Stel dat je te maken hebt met iets wat je niet aanstaat. Vanuit de droom geredeneerd kan dat iets buiten je zijn of iets binnen jezelf. Voorbeelden van iets buiten je zijn nare personen of iets ergs dat je op de tv ziet. Voorbeelden van zaken binnen je kunnen nare gevoelens, gedachten of pijn zijn. Probeer vervolgens goed te kijken hoe je reageert op deze negatieve situatie buiten- of binnen jezelf. Zie en erken dat het simpelweg neerkomt op het volgende: wat ik nu ervaar is niet oké en ik wil ervan af.
Doorvoel zo precies mogelijk de spanning die hiermee gepaard gaat. Deze spanning tussen een ikje en een nare situatie waar dat ikje vanaf wil is de kern van de droom van dualiteit. Kun je hier gevoel voor krijgen? En kun je dan ook zien dat het ook niet helpt als jij als ikje vervolgens weer af wilt komen van dat oordelen? Hoe harder je vecht tegen je neiging om te oordelen en ergens vanaf te komen hoe meer je de illusie van een ikje tegen iets ongewensts bevestigt.
Dit hele fenomeen valt ook onder het aanbidden van afgoden. Gewoonlijk denken we bij dit aanbidden van afgoden slechts aan situaties waarin we op de knieën gaan voor iets wat we dolgraag willen hebben zoals geld, macht, sensaties, lichamelijke gezondheid en noem maar op. Dit zijn afgoden waar we wat positiefs van willen hebben, overigens vanuit een geloof in een tekort. Maar we blijken ook macht te geven aan de afgoden van angst, afkeer, ontevredenheid, ziekte, pijn, depressie, slapeloosheid en oorlog. We doen dat door onbewust plechtig te verklaren dat we deze valse getuigen zien als écht en een reëel gevaar voor onszelf.
Als Licht van de wereld, als Zoon van God, zijn we één en onbegrensd. We besluiten echter op elk moment dat we afscheiding willen ervaren en daartoe moeten we de illusie verwekken van een spanningsveld tussen iets waar we vanaf willen en ons denkbeeldige ikje dat hier last van heeft. Natuurlijk geldt voor die zogenaamde positieve afgoden iets soortgelijks. Hier is het de spanning tussen een ontevreden ikje dat meent tekort te komen en dat positieve (geld, genot etc) dat ons zogenaamd zal vervullen.
Hoe kunnen we ooit een begin maken met wakker worden als pogingen vanuit onszelf, vanuit ons ikje, alleen maar de droom bevestigen? In veel wijsheidsliteratuur noemt men de sleutel totale acceptatie en in de Cursus noemen we het vergeving. Als wij echter als ikje deze sleutels van acceptatie of vergeving zelf ter hand willen nemen dan gaan we weer de mist in en versterken we de illusie. Onze motivatie is namelijk onzuiver. Wij gebruiken acceptatie en vergeving als trucs om bijvoorbeeld van iets naars (“buiten” ons of “binnen” ons) af te komen en daarmee hebben we ons hoofd gebogen voor de bedreigende echtheid van de afgod. We hebben namelijk eerst verklaard dat we geloven dat er echt iets serieus met ons aan de hand is en gebruiken dan de truc zodat we ons beter kunnen voelen.
Daarom is er een perspectief verandering nodig, de hulp van de Heilige Geest. Wij doen echter gewoonlijk een beroep op de Heilige Geest om te vluchten van die afgoden die we zo eng vinden en daarmee bevestigen we zogezegd hun echtheid voor onszelf. We kunnen echter de neiging weg te lopen onderkennen en in plaats daarvan blijven staan en ons omkeren. We kijken de afgod recht in de ogen en laten alle gevoelens toe. We kijken slechts zonder oordeel en zonder beweging. Dit zonder oordeel kijken is synoniem met wat we in de Cursus “kijken met de Heilige Geest” noemt. In de Bijbel staat dat we eerst onze zonden moeten belijden. Dit zijn geen zonden in de morele zin van het woord maar zonden in de betekenis dat we de dreiging van de afgoden serieus hebben genomen en onze knie voor hun echtheid hebben gebogen. We erkennen dat we smachten naar hun beloning of naar het ophouden van de straf die ze ons opleggen. Hier is dus eerlijkheid nodig over wat zich in onze denkgeest afspeelt.
Zodra we binnen de droom durven te lijden en de negatieve gevoelens te belijden is er ruimte voor de Heilige Geest, voor de Kracht van het Geheel, om duidelijk te maken dat je niet gekwetst kunt worden door die afgoden. Dan is er ruimte voor het besef dat je geen kwetsbaar lichaam bent. Dan kan het Licht dat je bent, schijnen op de afgoden die je aanbidt en kunnen deze vlamvatten en verteerd worden door dit heilige vuur. Jezus wilde niet dat er bij zijn arrestatie gevochten werd en hij vergaf de mensen die hem kruisigden. Hij keek en wendde zich tot God. In les 62 (3) staat het zo mooi:
Vergeet niet dat je bij elke aanval een beroep doet op je eigen zwakheid, terwijl je telkens als je vergeeft een beroep doet op de kracht van Christus in jou.
