De Cursus als sterk medicijn

leve het geneesmiddel

We neigen er naar om wat neerbuigend te kijken naar broeders en zusters met psychosomatische klachten. “Ach, het zit tussen haar oren”, zeggen we bijvoorbeeld en we nemen nog net niet het woord “aanstellerij” in de mond. Het zijn vooral de wat vage klachten die door dit negatieve etiket achtervolgd worden: hoofdpijn, buikpijn, stress en ga maar door. Naast deze psychosomatische aandoeningen hebben we de “echte ziektes en aandoeningen”; een gebroken been, een hartaanval, kanker enzovoorts. Patiënten die aan deze echte ziektes lijden verdienen ons medelijden, onze zorg en een vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraars. Natuurlijk schets ik hiermee de situatie iets te zwart-wit, maar toch. Bottom-line is dat we een aandoening die “van buiten” lijkt te komen serieuzer nemen dan eentje die zijn oorsprong vindt in onze zielenroerselen.

De Cursus voert een pleidooi voor een totaal tegenovergestelde richting. Ons wereldse denken over ziekte wordt in de Cursus gezien als op-zijn-kop-denken. Er wordt uitgelegd dat ons helemaal niets kan overkomen vanuit een boze buitenwereld. We kunnen op geen enkele wijze slachtoffer zijn, zelfs niet van de genoemde harde somatische aandoeningen als een hartaanval, kanker en uiteindelijk zelfs niet van de dood. Alles wat we aan ziektes aan ons lichaam opmerken vindt zijn oorsprong in de denkgeest. Nu ligt de “spirituele” versie op de loer van het veroordelen van psychosomatische aandoeningen. Binnen onze wereldse illusie vinden we mensen met psychosomatische klachten aanstellers, op spiritueel niveau hebben we de neiging om de woorden van de Cursus te verdraaien en te beweren dat onze broeders en zusters zelf schuldig zijn aan hun leed. Dat lijkt geheel in lijn met het idee van projectie vanuit de denkgeest maar ik meen dat iedere lezer wel aanvoelt dat een dergelijke harteloze visie niet echt geboren wordt vanuit liefde. Het veroordelen van onze broeders tot aanstellers of tot zondaren is meer van hetzelfde; ego-taal.

Het klopt dat de Cursus enorm radicaal is. Niet alleen onze lichamelijke ziektes maar de hele wereld die we menen te zien kunnen we beschouwen als een spiritueel-somatische aandoening. Alles is een vorm van projectie; gezonde en zieke lichamen. En direct hierover heen: niks is zondig, noch gezonde- noch zieke lichamen. Beide zijn totaal neutraal en wij geven beiden de betekenis die ze voor ons hebben. Als we kiezen voor de ego-variant dan eindigen we bij aanstellers en zondaren. Als we echter kiezen voor de kant van de Heilige Geest dan zien we altijd slechts een roep om liefde. Zogenaamd gezonde mensen menen hier op een wereld rond te lopen omdat ze zijn vergeten te lachen om het nietig dwaze idee van de afscheiding. Hetzelfde geldt voor wat we binnen de illusie “zieke mensen” noemen. Gezonde- en zieke mensen worden allemaal opgeroepen om hun illusies te doorzien; die van een gezond- en die van een ziek lichaam. We weten niet waarom de één een wat sterker signaal in de vorm van een ziekte lijkt te krijgen dan zijn broeder in een gezond lichaam. Misschien is de zieke wat hardhorend en heeft hij of zij een sterkere (pijn-)prikker nodig dan de gebruikelijke ellende die we hier in de illusie meemaken. Een positievere interpretatie is makkelijk te bedenken; wellicht zijn de zieken de frontsoldaten binnen de illusie en kunnen zij de vergevingsoefening aan die een ogenschijnlijk ziek lichaam vergt. Zo worden de aanstellers en zieken niet langer gezien als achterblijvers en aanstellers maar als heldhaftige pioniers.

Dit laatste is natuurlijk niets meer dan speculeren maar als het enige ruimte kweekt binnen onze vooroordelen dan heb ik m’n punt gemaakt. Met liefde wil ik positief afsluiten door te wijzen op een sterk medicijn, de Cursus. Overal herinnert de Cursus ons eraan dat we meer zijn dan een gezond- of een ziek lichaam. Sterker nog; dat we geen lichaam zijn. En dat is goed nieuws, buitengewoon goed nieuws. Als we met onbevangen ogen de werkboekles van vandaag lezen dan mag de vlag uit. We mogen allemaal even koning zijn vandaag als onze Heraut voor ons roept (WB112):

Ik ben zoals God mij geschapen heeft, er woont licht en vreugde en vrede in mij!

The Passion

thepassion

Gisteravond keek ik naar het muziekspektakel ‘The Passion’. Hoewel ik onder de indruk was van de omvang van deze productie, merkte ik toch dat er irritatie in me opborrelde. Dit is een signaal dat er iets ‘bij mij zit’. De wrevel heeft te maken met de mainstream interpretatie van de dood van Jezus. God zou onze welverdiende straf op zijn onschuldige en eniggeboren Zoon hebben gelegd waardoor wij van onze zonden bevrijd zouden zijn. Dit druist in tegen zo’n beetje alles wat Jezus ons in de Cursus probeert duidelijk te maken. Waar gaat deze klassiek Christelijke versie namelijk van uit?

