
Waar denk je aan bij het woord “offeren”? In eerste instantie denk ik aan het doodmaken van beesten om het weer goed te maken tussen God en mij met als ultiem offer de dood van Jezus voor mijn zonden. Als je wat minder gehersenspoeld bent door dit wrede traditionele bijgeloof dan denk je wellicht meer in algemene zin aan het opgeven aan iets waar je erg aan gehecht bent om, jawel, iets te bemachtigen wat je nog liever wilt. Zo kun je in het schaakspel een stuk offeren om uiteindelijk nog wat zwaardere stukken te kunnen slaan van je tegenstander.
Offeren is echter weer zo’n woord dat de Cursus gebruikt om een kernovertuiging van ons bloot te leggen. Prima als hierbij eerst de dramatische voorbeelden ons te binnen schieten maar allengs kan ons begrip van de diepte van ons geloof in offeren zich gaan uitbreiden in onze denkgeest. Maar laten we beginnen bij die grote betekenis die zo verbonden is met ons gevoel dat we ergens harstikke fout zitten en dat we dit goed moeten maken. De Cursus leert ons dat “zonde”, nog zo’n zwaar beladen woord, ons geloof beschrijft in de afscheiding van God, van de Liefde die we zijn. Deze vergissing voltrok zich niet in een ver verleden, tijd bestaat immers niet, maar deze vergissing vindt nu plaats. Bij de constatering “hé, ik ben hier, apart van de wereld”, bij het gevoel dus dat we als afgescheiden wezentje bestaan is de zonde-vergissing aan de orde.
Wat dan volgt is iets wat ons nauwelijks aanspreekt wanneer we net met de Cursus begonnen zijn. We krijgen namelijk een besef van schuld. Aanvankelijk reageren we op deze mededeling met het ophalen van de schouders. Ook schuld is zo’n ouderwets beladen woord en gewoonlijk voelen we ons helemaal niet schuldig. Slechts wanneer we naar ons idee iets heel oneerlijks hebben gedaan waar iemand anders zwaar de dupe van is geworden beginnen wij te geloven dat we schuldig zijn. Ook dat gevoel krijgen voor het ontstaan van een schuldgevoel, eigenlijk tegelijk met het geloof in zonde (in afscheiding dus) groeit als we ons een tijdje bezig houden met de Cursus. Maar let goed op. Hier staat dus niet dat we langzaam maar zeker in de gaten krijgen dat we schuldig zijn. Nee, we geloven in afscheiding en naarmate we meer opmerkzaam worden kunnen we opmerken dat dit onmiddellijk leidt tot een schuldgevoel. Als je hier woorden bij zoekt dan kun je zeggen dat we ons schuldig voelen omdat we denken dat we de liefde de rug toe hebben toegekeerd. We voelen ons, anders gezegd, schuldig tegenover God.
En wie schuldig is, zo geloven wij met stelligheid, verdient straf. Ten diepste denken we dat we God, de Liefde, met onze verbeelde daad van rebellie zo kwaad hebben gemaakt dat hij ons met geweld terug wil brengen, niet naar Zijn liefde maar naar het stukslaan van onze denkbeeldige grens. Met het kapot maken van ons lichaam, symbool van de afscheiding, door ons te doden. Ken Wapnick brengt dit nare trio dikwijls ter sprake: sin, guilt, fear (zonde, schuld, angst). Wij geloven zo zeer in de echtheid van dit illustere trio dat we écht menen dat er voldaan moet worden aan de toorn van God. Er moet in dit bijgeloof geleden worden. God vergt van ons dat we iets opgeven, dat we pijn lijden en iets gaan verliezen dat ons dierbaar is. In het Oude Testament moest een offerdier maar deze toorn van God voor ons stillen. In het Nieuwe Testament krijgen we het onmogelijke voor elkaar. We proberen een brug te slaan tussen een God die liefde is en ons bijgeloof dat er wel degelijk bloed moet vloeien voor onze ingebeelde zonde en schuld. Het is een illustratie van de genialiteit van ons ego; onze liefdevolle Vader betaalt zelf de prijs voor onze, nog steeds heel echt veronderstelde, zonde; God laat zijn eigen Zoon de prijs betalen door het lichaam van Jezus uiteen te laten rijten door zweepslagen en de kruisdood.