Op de middelbare school had ik een goede vriend die bij me in de straat woonde. Laat ik hem even Jan noemen. Jan had een wat vreemde lichaamshouding, was slecht in gym, had een grote bos met krullen en was geen doorsnee jongen. Erg creatief maar helaas een beetje het pispaaltje van de klas. Andere jongens deden hem gekscherend na, lachten hem uit of namen hem in de maling. Het humeur van Jan bleek echter onverwoestbaar en hij legde simpelweg alle spot naast zich neer. Toen al maakt zijn opgeruimdheid indruk op mij. Jan komt bij mij vaak in gedachten als ik me afvraag of ik niet raar ben overgekomen of als deze twijfel is overgegaan in schaamte. Ik merk dat ik dan in eerste instantie de neiging heb om een negatieve conclusie over mezelf te trekken. Zo van: hé, hoe kan ik nou zo stom zijn, hoe kon ik dat toch doen of zeggen. Dit gaat gepaard met negatieve gevoelens die soms vluchtig zijn maar ook lang kunnen blijven hangen.
Enkele decennia geleden was ik nogal geïnteresseerd in eindtijdprofetieën. Ik speurde in de Bijbelboeken en las Nostradamus om erachter te komen hoe de wereld aan haar bloedige eind zou komen. Wie zou er ten strijde trekken tegen wie? Hoe lang zou het allemaal gaan duren? Hoeveel mensen zouden omkomen? Hoe zouden mijn dierbaren en ikzelf er vanaf komen?don Ik las over de opname: gelovigen die vlak voor de grootste ellende weggenomen zouden worden van het aardoppervlak. De meeste voorspellingen waren het er wel over eens dat de ellende zou beginnen in het Midden Oosten.


Afgelopen woensdag ging ik aan het einde van de dag de afvalbak terughalen van de straat. De bewoners van het huizenblok zetten deze bakken aan het einde van de poort op een stukje stoep. Deze keer kon ik de bak niet terugvinden en ik speurde om me heen. Vijftig meter verder op zag ik een stel bakken aan de doorgaande weg staan en ik liep die kant op. Ik passeerde hierbij een oudere buurvrouw, de bewoonster van het hoekhuis, die zonder bak in zichzelf mopperend op de terugweg was. “Ik kan mijn bak ook niet vinden”, zei ik in het voorbijgaan, maar ze liep me voorbij zonder opkijken. Ik trof mijn bak inderdaad wel aan langs de weg en liep terug naar de poort. Daar vond een gesprek plaats tussen dezelfde buurvrouw en een buurman uit een ander huis. De buurvrouw was duidelijk heel nijdig. “Ik zet alle bakken aan de weg”, sprak ze “waarom zetten de bewoners die bakken toch altijd aan het einde van de poort? Als ze deze gewoon een stukje verder zetten dan hoef ik er niet de hele dag tegen aan te kijken!”. Ik was gestopt en hoorde hoe de buurman meeging in haar irritatie. Ik snapte het niet. Al jaren zet iedereen de bak aan het einde van de poort. De buurvrouw kan de bakken onmogelijk zien omdat ze om haar tuin een heg heeft van 3 meter hoog. Ze moet echt naar een bovengelegen verdieping klimmen om vandaaruit de bakken te kunnen zien. En als het al een probleem voor haar was; waarom dan geen vriendelijk briefje bij iedereen in de bus? Ik weet zeker dat de buurtbewoners zonder morren de bak iets verder zouden zetten, zelfs als ze het probleem net zo min als ik zouden begrijpen. De buurvrouw keek hoopvol naar me, op zoek naar bijval. Even overwoog ik bovenstaande gedachten uit te spreken maar ik wist op voorhand dat dit nergens toe zou leiden. Buurvrouw was boos en voelde zich een slachtoffer van de weinig sociale andere bewoners van de buurt. Elk woord dat ik kon bedenken zou olie op het vuur zijn dus ik wenste haar en de buurman een fijne dag verder en bracht mijn bak terug naar huis.
Die ander gaat over mijn grens!
Moet je eens opletten hoe vaak je ontevreden bent over een situatie, over hoe je je voelt of over je gedachten. De situatie is, kortgezegd, niet zoals je wilt. Je voelt je wat somber en je bent liever opgewekt. Je maakt je zorgen en dat vreet aan je. Of er is een wat vaag en algemeen gevoel van onbehagen waar je graag vanaf wilt. Hiermee volledig in lijn is het geloof dat het nu nog niet oké is met je, maar dat het in de toekomst hopelijk wat beter met je zal gaan. Je dient eerst nog wat te oefenen, wat lessen te leren of te groeien en daarna zal je je beter voelen.