  • God is een macht buiten ons
  • Onze zonden zijn echt
  • Onze zonden dienen bestraft te worden
  • Jezus was de enige echt zondeloze mens; los van- en anders dan wij
  • Als we dit verhaal voor waar aannemen dan komen we na onze dood in een soort verheerlijkte lichamen in de hemel

Eerst probeerde ik m’n irritatie nog een beetje weg te redeneren langs de volgende lijnen: “kennelijk zit dat zondebesef zo diep in veel mensen dat we niet zondermeer kunnen aanvaarden dat het niet juist is. Wellicht is het dan een aardig hulpmiddel om, bijvoorbeeld, voorlopig dan maar, aan te nemen dat we deze zondeloze staat nu eindelijk bereikt hebben door de kruisiging van Jezus”. Ik zag ook mensen in het publiek die duidelijk geëmotioneerd leken en gelukzalig om zich heen keken. Eindelijk vergeven, eindelijk van zonden vrij.

Voor mij werkt dit echter niet. Als ik goed kijk roept het een wonderlijke mix bij me op van afkeer en zelfs een mate van arrogantie en superioriteitsgevoel. Natuurlijk vind ik “mijn” Cursus-interpretatie beter en meer waarheidsgetrouw. Direct krijg ik hier mijn huiswerk voor de komende Paasdagen aangereikt. De ingrediënten liggen voor me op tafel: aanvalsgedachten, gevoel van speciaalheid, projectie van schuld. Kennelijk denk ik dat het belangrijk is om een juist beeld van de kruisdood en opstanding van Jezus te koesteren. Daarmee creëer ik mijn eigen afgod. Want wat zou er gebeuren als ik me niet zou concentreren op meningen van anderen en mezelf? Kan ik zien dat deze beelden nooit de waarheid kunnen zijn? Durf ik te erkennen dat ik de metafysica van de Cursus tot een nieuw geloof probeer te verheffen wat ik bereid ben te verdedigen tegen andersdenkenden. Ai, ai; wat pijnlijk om dit te moeten typen. Ik zou haast overwegen om het maar niet op m’n blog te plaatsen. Maar ook dit schaamrood hoort erbij en behelst geen morele schuld maar een vergissing.

Alle mensen zijn één, wat ze ook denken, geloven of doen. Ook mijn Cursus-verhaal mag gewoon vergeven worden, net zoals alle andere verhalen en geloven. Vanuit dat dapper schrijvende ikje krijg ik dat niet voor elkaar. Ik leg m’n opvattingen en schrijfsels op Zijn altaar. Alstublieft Heer, de fik erin. En laat me nu maar met onbevangen ogen kijken naar mijn broeders en zusters en me mezelf herkennen in hun zoeken, praten en geloven. Maar help me bovenal om door Uw ogen te zien en Uzelf te herkennen in hen. Mag ik daadwerkelijk hun- en mijn zondenloosheid ervaren en beseffen dat we één zijn in Uw liefde? Hier ben ik Heer, met lege handen, een leeg hoofd en een hart dat U mag vullen met Uw Liefde.

Onze opstanding

Hij-is-opgestaan

Er is alleen maar grenzeloze liefde zonder eigenschappen. Hierover valt dus per definitie niets te zeggen. We kunnen niet meer doen dan een richtingaanwijzer schetsen. Bijvoorbeeld door te zeggen dat deze liefde haar scheppende kracht kent door zichzelf weg te geven en, hoewel onvoorstelbaar, uit te breiden. Zo kent deze Liefde, God de Vader, Zichzelf door de Zoon te scheppen, zich in deze Zoon uit te gieten in liefde. In haar eenheid kent deze liefde geen ander en dus geen aanval. Er is immers niemand om aan te vallen.

Deze liefde zijn wijzelf. We zijn als licht, afkomstig van de Zon, dat door de lege ruimte reist. Onzichtbaar. Als lichtstraal willen we iets waarnemen maar er is niets om ons te reflecteren. In eenheid is immers geen waarneming. Dus dromen we ruimte, tijd en vormen. Iets om te reflecteren hoewel we geen ander materiaal hebben om iets uit te maken dan uit ons eigen wezen, uit onze oneindige denkgeest.

De aarde en de hemel lichten nu op in onze denkgeest. We menen onszelf aan te treffen in een lichaam. We hebben ruimte om te spelen en alles wat we om ons heen menen te zien een naam te geven. Vanuit onze ene denkgeest projecteren we als Adam ook onze Eva en Abel en Kain. Verbonden in eenheid, in geluk in vrede. Allemaal verbonden met de Vader, allemaal verwarmd door de zon. Totdat we in een dwaas moment vergeten dat we één zijn. We vergeten dat we dat lichaam zelf bedacht hebben voor ons spel. We menen nu echt los te staan, naakt en kwetsbaar en willen ons bedekken. We wandelen niet meer met God door het paradijs maar zijn plotseling bang voor Hem die onze Vader is.

