
Vanmorgen las ik in de FB groep ECIW-coach de volgende vraag:
“Kan je zeggen dat het ik- gevoel” wat er iedere keer is als ik in de ochtend wakker word de kern is van alle problemen? En verdwijnt dat ik-gevoel geleidelijk als het doorzien wordt ?”
Deze vraag raakt één van de grootste mysteries van non-dualiteit. Ik besef dat ik soms spreek over dit ik-gevoel als de grote boosdoener maar dat is wat te kort door de bocht. De Cursus zegt dat woorden en taal slechts symbolen zijn van symbolen. Het zijn niet meer dan richtingaanwijzers naar dat wat we ten diepste zijn en waar geen woorden meer voor zijn. Als ik iets preciezer probeer te wijzen dan krijg ik het volgende:
Het ik-gevoel op zich is noch goed noch kwaad, net zomin als het lichaam. Het gaat in de Cursus altijd om de betekenis die we ergens aan geven. De Cursus geeft aan dat wij het lichaam zien als symbool voor de afscheiding die niet nooit heeft plaatsgevonden. Deze betekenis kunnen we herzien, vergeven dus, waardoor het besef van onze ware identiteit, Kind van God verbonden in Liefde met onze Vader, weer kan dagen. Omdat we bij de term “lichaam” de neiging kunnen hebben om slechts te denken aan ons fysieke lichaam, trek ik de term dikwijls breder en spreek ik over “ik-gevoel”. Deze term wordt niet in de Cursus gebruikt maar “geloof in speciaalheid” is ongeveer hetzelfde. Mijn bedoeling is om ook de identificatie met een denkbeeldige emotioneel- en spiritueel afgescheiden identiteit in te sluiten, dus om het, zoals gezegd, breder te trekken dan alleen de identificatie met mijn 80 kilogram.
In het boek “A Course of Love” gaat Jezus uitgebreid in op dit fenomeen van er wel zijn als Zoon van God maar niet als speciaal ikje. Wat mij hierin helpt is dat alles wat we hier in de droom doen en proberen, gezien kan worden als een soort oefeningen om te vergeven en verlossing te ervaren. Op onze onbeholpen manier zoeken we ook in onze illusoire wereld naar “verbinding” door pijn te vermijden en knuffels na te streven. Dit is in engere zin een voorafschaduwing van ons streven naar de hereniging met God, met Liefde. Dit “kleine” streven van ons binnen de illusie hoeven we niet met geweld in de kiem te smoren. We hoeven niet als asceet te gaan leven noch ons af te zonderen op de Himalaya. Als we immers het gevecht willen aangaan met dat ik-gevoel dan wordt de illusie alleen maar heftiger en treedt er een soort schizofrenie op. Als we echter zien dat we slechts geloven in een deel van het geheel en dit vergeven door de leiding terug te geven aan het Goddelijke Geheel dan treedt er geen verkramping maar verruiming op. Het oplossen van het geloof in onze lichaamsgrens. Geen angst maar vreugde en vrede. Dit helpt ons op weg naar de hemelpoort; nog steeds binnen de droom maar “as far as we can get”. Van de Hemel, de non-duale werkelijkheid, kunnen we ons met onze illusoire en door tijd en ruimte begrensde hersentjes geen voorstelling maken. We zijn er wel, maar niet afgescheiden en ook niet dood maar springlevend.
Als aan een Tony Parsons wordt gevraagd wie dat dan opmerkt dan zegt hij zoiets als “it is seen by nobody”. De Cursus geeft aan dat wij vanuit ons geloof in speciaalheid niet kunnen streven naar deze eenheid, naar Liefde. De liefde is er al en dat streven van ons is een aperte ontkenning van de eenheid die er al is. We mogen ons wel richten op wat we overduidelijk wél geloven; alles wat we waarnemen en ervaren in de droom. Door dit te vergeven krijgen we als het ware een sneak preview, een glimp van een indruk, van wat “ons” te wachten staat.
Ook in de Cursus wordt gezegd dat God de laatste stap neemt die geen stap is. Dan wordt de illusie gezien door ons Zelf, door de Christus die we Zijn. We moeten dit dus niet duaal opvatten door te denken dat er een oude knorrig baas besluit dat het nu wel welletjes is en ons de beloning geeft. Nee, wij Zelf, ons Christus-bewustzijn besluit zichzelf niet langer te foppen door te blijven geloven in afgescheidenheid. Vanaf het kruis roept Hij: in Uw handen beveel ik mijn geest. Hier schieten woorden nu echt te kort en we worden opgeroepen dit maar even te laten voor wat het is. Soms mogen we binnen ons leven iets meemaken wat de Cursus omschrijft als “openbaring”. Dit is een hoogst persoonlijke ervaring die onbeschrijflijk is en toch niet iets dat speciaal is of wat ons speciaal zou maken. Ik sluit graag af met het volgende citaat uit het werkboek (tussen 350 en 351):
- Wat ben ik?
Ik ben Gods Zoon, compleet, genezen en heel, stralend in de weerspiegeling van Zijn Liefde. In mij is Zijn schepping geheiligd en van eeuwig leven verzekerd. In mij is de liefde vervolmaakt, angst onmogelijk en vreugde gegrondvest zonder tegendeel. Ik ben de heilige woning van God Zelf. Ik ben de Hemel waar Zijn Liefde huist. Ik ben Zijn heilige Zondeloosheid zelf, want in mijn zuiverheid woont de Zijne.