Zijn we ondertussen wel verlost van dit nare bijgeloof? Wij menen van wel en denken dat alleen nog enkele traditionele Christenen zo dom zijn om dit te geloven. Maar helaas. Als het besef van de betekenis van de symboliek van de Cursus verder uitbreidt in onze denkgeest dan leren we hoe dat idee dat we moeten lijden om vrede te ervaren zich hier diep heeft ingegraven. En dan zeg ik het nog heel beperkt en dualistisch. Er is namelijk geen ikje dat zich onbewust zondig en schuldig voelt maar door vast te houden aan geloof in zonde en schuld houden we de illusie in stand dat we een ikje zijn. Wij durven dit geloof niet op te geven omdat dit de realisatie met zich zou meebrengen dat we…zullen sterven? Nee! Dat we nog steeds de door God geschapen Zoon zijn, innig verbonden met Hem.
Bij het offeren denken we nu niet dikwijls meer aan het doden van dieren of zelfs van een mens. Aan het uiterste einde van het offer-spectrum staat echter alles wat we menen te moeten geven of doen om te mogen ontwaken. Merk je verslaving maar eens op dat je echt nog iets moet doen (stil worden, mediteren, studeren, begrijpen) om te liefde weer te mogen ervaren. Ook van die boze God die ons zou willen straffen zijn we nog lang niet af. Onbewust geloven we dat we lichamelijke ongemakken verdienen, van pijntjes, psychische problemen, slapeloosheid, kanker tot aan de dood. Ook hierin blijven we halsstarrig geloven, juist omdat we het onbewust nodig menen te hebben om de ik-illusie overeind te houden.
Dus vandaag het goede nieuws, werkboekles 343:
Er wordt van mij geen offer gevraagd
Om Gods genade en vrede te vinden.
Het einde van lijden kan geen verlies zijn. De gave van alles kan alleen maar winst zijn. U geeft alleen. U neemt nooit weg. En U hebt mij geschapen om zoals U te zijn, dus offeren wordt voor mij even onmogelijk als voor U. Ook ik moet geven. En zo wordt alles mij voor eeuwig en altijd gegeven. Zoals ik werd geschapen, zo blijf ik. Uw Zoon kan geen offer brengen, want hij moet compleet zijn, omdat hij de functie heeft U compleet te maken. Ik ben compleet omdat ik Uw Zoon ben. Ik kan niet verliezen, want ik kan alleen maar geven, en alles hoort mij toe, in alle eeuwigheid.
De genade en de vrede van God zijn vrij. Verlossing kent geen prijs. Ze is een geschenk dat slechts vrij gegeven en ontvangen kan worden. En dit is wat we vandaag willen leren.
De woorden die de Cursus gebruikt om ons te helpen om te ontwaken uit de droom kunnen wat grotesk lijken en niet helemaal meer van deze tijd. Een paar voorbeelden hiervan zijn woorden als God, zonde en schuld. Zo ging het gisteren in werkboekles 341 over zondeloosheid: Ik kan slechts mijn eigen zondeloosheid aanvallen, en alleen die is het die mij geborgen houdt. Daar zie ik trouwens nog zo’n groot woord staan: “aanvallen”. Als we nog niet zo lang met de Cursus bezig zijn koppelen we in onze denkgeest deze grote woorden met gebeurtenissen die wij zelf ook “groot” noemen, als we er al überhaupt enige feeling mee hebben. Zonde en schuld worden op een grote hoop gegooid en ze komen pas in beeld als we menen dat anderen of wijzelf iets grondig verprutst hebben en daarmee flink wat leed hebben veroorzaakt. Bij een aanval denken we aan verkrachting en moord en in een wat later stadium wellicht ook aan een verbale aanval. Door deze koppeling van grote woorden aan grote gebeurtenissen beperken we de Cursus tot een klein deel van ons leven. Als we gevraagd worden naar voorbeelden komen deze zogenaamd grote kwesties het eerst in beeld. De enorme ruzie met de baas en het schuld gevoel omdat we wilden scheiden van een onmogelijke partner.