We zien Hem als een bedreiging. Wat wil Hij van ons? Wil Hij onze droom afpakken, ons lichaam doden? Als Kain zien we hoe Abel nog verbonden is met God. In zijn onschuld herkennen we onze Vader, onze eigen onschuld. We zien het als bedreigende onbegrensdheid en willen uit angst onszelf verdedigen. We slaan, we doden, we brullen als wilden. We willen geen liefde, we willen grenzen, haat. Het bloed van Abel bevestigt onze waanzinnige droom. Ja, denken we, zie je wel; we kunnen doodslaan dus leven we als afgescheiden ikje! God is dood en wij leven.

We betalen echter de prijs. Jawel, we kunnen spelen. We spelen het spel van begeerte, van kracht en van genot. Maar de keerzijde is er ook altijd. Het spel van angst, vechten, verdedigen, pijn en tenslotte de dood van het lichaam. Ons eigen ultieme bewijs dat we echt bestaan, als afgescheiden ikje.

Toch kunnen we ons Zelf nooit 100% verloochenen. Bij de geboorte van onze misvatting, van onze droom, ontstaat direct het Stemmetje dat ons vertelt dat het allemaal niet waar is en dat we één zijn, onbegrensd, liefde; de Heilige Geest. Door onze oren dicht te stoppen en druk te doen in onze droom lukt het ons om te blijven slapen. Maar met Abel slaan we ook Jezus dood. Dat denken we althans. Ook Jezus vinden we vreemd omdat ook hij leeft vanuit de eenheid die we ook zelf zijn. Hij speelt ons spel van haat- en- vechten niet mee. Hij toont dat hij verbonden is met hoeren, tollenaars en met de Romeinse vijand. Hij toont ons hoe we wakker kunnen worden uit onze droom. Zijn toverwoord is “naastenliefde”. Zijn wijsheid is zo eenvoudig. Als we onze projecties, onze broeders, aanvallen dan ervaren we onszelf als kwetsbaar en afgescheiden. Als we ze echter accepteren en liefhebben dan daagt er licht in de droom en ervaren we onszelf als de liefde die we zijn. Onze zelf bedachte grenzen, onze zogenaamde wetten van tijd en ruimte, blijken niet te bestaan. Water wordt wijn, zieken genezen.

Hij geeft ons het ultieme bewijs. Hij vergeeft de handen die hem lijken te martelen en kruisigen. En als we deze Abel dan gedood denken te hebben dan is hij daar weer. Hij projecteert voor ons uit de denkgeest de opgestane Heer om ons te laten zien dat we niet kunnen doden. Daarmee toont hij onze ultieme zondeloosheid. We zijn nooit echt afgescheiden van de Vader. We zijn nog steeds in de hemel, de denkgeest, en dromen nog even van de hel. Het is niet nodig. We mogen zelfs vanuit onze droom aanhaken bij de Goddelijke vergevingskracht. Door elke vorm te vergeven, door de aanval van onszelf en onze broeders te doorzien als een onschuldig spel mogen we het wonder ervaren van de donkere hemel die boven ons gekruisigde lichaam openschuift. Vader, in uw handen bevelen we onze denkgeest. Het doek in de tempel scheurt in tweeën. Denkbeeldige grenzen verdwijnen als sneeuw voor de zon. We koesteren onszelf weer in de warme voorjaarszon. Een nieuwe lente. We zijn thuis, onveranderd in het paradijs.

Gezegend Pasen.

Ontspanning en verlossing

piekeren-mindfulness

Momenteel doe ik een cursus mindfulness. Dit had ik een jaar of acht geleden ook al eens gedaan maar daarna niet echt consequent volgehouden. Mijn voornaamste doel is om wat meer ontspannen te raken en wat minder “in mijn hoofd” te leven. De aanpak bij mindfulness is opvallend. Er wordt vooral gewerkt met aandacht in het hier-en-nu. Oefeningen verlopen dikwijls volgens het volgende stramien:

  • Probeer te landen in het hier-en-nu door aandacht te schenken aan wat zich voordoet.
  • Bijvoorbeeld: aandacht naar geluiden, gedachten, gevoelens, lichamelijke sensaties
  • Hierbij deze niet proberen te veranderen, maar slechts aandacht schenken zolang ze aandacht vragen
  • Deze aandacht kan ondersteund worden door richting het onaangename gevoel (bijvoorbeeld spanning in nek, buik of borst) te ademen
  • Gewoon “zijn met wat is” zonder dit proberen weg te werken
  • Oefening weer afsluiten en verder gaan met de dag

De manier waarop ik hier mee om blijk te gaan vertoont verrassende parallellen met de manier waarop ik neig de Cursus te misbruiken. Ik omschrijf iets (bijvoorbeeld spanning) als een probleem en wil een oefening doen om zo snel mogelijk van het probleem af te komen (en dus te ontspannen). Werkt dit? Nee, natuurlijk niet. Als bij de eerste keer oefenen de gewenste ontspanning niet direct optreedt ben ik wat teleurgesteld en vermoed ik dat dit allemaal niks voor me is en niet werkt.

Herkenbaar voor ons als Cursus-studenten? Voor mij wel, in ieder geval. Als ik bijvoorbeeld angstig of boos ben wil ik deze, in mijn ogen negatieve sensatie, zo snel mogelijk fixen met een werkboekoefening. Oogjes dicht, even herinneren dat “Verlossing is mijn enige functie hier” is, en…..? Niks. Jammer.

