg naar zijn bevrijding? U hebt mij lief, Vader. U zou me nooit eenzaam achter kunnen laten, om te sterven in een wereld van wreedheid en pijn. Hou zou ik kunnen denken dat Liefde Zichzelf verlaten heeft? Er is geen andere wil dan de Wil van de Liefde. Angst is een droom en heeft geen wil die in conflict kan zijn met die van U. Conflict is slaap, en vrede is ontwaken. Dood is een illusie, leven eeuwige waarheid. Er is geen verzet tegen Uw Wil. Er is geen conflict, want mijn wil is die van U.

Vergeving laat ons zien dat Gods Wil Eén is en dat wij die delen. Laten we kijken naar de heilige taferelen die vergeving ons vandaag laat zien, zodat we de vrede van God mogen vinden. Amen.