M’n vrouw is snip verkouden. Dat is niet bevorderlijk voor haar nachtrust en evenmin voor de mijne. Vanmorgen dacht ik aan dat kleine rot virusje dat ons in deze winterse dagen hoestbuien, een kop vol snot en een gevoel van malaise kan geven. Natuurlijk vind ik het nu zielig voor m’n vrouw maar eerlijk gezegd zie ik ook op tegen het onvermijdelijke gevolg waarbij het virusje zich ook een weg naar mijn lichaam zal weten te vinden. Iets vroeger dan normaal las ik vanmorgen de toepasselijke werkboekles 340: Vandaag kan ik vrij van lijden zijn. Deze les ligt in het verlengde van les 338 “Ik ondervind uitsluitend de gevolgen van mijn gedachten” en les 339 “Ik zal ontvangen wat ik maar vraag”. In deze lessen klinkt de kernwaarheid van de Cursus door: “Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie”.
De Cursus is in elke werkboekles radicaal non-duaal. Vandaag komt in les 336 de onuitsprekelijke waarheid wel heel dichtbij. Met de titel van de les kunnen we nog wel uit de voeten: “Vergeving laat me weten dat denkgeesten verbonden zijn”. Ach ja, ik voel me inderdaad wel verbonden met een boel mensen. In feite hebben we het allemaal moeilijk en doen we op onze eigen wijze ons best om er iets van te maken. Maar de les gaat verder: “Vergeving is het aangewezen middel om waarneming te beëindigen”. We lopen dan tegen termen aan als “waarneming” en “kennis” en zeker als we relatief kort met de Cursus bezig zijn raken we hier de draad en de betekenis een beetje kwijt.
De werkboekles van vandaag gaat over het beëindigen van conflicten: WB333: “Vergeving beëindigt hier de droom van conflict”. Aanvankelijk kunnen we een erg beperkte voorstelling hebben van wat de Cursus bedoelt met een conflict. In de meest beperkte zin is het een situatie waarin je het niet eens bent met iemand anders. Dit kan dan binnen de illusie variëren van het een kleine ergernis omdat iemand je laat wachten tot het bedenkelijke niveau waarbij Donald Trump vindt dat een andere bange man in Noord Korea niet dezelfde verschrikkelijke wapens mag hebben als hijzelf.
De Cursus komt ons tegemoet in de droom waarin wij ons menen te bevinden. Iets anders is ook niet mogelijk. We mogen blije studenten zijn en dagelijks onze werkboeklessen doen. Dit is niet fout, zondig of stom maar zo af en toe kan het verfrissend zijn om ons het non-duale karakter van de Cursus weer even te herinneren. In ons geloof in een duale werkelijkheid gaan we uit van de vanzelfsprekendheid van een ikje dat ergens mee bezig is, in dit geval dus de Cursus. We zijn er zo aan gewend aan te nemen dat de uitgangssituatie is: ik doe de Cursus. Vanuit deze aanname kunnen we denken dat we vorderen of juist niet. We kunnen menen dat we “het” langzaam maar zeker leren te begrijpen zonder in de gaten te hebben dat er ook hierbij een ikje is die iets zou kunnen ‘grijpen’ en als zijn waarheid of inzicht zou kunnen koesteren.


Is het werkelijk zo eenvoudig?