Weer even terug naar mindfulness want hierin ligt een les voor me besloten. Wat is namelijk de kern van de mindfulness-aanpak? Voor zover ik deze zie, althans:

  • Bewustwording van het probleem
  • Hier aandacht aan geven door er naartoe te ademen
  • Geen einddoel zelf bedenken maar vertrouwen
  • En, de oefeningen dag in dag uit gewoon doen en herhalen.

De neiging is heel sterk om ook bij mindfulness te blijven hangen op cognitief niveau. “Wat is de truc? Oh, dat snap ik wel. Wat gek, ik heb het door maar het werkt niet”. Het Cursus-equivalent is: hoe zit het metafysisch in elkaar? Oh, dat snap ik wel. Gewoon anderen en mezelf als schuldeloos zien. Dat weet ik nu wel. Wat gek, ik voel niks”. En jawel, hierbij blijf ik in feite hangen op hetzelfde cognitief-arrogante niveau van een eigenwijs en gespannen ikje. Want wat is wel nodig?

  • Onderkennen (belijden, zegt de Bijbel) van ons zondegevoel (ik voel me schuldig, ben bang, wil verdedigen en aanvallen)
  • Erkennen dat we onszelf hier niet goed raad mee weten. Als we direct gaan vechten om er vanaf te komen dan draaien we verder de denkbeeldige problemen in
  • De deur openen voor de Klusjesman die wel weet wat te doen en wat voor ons het beste resultaat is; de Heilige Geest. Naar ons zondegevoel “ademen” door Hem te brengen naar onze pijnpunten en daarna te geloven en vertrouwen dat Hij weet wat goed voor ons is.
  • En, jawel, oefenen, oefenen en herhalen. Niet omdat het voor de Heilge Geest zo’n grote klus zou zijn. Alleen omdat het ons nu eenmaal tijd kost om een hardnekkige gewoonte (zoals piekeren bij het mindfulness-voorbeeld of geloof en projectie in/van schuld bij een Cursus-voorbeeld) af te leren. Het hoeft niet lang te duren, cold turkey afkicken is mogelijk, maar we doen het zelf onbewust toch liever wat rustiger aan.

M’n mindfulness-leraar zei dat de nieuwe hier-en-nu-zijn gewoonte door herhaling ingesleten moet worden in de hersenen. Dat gebeurt niet door een keer te zeggen: “Aha, zit het zo!”. Evenzo met de Cursus. Het wonder van de verandering heeft geen tijd nodig. Wij bedenken tijd juist om ons te verdedigen, uit angst, tegen het wonder, tegen de liefde. Maar als we dan toch geloven in tijd, laten we deze dan tenminste aanwenden als instrument waarmee we oefenen om de Heilige Geest voor ons te laten vergeven. Keer op keer. Zo gaan we verder als gelukkige studenten. Van wondertje naar wondertje totdat we het Wonder door Hem durven toelaten.

Bad guys

millennium-3-gerechtigheid.20170228030352

Gisteravond bekeek ik een stukje van de film Millennium 3. Een scala aan bad guys passeerde de revue; een gewetenloze beul, een pedofiele psychiater en een egoïstische vrouwenhandelaar. M’n ego smult van zoveel slechteriken want het is fijn om zogenaamd overduidelijke foute mensen te veroordelen. Op deze manier koestert m’n ego zijn stralende en smetteloze speciaalheid. Die anderen zijn zondig en verdienen de straf die ze natuurlijk in de loop van de film ook ondergaan. Het is aantrekkelijk om zo’n film te bekijken omdat ik langs deze weg mijn eigen denkbeeldige foute neigingen probeer kwijt te raken door ze op anderen te projecteren. Ik geloof nu werkelijk dat het me gelukt is deze slechtheid kwijt te raken en superieur en zondeloos te genieten van mezelf.

Een eerste stapje naar vergeving is het erkennen van de ego-gerichte impulsen die ik bij de boeven veroordeel in mezelf. Het ego verschuilt zich hierbij achter een illusoire rangorde in zonden. “Ik sla toch niemand de hersenen in, vergrijp me toch niet aan kinderen en buit toch geen vrouwen uit?’. Dit is een handige manoeuvre waarmee ik probeer de projectie te rechtvaardigen. Ik weiger te zien hoe ik dezelfde neigingen (bijvoorbeeld aanvallen van onschuld, waarde toekennen aan geld) in andere vormen koester.

Vervolgens kan ik zien wat het me lijkt op te leveren om mijn “boeven-broeders” te veroordelen. Ik kan de zelfgenoegzame afgescheidenheid bij mezelf opmerken waarmee ik de illusie van een ikje in een boze buitenwereld overeind houd. Wat zou er gebeuren als ik zou weigeren mezelf als superieur te beschouwen aan m’n broeders? Ik heb het nu niet over een gedeeltelijk vergoelijken van hun misstappen. Niet een “ach, ze kunnen er misschien niets aan doen dat ze zo geworden zijn” en een “ik herken het eigenlijk ook wel een beetje bij mezelf”. Nee, in plaats hiervan een totaal liefhebben van de agressieve, op geldbeluste kinderverkrachter. Kan ik de totale eenheid zien van mezelf en die ander? Kan ik dat wonder toelaten?

