In gesprek met lieve, spiritueel ingestelde broeders en zusters hoor ik regelmatig de verzuchting dat er zo veel duisternis is in de wereld om ons heen. Zo veel ego-krachten. Ik deel deze verzuchting en merk dat ik ook de neiging heb om wat moedeloos te worden bij het zien van boze massa’s die schelden, rellen en vernielen, tot aan het voeren van volledige oorlogen.
Vanuit een duale levensvisie zie je vooral het geweld buiten jezelf en zoek je ook de oplossing buiten jezelf, bijvoorbeeld door strengere regelgeving, handhaving, straffen of het nastreven van een sterk en machtig leger. Je denkt dan in termen van de goeden en de slechten, de strijd tussen goed en kwaad, tussen democratieën en dictaturen, republikeinen en democraten, links en rechts, Oekraïne en Rusland et cetera.
In dat gesprek zaten we ook wat te speculeren over de toekomst. Het is “spiritueel correct” om te veronderstellen dat allen geroepen zijn tot verlossing. Maar toch zijn er ook levensvisies die stellen dat de kwaadwilligen die verharden in hun ik-gerichtheid gescheiden zullen worden van… Ja, van wie eigenlijk? Van ons? Zijn wij dan de good guys?
Een terugkerend thema in religies en levensvisies is dat van een soort vereffening. In een wat primitieve, duale benadering denk je hierbij aan oordeel en straf. Je gelooft dan in een externe rechter-God die voor ons de tweedeling zal voltrekken. De slechterikken komen in de hel terecht en wij in de hemel. Je kunt het je ook voorstellen als een zichzelf corrigerend systeem van karma. Je krijgt dan in een nieuw leven de ellende die je hebt veroorzaakt als een soort boemerang terug.
Zolang deze voorstellingen beperkt blijven tot iets waar je al dan niet in kunt geloven, zie ik het niet zo rooskleurig in voor ons. Geloof blijft iets conceptueels en oppervlakkigs, een laagje vernis. Datzelfde geldt voor oppervlakkig goed gedrag, omdat het nu eenmaal zo hoort. Vanuit een situatie van vrede en overvloed is dit prima te belijden en te praktiseren. Maar als er schaarste dreigt, barst het laagje vernis en is het ieder voor zich.
Ik denk dat er pas hoop voor ons gloort als we werkelijk van binnen iets gaan voelen van onze verbondenheid met elkaar. Op televisie zien we voorbeelden van extreme ongevoeligheid waarbij men meent een ander zonder gevolgen voor zichzelf, te kunnen aanvallen. Geloof in afgescheidenheid is kortzichtig, ik-gericht en blind. Blind voor de verbondenheid met de ander en voor het feit, jawel: “feit”, dat je altijd tevens jezelf aanvalt, schaadt en gevangenhoudt in geloof in afgescheidenheid.
We willen dit nog wel als geruststellende waarheid aannemen voor de rellende massa op tv. Als ik in een gesprek met broeders en zusters echter wijs op de ego-krachten in onszelf, merk ik dat men wat plichtmatig instemmend knikt. We weten immers dat het niet juist is om anderen te veroordelen en ons te concentreren op de splinter in hun oog. “Tuurlijk, Simon, je hebt helemaal gelijk, er is bij ons ook nog wel een heel klein beetje ruimte voor verbetering.”
En nu wordt Een Cursus in Wonderen een vervelend boek voor ons, want het vraagt ons om onze eigen mind echt, eerlijk en grondig te onderzoeken. Om te onderkennen en erkennen dat er geen rangorde is in wonderen, en daarmee geen werkelijk onderscheid in gradaties van geloof in afgescheidenheid. Denk aan die kleine irritatie als iemand voordringt in de winkel of je afsnijdt in het verkeer, aan onze boosheid op onze politici, op de buurman en ga zo maar door. Dat alles bevindt zich vlak onder het laagje spiritueel vernis en het is niet prettig om erop gewezen te worden en nog minder om ernaar te kijken, het te erkennen en naar het licht te brengen. We overschatten onszelf qua vorderingen op het spirituele pad hopeloos, en ik spreek hier bewust over “we”, omdat ik hier zelf ook bij hoor.
En dit beantwoordt de vraag waarom de ellende maar voortduurt in de wereld. We kunnen natuurlijk een nieuw geloof omarmen en overhaast roepen dat er helemaal geen wereld is en dat er dus al helemaal niets verkeerd is gegaan. Als je daarmee onder de wol wilt: be my guest. Maar is geloven in een ware uitspraak hetzelfde als het daadwerkelijk realiseren ervan?
In mijn ervaring loop ik met regelmaat tegen mijn eigen scherpe kantjes aan. Er is echter wel een lichtpuntje: ik herken en erken ze eerder en ik zie hoezeer ik ertoe geneigd ben om, zoals ECIW zo mooi zegt, grieven te koesteren. En pas dan kan ik besluiten dat er een andere keuze mogelijk moet zijn. Pas dan kan ik opmerken hoe lastig die keuze te maken is vanuit mijn oude, kleine zelf en dat ik verlossing nodig heb van Hem: Vader, Jezus, Heilige Geest. Van Dat Wat mij in Liefde draagt. Ik leer om mijn knie te buigen en genade te ontvangen. Niet uit eigen verdienste, maar omdat we allemaal gedragen worden door Liefde.
Jezus kijkt niet alleen naar moordenaars als hij vanaf het kruis zegt: “Vergeef hen, Vader, ze weten niet wat ze doen.” Hij heeft het over mij. En als ik me dan openstel, dan is daar het wonder waar ECIW over spreekt. Het wonder van vergeving dat Hij mij schenkt zonder dat ik het hoef te verdienen. Diezelfde vergeving moet ik leren schenken aan mijn broeders en zusters, zonder iets terug te verlangen en zonder dat zij die eerst hoeven te verdienen. Ook zij weten niet wat ze doen. Dan kan er een glimp binnenkomen van een betere wereld, van een nieuwe wereld waarvoor iedereen is uitgenodigd.
