Ik geloof niet in God…?!

In programma’s van de EO komt regelmatig de vraag voorbij: “Geloof je in God?” De antwoorden variëren van “ja” en “nee” tot “ik geloof wel dat er iets is”.

Wie ooit een communicatiecursus heeft gevolgd, weet dat deze vraag in de categorie “gesloten vragen” valt. Op zulke vragen volstaat een kort antwoord; ze nodigen niet werkelijk uit tot een goed gesprek.

Bij het beantwoorden van de vraag “Geloof je in God?” zoeken mensen het antwoord al snel in hun hoofd. Ongemerkt geven ze dan een antwoord dat losstaat van hun gevoel of, beter gezegd, van hun hele wezen. In het hoofd van de ondervraagde ontstaat een beeld van wat hij of zij onder “God” verstaat. Niet zelden is dat het klassieke godsbeeld uit de Bijbel: een God buiten ons, die ons gemaakt zou hebben en ons gedrag goedkeurt en beloont of afkeurt en bestraft. Als dit concept ons niet aanspreekt en ons, terecht, ongeloofwaardig voorkomt, antwoorden we dat we niet in zo’n God kunnen geloven. Daarmee kan de kwestie voor de ondervraagde zijn afgedaan: “Ik geloof niet in God en ga nu over tot de orde van de dag, tot het echte leven.”

Het zou al een verbetering zijn als we een opener vraag stelden: “Hoe kijk jij naar God?” Hoewel het antwoord nog steeds direct door een negatief godsbeeld kan worden bepaald en iemand meteen kan zeggen niet in God te geloven, neemt de kans op een genuanceerder en uitgebreider antwoord toe. Vaak klinkt dan de eerdergenoemde reactie: “Ik geloof wel dat er iets is.” Het waardevolle van dit antwoord is dat er al iets van gevoel in doorklinkt en dat iemand minder bevooroordeeld is en meer openstaat voor nieuwe inzichten en ervaringen.

Juist omdat zoveel mensen op conceptuele wijze over God “nadenken” en daarbij stuiten op onbewuste vooroordelen die voortkomen uit een geloof in afgescheidenheid — ik hier en God daar — vermijden veel stromingen het beladen woord “God” en kiezen ze liever een andere term. Denk aan de Bron, de Oorsprong, de Natuur of het Al. Deze termen roepen direct een gevoel van verbondenheid en relatie op. Je bent immers verbonden met jouw bron, jouw oorsprong, de natuur en het al. Zelfs het bezittelijk voornaamwoord “jouw” benadrukt die verbondenheid.

Jezus heeft in het Nieuwe Testament geprobeerd het stoffige, conceptuele godsbeeld te vervangen door een doorleefde, relationele en warme term: “Abba”. Een dominee legde mij ooit uit dat zelfs de vertaling “Vader” nog te afstandelijk is; “Papa” zou beter zijn. Het risico blijft echter dat mensen die een moeizame relatie met hun biologische vader hebben gehad, opnieuw met een beladen term worden geconfronteerd.

In Een Cursus in Wonderen (ECIW) vernieuwt Jezus niet alleen ons godsbegrip, maar stoft hij ook veel Bijbelse termen af: vergeving, zonde, Heilige Geest en verlossing krijgen een nieuwe, frisse en vreugdevolle betekenis. ECIW is zo’n dik boek omdat het kennelijk veel moeite kost om ons vastgeroeste, door vooroordelen beheerste denken te herprogrammeren en open te breken, zodat er een frisse wind — een helende geest — doorheen kan waaien. Wie de 365 werkboeklessen dagelijks volgt en op 1 januari met les 1 is begonnen, is nu bij les 277 aangekomen. Zoals in elke les klinkt ook vandaag de boodschap van vrijheid door. Zo staat er: “Uw Zoon is vrij, mijn Vader.” Ik durf te stellen dat een christen die ECIW onbevangen leest, haast niet anders kan reageren dan met blijdschap en herkenning. In ECIW spreekt de Jezus uit het Nieuwe Testament opnieuw, met een warm en liefdevol gezag. De krachtige werkboeklessen en affirmaties schudden ons wakker, waardoor de korst van een verhard en conceptueel bijgeloof kan openbreken en goddelijk licht, liefde en warmte kunnen binnenstromen.

Er ontstaat een beweging van hoofd naar hart. ECIW heft blokkades op die we zelf hebben opgeworpen tussen ons en God, de Bron, Liefde en het Al. In werkboekles 277 klinkt dat als volgt: “Laat ik me niet verbeelden dat ik hem (= de Zoon, wie we echt zijn) heb gebonden met de wetten die ik heb gemaakt om het lichaam te regeren.” Deze wetten berusten op ons vaste geloof in afgescheidenheid: het geloof dat we kwetsbare, lichamelijke en sterfelijke wezens zijn die moeten opzien tegen een strenge God buiten onszelf.

In het vervolg op ECIW, Een Cursus van Liefde (ECvL), wordt het feest compleet. Al lezend groeit ons gevoel van verbondenheid met de Vader, met Jezus en met elkaar. We worden heel letterlijk en daadwerkelijk geheeld: heelheid van hart. Het gevolg is dat je bijna moet lachen wanneer iemand vraagt of je in God gelooft. Je weet je immers steeds meer gedragen door de kracht van Liefde. Je voelt je daadwerkelijk verbonden met de Bron en met de Vader. De vraag wordt dan net zo onzinnig als de vraag of je in je vader, moeder, kinderen of beste vriend gelooft: “Ik weet dat ze bestaan en ik voel mijn liefde voor hen; wat is dit toch voor een gekke vraag?”

De vraag “Geloof je in God?” en vooral de manier waarop velen daarover gaan “nadenken”, laten zien dat we helaas zijn losgeraakt van ons diepe besef van verbondenheid met God, de Vader, de Bron, Liefde en elkaar. Het is eigenlijk geen vraag, maar een symptoom van de vervreemding van onze tijd. De tijd is aangebroken om deze vraag te vervangen door een getuigenis: “Ik vertrouw mijn Bron en ik vertrouw jou, mijn broeder, mijn zuster, omdat wij één zijn.” Of, zoals ECvL het zo mooi verwoordt: “We zijn elkaars eigen.”