Hier komt die prachtige werkboekles 91 om de hoek kijken:

“Wonderen worden gezien in het licht”.

Hierin staat: “Je twijfelt er niet aan dat de ogen van het lichaam kunnen zien. Je twijfelt er niet aan dat de beelden die ze jou vertonen werkelijkheid zijn”. Vervolgens worden we opgeroepen om ons geloof in wat we zien, met als krachtige symbool ons eigen lichaam, wat los te laten. Het is immers onze fixatie op afgescheiden vormen die ons blind maakt voor de waarheid. Wij veroordelen anderen om de eenheid juist niet te ervaren. Gelukkig is er hoop voor ons. We hoeven niet zelf te zoeken naar liefdevolle gedachten. Die zijn ons in onze denkbeeldige afgescheidenheid per definitie vreemd. We hoeven slechts de teugels van ons geloof in de slechtheid van anderen wat te laten vieren en ons in vertrouwen te richten op God en al Zijn Gedachten. Het licht en de ervaring van Zijn vrede zijn er altijd al, maar we houden deze buiten de deur omdat we bang zijn voor de liefde en eenheid die we ervaren als we ons oordelen wat loslaten. WB91 is een uitnodiging voor een (hernieuwde) kennismaking met het wonder van vergeving dat plaatsvindt als we het duister niet geloven. Er is al licht en we zien de wonderlijke werking als we Zijn visie vertrouwen en niet de veroordelende ogen van ons lichaam. Wat een genade.

 

Ziek gemeld

ziekgemeld

Afgelopen week heb ik me ziek gemeld. Na anderhalf jaar tobben met een gezondheidsprobleem ging het niet meer. De specifieke vorm doet er niet toe. Wat er wel toe doet is wat deze levensles oplevert. Want naast opluchting dat ik, voorlopig althans, mag stoppen met worstelen komt een diep geworteld schuldgevoel naar boven borrelen. Dit nare gevoel was afgelopen periode, waarin ik nog 50% werkte, ook aanwezig. Steeds probeerde ik het naar de achtergrond te verdringen maar dat levert alleen meer spanning op.

Vanmorgen besloot ik het in de ogen te kijken. Beelden van vroeger kwamen naar boven. Ik zag mijn vader, de stoere marineman, boos kijken naar de kleine Simon die ergens pijn had. “Stel je niet zo aan”, riep vader, “je moet een beetje flink zijn!”. Beschaamd droop het kleine ventje af. Het was duidelijk. Hij was een aansteller en hij moest zich schamen. Hij moest laten zien dat hij sterk en lief was want anders zou hij de liefde van vader verspelen met alle voor een kind verschrikkelijke consequenties van dien.

Natuurlijk heeft het geen zin om me met terugwerkende kracht kwaad te maken op mijn vader en hem als schuldige van mijn eigen schuldgevoel aan te wijzen. Ik heb deze leersituatie gekozen en zal er mee geconfronteerd worden totdat ik mijn les geleerd heb. De metafysische analogie is immers duidelijk. Ik meen een lichaam te zijn, afgescheiden van het geheel, kwetsbaar. In confrontatie met het ego van mijn vader heeft “mijn eigen” ego dezelfde les geleerd: kwetsbaarheid is slecht en moet veroordeeld en bestraft worden. Het verdient afwijzing en dood. De reactie van mijn vader, en dus ook die van mijn ego, is eeuwenoud en werd uitgebeeld door de woedende menigte die de onschuld van Jezus niet konden accepteren. “Dood hem, kruisig hem”.

De Heilige Geest kan me een herinterpretatie geven. Weer gaat Simon met pijn en angst naar zijn Vader. “Papa ik ben bang. Ik ben niet sterk en vrees de toekomst. Ik vrees dat mijn vrienden, mijn collega’s me zullen afwijzen en minachten omdat ik zwak ben. Ik ben bang dat ik minder liefde (in de vorm van salaris / geld) zal krijgen”. Nu zie ik dat ik op hen slechts mijn angst voor de afwijzing door God projecteer. Ik heb de neiging om te geloven in een boze, afwijzende en kritische God die mij Zijn liefde zal onthouden en dus ook in broeders en zusters met dezelfde eigenschappen. En hierin heeft mijn ego een geheime en verborgen agenda. Het vindt het namelijk minder eng om afgewezen en zelfs aangevallen te worden dan om onvoorwaardelijk geaccepteerd en geliefd te worden. Wat blijft dat toch raar. Er is in mij een angst die me ertoe drijft om schuld te omarmen. Het ego duikt bovenop dit inzicht. “Aha”, schreeuwt het triomfantelijk. “Je doet dit dus allemaal jezelf aan! Kijk maar eens in de Cursus, staat hier niet dat ziekte een keuze is? Staat hier niet in dat het vasthouden aan schuldgevoel ook een keuze is? Het is dus allemaal je eigen schuld en je zou je dus diep moeten schamen”.

Nu glimlach ik. Moet een angstig kind dat naar zijn vader gaat zich schamen? Natuurlijk niet, het mag opgepakt worden en een kusje krijgen op de schram. Papa geeft een knuffel en laat weten dat het goed komt, dat het al goed is. En “grote” Simon? Hij mag de werkboekles van vandaag lezen (84):

Liefde schiep mij als zichzelf.