Gisteravond belde PostNL aan met slechts één doos wijn onder de arm in plaats van de bestelde twee dozen. “Hé, weet u zeker dat u maar één doos voor me heeft?” Jawel, de natgeregende bezorger wist het zeker en sprong weer snel in zijn bestelbus. Getverderrie, heb ik hier misschien een mailtje over gehad? Nee dus. Irritatie. Nou ja, dan zal ik morgenochtend maar even bellen en ik hoop maar dat het geen welles nietes discussie gaat worden want daar heb ik geen zin in maar gelukkig heb ik niks getekend (bezorgdheid = angst). Vervolgens komt daar, zoals zo vaak met enige vertraging, het besef dat ik me onevenredig druk maak om zoiets ‘kleins’. Dit gaat toch helemaal nergens over? Man, doe toch even rustig en verbeeld je toch niet van te voren allerlei dingen en rampscenario’s. Jeetje, dit slaat echt helemaal nergens meer op.

De woorden die de Cursus gebruikt om ons te helpen om te ontwaken uit de droom kunnen wat grotesk lijken en niet helemaal meer van deze tijd. Een paar voorbeelden hiervan zijn woorden als God, zonde en schuld. Zo ging het gisteren in werkboekles 341 over zondeloosheid: Ik kan slechts mijn eigen zondeloosheid aanvallen, en alleen die is het die mij geborgen houdt. Daar zie ik trouwens nog zo’n groot woord staan: “aanvallen”. Als we nog niet zo lang met de Cursus bezig zijn koppelen we in onze denkgeest deze grote woorden met gebeurtenissen die wij zelf ook “groot” noemen, als we er al überhaupt enige feeling mee hebben. Zonde en schuld worden op een grote hoop gegooid en ze komen pas in beeld als we menen dat anderen of wijzelf iets grondig verprutst hebben en daarmee flink wat leed hebben veroorzaakt. Bij een aanval denken we aan verkrachting en moord en in een wat later stadium wellicht ook aan een verbale aanval. Door deze koppeling van grote woorden aan grote gebeurtenissen beperken we de Cursus tot een klein deel van ons leven. Als we gevraagd worden naar voorbeelden komen deze zogenaamd grote kwesties het eerst in beeld. De enorme ruzie met de baas en het schuld gevoel omdat we wilden scheiden van een onmogelijke partner.
M’n vrouw is snip verkouden. Dat is niet bevorderlijk voor haar nachtrust en evenmin voor de mijne. Vanmorgen dacht ik aan dat kleine rot virusje dat ons in deze winterse dagen hoestbuien, een kop vol snot en een gevoel van malaise kan geven. Natuurlijk vind ik het nu zielig voor m’n vrouw maar eerlijk gezegd zie ik ook op tegen het onvermijdelijke gevolg waarbij het virusje zich ook een weg naar mijn lichaam zal weten te vinden. Iets vroeger dan normaal las ik vanmorgen de toepasselijke werkboekles 340: Vandaag kan ik vrij van lijden zijn. Deze les ligt in het verlengde van les 338 “Ik ondervind uitsluitend de gevolgen van mijn gedachten” en les 339 “Ik zal ontvangen wat ik maar vraag”. In deze lessen klinkt de kernwaarheid van de Cursus door: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie”.
De Cursus is in elke werkboekles radicaal non-duaal. Vandaag komt in les 336 de onuitsprekelijke waarheid wel heel dichtbij. Met de titel van de les kunnen we nog wel uit de voeten: “Vergeving laat me weten dat denkgeesten verbonden zijn”. Ach ja, ik voel me inderdaad wel verbonden met een boel mensen. In feite hebben we het allemaal moeilijk en doen we op onze eigen wijze ons best om er iets van te maken. Maar de les gaat verder: “Vergeving is het aangewezen middel om waarneming te beëindigen”. We lopen dan tegen termen aan als “waarneming” en “kennis” en zeker als we relatief kort met de Cursus bezig zijn raken we hier de draad en de betekenis een beetje kwijt.
De werkboekles van vandaag gaat over het beëindigen van conflicten: WB333: “Vergeving beëindigt hier de droom van conflict”. Aanvankelijk kunnen we een erg beperkte voorstelling hebben van wat de Cursus bedoelt met een conflict. In de meest beperkte zin is het een situatie waarin je het niet eens bent met iemand anders. Dit kan dan binnen de illusie variëren van het een kleine ergernis omdat iemand je laat wachten tot het bedenkelijke niveau waarbij Donald Trump vindt dat een andere bange man in Noord Korea niet dezelfde verschrikkelijke wapens mag hebben als hijzelf.
De Cursus komt ons tegemoet in de droom waarin wij ons menen te bevinden. Iets anders is ook niet mogelijk. We mogen blije studenten zijn en dagelijks onze werkboeklessen doen. Dit is niet fout, zondig of stom maar zo af en toe kan het verfrissend zijn om ons het non-duale karakter van de Cursus weer even te herinneren. In ons geloof in een duale werkelijkheid gaan we uit van de vanzelfsprekendheid van een ikje dat ergens mee bezig is, in dit geval dus de Cursus. We zijn er zo aan gewend aan te nemen dat de uitgangssituatie is: ik doe de Cursus. Vanuit deze aanname kunnen we denken dat we vorderen of juist niet. We kunnen menen dat we “het” langzaam maar zeker leren te begrijpen zonder in de gaten te hebben dat er ook hierbij een ikje is die iets zou kunnen ‘grijpen’ en als zijn waarheid of inzicht zou kunnen koesteren.