Liefde koestert geen grieven.

“Vader help me om het dode verleden en een ingebeelde toekomst los te laten. Neemt U de leiding want ik wil U zo dolgraag volgen. Dank U dat ik mag weten dat ik Uw Heilige Zoon ben. Totaal schuldeloos en geliefd. Hier ben ik liefdevolle Vader. Ik houd van U, ik vertrouw U”

Hoe laat je die grieven dan los?

Lange tijd dacht ik bij het woord “grieven” uitsluitend aan haatgevoelens jegens anderen. De Cursus gebruikt deze speciale haatrelaties ook dikwijls omdat het voorbeelden oplevert die we allemaal zo goed herkennen. Als ons gevraagd wordt iemand in gedachten te nemen aan wie we een hekel hebben dan lukt ons dit zonder probleem. Keuze te over zelfs.

Tegenwoordig merk ik hoe enorm wijd verbreid dat koesteren van grieven in de denkgeest aanwezig is. Natuurlijk betreft het niet alleen personen maar gaat het over alles wat ons niet zint. En dat is heel wat. Het is de “core business” van het ego om ergens iets van te vinden, dit niet oké te vinden en vervolgens in actie te komen om de situatie te veranderen. De indeling in zogenaamd grote en kleine kwesties is hierbij voor wat betreft het effect wat er met dit oordelend mechanisme bereikt wordt niet relevant. Met enige oplettendheid kun je bij jezelf zien wat er gebeurt als je een mini griefje koestert. Zo werd ik gisterochtend wakker en constateerde dat ik een wat rare spanning in mijn kaken had. Kies gerust je eigen voorbeeld; alles wat je niet helemaal bevalt is geschikt. Waar het om draait is op te merken dat er iets aan de hand is waar je vanaf wilt, hoe ogenschijnlijk klein het ongemak ook is. Merk op dat je inwendig dikwijls haast ongemerkt zegt: “dit wil ik niet” of “dit wil ik anders”. Belangrijker nog, probeer te voelen wat er nu van binnen lijkt te gebeuren met je. Zie de geboorte van de denkbeeldige tweedeling; met het koesteren van je griefje geef je voedsel aan de geboorte van een “ikje” dat ergens vanaf wil, een ik versus iets anders, een ik in een omgeving die je niet bevalt, een slachtoffer ik.

Als je dit ziet en er enigszins gevoel bij krijgt dat je hier haast van moment tot moment mee bezig bent dat kan het gebeuren dat je hiervan baalt en hier dan weer mee wil stoppen. Die gespannen kaak die ik noemde is hier bij mij een voorbeeld van. Een soort afgeleid balen van het veroordelen van m’n neiging te veroordelen. Dit is werkelijk een vicieuze cirkel waarbij het ego steeds harder en harder lijkt te worden. Maar wat dan wel? We hebben een wonder nodig.

Maar hoe dan? In onze geïdentificeerde ego-staat hebben we een beeld van wat dat wonder in moet houden. Ook dit is in algemene termen uit te drukken; we willen af van de nare omstandigheid. In mijn voorbeeld: ik wil een ontspannen gevoel krijgen. Dat lijkt een valide wens en dat is het ten diepste ook. Maar ook hier gaat het ego aan de haal. Het is er achter gekomen dat het uit zichzelf de situatie alleen maar erger maakt. Het kan niks doen en de ellende alleen maar groter maken. Dus roept het de hulp van Jezus of de Heilige Geest in. Het “gebed” komt ongeveer hier op neer: “lieve Heer, ik heb last van …. (gespannen kaak) ik baal hiervan en geef de voorkeur aan … (ontspannen gevoel). Kunt U dit even regelen? Amen”. Deze overgave is een stap in de goede richting, zoveel is zeker. Toch kleeft er nog een grote voorwaardelijkheid aan deze manier van bidden en hiermee de neiging tot het oordelen van de acties van Jezus of de Heilige Geest. De arrogantie van het ego bestaat eruit dat het meent te weten wat er aan de situatie mankeert en wat de gewenste verandering precies inhoudt. In feite zegt het tegen God wat de zogenaamde oplossing is voor mij. En hier zit hem de crux. Want uiteindelijk gaat het niet om een oplossing voor mij maar het oplossen van mij. En hoe zou “ik” het oplossen van mezelf ooit kunnen beoordelen? Dit beoordelen is juist de truc om het ik-gevoel in stand te houden. Hier komen woorden als liefde, geduld, loslaten en vertrouwen om de hoek kijken. Ik mag het fanatisme loslaten en glimlachen om waar ik mee bezig ben. Ook overigens erg goed voor die gespannen kaak van me.

Oeps, ik doe het weer Heer. Hier ben ik Heer. Ik ben zo bang om los te laten dat ik kies voor de verkramping die ik vind bij het beoordelen van personen of situaties. Ik kan hier niks aan veranderen want ik weet niet wat voor mij in deze situatie het beste is. U weet dit wel Heer. Daarom kijk ik slechts naar U. Ik wend me tot U en ik strek mijn arm naar U uit. Help me Heer, Uw wil geschiede. Dank dat U trouw bent Heer en niets liever doet dan me opnemen in Uw vrede.

WB 78: Laat wonderen alle grieven vervangen

Oordeel of liefde?

Transgender

Gisteravond bekeek ik een opgenomen uitzending van “Hij is een zij”, een programma over transgenders. Hierin werd een transvrouw uitgenodigd om te spreken op een Christelijke studentenvereniging. Natuurlijk vind ik het super dat er op deze manier bruggen gebouwd worden en dat een dialoog mogelijk is. Toch maakte de uitzending het me duidelijk dat het geloof in een God buiten ons, zoals binnen het klassiek dualistische klassieke geloof, ons in een lastige spagaat brengt. Er ontstaat een innerlijke strijd die ook mij jaren geleden kwelde. In grote lijnen komt het op het volgende neer.

  1. Ik geloof dat er een God bestaat die een duidelijke mening heeft over wat goed- en wat slecht is.
  2. Ik geloof dat God ons liefheeft.

Zodra je uitgaat van punt 1 wil je weten wat God dan precies goed en fout vindt. Je meent dat de Bijbel daarbij kan helpen maar als je gaat lezen in dit boek dan loop je al snel aan tegen het feit dat God klaarblijkelijk bepaalde gedragingen niet leuk vindt. Daaronder vallen in het licht van de tv-uitzending van gisteravond zaken als het dragen (door een man) van vrouwenkleding, homoseksualiteit en echtscheiding. In het Oude Testament kon het vervolgens behoorlijk uit de hand lopen als deze “wil van God” gedwarsboomd werd. Gelukkig zijn de huidige Christenen liefdevoller dan deze oudtestamentische stamgod. Maar toch. Je ziet de aarzeling. Het publiek wil wel liefdevol reageren maar meent toch dat de handelswijze van de vrouw niet in overeenstemming is met de wil van God. Uit mijn kerkelijke periode herinner ik me een super formule om hiermee om te gaan: “God haat de zonde maar heeft de zondaar lief”. Leuk bedacht, maar luistert ons hart naar een dergelijke bezwering?

Een Christelijke vriend met wie ik gisteravond keek illustreerde met een typerend voorval waar dit op uit draait. Een lesbische kennis van hem vertelde in Christelijke kring dat ze ging trouwen, natuurlijk met een vrouw. Men zweeg en wist zich geen raad met de situatie. Het werd extra schrijnend toen enkele weken later dezelfde vrouw getuige was van de aankondiging van een “normaal” heteroseksueel huwelijk. Hierop werd openlijk vreugdevol gereageerd.

Terug naar de uitzending. Want wat blijft er over als je naar de spreekster kijkt die daar in al haar kwetsbaarheid staat? Wat gebeurt er als je niet meer door de bril van nare passages uit de Bijbel naar haar kijkt? Dan borrelt enorme compassie omhoog, directe liefde voor een vrouw die vraagt “houd van mij, accepteer mij, sluit mij niet uit van een relatie met jullie en met de God van liefde die ik ook als vader zie”. Lukt dit ooit zonder ons klassieke beeld van een oordelende God totaal los te laten?

En lang leve de blinde vlek. Ook ik had gisteravond vergevingswerk te doen. Zodra ik namelijk niet de transvrouw maar wel het Christelijk publiek veroordeel, doe ik natuurlijk exact hetzelfde. Ik heb dan een nieuw geloof in het leven geroepen dat als volgt luidt: “men zal niet oordelen”. Zodra ik meen te bespeuren in een broeder of zuster dat hij of zij oordeelt dan roept dit een fanatieke veroordeling bij me op en een gevoel van afscheiding van de liefde. Hoe kan ik hier dan mee omgaan?

Dat kan door in m’n denkgeest contact te maken met wat ik veroordeel in anderen. Ik moet erkennen dat ik exact dezelfde neiging tot oordelen heb. Wellicht niet gebaseerd op de Bijbel maar dat doet er niets toe. Ook mijn oordeel brengt denkbeeldig onderscheid aan tussen een ikje en die ander (het Christelijke publiek). Ik doe dit met dezelfde reden; schuld projecteren buiten mij. Want wat gebeurt er als ik me openstel voor het feit dat ik verbonden ben met het publiek in onze ego-neiging tot oordelen?

“Heer, ik oordeel omdat ik me schuldig voel. Ik wil de schuld buiten me houden en bij die ander leggen. Dit doe ik omdat ik bang ben voor uw grenzeloze liefde. Heer ik geef uw mijn oordeel en mijn angst en laat me vallen in uw armen. Laat me beseffen dat uw liefde stroomt en mogen mijn broeders, zusters en ik beseffen dat we thuis zijn in U, thuis in de liefde. Niemand uitgezonderd.”

 

Totale vergeving

waterval

Mijn jongste dochter is 15 jaar. Ze woont de helft van de week bij mij. Ik ben altijd blij als ik haar op woensdag middag zie verschijnen met een fiets vol tassen met kleertjes en schoolboeken. Als deeltijd ouder wil ik natuurlijk dat ze het naar haar zin heeft bij mij en m’n huidige partner. We zien het dan ook door de vingers als m’n dochter naar haar kamer glipt op momenten dat er een bijdrage van haar verwacht wordt aan bijvoorbeeld het dekken of afruimen van de eettafel, in- of uitruimen van de vaatwasser, een keertje ook drinken voor ons meenemen en ga zo maar door. Ik voel nu de glimlach van herkenning van lezers die kinderen hebben in dezelfde leeftijd en ik weet zeker dat mijn eigen moeder dit ook allemaal met terugwerkende kracht heel grappig zou vinden.

En natuurlijk herkent u dan ook dat moment dat de tiener-luiheid je toch even teveel wordt. Zoals gisteravond. ‘Wie heeft er zin om thee te zetten?’, vroeg ik dapper en keek daarbij veelbetekenend naar de jongste. Het voorspelbare antwoord volgde: ‘Ik niet, ik heb nu geen trek in thee’. Ik stak een zo vriendelijk mogelijk opvoedkundig preekje af waarbij ik zei dat het best fijn kan zijn ook eens iets voor iemand anders te doen. Tot opluchting van de jongste stond m’n oudste dochter, die op vrijdagavond soms mee-eet, op en zette thee voor ons. Grr. Kort hierna ging de jongste naar haar kamer. ‘Jaag ik haar nu weg? Is ze boos? Hé, ik wil zo graag dat ze het hier gezellig heeft’. M’n ego vond in mij als gescheiden vader een dankbare prooi om m’n schuldgevoel aan te wakkeren.

Vanmorgen gingen de aanvallen van het ego verder en ik verdedigde zo goed ik maar kon. Ego: ‘was dat nou nodig gisteravond?’. Moi: ‘Ze kan toch wel een keertje iets doen, ik mag toch wel zoiets kleins aan haar vragen, ik hoef toch niet altijd haar maar te ontzien om de lieve vrede te bewaren enz’. Dit soort inwendige dialogen zijn nooit leuk, dragen zeker niet bij aan het ervaren van vrede en hebben een vreemd soort macabere aantrekkingskracht. Er is bijna niet te ontsnappen aan deze mini-rechtszaak. En dan, heel vervelend, gaat de Cursus zich er ook mee bemoeien. ‘Wil je gelijk hebben of vrede ervaren’. Sodemieter toch op, denk ik, op dit gezever zit ik nu even niet te wachten. Helaas weet ik dat dit het enige spoor is dat ergens toe gaat leiden dus met tegenzin begin ik de vergevingsles te leren.

Les 63 dan maar; Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving. ‘Iedereen’ vind ik prima, maar nu even niet die luie kleine meid van me. ‘Nee, haar ook’, zegt de Heilige Geest. Ik stribbel nog wat tegen maar begin dan met moeite toe te geven dat ook zij een Zoon van God is, totaal schuldeloos, wat ze ook doet of, in dit geval, niet doet. Ik merk weerstand om haar schuldeloos te zien. Wil ik de beschuldiging wel los laten, kan ik mijn interne rijdende rechter in z’n auto zetten en de denkgeest uit sturen? Ik heb Hulp nodig, zoveel is weer duidelijk.

In gedachten stel ik me voor dat er een grote vergevingsklus moet plaatsvinden en ik hoop op een steuntje in de rug van de Heilige Geest. Na enige minuten ploeteren merk ik dat er niks gebeurt. Dan pas merk ik dat ik zelf erg mijn best doe. Waarom? Omdat ik de kracht van het Licht hopeloos onderschat. Ik verwacht een kleine bijdrage van Hem aan mijn nobele pogingen. Ik meen dat ik zelf hoogstens met moeite de sluis van vergeving naar m’n dochter een beetje kan openzetten en dat hierdoor het allemaal een beetje beter zal gaan.

Wacht eens, wat is hier nu aan de hand. Geloof ik dat mijn dochter totaal schuldeloos is? Ja. Geloof ik dat God almachtig en totale liefde is? Jawel. Geloof ik dat ik in staat ben, waardig ben, als volledig geopend kanaal Zijn liefde en licht door te geven? Nee dus, hier zit hem de crux. Ik, voel mezelf onwaardig, niet in staat en daardoor schuldig dat ik vasthoud aan m’n wrok. Mijn dochter mag nu iets meer doen wat ze wil, helpen of op haar kont blijven zitten, maar ik ben wel nog steeds onderworpen aan de wetten van goed en kwaad. Ik kan het nog wel steeds goed of fout of iets hiertussen in doen.

Doordat ik mezelf nog schuldig acht kan ik niet volledig vergeven. Ik blijf schuld zien in de situatie; nog een beetje in haar maar vooral heel veel in mezelf.

En God? Die giet zich totaal leeg in belangeloze oneindige en onbegrensde liefde in de Denkgeest. Hij ziet totaal geen zonde in mijn dochter, noch in mij. Hij ziet 100% licht en schuldeloosheid en in Hem is geen spoor van duisternis. Hij geeft zich totaal aan mij, hij verklaar mijn totale schuldeloosheid en biedt mij de ervaring van totale vrede. Daarvoor hoef ik maar één ding te kiezen: ik hoef alleen maar, net als God, totale schuldeloosheid te zien in haar. Alle reserves mag ik laten varen. Juichend mag ik de sluis van vergeving wijd openzetten, ik trek de sluisdeur eruit en laat Zijn Liefde dwars door me heen stromen naar haar. Er verschijn licht in haar, ze straalt volledig en ik? Ik huil van geluk.